„Hebt gij den brievenpost reeds gehoord?”
Dit is driemaal ’s weeks mijn eerste vraag, als ik den voet buiten mijn
slaapkamer zet, om te gaan ontbijten.
En waarom, meent gij?
Omdat ik belangrijke handelsberichten verwacht?—Gij vergist u. Ik heb
met geen koopman ter wereld iets uitstaande, als gij den makelaar, die
mijne weinige effecten, rara folia, beheert, en den Amsterdamschen
tabakskooper, die mij maandelijks mijn varinas zendt, uitzondert.
Omdat ik een brief van teederen aard te gemoet zie?—Nog minder. Ik ben
een oud vrijer, en heb in die soort van correspondentie niets meer te
verwachten, sedert ik het kleine bundeltje, dat ik vroeger op mijn hart
droeg, met een rozerood lint omwonden en met een hieroglyphisch cachet
verzegeld, in een verborgen lade van mijn secretaire sloot.
Omdat ik naar een brief met zwarte randen uitkijk, die mij de
testamentaire dispositie van een rijken oudoom berichten moet?—Gelukkig
niet. Ik heb het voorrecht, den laatsten, wiens overlijden mij voordeel
kon aanbrengen, te hebben zien sterven. Nu ben ik verlost van dat
onaangenaam gevoel van kwade begeerlijkheid, dat het gezicht van een
gegoeden en ongehuwden bloedverwant altijd in mij opwekte; een gevoel,
niet ongelijk aan den zelfstrijd van den arme, die er niet buiten kan,
zijn gemest ooilam met beluste oogen aan te zien.
Ik zie wel, ge zult het niet raden. Welnu! die vraag ontstaat uit
ongeduldig verlangen naar de Haarlemsche Courant.
Naar de Haarlemsche Courant?
Ja, lezer! maar niet geheel om dezelfde reden, waarom gij er denkelijk
naar verlangt. Mij dunkt, ik zie u, zoo als gij haar vrij onverschillig
in de hand neemt, eerst de advertentiën doorloopt, en tot de tegen u
overzittende dame het woord richt: „Mevrouw A. heeft eene dochter. Jack
is ridder geworden. De advokaat B. is dood,” enz. De advertentiën
doorgelezen hebbende, gaat gij, achterwaarts opklimmende, tot het
staatkundige nieuws over, zoekt bij voorkeur de opgave van brand,
stormen en landziekten op, en eindigt met een vluchtigen blik op de
verschillende aankondigingen te werpen. Eindelijk legt ge geeuwende het
blad uit de handen, en reikt het uwe vrouw of zuster toe, met het
vonnis:
„Heden niets nieuws.”
Geheel anders gaat het bij mij toe. Als mijn getrouwe huiszorg mij
verzekerd heeft, dat het blad van Enschedé met den post is aangekomen,
treed ik met een genoegelijk gezicht in de ontbijtkamer. De courant,
zoo als zij, nog nat van de pers, en door geene ongewijde aanraking
gekreukt, naast mijn bord op tafel ligt, lacht mij reeds bij het
binnenkomen toe. Ik sla er echter geen hand aan, voordat ik eerst de
thee gezet heb; zelfs ligt in dat uitstel voor mij een soort van
weelde, zoodat ik mij wel wacht, mij bij dit werk te overhaasten.
Eindelijk ben ik met mijn toestel gereed. Na mijn eerste geurige kopje
met langzame teugen te hebben opgeslurpt, vat ik met eerbiedige vingers
de belangrijke bladen aan. Strauss zegt ergens, dat er iets
karakteristieks lag in de wijze, waarop zijn vader den Bijbel na het
lezen toesloeg; mij dunkt, die mij de Haarlemsche Courant ziet
openvouwen, moet insgelijks iets bemerken van de hooge ingenomenheid,
die ik voor haar gevoel. Daar ligt nu de breede vlakte wellustig voor
mij uitgespreid. Ik begin—met het begin. Zelfs het opschrift trekt
somwijlen mijne aandacht.
Opregte ***dagsche Haarlemsche Courant. Welk een oude, deftige naam!
