HET LEGAAT.

Mijn arme vriend Rob, hij is dood!

De goede jongen! Of hij stervend nog tegen den dood zal gelachen

hebben, gelijk hij altijd zeide, dat hij doen zou? Zeker, vriend Hein!

gij zijt een ijzegrim, als gij er niets van gevoeld hebt, toen gij

dezen eerlijken, trouwen knaap den hals braakt. Zulk graan krijgt gij

zelden onder uw zeis. Mijn arme vriend Rob, hij is dood!

Grooter snaak dan hij liep er niet. Gelijk sommige menschen veel hebben

van een gestolden traan, was zijn voorkomen een onophoudelijke

glimlach. Hij ging de wereld door als een vroolijk kind, schertsende en

grappenmakende: reeds toen ik met hem school ging, was hij de vreugde

van al de jongens. Als zij Rob maar zagen, begonnen zij reeds te

lachen; zelfs de meester kon het niet tegen hem uithouden, maar schoof

van vroolijkheid zijn pruik op één oor, als hij recht aan den gang was.

Ofschoon hij de eene dwaasheid na de andere uitvoerde, geloof ik niet,

dat hij ooit iemand ernstig boos gemaakt heeft. Hij was als Arlequin;

ieder kreeg slaag van hem; maar het was een houten zwaard, dat hij

zwaaide! en een zwaard daarenboven, dat als een tooverstaf, de macht

had om slapenden wakker en treurenden vroolijk te maken. En toch, toen

hij de school verliet, schreiden allen; ofschoon hij allerlei

bokkesprongen maakte om zich zelven en de anderen op te vroolijken. Zoo

was hij altijd. Hij kon geen tranen zien, of hij moest ze wegschertsen.

Ik ben zeker, dat hij zijn ziekenoppasser meermalen aan ’t lachen

gemaakt heeft. Arme Rob! Nu moet hij ze laten uitweenen.

O, ik had hem zoo lief! zoodra wij elkander op de school ontmoetten,

werden wij vrienden. Hoe, begreep niemand. Want ofschoon ik toen nog

zoo bleek en strak niet zag als nu, was ik toch lang geen blozende

lachebek gelijk hij. Maar ik geloof, dat hij al dadelijk aan mij zag,

dat ik het rechte wild voor hen was. Want hij was geen van die

grappenmakers, die alleen aardig zijn onder huns gelijken: hoe

treuriger hoe liever; des te meer eer was er aan te behalen. Of laat ik

liever zeggen, zijn goed hart gebood hem het eerst dezulken op te

zoeken, die hij begreep dat aan een opgeruimd woord de meeste behoefte

hadden. Hij beschouwde het vervroolijken van anderen als een soort van

bestemming voor hem. Geen aanleg hebbende om te weenen met de

weenenden, zocht hij weenenden met zich blij te maken. Daarbij ging hij

evenwel niet zoo te werk, dat hij zijn narrebellen aan ieder rouwfloers

bond. Als bij instinkt wist hij te raden, waar zijn luim op de smart

schipbreuk zou lijden; en dan kon hij tot zichzelven, als tot een

speelschen hond, die tegen iedereen opspringt, zeggen: „Stil, Rob! stil

jongen!” en dan was Rob zoo stil als een muis! of zoo hij sprak, het

was met een enkel woord van diep gevoel, zoo als men nooit van zijn

dartele lippen zou verwacht hebben. Is het niet vreemd? terwijl niemand

mij beter aan ’t lachen kon maken, schreide ik om niemand eerder, dan

om Rob!

Maar ik heb niet dikwijls om hem geschreid. Duizendmaal meer heb ik om

hem gelachen. Nauwelijks ging de school uit, of hij pakte mij onder den

arm; dan volgde de eene kwinkslag op den anderen, zoodat ik dikwijls,

als ik thuis kwam, niet tot mijzelven kon komen; en toch was hij zoo

zacht voor den weemoed, waartoe ik reeds als knaap en jongeling neigde.

Dit kwam daaruit voort, dat hij er zelf niet vrij van was. De

grondtonen onzer ziel klonken gelijk, maar wij droegen ons leed anders.

Terwijl ik in mijn kooi zat te kirren als een tortel, met een lang

uitgehaald: koe-ke-roe-oe!—zat hij, ofschoon even zoo goed gevangen als

ik, tegenover mij in zijn kevie te zingen als een kanarievogel. Met

iedere smart, die ik hem als een harde noot te kraken gaf, sprong hij

om als Jocko: krak-krak! had hij haar stuk, hij wierp mij de schellen

naar den kop, en peuzelde de zoete kern, die hij er uithaalde, met een

vergenoegd gezicht op. Men zegt van Rubbens (als ik wel heb), dat men

nooit vier of vijf schreefjes zoo plaatsen kon, of hij maakte er een

menschengezicht van. Welnu, zoo kwam hem geen smartelijke trek voor of,

kriskras! had hij hem in een glimlach veranderd, zonder iets

uitgewischt te hebben. O, het is niet moeielijk, dissonnanten te

overschreeuwen: dat kan ieder; maar ze op te lossen, dat is de kunst!

en dat kon mijn vriend Rob.

Hij had geen gelukkig lot in de wereld. Een arme moeder, waarvoor hij

te zorgen had, bij geringe verdiensten. Maar dit maakte hem nooit

treurig; hij kon zijn droog brood met zulk een goede gratie eten, dat

gij aan zijn gezicht zoudt gezegd hebben dat hij een reeboutje kloof.

„Vroolijkheid, jongen!” kon hij wel tegen mij zeggen, „is de beste

kruiddoos.” Daarbij kwam, dat hij een voorgevoel had, dat hij niet oud

zou worden. Dus moest hij zorgen in de voorbaat te zijn, om zijn moeder

niet hulpeloos achter te laten. „Gij zult het wel zien,” zeide hij,

„Rob loopt niet lang. De zwarte man mag hem niet lijden. Ik maak het

hier de menschen veel te pleizierig. Nu laat hem komen! ik zal hem in

zijn gezicht uitlachen, of mijn naam is geen Rob!”

