HET ALBUM.

„Voor niemand t’huis, Judith!”

Als ik deze order geef, ziet mijn oude huiszorg mij gewoonlijk met een

meesmuilenden glimlach aan. Hoe zij er achter gekomen is, weet ik niet;

maar zij schijnt eenig vermoeden te hebben, om welke reden ik mij aldus

afzonder. Ik heb wel eens beproefd haar van den weg te brengen, door

bij zulk een gelegenheid in mijzelven te mompelen: „Ik heb papieren die

ik moet nazien—ik heb belangrijke brieven te beantwoorden—ik moet een

balans maken”—maar dit baat mij niets. De oude weet heel goed, dat ik

buiten de Haarlemmer Courant nooit eenig papier van gewicht krijg; dat

de brieven die ik ontvang niet veel meer bevatten dan een „God zegene

u!” mij door den een of anderen vriend toegeroepen; en vooral dat mijn

balans zoo eenvoudig is als een bakkers kerfstok. Zij is dus geen dupe

van deze krijgslist, en begrijpt volkomen den verborgen zin van dit

consigne. Ik wil alleen zijn om eens ongestoord—och ja, te mijmeren!—Ik

geloof dat ik wel kan nagaan, hoe zij hierop gekomen is. Ik heb

namelijk volstrekt geen slag om mijn uitwendig voorkomen te

beheerschen. Wat in mijn hart omgaat, verraadt zich dadelijk over mijn

geheele wezen. Als mijn onbevallig figuur en vale kleur geene parodie

op de vergelijking ware, zou ik wel willen zeggen; dat ik naar een

albasten vaas gelijk, waardoor de vlam die er in brandt in rooden gloed

heenschemert. Zoo veel is ten minste zeker, dat ik niets heb van

Mijnheer.... gij kent hem wel, en Mevrouw.... gij weet wel wie ik meen,

die hun gelaat zoo meesterlijk in hun macht hebben, dat het bij hen

veeleer het masker, dan de spiegel der ziel mag heeten. In ’t algemeen

doen de meeste menschen of het geheele leven een bal masqué is, en

hebben voor niets meer zorg, dan niet in hun eigen gedaante gezien en

herkend te worden; zeer aardig en kunstig, dat moet ik zeggen, maar

toch een weinig lastig voor dezulken, die geen grijns hebben kunnen

machtig worden, of, zoo zij al eens een vreemde huik omhangen, haar zoo

linksch dragen, dat zij veel hebben van den struisvogel, die meent dat

zijn vervolgers hem niet zien, wanneer hij zijn kop in den grond

steekt. Tot die minder bevoorrechte wezens behoor ik. Als ik iets zie

of hoor dat mijn bewondering, geestdrift of verontwaardiging gaande

maakt, dadelijk werpt de springbron mijns harten zijn purper omhoog en

overstroomt mijn anders bleek gezicht met een gloeienden blos; verneem

of aanschouw ik daarentegen iets, dat mijn mededoogen of smartgevoel

opwekt, terstond is de wel mijner tranen in beweging gebracht en dringt

haar vocht opwaarts, dat, zoo het al mijn oog niet bereikt, mijn gorgel

beklemt en aan mijn stem het geluid van een vochtige snaar geeft. Van

daar dan ook dat ik, zelfs uren na een hevige gemoedsbeweging, er de

sporen nog van behoud, gelijk de zee, si parva licet componere magnis,

nog nastormt als de orkaan reeds is gaan liggen. Ik kan mij dus nooit

in mijn eenzaamheid aan den stroom mijner aandoeningen overgeven, of

mijn gezicht verraadt het geheim mijner afzondering. Zelfs heb ik geen

baat gevonden bij het middel van een mijner geliefde Bijbelheiligen,

van wien ik lees: Ende Joseph haestede hem, want sijn ingewant ontstack

tegen sijnen broeder ende hij socht te weenen; ende hy ging in eene

kamer, ende weende aldaer. Daer na wiesch hy syn aengesichte, ende quam

uyt; ende hy bedwong hemselven.—Meermalen heb ik beproefd mijn

gloeiende wangen af te koelen, en den helschitterenden straal in mijn

oogen te dooven: vergeefs! mijn hart laat zich door geen sourdine

dwingen. Licht bewogen en omhoog gevoerd als een pluim, moet ik ook

zachtkens als een pluim weêr naar beneden en in rust zinken.