Het blad krijgt er het voorkomen van een klassiek gedenkstuk door, als
ware het een nieuwe livraison van eene altijd doorloopende historische
en statistische encyclopedie. Dan denk ik er aan, hoe vele jaren het
nieuws van den dag zich onder dezen vorm bij onze voorouders heeft
aangemeld, en ik heb eerbied voor dien trek van gehechtheid aan het
oude, zoo hemelsbreed verschillende van de veranderziekte der overige
natiën, bij wie het eene journaal het andere verdringt, naarmate de
verschillende partijen rijzen of dalen. Niet aldus bij ons. In de
Haarlemsche Courant is reeds de dood mijns vaders en van den vader
mijns vaders op gelijke wijze aangekondigd geworden. Zij bevat de
gansche geschiedenis van mijn geslacht; zij zou voor mij het eerste
blad uit mijn folio Statenbijbel kunnen vervangen, waarin wij van ouder
tot ouder gewoon zijn onze donkere en heldere dagen aan te teekenen.
Waarlijk, er is iets plechtigs in de onafgewisselde eentoonigheid van
dit nieuwspapier. Ieder dag levert daaraan zijn vast contingent van
bulletins, geboortecedels en sterflijsten. Een louter staatkundig blad
moge somtijds gebrek aan stoffe hebben, de Haarlemsche Courant nooit.
Zij vervolgt altijd even zeker, even kort en treffend de geschiedenis,
door de hand van den eersten Historiograaf aangevangen: „Ende Adam
gewan Seth, ende hy stierf; ende Seth gewan Enos, ende hy stierf.” En
als ik aan de geslachten denk, welke deze bode des doods, even koel als
de dood zelf, heeft zien voorbijgaan, dan zoekt mijn oog naar het
plaatsje, dat ik welhaast in het zwart register zal innemen; dan vraag
ik mijzelven af, wie bij mijn overlijden de lijkklacht zal aanheffen;
met welk gevoel mijne bekenden het blad uit de hand zullen leggen,
waarin mijn naam voor de jongste maal voorkomt, en welke geschiedenis
de Courant—of, dat hetzelfde is, de hand Gods van mijn geslacht zal
schrijven, tot den dag toe, dat er niemand meer over is, om het
doodsbericht van mijnen laatsten naneef te onderteekenen, dan de
onverschillige executeur. Zie, zulke gedachten verwekt somwijlen bij
mij het gezicht van dat onveranderlijk opschrift: Opregte Haarlemsche
Courant.
Ik ga voort, en neem kennis van de historische en politieke berichten,
die mij worden medegedeeld: even als ieder ander, heb ik hier mijne
artikelen, waarop bij voorkeur mijn oog valt. Curiositeiten liggen
geheel buiten den kring van mijnen smaak. Ook sla ik altijd de
eeuwigdurende twisten der wetgevende kamers over. Om er rond voor uit
te komen, die nietigheden zijn mij te nietig. Ik houd mij liever bij
grooter gebeurtenissen en personen op; daaronder voel ik mijn hart
opgeheven; daarbij denk ik: „Waerom woeden de Heydenen, ende bedencken
de volckeren ydelheyt? De koninghen der aerde stellen sich op, ende de
vorsten beraetslaghen te samen teghen den Heere ende teghen sijnen
Gesalfden, seggende: Laet ons hare banden verscheuren ende hare touwen
van ons werpen. Die in den Hemel woont, sal lachen; de Heere sal ze
bespotten.”—O, wie met een vroom oog leest, kan in de Haarlemsche
Courant een vervolg op de boeken der heilige Profeten vinden. Of
schrijft zij niet, even als de oirkonden des O. T., de geschiedenis der
Voorzienigheid? Leert zij niet tastbaar: „De volckeren sijn geacht als
een druppel van eenen eemer en als een stofken van de weeghschale. Des