„Daar hebben we ’t al!” schreef hij onlangs. „Jonathan, ik lig er voor;

de magere man heeft mijn vet al beet, en zal nu aan de beenders gaan.

Kom mij nog eens zien, als gij kunt. Ik wil den Dood al mijn vrienden

presenteeren; dan kan hij van nijd vergaan, dat hij er zoo veel niet

heeft.”

P.S. „Kom gauw, want hij wacht niet.”

Ik kwam. Daar lag hij, de arme Rob! bleek als de dood, en mager als een

geraamte.

„Welkom!” juichte hij met een gebroken stem tegen. „Neem mij niet

kwalijk, dat ik u zoo familiaar in mijn beendernegligé ontvang, mijn

vleeschrok [2] is bij den snijder om te vermaken.” Zoo schertste hij

voort met woorden vol diepen zin en aandoenlijken luim.

„Schrei zoo niet!” zeide hij, terwijl ik in tranen stikte. „Gij maakt

mijn vleugels nat, en ik zal straks niet kunnen vliegen.—Goeden nacht!”

riep hij mij na, toen ik mij in stomme smart van zijn leger losrukte.

„Wat vroolijker gezicht, als ik u weêrzie, hoor!”

Gister morgen kreeg ik de tijding van zijn dood. Hij had tot zijn

jongste oogenblikken zijn bewustheid en dezelfde stemming van geest

behouden. „Alles klaar!” was zijn laatste woord. Wat zullen er toen

veel tranen op het vroolijkste gezicht der wereld gestort zijn. Alas,

poor Rob!

Wie zal ons nu troosten? Het ongelukkigste is, dat Rob alleen voor zulk

een ramp raad had geweten. Ja, dat is het ergste; nooit is men

troosteloozer dan bij den dood van hen, die ons het best hadden kunnen

troosten. Als niets mij bemoedigen kon, had Rob altijd nog een paar

woorden achter de hand. Maar nu hij dood is.... ik zal naar zijn graf

gaan, en zien of ik daar baat kan vinden; de vrome ziel kon zelf op een

graf zoo vroolijk lachen. „Onder het lamfer,” placht hij te zeggen,

„behoort een gezicht van Jean qui pleure et Jean qui rit. Voor ieder,

die gaat en die blijft, de helft.” Ach, ik zal het nooit leeren.

Te gelijk met zijn doodbericht ontving ik het legaat, mij door hem

gemaakt. Het zijn de brieven, die ik hem op onderscheidene tijden

geschreven heb. Deze heeft hij in een groot pak gesloten, en zijn

moeder verzocht ze mij na zijn dood terug te zenden.

Fragmenten van een afgebroken correspondentie, later voort te zetten.

Zoo luidt het opschrift, dat hij er met eigen hand op geplaatst heeft.

Ziedaar Rob geheel! nooit was er vroolijker godsvrucht, dan de zijne.

Hij sprak van den hemel, zooals een kind er van spreekt, als of het

alleen een hoogere verdieping van onze tegenwoordige woning was. Hij

had niets van sommige menschen, die nooit het woord dood of eeuwigheid

in den mond nemen, zonder eerst een benauwd gezicht te zetten, een

hangenden lip te trekken, en hun stem zoo diep als zij kunnen uit hun

onderbuik te doen opkomen. Dezulken spreken van den hemel met een

gelaat, dat men er bang van wordt. Niet aldus mijn vriend Rob. Midden

in zijn grappigste scherts kon hij op eens aan zijn woorden een

luimig-verheven wending geven, die u in het hart greep; maar in

hetzelfde oogenblik was hij, als een eekhorentje, dat langs een hoogen

boom op en neder klautert, reeds weder beneden, en sprong u om de

beenen. Met den dood was hij zoo familiaar als met zijn eigen geraamte.

Hij kon sermoenen tegen hem houden, dat u de tranen over de wangen

liepen. Dat noemde hij zijn gymnastische oefeningen om langs zijn

ribben naar boven te leeren klimmen. „Och,” zei hij, „het geheele leven

is niets dan een groote mastklimmerij; boven hangen de prijzen: beneden

staan wij jongens te gapen. Het komt maar op het durven aan; één goede

zet, en men is er! drommels, als de paal maar zoo glad niet was!”—Maar

gij zijt er nu toch, goede Rob! en uw prijs zal niet van de minste

wezen.

Ik dacht gister het lijkfeest van mijn vriend niet beter te kunnen

vieren, dan door den ganschen dag aan het lezen van zijn

Correspondentie te wijden. Ik rangschikte al de brieven, over en weêr

geschreven, bij elkander, en had dus bijna de geheele geschiedenis voor

mij. Dat was een aandoenlijke lektuur. Nooit had ik ROB zoo lief als

gister; nooit voelde ik zijn waarde beter; hij won zeer bij de proef,

die anders zoo hachelijk is, van op eens in zijn geheel gezien te

worden. De meeste menschen, aldus opgezet, zouden al een vrij

wonderlijk misgewas vormen. Bij menigeen zou het eene been het andere

verloochenen, en de eene arm de anderen parodieeren. Geheel anders bij

Rob! Zijn geheele zedelijke gestalte was fiksch en frisch uit de

kluiten gewassen, en droeg alles op de rechte plaats. Niets versteld of

bedorven door ontijdige rijpheid of tragen groei, maar een geregelde en

gelijkmatige ontwikkeling van kind tot knaap, van knaap tot jongeling,

van jongeling tot man. Zijn hart had alle graden doorgeloopen, even als

een soldaat van verdienste bij de armée. Van daar was zijn gansche

morele constitutie zoo gezond; zijn leven had niets van een verknoeide

teekening, waarin de gom-elastiek beurt gehouden heeft met het

zwart-krijt, en waaraan meer tijd is zoek gebracht met uitwisschen, dan

met teekenen. Wat er stond, dat stond er, en dat stond er goed. Bij hem

schreide de dag van heden niet over den dag van gister, noch verzamelde

dampen voor den dag van morgen; maar de maandag gaf de hand aan den

zondag, en de dinsdag aan den maandag. Toen ik dat zoo zag, werd ik

bewogen bij de gedachte aan zijn afsterven. Het is jammer, weêrgaloos

jammer, dat de Dood dit drama gestoord en de gordijn heeft doen vallen

eer het was afgespeeld; er moesten nog zulke treffende passages komen.

