S.

Die band houdt de weinige bladen, die het bevat, bijeen. Ik ben geen

minnaar van den gewonen Album-vorm, tweehonderd losse bladen in een

koker. Bij mij heeft altijd de regel gegolden, dien ik van anderen dan

van de Franschen wenschte te ontleenen: Les amis de mes amis sont mes

amis. Dien ik zoo lief had, dat ik hem zijn naam op dezen gedenksteen

der vriendschap liet griffelen, mocht vrijelijk weten, wie buiten hem

mij lief hadden, en hoe zij mij hunne liefde betuigden. Vriendschap is

voor mij als de kelk van een roos, die de bladeren, welke zij draagt,

niet alleen aan zich, maar ook aan elkander verbindt; voor velen heeft

zij meer van den vlinder, die de eene bloem na de andere kust, zonder

ander onderling verband, dan dat hij ze allen beurtelings zijn hof

maakt. Mijn armen vormen één band om al mijn vrienden; mijn Album vat

hun aller namen in één.

Maar juist daarom wordt mijn vriendenrol nooit tot een tentoonstelling

gebezigd. Ik ben te jaloersch van de stemmen van liefde en vriendschap,

die daarin klinken, om die aan het oor van onverschilligen prijs te

geven. Ik heb te veel eerbied voor de uitdrukking der heiligste

gevoelens, daarin uitgeboezemd, om die in het gesnater der dwaasheid te

mengen. Ook zou mijn lezer er niets van zien, indien ik niet hoopte,

dat de toon van vereering, waarmede hij mij over mijn boekske hoort

spreken, hem beletten zal, het met de lichtzinnigheid van een gewoon

Albumbeschouwer te bejegenen. En nog meer blijkt de prijs, dien ik op

deze verzameling stel, uit de wijze, waarop ik er zelf mede omga. Het

is namelijk lang mijn gewoonte niet, haar telkens in de hand te nemen.

Ik doe dit niet, dan bij zeldzame gelegenheden; en alsdan ook niet ter

loops, met de onachtzaamheid, waarmede ik een tijdschrift inzie; maar

met een zekere plechtigheid, die ik mij toeschijn aan de gedachtenis

der dierbaren, die daarin tot mij spreken, verschuldigd te zijn. Ja,

dit gaat zoo verre, dat ik, gelijk de lezer reeds weet, mij nooit dat

genoegen schenk, zonder mijn eenzaamheid voor stoornis te beveiligen,

door het uitzetten van een schildwacht:

„Voor niemand t’huis, Judith.”

Lach niet! Hoor ten minste eerst mijn verdediging. Mijn Album, mijne

vrienden! is voor mij een symbolum van het Verledene! geheimzinnige

naam van een geheimzinnig wezen! Hoe zal ik den vorm beschrijven,

waaronder het zich aan mij voordoet? Het heeft voor mijn verbeelding

het voorkomen van een diep en donker gewelf, dat alleen van tijd tot

tijd door een flauwen, bleeken lichtstraal daarin vallende verlicht

wordt; vervuld met schaduwachtige gestalten, die door elkander zweven,

en nu eens duidelijker voorkomen, dan zich weêr in den mist die den

achtergrond bedekt verbergen, al naarmate het grillige schijnsel, dat

als een bliksemstraal door het verwulf schiet, zijn licht naar dezen of

genen hoek werpt. Maar er is iets pijnlijks en duizelachtigs in dat

staren in een onbepaald verschiet en naar schemerende gedaanten.

Ongelijk aangenamer is het dus, zich met een lamp in dit schimmenrijk

te begeven, de gestalte op te zoeken die men begeert te vinden, haar

uit dien grafnevel te ontwikkelen en los te maken, haar naar voren in

een helderder dag te brengen, en zich alzoo met haar te onderhouden.

Daartoe nu dient mij mijn Album. Als ik dat maar aanzie, staat het

Verledene, door zichtbare gedaanten vertegenwoordigd, voor mij. Als ik

dat open, klinken lang verdoofde stemmen mij onderscheidenlijk te

gemoet.

