OMEN.

In het witte boek van mijn zoon. Deze naam zij een voorteeken!

Hierop gaf hij mij het boek terug, leide zijn hand zegenend op mijn

hoofd, en wenkte mij te vertrekken.

Nomen sit omen! Dat was een zware last van verantwoording, vader! dien

gij op den hals van uwen zoon laaddet. Maar zeker, zoo iemand recht had

zulk een verplichting op te leggen, gij waart het. Ik wil er u ook niet

van beschuldigen, indien ik de witte smettelooze bladen van mijn boek

nu niet met zooveel gerustheid kan aanzien, als ik anders zou gedaan

hebben; integendeel, ik dank u voor deze strenge les. De herinnering

daaraan heeft zeker uitgewerkt, dat mijn levensboek hier en daar toch

een vlek minder heeft, en ettelijke vlekken bevat, die door mijne

tranen bijna zijn uitgewischt. En dit erken ik, zoo lang gij leefdet,

hebt gij mij trouw met raad en daad geholpen, om zijn bladen wit en

zuiver te houden. Zegen dus over uw assche! De Heer geve, dat gij u

eens niet over uw kind zult te schamen hebben, als „de boecken geopend

zullen worden.”

Het blad dat nu volgt is van de hand mijner lieve moeder. Maria heette

zij, en beantwoorde geheel aan het beeld, dat die naam onwillekeurig

voor den geest roept. Zij was geheel en al het kontrast van mijn vader.

Mildheid, weekheid, aandoenlijkheid—die woorden schenen voor haar te

zijn uitgevonden. Zij spreidde haar zachtheid, bedekkende en lenigende,

over de strengheid mijns vaders, als sneeuw over een bevrozen grond.

Van haar heb ik dien weemoed, die mij eigen is. Ik kan met den Dichter

zeggen.

Maar zalig is ’t, zoo soms een zachte smarte,

Iets weeklijks, dat de linkerborst doorwoelt,

Iets vochtigs, in ’t vertederd oog gevoeld,

Herinnert aan mijn Moeders teder harte.

Ik heb echter wel eens getwijfeld, of zij mij niet al te veel van haar

gevoeligheid heeft overgedaan: en tien tegen één, lezer! dat gij dit

ook reeds meermalen gedacht hebt. Het zij; ik wil er niet over klagen

of morren, al ware ’t alleen, omdat het een geschenk van mijn lieve

moeder is.

Toen ik bij haar kwam met het verzoek om haar naam in mijn Album te

schrijven, nam zij het boek, en beloofde aan mijn bede te voldoen.

Eenige dagen later riep zij mij tot zich, en gaf het mij met een

halflachend, halfschreiend oog weder. Het blad door haar ingevuld

bevatte een teekening; want zij teekende uitmuntend. Het was een

Bijbelsche voorstelling van Matth. XIX. 18:

Doe wierden kinderkens tot hem gebracht, opdat hy de handen haer soude

opleggen ende bidden.

Tusschen de moeder op den voorgrond en haar was een zweem van

gelijkenis. Aan den voet van het tafereel stond in plaats van het

gewone fecit of delineavit, Amen! en daaronder haar naam. Het stuk

voerde geen datum. En indedaad, welken dag zou het hebben aangenomen?

Want wèl was haar moederliefde

Een lang gebed van ’t kraambed tot de dood.

Ziedaar mijn moeder geheel! geen les, geen vermaning; niets dan een

bede. Nooit zie ik dit blaadje, of de woorden zweven mij op de lippen:

Sancta Maria, ora pro nobis.

Nu volgen de Albumbladen mijner overige betrekkingen en vrienden.

Ofschoon mij niet allen even dierbaar, is er toch geen handschrift bij,

dat mij niet zeer lief is. Over het algemeen is de inhoud in den geest

van de eerste bladen. Het schijnt dat de kleur der vroomheid, door mijn

grootmoeder en ouders aan het boekske gegeven, onwillekeurig op de

latere bijdragen haren invloed heeft uitgeoefend. Zoo verbindt mijn

Album niet alleen één band, maar ook één geest.

Om een enkel woord te noemen, een mijner vrienden heeft op het hem

toegewezen blad een antieken wachttoren geteekend, en daaronder het

Hebreeuwsche woord: ‏המּצפה‎ geplaatst met de aanwijzing: Genesis XXXI.