Mijn goede Rob! ik had u nog zoo gaarne eens als père noble gezien! en,

indien ik het had mogen beleven, welk een beminnelijke vertooning zoudt

gij als grijskop gemaakt hebben! Mij dunkt, ik zie u met een krans van

jeugdige vroolijkheid om het rimpelig hoofd; met een vergenoegd lachje

op de dorre wang, als een zonnestraal op herfstloover; met een schat

van wijsheid verrijkt, als een honingkorf in den winter. Ja, een

honingkorf! dat zoudt ge geweest zijn. Uw ondervinding zou niet, als

bij zoo velen, zoete druiven in zure eek veranderd, maar uit de bloemen

op uw levensweg enkel zoetheid gepuurd hebben: Gij hadt altijd een

afkeer van menschen wier ervaring het zure opschrift winazijnmakerij

aan het hoofd droeg. Gij, integendeel, zoudt uw vreugd genoten hebben

als een Epicurist zijn wijn; hoe ouder, hoe beter. Ik vooral, Rob, ik

had u zoo noodig gehad. Gij hadt voor mij de zware slippen van den

rouwmantel, dien rijper leeftijd den menschen telkens om de schouderen

hangt, (oude menschen zijn ongequalificeerde noodigers ter begrafenis)

moeten ophouden. Gij hadt, als de komiek in de stukken van Kotzebue,

met uw onschuldige scherts mijn treurige tooneelen moeten opvroolijken.

Gij hadt mij moeten leeren, van mijn oudemans-stokje een zotskolf te

snijden, om die den Dood als een duivelbannend teeken voor te houden.

Heracliet en Democriet—zoo zouden wij oudjes arm in arm het laatste

eindje van onzen weg gegaan zijn, en malkaâr zachtjes de grafhelling

hebben afgeholpen. Maar gij hebt mij leelijk laten zitten, met zoo hals

over kop—daar gaat hij!—in de diepte te springen. Nu sta ik er alleen

voor; en of ik nu, met onzen vriend uit Bayreuth, den Dood al toeroep:

„Schud maar toe, schud maar toe! dan kom ik bij mijn braven Rob!” het

baat niet.—Jongen Rob! dat is een leelijke streek van u, zoo maar

zonder waarschuwen heen te gaan, en mij met den boel te laten zitten.

Daar zal iets over moeten vallen, als ik u weêrzie!

Maar wat beschuldig ik u, eerlijke knaap! als of gij er schuld aan

hadt? Neen, in u viel het nooit, uw vrienden in verlegenheid achter te

laten; had het aan u gelegen, gij, goede ziel, gij hadt ons allen wel

laten voorgaan, en gaarne de moeite genomen om, als de laatste van

allen, de deur te sluiten. Maar de dood riep u op: en avant seul; en

met onwillige kooten volgdet gij en danstet uw pas seul, terwijl gij

ons op onze plaats moest achterlaten. En nu ben ik zeker, dat gij den

dood nog wel eens een goed oog geeft om ons ook te komen halen. Trouwe

vriend, die ge zijt!

Wat liggen ze daar koel, die uitboezemingen van twee warme harten. Op

het oog zou men het even goed voor rekeningen kunnen aanzien.—En zijn

het in zekeren zin geen rekeningen? rekeningen van hetgeen het hart aan

de wereld, de verbeelding aan de wezenlijkheid betaald heeft? of liggen

daar niet zoo veel gedachten, gewaarwordingen, wenschen en begeerten,

die sedert als verouderd hebben moeten worden weggedaan, om, tot duren

prijs, door andere te worden vervangen? En kon men er niet een zulke of

dergelijke nota van maken?

Een ouderwetsch kleed van UEd. nieuwmodisch en pasklaar gemaakt.

Een groote optica-spiegel tot een scheerspiegeltje verkleind.

Van een oude gedamasceerde kling een pennemes gemaakt.

UEdelens zevenmijlslaarzen tot pantoffels versneden.

De glazen uit UEd. teleskoop verslepen en in een bril gezet.

UEd. nationale vlag tot een vlaggendoek voor UEd. lendenen vermaakt.

Een gewezen vrijheidsboom van UEd. voor een mangelrol in orde gebracht.

Van een metalen standbeeldje een keukenvijzel gegoten.

Op onderscheidene tijden duiven uit UEd. vlucht geplukt en gelardeerd.