Konincx herte is in de hant des Heeren als waterbeken: hy neyght het
tot al dat hy wil.”—En als gij hier tusschen de puinhoopen van
vervallen grootheid, en daar in de schaduw van nieuwgebouwde muren
wandelt, herkent gij daar den vinger Gods niet in, die, sedert de
tijden van Babels torenbouw, niet opgehouden heeft trotsche hoogten te
vernederen en lage vlakten te verheffen? Ja, al zoudt gij mij van
zonderlingheid verdenken, ik moet er voor uitkomen, dat die onedele en
platte stijl, waarin de courantier zijne berichten schrijft, en die
zulk een treffend contrast vormt met het indrukwekkende en leerzame van
den inhoud, voor mij zijne grillige bekoorlijkheid heeft. Dit is ook
een soort van schat in aarden vaten: een profetie, gepredikt door een,
die zwaar van mond en zwaar van tong is; een pijl, door den Syriër in
zijne eenvoudigheid geschoten. In allen gevalle verkies ik de verzwegen
lessen van de Haarlemmer nieuwsberichten verre boven menige
verhandeling „over de wegen der Voorzienigheid in deze of gene
omwenteling.” Hier hebt gij de waarheid in hare eenvoudige gedaante,
zonder dat zij de moeite neemt te zeggen: „Hier ben ik!” Hier hebt ge
een prediker van Gods Voorzienigheid, even ongedwongen, en daarom even
onwedersprekelijk, als de gebanvloekte steen van Babels puinhoopen,
waarop gij in geheimzinnige letteren leest: חיה יהוה (Jehovah leeft).
Ik kan u niet alles mededeelen, wat ik al bij die politieke berichten
denk en gevoel. Dit evenwel zal ik u niet behoeven te zeggen, dat mijn
oog, moede van het dwalen over de wereldkaart, altijd weder met liefde
op dat kleine plekje valt, waarop beide, de Haarlemsche Courant en haar
lezer, geboren werden. Het is waar, op dit punt zijn de berichten
altijd het karigst en onbelangrijkst. Maar weet ik dan niet, dat juist
dit een zegen op zichzelven is, daar het met de natiën gaat als met
bijzondere personen, die er te beter om varen, hoe minder men van hen
spreekt. Felix qui bene latuit. O mijn lievelingsplekje in mijn
lievelings-dagblad! blijf nog lang zoo klein van omvang, zoo arm van
inhoud; des te beter zult gij een eigen hoekje in de nieuwspapieren
bewaren, dat men u eens zoo wreed ontnomen heeft.
Zoo nader ik tot de huwelijksberichten. Een leelijk artikel voor een
oud vrijer. Het is of mijn gezicht altijd eenigszins betrekt, als ik
dat tergende getrouwd—getrouwd—getrouwd—onder de oogen krijg. Ach, daar
was eens een vooruitzicht, lezer, dat gij er ook eene advertentie zoudt
hebben aangetroffen:
Getrouwd:
Jonathan ***
en
Betsy ***
Maar nu heeft schrijver dezes al zijn hoop gevestigd op eenen anderen
staat, waar geen register van den burgerlijken stand en geene
Haarlemsche Courant meer zijn, waarvan hij gelooft: „In de opstandinghe
en nemen sy niet ten houwelicke, noch en worden niet ten houwelicke
uytgegheven, maer sy sijn als Engelen Godts in den hemel.” Vraag mij
niet hoe die advertentie mislukte; het zij u genoeg, dat ik zoo ver
gekomen ben, om nimmer met tegenzin in de geboorteberichten te lezen:
Heden beviel van eene dochter Betsy ***, geliefde echtgenoote
van—van—een ander dan Jonathan.
Integendeel, de dag, als het nieuwspapier zulk een bericht inhoudt, is
voor mij een feestdag. Dan laat ik mijne oude dienstmaagd, hoe vreemd
zij mij ook aanzie, altijd een kopje kandeel voor mij gereed maken, en
’s avonds gedenk ik een mensch meer in mijn gebed.