49, waar ik lees, dat Jacob na den vreedzamen afloop zijner ontmoeting

met Laban een hoop steenen maakte, en daarop met den man at: waarna hij

dien steenhoop den naam gaf van Mizpa, welk woord een wachttoren

beteekent „omdat hy seyde, dat de Heere opzicht neme tusschen my en

tusschen u, wanneer wy d’een van d’ander sullen verborgen zijn.” Welk

een schoon en veelbeteekenend zinnebeeld! Mijn vriend wenscht mij niets

uit zich zelven; hij bidt alleen, dat de Heer het oog waakzaam over mij

geopend houde, als het oog van zijne liefde mij niet zal kunnen

gadeslaan. Is het niet als een altoosdurend gebed voor mij opgezonden?

O, nooit zie ik dit blad aan, of mijn oog richt zich onwillekeurig naar

boven, en het is of ik uit de hoogte des Heeren oog beschermend op mij

zie rusten....

Het blad, dat daarop volgt.... ziet gij, dat heeft een los Album voor,

men kan er de bladen uitnemen en op zij leggen. Had ik dat ook met dit

blad kunnen doen! Maar neen, het is zoo beter. Het bevatte

oorspronkelijk een teekening, een portret; men ziet er de sporen nog

van. Het was het afbeeldsel van den liefsten vriend mijner jeugd, een

jong mensch vol beminnelijke en bevallige hoedanigheden. Toen ik hem om

een bijdrage voor mijn Album verzocht, liet hij door een beroemd

teekenaar zijn beeltenis crayonneeren, en hechtte die op het voor hem

bestemde blad, met het onderschrift van zijn hand: semper idem. Semper

idem! een wreede logen! een bittere spot! Geen mensch op de wereld

heeft mij het honderdste gedeelte van het leed berokkend, dat mij van

deze eenmaal geliefde hand werd aangedaan. Et tu, Brute!

Hij ontroofde mij.... maar heb ik hem niet vergeven? Evenwel, het deed

mij pijn, zijn gelaat hier telkens terug te vinden, te midden van hen

die mij het liefst hadden, en wier trouw op de proef gebleken was. Ik

kon die valsche trekken niet aanzien met het onderschrift: semper idem.

Daarom deed ik met dit portret, wat de Edelen met het afbeeldsel van de

apostaten huns Stambooms doen; ik nam het weg, door het van het blad,

dat het vasthield, af te lichten, zoodat er niets dan de enkele naam

overbleef om aan te toonen, wie het is, die hier van deze zijn plaats

is uitgevallen. Mij dacht, deze wraak was billijk, of liever het was

geen wraak—het diende mij alleen om hem en mij-zelven de bitterheid te

besparen, die zijn aanblik noodzakelijk in mij moest opwekken. Waartoe

zou hij nog langer zijn plaats onder mijn overige trouwe vrienden

behouden hebben? hij had zelf zijn naam van mijn Stamboek uitgewischt;

hij had met eigen hand den steen onzes verbonds omgeworpen, en het

handschrift onzer vriendschap verscheurd. Menige traan is op dit

donkere blaadje gevallen. Misschien had ik den innemenden jongeling al

te lief. En is dit niet de eerste spreuk in mijn boekske: Wie vader of

dochter lief heeft boven my en is myns niet weerdigh; ende wie soon

ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet weerdigh.