Is het zoo niet? Ik kan het niet zonder droefheid aanzien. Anders geeft

mij het gezicht van gekwiteerde rekeningen genoegen; het is voor mij

altijd een vroolijk uur, als ik in het begin van de maand Januari mijn

physiologische schuldvorderingen, die koningen van verschrikking, zoo

als Bellamy ze noemde, als tamgemaakte kwitanties aan een koord rijg,

en nu zeggen kan, dat ik ten minste van dezen kant mijn rekening met

het afgeloopen jaar gesloten heb. Maar deze psychologische

kwijtbrieven, waarin het bewijs berust, wat ik al in den loop van

verleden jaren aan de firma van publiek, mode, etiquette, kortom aan

dien geheelen Jodenhoek betaald heb, doen mijn oog minder aangenaam

aan. Het is wel goed, dat ze betaald zijn: het zij verre van mij te

zeggen, dat ik insolvent had willen blijven; maar zij hebben mij

evenwel veel gekost. Ik schijn hier de tering niet zoo wel naar de

nering gezet te hebben, als ik in ’t burgerlijke leven gewoon ben. Hier

en daar zijn kleine posten, waarvoor ik ongehoord veel betaald heb; en

nu en dan viel mij zelfs de rekening zoo uit de gis, dat ik er nog krom

om liggen moet. Dat deed mijn vriend Rob beter; hij wist altijd voor

alles den juisten tijd, en slaagde er in, zich er bijna geheel zonder

schade door te redden. Had hij naar zijn berekening zijn

uitvliegduifjes lang genoeg gehad, dan was het met een vroolijk

gezicht: „Komaan, jongens! de pan wacht!”—en in een oogenblik had hij

ze den kop omgedraaid, en zat ze op te peuzelen zonder er iets van te

weten. Ik daarentegen hield de mijnen over den tijd, zoodat ze taai

werden, en als ze dan eindelijk op tafel kwamen, at ik ze met tranen in

het oog, en zag aan mij bevestigd, wat men zegt, dat duivengebraad

zwaarmoedig maakt. Bemerkte hij, dat men hem vreemd begon aan te zien,

omdat hij te lang met een rond buis liep, eer iemand er om dacht, had

hij er een paar panden aan gezet, die hem deftig over de kuiten hingen.

Op iedere auctie deed hij wat van zijn oudheden, en kocht daarvoor wat

nieuws in de plaats, zoodat hij altijd in zijn doen bleef. Met één

woord, hij wist zijn slag waar te nemen, en altijd ter rechter ure te

verkoopen. Rob, Rob! dat gij heengegaan zijt, zonder mij die kunst te

leeren.

En ben ik dat nu? Met dat gevoel, waarmede een volwassene voor het

portret staat, dat men van hem als kind gemaakt heeft, doorlas ik mijn

eigen brieven, die mij het portret van mijn zedelijk Ik voorhielden.

Immers, gelijkender kon ik mijzelven niet zien; hier zag ik mij niet in

een teekening door anderen gemaakt, maar, even als bij de Daguerrotype,

door de natuur zelve gemaald. Zoo verre iets, dat het wezen zelve niet

is, van het wezen een denkbeeld geven kan, vond ik hier mijzelven

terug. Wonderlijk, wonderlijk, hoe menigmaal was ik zonder mijn eigen

beeld te herkennen! het was goed, dat mijn eigen hand daarop het

onvervreemdbare zegel geplaatst had, anders zou ik het ruiterlijk voor

een contrefaçon hebben uitgemaakt. Maar ik kon mij niet bedriegen; het

moest zoo zijn. Daar zag ik dan, even als in een bewegelijk panorama,

mijn gansche inwendige leven achtereenvolgens voor mijn oog

voorbijgaan. Daar zag ik den knaap nog eens den vlieger oplaten en met

den bal slaan: den jongeling nog eens droomen dichten en gedichten

droomen; den jonkman aan de voeten van Betsy zitten en van de voeten

van Betsy losscheuren; den man den strijd met het werkelijk leven

aanvangen, beurtelings overwonnen worden en overwinnen. En op ieder

tooneel vond ik, even als bij onze oude schilders, één zelfde geliefde

figuur weder: de figuur van Rob. Hij was bij alles tegenwoordig; zijn

snakerig gezicht stak overal door de een of andere opening: zijn stem

klonk door alle zuchten en tranen heen:

Du courage! Du courage!

Les amis sont toujours là!

De goede Rob! Ik heb nooit geweten, dat hij zoo zacht en week was. Maar

als ik nu zie, hoe hij onder alle omstandigheden met mij heeft

omgesprongen, vind ik daarin een gevoeligheid van ziel, die mij treft.

Nergens een hard oor of een hard hart; maar overal een Jobs-geduld om

mijn klachten aan te hooren, en een Jobs-gemoed om in mijn smart te

deelen. Het is waar; hij gaf mij daarin nooit toe, noch kwam op den

slijkhoop naast mij zitten, om de tweede partij van mijn Ach! en Wee!

te zingen. Maar hij viel er ook niet met een onbarmhartig Ai! en Foei!

tusschen. Hij versnelde de maat alleen een weinig, en zette het motief,

dat hij trouw behield, eenvoudig wat luchtiger om. Eer ik er om dacht,

had hij het sleepende maestoso in een deftig moderato veranderd. Van

waar had de jongen dat verstand? ik weet het niet; maar nu, van

achteren beschouwd, kan ik het niet dan met verwondering zien, hoe veel

oordeel en levenswijsheid hij daarbij heeft aan den dag gelegd. O,

nooit kan ik het genoeg erkennen, wat hij voor mij geweest is; de

natuur had hem naast mij geplaatst, om, als een koperen naast een

dunner snaar, mijn toon te steunen en te versterken. Als hij er niet

geweest was, die toon ware lang valsch en ontstemd geworden, en de

speler had mij als een onbruikbaar vod kunnen wegwerpen. Nu kan ik het

des noods zonder u stellen, mijn trouwe bas, mijn tweelingsbroeder ROB.

Is dat alles één mensch? Zoo vroeg ik verwonderd, wanneer ik soms een

van mijn eerste naast een van mijn laatste brieven leide; ik had moeite

het mij te overreden. Maar een oog op de verschillende trappen

geslagen, die ik langs was geklommen, benam mij welhaast mijn

bevreemding. Hoe langzaam en regelmatig is die overgang! niet ongelijk

aan de beweging van onze aarde, die in vierentwintig uren toch ook een

geheele wenteling om de spil maakt, zonder dat wij er evenwel iets van

bemerken. Het is zonderling en treffend, die ontwikkeling na te gaan.

Men lacht zoo dikwijls met dat spreekwoord: Een mensch verandert om de

zeven jaar. Maar, naar mijn inzien, ligt er een ware en diepe les in.

Wie er om spotte, ik neem het als thesis over en ben bereid die publice

et solemniter te verdedigen.

Willen wij een proef nemen?

1–7. Het kind in de kinderkamer.

7–14. Gij zult erkennen, dat de jongen op de speelplaats een geheel

ander wezen is. Ik ten minste zie kans u, na zeven jaar, het eene kind

voor het andere in de hand te stoppen.