Het is dus een plechtig oogenblik, als ik dit gedenkstuk ontdek. Het is

voor mij een soort van geestenbezweering; een oproeping als die van

Saul aan de waarzeggende vrouwe van Endor: Doet my opkomen, dien ick

tot u seggen sal.—Ik stel mij alsdan in aanraking met wezens, die ver

van mij, of hoog boven mij zijn. Ik daag hen bij hunne namen op, dwing

hen met mij te spreken, spreek op mijn beurt tot hen en verkeer met hen

als voorheen. Waarlijk, wij houden ons al te vreemd van de

geestenwereld. Zeker is het goed, dat wij waarzeggers en

horoskooptrekkers van onze kennissen weren; het is goed dat wij onze

kinderen naar de fantasmagorische voorstellingen van Bamberg brengen en

hun inprenten, dat het alles maar klinkklare begoocheling is; het is

goed dat wij Stilling’s Geestenwereld niet meer gebruiken, dan om

elkander op een stormigen avond bang te maken; maar evenwel zijn wij

misschien wel wat heel vrijgeestig op dit punt. Dood is dood! zegt men

met den polichinel in de poppenkast, en gaat even als hij op de kist

zitten, om den gevangene er in te houden. Het is jammer! de geesten,

vooral als we ze zelven uit eigen beweging oproepen, zijn zulke

indrukwekkende verschijningen! Zij brengen ons zulke belangrijke

tijdingen uit het onbekende land! zij voeren zulke wijze lessen in den

mond, die wij van de levenden niet hooren! Nu eens vertoonen zij zich

als een vriendelijke jongelingsgestalte, met lichtstof bekleed, met een

krans van sterren op het amberriekend haar en den paradijspalm in de

hand, ons toeroepende:

’t Ware leven is omhoog.

Dan weêr hebben zij het ernstige voorkomen van den Profeet te Gilboa,

en schijnen met dreigend gelaat uit het graf op te komen om ons te

waarschuwen: Morgen sult ghy by my syn. In een ander gezicht dragen zij

het verheerlijkt beeld van een geliefden vader of dierbare moeder, die

de laatste bede der stervende lippen komt herhalen, en ons de nakoming

onzer jongste gelofte afvleien. In een nieuw visioen zien wij een

dierbare gestalte voor den troon des Eeuwigen gebogen, en hooren haar

onzen naam noemen.... O, het is iets heerlijks, aldus naar boven te

zien, aldaar zijn geliefden te aanschouwen, en zoo door dezelfde

koorden dier liefde, die hier op aarde onzen hemel schiep, zich van de

aarde ten hemel te voelen opvoeren.. Hoe kan het zijn, dat men

zichzelven dit genot zoo zelden schenkt? Hoe kan het zijn, dat men

alleen oogen en ooren heeft voor de menschelijke gedaanten, die ons

omringen, terwijl een krans van engelen, even als aan een beschilderd

gewelf, boven ons hoofd zweeft en gereed is op den eersten wenk tot ons

neêr te dalen. Zoo ook het grijs verledene! Ik heb er allen eerbied

voor. Ik heb ontzag voor Vader Homerus en Grootvader Herodotus, voor

wijlen Cicero en Seneca zaliger. Ik bewonder groote Geschiedkundigen,

wier geheugen is als het papier sans fin van onze dagen, door een

monnik uit de middeleeuwen beschreven. Ik vind het schoon, zoo te huis

te zijn in de lanen der Attische Academie, dat men er een bestek van

zou kunnen teekenen, en in de boschjes van Tusculanum, als in zijn

eigen theetuintje. Ik vind het verwonderlijk, dat men zoo gemeenzaam is

met Quinctilianus als met zijn Rector, en met Aristoteles als met zijn

Professor. Maar wanneer aan die herinneringen, van het gestorvene Rome

of begraven Athene eigene jonge herinneringen worden opgeofferd;

wanneer men voor die dooden van het voorgeslacht zijn eigen dooden

vergeet, en met Sulpicius langer rouw draagt over Tullia, dan met zijn

vrouw over zijn eigen kind; wanneer men, om in het klassieke Elysium

zoo gemeenzaam te zijn en daar alle menschen bij den voornaam te

noemen, een vreemdeling wordt in de plaats, waarheen men hoopt dat zijn

geliefden gegaan zijn, wier naam en beeld men uit het geheugen laat

verdwijnen, zonder ze vast te houden; dan vrees ik dat men in de

geestenwereld dezelfde fout begaat, als velen in de menschenwereld, van

goede aan adelijke bekenden op te offeren. Waarlijk, het is niet goed,

aldus alle gemeenschap met onze dooden af te snijden, en ze, even als

de hovelingen den gestorven koning, in het gezicht van hun graf te

verloochenen. Ik althans heb mij zelven die vrijheid nooit gegeven; ik

weet niet waarom ik zou ophouden zoon te zijn, omdat mijn vader aan de

andere zijde is, en niet verder naar zijne vermaningen luisteren. Ik

weet niet, waarom ik mijn oor zou sluiten voor de geestenstemmen van

hen, wier woorden mij vroeger eerwaardig of dierbaar waren. Van daar

dat ik mijn Album niet als een gesloten boek, bij de doodcedels der

gestorvenen die er in spreken, weggeborgen heb, maar het beschouw als

een altijd geldend testament, waarin ze mij hun wil bekend maken met

dien aandoenlijken nadruk, dien iedere stem voor ons heeft, welke ons

van over een graf toeklinkt.