Overigens ben ik echter altijd een weinig gevoelig, als ik aan dat
hatelijke punt van voltrokken huwelijken kom, en de drommel weet hoe
het komt, dat ik dan meermalen de Courant moet neêrleggen, om mijn
brilleglas af te vegen. Dan denk ik soms bij mij zelven: „Wat staat dat
hier kort en koel: getrouwd, en dat van eene plechtigheid, waarbij
zoovele hartstochten in het spel zijn! Hoe menig heeft hier in dat
woord zijne aardsche zaligheid uitgesproken! maar ook van hoe vele
jammervolle geschiedenissen staan hier de eerste letteren.” Dan hecht
ik in mijne gedachten aan dien enkelen draad een lang zwart weefsel van
ongeluk en lijden, tot ik, met een lach over mijne onnoozelheid, de
hand in het rag mijner verbeelding sla. Somtijds roep ik mij ook het
liefelijke beeld der bruiden voor den geest; dan zie ik ze, die
aanvallige schepselen, die alle schoon zijn door de schoonheid des
genoegens, en alle rijk door den rijkdom des geluks. Evenwel vergeet ik
nooit haar onderling lot te vergelijken, dat zich vooral in den tijd
eener feestviering zoo scherp afteekent. Hier zie ik er eene in een wit
neteldoeksch kleedje, met een bloemtakje op de borst, door weinige
hartelijke vrienden omgeven. Maar ginds verplaats ik mij in een
vergulde zaal,
Met gouden luchters aan de wanden,
Waarop de bijen offers branden,
alles schitterende van pracht, weelde en genot. Daar zie ik de bruid,
opgetooid als een Madonnabeeld, met kleederen, stijfstaande van goud en
juweelen, als eene vorstin gevierd en gehuldigd, door een stoet van
hovelingen omringd. Daar zingen geen gasten een vroolijk bruiloftslied,
maar schimpende muzikanten blazen met onwillige lippen de fanfare der
zegenwensching. Daar straalt op geen enkel gelaat ingenomenheid met het
geluk der bruid: men legt er zijne belangstelling aan den dag door
dansen. Dansen—altijd dansen. Foei! in spijt van natuurlijke traagheid
en gezond verstand, in spijt van Byron’s Waltz en Hugo’s Fantômes, zich
den Vampyr des bals in de armen te werpen! Een vrouw, die danst, is
leelijk. De gratie van houding en standen betwist ik niet; maar op het
gelaat verwekt die gelijkmatige trippeling der voeten eene onnoozele of
eene wellustige uitdrukking. Eene bruid vooral moet niet dansen. Zij is
eene vorstin; zij poseert in de dagen harer feestvreugde; zij moet zich
niet overgeven, zij moet kiesch zijn. In den dans verzuimt de bruid
(waarover zij anders zoo wel te waken weet) hare hartstochten te
verbergen. Zij heet de gesluierde, nupta, en zal zij zich nu door de
woestheid harer bewegingen half naakt dansen? Foei, dat dwarrelende
stof op den blanken oranjebloesem! Foei, die wellustige kreuken in het
gewijde bruidskleed! Foei, die gevierde Heilige in de armen eens
vreemden! Tot de vrouwen toe, die niet dansen, zijn van den
trippelduivel bezeten. Haar oog volgt de rijen; haar hoofd huppelt de
maat der muziek na, en de voeten bewegen zich krampachtig naar den
klank der luchtige walsnoten. Bij andere volken behandelde men den
eerdienst als een dans; bij ons den dans als een eerdienst.
l’Alternative ne nous flatte guère.
Maar als ik bemerk dat ik bitter word, stap ik dadelijk over op de
geboorteberichten. Gij zoudt u vergissen, als gij meent, dat een oud
vrijer die overslaat. Neen, ik heb zoogoed als iemand vader-ingewanden,
ofschoon de dooplijst er mij niet voor heeft te boek staan. Vooreerst
heb ik eene algemeene kinderliefde; maar daarenboven zijn er, die een
bijzonder recht op mijn hart hebben; kinderkens, die vader en moeder
zeggen tot hen, die mijn hart broeder en zuster noemt; kinderkens, van
wie ik weet dat ze in de vreeze des Heeren zullen worden opgevoed, en
alzoo, indien God er zijn zegen toe geeft, kinderen blijven zullen. O,
en als ik dan bedenk, dat een Engel een wederpaar houdt van dat
register van namen, dat ik voor mij heb, en dat ik het begin lees van
eene geschiedenis, die geene eeuwen zullen zien eindigen, dan mijmer
ik: „Wat is de mensche, dat ghy zijner gedenckt; ende hebt een weynigh
hem minder gemaackt als de Engelen, ende hem met eere ende heerlyckheyt
gekroont.”