14–21. Waar vindt gij nu den knaap in den jongeling? den woeligen,

dartelen schalk in den peinzenden, verliefden Dichter?

21–28. Hier hebt gij den overgang uit het dichterlijke in het

wezenlijke leven: de eerste en heiligste verbintenis, de eerste

vadervreugde. Wat dunkt u? de jongeling, met zijn armen uitgestrekt om

de wereld aan zijn boezem te drukken, en de echtgenoot en vader, die

niet weet hoe hij zijn armen eng genoeg om vrouw en kind klemmen

zal,—zijn dat geen twee verschillende wezens?

28–35. Nu worden zeker de overgangen minder scherp, maar evenwel

blijven ze voor het fijne oog toch nog merkbaar genoeg. Nu maakt zich

de eerzucht meester van het hart, waarin tot dusverre bijna alleen de

liefde heerschte; de huiselijke kring wordt te nauw: men breidt zich

naar buiten uit; men wil meê de hand aan ’t roer hebben. NB. De zon,

die bij hare daging rozerood was, begint gedurig meer naar het

goudkleurige te trekken.

35–41. Zij is heel en al geel! de hebzucht is bij de eerzucht gekomen.

Men heeft een grooten staat te voeren; men heeft zoons te plaatsen,

dochters uit te huwelijken; men begeert zich door zijn kinderen, en

zijn kinderen door zich te verheffen.

42–49. Men heeft de gewenschte hoogte bereikt en geniet de gemaakte

veroveringen. Men is buiten geëerd door het publiek, en binnen gelukkig

in zijn betrekkingen. Men krijgt een onderkin en staat als peter over

zijn kleinkinderen.

49–56. Men vangt aan zich terug te trekken. Men ziet zijn vrienden

sterven en begint naar rust te verlangen. Men bedankt voor alle

lastposten en houdt alleen de winstgevende aan.

56–63. Men ziet in ’t geheel geen menschen meer; men wandelt veel en

gaat trouw te kerk; men wordt hypochonder en neemt een lijfmedicus aan.

63–70. Men begint zich gereed te maken voor de afreis. De rekening

courant wordt opgemaakt, de overbodige lading over boord geworpen en

stichtelijke artikels ingenomen.

70–77. Men sterft, natuurlijk als men niet eer gestorven is.

Ziedaar in eenige groote trekken de voornaamste nuances opgegeven, die

toch kennelijk genoeg van elkander onderscheiden zijn. En niemand

meene, dat ik hem met deze beschrijving heb willen veroordeelen. Geen

gedachte is verder van mij. Integendeel, zóó of zóó omtrent moet het

gaan, indien alles wel zal gaan. Zóó moet men, als de zon,

achtervolgens de verschillende teekens van zijn aardschen dierenriem

doorloopen, en nu eens, in het teeken van Leeuw en Ram, zijn

jongelingskracht in tegenstand tegen de wereld oefenen; dan in het

teeken van Maagd en Waterman, zijn minneleed beschreien; dan, in het

teeken van Weegschaal en Schutter, mannelijk oordeel met mannelijke

vaardigheid leeren paren, om ten laatste, in het teeken van Kreeft en

Visschen gekomen, zijn vaart te vertragen, en zachtkens een weg ten

einde te brengen, dien men met zoo veel vuur en geestdrift is

opgestreefd.

Dat is de orde en de wet der natuur, en ongelukkig, die haar wil

omkeeren; hij wordt voor zichzelven even ellendig als nutteloos voor

anderen. Er is een tijd van bloei, een tijd van dracht en een tijd van

verval; die tijdperken moeten elkander vervangen, zonder op malkaârs

grondgebied te treden. Ik wil kleur in de lente, geur in den zomer, en

vrucht in het najaar. Eerst groen en wit, dan blauw en rood, dan geel

en bruin. Zoo was het bij Rob. Hij was altijd gelijk met de

verschillende saizoenen: als men dacht, nu moet er haast dit of dat

komen, dan kwam het ook. Hij was geen broeiplant, die zijn roode

vruchten tusschen de sneeuw droeg, en even weinig een ziekelijke

nablijver, die met zijn zure vruchten aankwam, als men hem al vergeten

had; hij was een gezonde klant, die zoo precies op zijn tijd paste als

de zon zelve. Ik moet bekennen, dat hij mijn traagheid wel eens heeft

moeten voortduwen: „Toe dan, Jonathan! maak voort, jongen! waar blijf

je dan?” en dan kwam hij als een morele Don Antonio Magino met zijn

weêrtafel, en wees mij: „heden zonneschijn en mooi weer” of als een

Tuinmans-Almanak: „heden deze of die vrucht!” en als die dan zoo

spoedig niet uit den dop wou vallen, dan draaide hij mij een weinigje

in de zon en was niet tevreden, eer ik mijn contingent geleverd had.

Mijn goede Rob! Wie zal nu het oog over mij houden?

Gij maakt daarom uit het gezegde toch niet op, dat Rob een zoogenaamd

solide mensch was, die op zijn valhoed reeds met de kroon der zeven

Grieksche wijzen liep, uit zijn tafelstoel les gaf over de

differentiaal-rekening, en bij zijn opgeworpen bal de nuttigheid van

laag gooien en dikwijls vangen betoogde. Gij zoudt u bedriegen.