Deze zwakheid maakt dikwijls de spotzucht van mijn Editha gaande.

Vruchteloos is het, dat ik met een gezicht zoo onnoozel als ik kan

binnenkom, en met een stem, zoo gemaakt onverschillig als mij maar

mogelijk is, over onverschillige dingen spreek; zij heeft mij alleen

aan te zien om met een spottenden lach uit te roepen: „Jonathan heeft

weêr geesten gezien!” In mijn Editha nu is dit niets vreemds; zij ziet

den bodem van donkerder waters, dan waartoe ik behoor; maar dat ik mij

voor Judith niet vermommen kan, zie, dat is wat heel erg. Want dat zij

zoo veelbeteekenend lacht, als ik haar met het eenvoudigste gelaat der

wereld zeg: „Voor niemand t’huis, Judith!” komt nergens anders uit

voort, dan omdat zij dadelijk begrijpt, wat ik met die afzondering

voorheb.

Maar wel beschouwd, wat doet het er toe? Indien het een ondeugd in mij

is, waarover ik het nog niet recht met mij zelven eens ben, week en

gevoelig te zijn, waarom zou ik mij beter voordoen, dan ik ben? en

indien het een deugd is, wat recht heb ik dan, daar ik zoo veel

ondeugden onbedekt ten toon draag, mij over het weinigje deugd te

schamen, waarop ik mij verheffen mag? Kom, dus maar weêr met moed het

spotziek lachje van mijn goede oude getrotseerd!

„Voor niemand t’huis, Judith!”

Maar wat nu Judith niet weet, het is wat ik na dit voorspel in mijn

kamer uitvoer. Zij moge mijn gelaat zien glinsteren, als ik van den

berg terugkeer; zij weet niet wat op de hoogte is omgegaan. Ook is dit

verschillend. Somtijds bedekt de wolk der afzondering geheimenissen,

die een verborgenheid tusschen mij en mijn geweten blijven moeten. Op

andere tijden evenwel zoek ik de eenzaamheid om redenen, waarvan ik

geen geheim behoef te maken. Zulk eene bij voorbeeld is de beschouwing

van mijn Album.

„De beschouwing van uw Album?”

„Ja, Mejufvrouw! waarom niet?—ik weet wat UEd. zeggen wil: als ik mijn

Album nooit dan in mijn eenzaamheid voor den dag mocht halen, zou ik er

zoo’n ding niet op na willen houden—UEd. heeft volkomen gelijk. Want

ziet UEd., uw album en het mijne hebben juist zooveel van elkander, als

die prachtige gouden collier, dien UEd. om den hals heeft, en dit haren

koordje aan mijn horlogie. Uw Album is een voorwerp van weelde, bijna

zoo elegant als uw balwaaier. Heerlijk steekt het glanzige porselein

van den koker tegen de sieraden van gepolijst staal af, waarmeê het

belegd is; zie, men kan er zich in spiegelen. Zou ik durven wagen, het

eens in te zien?”

„Waarom niet, Mijnheer? het is er voor.”

„Allerliefst! van wie is deze teekening?”

„Och, wees zoo goed en zie eens op den rug, wat naam er op staat; ik

weet het waarlijk zelve niet. Het is van eene Dame, die ik maar eens

ontmoet heb.”

„Ei zoo? maar wat is dit? Een vers van den Dichter *** Kent UEd. hem

bijzonder.”

„Pardonneer, ik heb hem nooit gesproken. Een mijner vriendinnen heeft

hem voor mij om een handschrift gevraagd.”

„Zoo, ik dacht ook al: ik heb dit vers meer van hem gelezen. Ik heb het

nog in twee of drie Dames-Albums aangetroffen. Maar wat zie ik?

Geducht! Welk een verzameling! Er zijn er wel honderd, geloof ik.”

„Ja, ik ben druk aan ’t bijeengaren: dat is nu mijn stokpaardje. Mag ik

u een blaadje aanbieden?”

„Verschoon mij! ik schrijf nooit in—Albums.”

Mijn simpel boekske! hoe staat gij bij dit prachtwerk achter! men zou

nooit zeggen, dat gij van dezelfde familie waart. Zie het er eens

deftig uitzien! Een zwart lederen band is zijn omslag, met een

eenvoudig opschrift:

Waarheid en droomen · 第 7 / 64 题