Wij zijn tot de dooden genaderd. Daar gekomen, overvalt mij altijd eene
kleine huivering; het is alsof ik een kerkhof binnentreed; hetwelk ik
nooit doen kan, zonder onwillekeurig den hoed af te nemen. En is het
dan geen kerkhof, die doodenlijst der Haarlemsche Courant? Immers
wandelen wij er als tusschen graven; de onderlinge afdeelingen zijn
even zoo vele wijspalen, de berichten even zoo vele opschriften. En
evenmin als ik op een kerkhof eenen grafsteen ongelezen kan laten, sla
ik hier een enkel bericht over. Het is waar, dan schud ik soms het
hoofd over de menschelijke dwaasheid, die zelfs onder den floersen
lamfer de narrenbellen niet verbergen kan: maar meestal lees ik met
warme belangstelling de uitdrukking der smart van bedroefde
betrekkingen; zelfs heb ik, in navolging der bezoekers van
Père-la-Chaise, eene verzameling van belangrijke doodsadvertentiën
bijeengebracht, die ik zou uitgeven, indien niet de smart, die haar in
de pen gaf, mij te heilig was, om hare klachten tot letterkundige
bijdragen te vernederen. Ja, om niets te verzwijgen, het is misschien
kinderachtig, maar daar zijn doodsaankondigingen, die mij tranen uit de
oogen lokten, en, hetgeen nog sterker is, mij aan den mij gansch
onbekenden ontslapene als aan een vriend deden denken. Zie, ik ken haar
niet; maar toch is mij de nagedachtenis eenigermate lief van die
jeugdige vrouw, waarvan de bedroefde echtgenoot onlangs berichtte: „Zij
laat mij de herinnering na der zachtste en edelste hoedanigheden,
geheiligd door het geloof aan Hem, wiens dood nu haar leven is.”
Ik voor mij nogtans, uit vrees van nog na mijn dood om het bericht van
mijn dood te worden uitgelachen, heb het aan mijne bloedverwanten niet
durven overlaten mij uit te luiden; ik heb beschreven, dat mijn
overlijden in den eenvoudigen vorm van:
Heden overleed de Heer Jonathan *** in den ouderdom van *** jaren moet
bericht worden, met een volstrekt verbod er bij, om te bepalen, dat
door de nabestaanden geen rouw zal gedragen worden. Foei! ik word
altijd boos, als ik die hatelijke woorden lees. Noem het vrij
bijgeloof, ik heb dien krippen weduwsluier, ik heb die donkere
kleederen lief. Het is zoo natuurlijk, als de vader zijn doodskleed
aantrekt, dat ook de kinderen het gewaad van den vorigen dag ter zijde
leggen. Wij zijn van den zak en de assche der Israëlieten toch reeds
ver genoeg afgeweken. De mode had immers overvloedig uitzonderingen
gemaakt, om het eentonige zwart behagelijk af te wisselen! Maar nu
begint zelfs het laatste uiterlijk teeken van rouw te verdwijnen. Ik
zou ongelijk hebben daarover te klagen, indien in onze dagen de
inwendige droefheid geene uiterlijke symbolen meer behoefde, om te
worden levendig gehouden. Maar hoe weinigen zijn er, die met den
Oosterschen dichter van een geliefden doode vragen mogen: „Zou hij een
ander graf hebben dan dit hart?” Voor de overigen dan veroordeel ik
het, dat men reeds in het gezicht van het lijk zich het vergeten
gemakkelijk begint te maken. „Ga vrij naar het bal, Mejufvrouw! Gij
draagt immers geene rouwkleeding. En wie weet zoo juist, of de tijd,
voor de rouwdracht over eenen vader bestemd, nog niet voorbij is?”