Daarvoor was hij veel te veel in de natuur. Neen, hij geloofde wel

degelijk, even als ik, dat er een jeugd aan den mannelijken leeftijd,

een tijdperk van bloei aan dat van vruchtbaarheid moet vooraf gaan. Ik

zet het u, van die vroegrijpe menschen een mensch te maken als mijn

Rob! Er moet in den jongen mensch wat overvloed van leven zijn. Als de

kunstenaar een beeld wil gaan houwen, dan neemt hij geen blok, dat

juist zoo groot is als het beeld, dat hij maken wil, maar hij neemt een

vierkanten klomp, waar de ruwe kanten nog aan zitten. Daar zit dan het

beeld, dat er uit moet komen, wel in, maar eerst moet de buitenste

schors wegvallen. Ha! hoe er dan onder zijn krachtigen beitel de

stukken afvliegen! hoe het beeld overal het marmer pijnlijk van het

lijf wordt gescheurd! het zucht onder de ruwe slagen van zijn

formeerder! maar let op! daar beginnen de houwen reeds af te nemen;

telkens valt het wapen zachter neder; heerlijk komt het beeld uit zijn

ruw omkleedsel te voorschijn! Nu worden nog de laatste scherpe hoeken

en kanten afgeslepen, geëffend en gerond, de proportiën gedeeld en de

lijnen gebogen. Daar staat nu de koningsgestalte, glad als ijs en zacht

als satijn! Dat is beeldhouwen! dat is menschen-formeren!

Wilt gij hooren wat er de Wijze van Bayreuth van zegt?

Gij lieden wilt derhalve reeds bij den aanvang datgene krachteloos te

velde doen trekken, hetwelk door den tijd en de wereld buitendien toch

genoeg wordt ontzenuwd? Wat is al de winst, die de jongeling uit het

vermijden van eenige mispassen en verkeerde inzagen trekt, gerekend

tegen het ontzettend verlies, hierin gelegen, dat hij, zonder het

heilige vuur der jeugd, zonder vleugels, zonder groote plannen, met één

woord, zoo naakt het enge leven inkruipt als de meeste het uitkruipen?

Hoe kan zonder den idealengloed der jeugd het leven tot rijpheid komen,

of de wijnstok zonder den gloed der oogstmaand? Het schoonste, hetwelk

door de menschen verricht werd, al ware het ook in hun koude

jaarsaizoen, was nimmer iets anders, dan de slechts laat opkomende

zaadkorrel, die door den boom des levens in het paradijs was

voortgebracht. Of zaagt gijlieden nooit, hoe een mensch door eenig

goddelijk beeld uit zijn jeugd, het geheele leven door, bestuurd en

geleid werd?—En wat toch wilt gij in de plaats geven van dit leidende

wagengestarnte?—wat anders dan den broodwagen der schrandere eigenbaat?

Touchez là, mon ami! Dat is naar mijn hart gesproken. Zoo mag ik het

hooren van iemand, wiens wijsgeerige geest hem boven de verdenking

verheft, waaronder ik lig, van somtijds met molentjes te loopen. Sterk

door uwe goedkeuring verhef ik mij dus moedig tegen het kwaadwillig oog

van zoo velen, die mij, om deze kruisvaart tegen den kunst-ouderdom,

dien men den kinderen, even als de koepokken, wil inenten, voor een

Socratischen jeugdbederver houden. En zoo dacht ook mijn vriend Rob,

die mede een vriend van u was. Hij had een ingeroesten haat tegen de

gepoeierde kinderknikkers en gewapende kinderdijtjes van vóór vijftig

jaren! een jong mensch, die niet hooger zag dan zijn hoofd en niet

verder reikte dan zijn armen, was hem een walg. Hij verlangde daarom

niet, dat men juist tegen de maan stond te grijnen, en nooit dan met

een natten neus naar de sterren keek. Zijn jongelings-geestdrift

openbaarde zich geheel anders; zij ademde dienzelfden geest van losheid

en vroolijkheid, die zijn geheel wezen kenmerkte. Hij kon in zijn

dartele buien met de maan omspringen, als droeg hij ze, even als de

tooneelspeler in Shakespeare’s Midsummernights-dream, lantarensgewijze

onder den arm en met de sterren leven als de Koningin der Nacht in de

Tooverfluit, die ze als pailletten op haar zwarte japon draagt. Maar in

die scherts lag daarom niettemin het geloof aan een hoogere wereld en

het gevoel van behoefte daaraan. Als hij over de vele woningen, die de

groote stad, welke wij Heelal noemen, vervullen, met zulk een

gemeenzame vertrouwelijkheid sprak, en dan, met zijn geest door al die

geheimzinnige lichtpaden dwalende, liep raden, waar hij zijn huis

vinden moest....! maar ik zie er van af om er u eenig denkbeeld van te

geven: gij hadt hem zelven moeten hooren! Zijn uitvallen waren van die,

die men alleen met een gesternden hemel boven zich herhalen kan. Vraag

er mij eens naar, als wij ooit samen op zulk een tooneel staan. Genoeg,

dat het hem aan geen sentimentaliteit ontbrak. Er lag in zijn

Zomernachts-droomen, onder den schertsenden toon waarin hij ze

voordroeg, een diepe en verheven zin van heimwee en godvrucht, of, zoo

als hij liefst zeide, omdat dit woord den geheelen geest van zijn

vroomheid uitdrukte, Godzaligheid! Het gebeurde somtijds, dat ik

daarbij geen lichten glimlach van mijn lippen weren kon, maar nooit,

dat niet de tranen des innigsten gevoels zich naar mijn oog drongen!

Geen woorden kunnen uitspreken, wat wij ontwaarden, als wij na zulk een

hemelwandeling elkaâr de hand drukten.—Hoe zult gij nu wandelen, Rob!

Vraagt ge dus, of ik alles, wat ik daar geschreven voor mij vind, nog

met baat en schade op mijn tegenwoordige rekening zou willen overnemen,

de goede Hemel beware mij! dat ware de paarden achter den wagen

gespannen. Maar vraagt ge aan den anderen kant, of ik met hoogmoed en

medelijden op die uitboezemingen van jeugdig gevoel en overvloeiend

leven neêrzie, ook dit ontken ik volstrektelijk. De mensch had beter

kunnen zijn, maar wat den weg betreft, dien hij gevolgd is, ben ik nog

zoo ontevreden niet. Het is waar, dat er menige uitbarsting van dwaas

jongelingsgevoel onder doorloopt. Te droes, hoe zoudt gij lachen, als

ik die oude doos eens opendekte. Wat zou er al niet voor den dag komen!