Daar ligt het boek voor mij open.

Het eerste blad is een gedachtenis van mijns vaders moeder. Toen ik

mijn Album begon aan te leggen, was het mij een behoefte, het vóór alle

anderen aan deze vrouw aan te bieden. Ik wist dat nooit iemand mij

liever kon hebben, dan zij. Ik wist dat niemand mij een hartelijker,

beter en liever wensch doen zou—en niemand ook met meer kans om

verhoord te worden! Zij was een dier zeldzame wezens, wier zachte

vroomheid ik weet niet wat aantrekkelijks heeft. Ik heb opgemerkt, dat

de godsvrucht, ofschoon zij het sieraad van alle leeftijden is, evenwel

aan den ouderdom het natuurlijkst staat; aan jonge menschen deelt zij

somtijds iets gedwongens en stroefs, aan den middelbaren leeftijd iets

strengs en hards mede; maar bij oude menschen is zij in volkomen

harmonie met hun geheele wezen en bestaan: de vroomheid lacht uit het

rimpelig gelaat van den grijze, en juicht in zijn gebroken stem. Het is

iets vreemds, maar voor mijn gevoel heeft de vrome oude iets jeugdigs

aan zich, dat in wonderlijke tegenspraak is met het verval van zijn

lichaams- en zielskrachten. Ik heb het wel eens vergeleken met het

slaan van de vleugelen des vlinders, op het oogenblik dat de pop zal

doorbreken; het kon mij bij hen wezen, als zag ik in den aardschen

mensch die wegstierf, den hemelschen mensch die zich vormde:

Als brak een scheemring van den gloor,

Die eens hun lichaam zal doorgloeien,

reeds nu door den kranken bouwval heen. Hoe het zij, mijn grootmoeder

bezat voor mij een groote aantrekkelijkheid, en zoo, dat ik niet weet,

of ik haar meer vereerde of lief had. Ik vroeg haar dus, mijn

gedenkboek der liefde en vriendschap in te wijden. Zij deed het op hare

wijze: zij nam haar ouden Staten-Bijbel, sloeg dien open en schreef

daaruit met bevende hand op het eerste witte blad:

Matthei X. 37. Die vader of moeder liefheeft boven my, en is myns niet

weerdigh; en die sone ofte dochter lief heeft boven my, en is myns niet

weerdigh.

Een schoone spreuk aan den ingang van zulk een boekske. Zij wist, hoe

dikwijls het een altaar is voor aardsche afgoden gesticht. Daarom

schreef zij er met haren vromen vinger den naam des Allerhoogsten

boven. Het was het D. O. M. boven de eerezuilen, voor onze gestorvenen

opgericht. Hoe dikwijls is mij deze spreuk waarschuwend voor den geest

gekomen. Nooit nam ik mijn Album in handen, om mij met het beeld mijner

geliefden bezig te houden, of een blik op dit Bijbelwoord geworpen

heiligde mijne gewaarwordingen. Bovenal is het mij ten aanzien van een

der volgende namen van veel dienst geweest.

Het volgende blad is van mijn vader. Hij was een man van een

ingetrokken, strengen geest. Als hij in dien tijd geleefd had, zou men

hem voor een Christen gehouden hebben, die uit de Stoa was uitgegaan.

Dit was evenwel meer het gevolg van zijn manieren, dan van zijn

denkwijze. Er sliep in zijn hart een schat van liefde, dien zijn

uiterlijk scheen te verloochenen. Hij was als een fontein, die haar

verfrisschend water in marmer bevat. Het was iets schoons, als die

harde steen op eenmaal milde en malsche stralen opwierp! Ik kwam met

mijn Album op zijn kamer; hij zag het met een ernstigen blik in. Toen

hij de spreuk van zijn moeder zag, glimlachte hij, maar terstond daarop

stond zijn oog weêr strak en donker. Hij nam een pen op en schreef

Waarheid en droomen · 第 9 / 64 题