Ik bevoorrechte, dat ik slechts een enkelen uit den kring mijner

vrienden heb zien wegvallen. De overigen zijn mij allen trouw gebleven,

en hebben hun handteekening met hun leven bezegeld. Niemand hunner

heeft den zegen van mij teruggenomen, dien zijn mond over mij had

uitgesproken. Wat meer is, ik ben er zeker van, dat wie op deze bladen

voor mij gebeden heeft, nog heden—beneden of boven—voor mij bidt. Ja,

ook boven! Reeds zijn er verscheidene, van wie de hand verstijfd is,

waarmede zij hier hun namen nederschreven. Gij leest het op den rug in

de woorden defunctus, met opgave van den dag huns overlijdens. Ik kan

hun namen niet aanzien zonder droevig te worden; ik heb ze allen zoo

zeer lief gehad; ik had ze zoo gaarne bij mij gehouden. En toch, ik

benij ze hun geluk zoo weinig. O, hoe veel verschilt het gevoel,

waarmede ik hun naam lees, bij dat, waarmede ik het portret van mijn

ontrouwen vriend aanzie.... neen! zij zijn niet voor mij verloren; het

verbond met hen is niet verbroken: integendeel, de dood heeft het

bevestigd, de dood is het zegel der trouw. Deze kunnen mij niet meer

ontvallen; ik kan hun geen ontrouw meer aandoen. Men beschuldigt den

dood dikwijls van scheiding te maken tusschen geliefden.... ten

onrechte! de dood vereenigt voor altijd wat voor een tijd vereenigd

was: alleen het leven scheidt....

Zie ik u daar, mijn ongeluks-blad? Het bevat niets dan eene enkele vlok

haar, van het schoonste blond, met een draad van rozekleurige zij aan

het papier gehecht. Geen naam, geen onderschrift, niets dan een

datum.—Hierover geen woord, geen klacht, niets dan een zucht!

Buitendien zijn er nog enkele bladen, zonder een bepaalde inscriptie te

bevatten: met een enkelen naam geteekend, waarbij dan het een of ander

souvenir gevonden wordt; een verdorde bloem—een wilgen- of

cypressenblad—en wat nog geringer is dan dit; kleine nietswaardige

relieken, maar mij dierbaar om der herinneringen wil, die er zich aan

verbinden. De verbeelding is met zoo weinig te vreden! Voor mij is het

genoeg enkele dier voorwerpen alleen te zien, om een geheel verleden

voor mij te doen oprijzen. Van daar dat ik zelden op éénen avond met de

beschouwing van mijn Album gereed kom, maar meestal een tweede bevel

moet uitvaardigen:

„Voor niemand t’huis, Judith.”

Voor ditmaal zullen wij echter het boek sluiten. Daar ligt zij, de

geschiedenis mijns harten, door de eigen hand mijner geliefden

geschreven. O, ik kan haar niet aanzien, zonder een oog van

onuitsprekelijke liefde op haar te vestigen. Niet alle menschen zijn

zoo rijk aan onverdiende genegenheid, als de bezitter dezer

vriendenrol. Indien de liefde der menschen, naar het zeggen van den

ouden Dichter, zich in zegen des Heeren verkeert, gezegend dan o mijne

tente, waarop die dauw rijk en mild „als Hermons dauw op de berghen

Zions” is neêrgedaald.

En nu, wat zal er van u worden, mijn lief Album! Zal ik u in de hand

mijns erfgenaams laten, om misschien nog tot een tentoonstelling voor

mijn achter-kleinnichten te dienen? Neen, wees gerust, mijn oud, trouw

Codex amicitiæ! Uw plaats is reeds aangewezen in de lade met het

opschrift: de inhoud dezes na mijn dood ongeopend te verbranden. Gij

zult uw meester niet overleven, maar als een vereerster van Brama, hem

langs den weg des vuurs in den dood volgen. Uw stof zal verstrooid

worden, en de vier winden zullen de zuchten verwaaien, in uw boezem

uitgestort!

Maar wij, mijn vrienden, wat zal er van ons worden? Neen, ons stof moge

uiteen stuiven, vergaan zal het niet. Eens zullen wij uit onze graven

verrijzen, en met een nieuw lichaam bekleed elkander wedervinden in „de

algemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-gheborenen die in de

Hemelen opgeschreven zijn, ende de geesten der volmaeckte

rechtveerdige.”

Verrukkelijk denkbeeld! Allen weêr te zien, die ik hier heb lief gehad:

met al die beminnelijke hoedanigheden, waarom ik ze lief had, ja die

alle nog eindeloos verhoogd, gezuiverd, verfijnd en veredeld! O mijn

Album, als ik bedenk, dat misschien.... de Engel des levens register

houdt van de namen in u bevat, en die alle geschreven heeft in het boek

des levens, dan ontvallen uw bladen aan mijn bevende handen.... „mijne

nieren verlangen seer in mijnen schoot!”

Waarheid en droomen · 第 13 / 64 题