Welk een menigte van werelden en zonnestelsels! welk een drom van

engelen en aartsengelen! welk een stoet van droombeelden in volle

kostuum, met een zon op de borst, een halve maan op den tulband en een

borduursel van sterren rondom den mantel! Welk een rommel van zangen,

geuren, klanken, en wat verder zou worden te voorschijn gebracht! En

toch schitterden er soms door dien verwarden hoop vonken van nuchter

oordeel. Van dien aard zijn bij voorbeeld de volgende losse spreuken,

die ik nog niet terugneem.

Het is een schoon geloof, dat de Egyptenaars hunne graven met pyramiden

deed dekken: geloof aan de Toekomst. Maar schooner nog is het geloof

der Christenen, die hun grafheuvels met een houten kruis versieren:

geloof aan de Onsterfelijkheid. Even zoo was er iets treffends in de

gewoonte der eersten om hunne lijken te balsemen; maar dat wij ze niet

balsemen, is treffender, wetende dat de Engel der opstanding uit

verderf onverderfelijkheid scheppen zal.

Geven en ontvangen is als de regen. Dezelfde regen, die frischheid aan

de aarde geeft, geeft helderheid aan den hemel.

Als de vrucht zich gaat zetten, valt de bloesem af. Zoo ook met ons.

Wij beginnen geen vrucht te dragen, eer de bloesems der jeugd

verstrooid zijn.

Voor sommige menschen is het leven een vastland, geheel aarde; dat zijn

de aardsgezinden. Voor anderen een eiland, geheel zee, buiten verband

met iets rondom of boven zich; dat zijn de egoïsten. Voor anderen een

landtong tusschen den oceaan van twee eeuwigheden; dat zijn de

ongeloovigen. Voor sommigen eindelijk een Bethel, door een ladder met

den hemel verbonden; dat zijn de vromen.

Men begeert zich met het geluk als met een gouden keten te versieren,

en bedenkt niet, dat het slechts een gulden ader is, die door den

zandgrond onzes levens loopt: het geluk is geen kleed, door anderen

vervaardigd, dat men slechts heeft om te slaan; het is een zijden huis,

als dat der wormen, uit onzen eigen boezem uitgesponnen.

Betrekkingen zijn voor den mensch op aarde, wat de aardkluit, die met

de bloem verplant wordt, voor deze is; zij doen hem vergeten, dat hij

hier niet te huis behoort.

Die een leven vol weldaden achter zich laat, vindt, even als klein

Duimpje in de fabel, teruggaande, het spoor der uitgestrooide

broodkruimen verdwenen. Alleen de beleedigingen blijven, even als de

steentjes van den houthakkersknaap, getrouw liggen.

De mensch wordt dikwijls wijs ten nadeele van zijn geloof. Het was een

schoone onkunde, die den schepeling naar den hemel deed opzien, om er

de star te zoeken, die zijn tocht regelde; nu heeft men het kompas, met

andere woorden, men heeft den hemel niet meer noodig.

Onlangs zag ik een kind, dat gedurig beproefde een ladder met de handen

rechtop te plaatsen om er vervolgens op te klimmen. Natuurlijk sloeg de

ladder telkens tegen den grond. „Jantje!” zei de vader, „gij moest dat

laten! Ziet gij niet, dat gij u zelven niet houden kunt?” en daarop

ging hij bedaardelijk voort met mij te betoogen, dat in zaken van

godsdienst de rede volkomen voldoende was.

Iemand, die louter godgeleerde is, ziet den hemel achter, de vrome vóór

zich; de eerste ziet het kruis alleen in den Bijbel, de laatste, even

als Konstanstijn, in de wolken. De vrome staat tot den godgeleerde als

een inboorling, die de taal des lands van kindsbeen af gesproken heeft

tot een vreemde, die haar spraakkunstig heeft moeten aanleeren. Nu kan

de vreemde de gronden van zulk een taal wel beter kennen, maar de

inboorling verstaat en spreekt haar toch beter.

Het leven is als de hooge bergen: slechts aan den voet groeien bloemen.

Hartstocht is zwakheid; daarom bemint de vrouw meer dan de man.

De kritiek handelt met de geniën, even als de oude Schrijver van het

Scheppingsverhaal met de hemelbollen; zij meent, dat de werelden des

dichters om haar geschapen zijn.

Zucht naar meerdere volkomenheid; ziedaar de ware behaagzucht.

De verborgenheden Gods zijn even als de vlekken in den Melkweg; de

gewone mensch ziet ze voor vlekken aan, en de sterrekundige vindt er

bij onderzoek nieuwe wereldstelsels in.

Schoonheid is voor den man een feest-, voor de vrouw een

bruiloftskleed.

Ware liefde ontleent, even als de moederliefde, kracht uit smart.

Sommige menschen schijnen geboren om gelukkig te wezen: ze zien slechts

licht en helderheid voor zich, en wanneer er als soms donkerheid op hen

daalt, sluiten zij er de oogen voor, zoo als sommige bloemen zich ’s

avonds sluiten, en eerst weêr opengaan als de morgen daagt.

Trouw is het geheugen van een beminnend hart.

De ware proefsteen der menschelijke deugd is de toetssteen, die zijn

graf bedekt.

De aardsgezinde is als regen, die één wordt met den grond, waarop hij

neêrzijgt; de betere mensch verkeert op aarde als de sneeuw, die waar

zij valt, den grond verzilvert.

De schrijver kieze zich een geheel volk ten voorwerp zijner

bemoeiingen, doch wachte zijn geluk alleen van zijn huiselijken kring.

Maar daarom heeft dan ook zijn gezin een gewichtige taak te vervullen:

van wege de goeden heeft het in last hem de liefde te bewijzen, die zij

hem niet bewijzen kunnen; van wege de kwaden heeft het de zending, hem

de bitterheid te vergoeden, die zij hem aandoen. Wee hem, als ook deze

steun hem ontvalt: de Dertigen buiten, en Xantippe in huis!

Rampen zijn den vrome even als hagelsteenen, die dreigend neervallen,

maar die de aarde als heilzaam vocht in haar schoot opneemt.

Voor sommigen is de kruisberg een goudmijn: dat zijn de priesters. Voor

anderen is hij de Helicon; dat zijn de geleerden. Voor anderen is hij

de berg des Heeren: dat zijn de vromen. Voor anderen eindelijk is hij

niets dan een berg: dat zijn de ongeloovigen.

Ziet gij? deze losse gedachten, en nog veel meer andere van denzelfden

aard, kan ik thans nog overnemen, zonder dat ik ze in mijn

tegenwoordigen leeftijd en op mijn tegenwoordig standpunt behoef te

verloochenen. Maar ik beken, dat daartegen menige bladzijde overstaat,

die ik voor geen lief ding onder het oog van mijn deftigen lezer zou

durven brengen. Ja, zal ik het bekennen! toen ik daar die brieven zoo

zat te doorbladeren, verheugde ik mij, dat ze, door de kiesche

beschikking van Rob, in mijne, en niet in een anders handen geraakt

waren.

En toen kwam ’t mij op eens met schrik in de gedachte, dat Rob niet de

eenige is, die zulke brieven van mij ontvangen heeft. Wel, wel, dacht

ik, indien het nu een van mijn vroegere Correspondenten eens inviel, al

mijn brieven nog eens in te zien, hoe zal hij om de droomerijen van den

kinderachtigen Jonathan lachen! Hij is in staat mij in alle deftigheid

voor een dwaas uit te maken. Wilt gij het gelooven? Dit denkbeeld greep

mij met zulk een siddering aan, dat ik terstond op een middel begon te

denken om hem tot betere gedachten omtrent mij te brengen. En waar vond

ik dit eindelijk? In een Circulaire aan al de vrienden, die ik hier

plaatsen zal, hopende dat zij hun aldus onder de oogen mogen komen.

(Met uw verlof, waarde Lezer, die niet tot dit getal behoort!)

Mijnheer en Vriend!

Daar de correspondentie, die ik vroeger de eer had met u te houden,

sedert is afgebroken, ben ik zoo vrij mij langs dezen weg tot u te

wenden. Het zou namelijk kunnen gebeuren, dat UEd. mijn brieven van

vroegeren tijd—bijv. bij gelegenheid van het beplakken van een

nieuw te behangen kamer, of dergelijke—nog eens onder de oogen

kreeg. In dat geval zou ik reden hebben, mij voor UEd. te schamen.

Want ik meen wel te weten, dat er in die brieven meer dwaasheden

gevonden worden, dan met uw verstand en soliditeit strooken. Maar

met uw verlof zou ik gaarne zien, dat UEd. daarnaar ook mijn

verstand en soliditeit niet beoordeelde. Want, als het niet te

onbescheiden is mijzelven te prijzen, mag ik wel zeggen, dat ik een

geheel ander mensch geworden ben, en ofschoon niet volkomen zoo

degelijk als UEd., toch strevende om UEd. daarin meer en meer nabij

te komen. UEd. gelieve alleen te weten, dat ik tegenwoordig voor

mijn correspondentie even zoowel mijn liassen heb met opschriften

als: Rekeningen, kwitantiën, brieven, enz. als UEd. in uw kantoor.

Zoodat UEd. ziet dat ik nu een bedaard en deftig burger ben. Indien

UEd. dus de goedheid wilde hebben, die bewuste brieven eens voor

goed te verbranden? Doch al mocht UEd. daarin (uit zuinigheid)

bezwaar vinden, hoop ik nogtans, dat UEd. na de gegeven inlichting,

mij omtrent het bewuste artikel van uw oordeel over mijn verstand

wel te wille zal willen zijn. In welke verwachting ik de eer heb

met de meeste achting te zijn,

Mijnheer en vriend,

UEd. gehoorzame Dienaar en Vriend

Jonathan,

Zie zoo! Dat zou Rob nog goed doen, als hij het las! De arme Rob, hij

zal het niet lezen! en hij zal het niet zien ook, hoe ik langzamerhand

al verstandiger en verstandiger zal worden, zoodat ik eindelijk op den

stroom der wereldsche dingen zal drijven als een pluim, hop-hop, van

boven naar beneden, zoo als het de golven belieft. Dat zal het toppunt

van mijn glorie zijn—en van de zijne ook. Want als ik ooit zoo ver kom,

moet ik zeggen dat er hem de grootste eer van toekomt. Wat zal hij dan

verwonderd opkijken, als hij mij weêr ziet! Hij zal zijn eigen Jonathan

niet meer kennen.—Wat heb ik gezegd, Rob? Neen, de menigte moge van mij

zeggen: „Wat is Mijnheer Jonathan veranderd! hij is nu de ordelijkste

man, die men zien kan!—” maar voor u, mijn vriend, verander ik niet. Is

het niet zoo? Boven is een jong hart geen contrabande?

Geen antwoord!

Anders kreeg ik altijd antwoord.

Foei mij!... goed dat Robert het niet ziet. Fragmenten van een

afgebroken correspondentie, later voort te zetten,—luidt het zoo niet?

Welnu wat tob ik dan? Lig daar, mijn legaat! Gij zoudt mij week maken.

Ik wil aan ’t werk. „Jongen,” zei Rob mij wel eens: „Wat zijn de

menschen toch dwaas. Zij roepen om den hemel, en loopen er zoo hard van

daan als zij kunnen. Wilt gij er heen, maak dan, dat gij hier beneden

gedaan krijgt. Vandaag klaar, morgen t’huis; dat gaat vast! Er is geen

accurater beurtman, dan de Snelheid, Kapitein Mors.—Welaan dan! aan ’t

werk. Zoo hoop ik welhaast mijn goeden vriend na te kunnen zeggen:

Alles klaar! en dan—dan is er een einde aan mijn klacht:

„Mijn goede vriend Rob, hij is dood!”

Waarheid en droomen · 第 21 / 64 题