Neen, die mijne kleine bezitting verdeelen, zullen ook zwart moeten
dragen, of, ik waarschuw hen, mijne schim zal hen alle nachten in een
donker lijkkleed komen ontrusten, totdat ze een gewaad aantrekken,
waarvoor ze nog erger terugbeven.
By het doorloopen der doodsadvertentiën schiet mij somtijds nog eene
andere gedachte te binnen—eene gedachte, niet aan de dooden, die hier
vermeld staan, maar aan degenen, wier naam ik hier niet vinde—aan de
arme dooden—of liever, aan de doode armen. Hun overlijden gaat, even
als hun geboren worden en sterven, onopgemerkt voorbij. Men stopt ze in
eene greenenhouten kist, draagt ze, alsof—de Hemel vergeve het
mij!—alsof hun overschot een kreng ware, waarvan men het gezicht aan
anderen behoort te sparen, langs achterstraten naar een afgelegen
bolwerk, en ontzegt hun ten slotte een plaatsje in de Haarlemsche
Courant. En natuurlijk! er is immers toch niemand, die in hun leven of
sterven belang stelt. O armoede! armoede! ik heb een open hart voor uw
lijden; alles, wat mij u herinnert, wekt een pijnlijk gevoel in mij op.
Als ik u ergens aantref, bloos ik over u, en waar ik u niet zie, vraag
ik: „Waarom niet hier?” Voorwaar, de dichters zijn ellendige
leugenaars, die iedere menschelijke smart, en dus ook de jammeren der
armoede, bij hun idealisch lijden dragelijk noemen. Zij beschilderen
zich met de wonden en litteekens, die de arme onder zijne lompen
verbergt. Want zie! aan de ellende der behoefte is alle poëzie vreemd.
De armoede bedroeft niet alleen, maar verlaagt; zij schokt niet, maar
knaagt; zij wekt geen beklag, maar verachting; zij is geene wonde, maar
een kanker; zij sloopt niet, maar vermagert; zij laat het niet, even
als iedere smart, bij enkele alsemteugen, maar verbittert voor altijd
den smaak; zij is te ondragelijker, naar mate zij zorgvuldiger moet
ontveinsd worden; zij maakt den vader- en moederzegen tot vader- en
moedersmart; zij rust als een vloek op de woning, waarin gastvrijheid
en mededeelzaamheid balling zijn; zij verkort de genoegens der
vriendschap, en vergalt het genot der liefde; zij onttooit voor haar
slachtoffer de schoone aarde, waarop voor hem geen lente of zomer
aanbreekt, als die voor hem geen bloemen of vruchten voortbrengt, maar
waarop in zijn oog altijd winter, dorheid en onvruchtbaarheid
heerschen; ja, zij verengt voor hem het aardrijk, en doet het inkrimpen
tot het plekje, waar binnen hem de behoefte bant; zij boeit hem aan
zijne woning, zonder hem er het verblijf te veraangenamen; zij brandt
in de hitte des zomers, huilt in het loeien van den storm, en snerpt in
de koude des winters; zij doorweekt zijn brood met tranen, en schudt
zijn leger hard; zij leert hem iedere bede veronachtzamen, om die ééne:
„Geef ons heden ons dagelijksch brood!” Zij maakt hem wars van de
aarde, zonder hem van het aardsche af te trekken; zij maakt iederen dag
den anderen gelijk, en lost alle wenschen en hartstochten in den
enkelen zucht der begeerlijkheid op; zij is de algeheele vervulling van
den vloek des Heeren: „In het sweet uwes aenschijns sult ghy uw brood
eten.”
Rust zacht, arme broeders en zusters, gestorven zonder een plaatsje op
het doodenregister te erlangen! Ziet, dit is de laatste vernedering, u
aangedaan. Drie voeten onder de aarde bestaat er geen verschil tusschen
fatsoenlijk en onfatsoenlijk meer, en al ligt uwe kist ongedrukt door
een steen, zoo als die, welke ginds, op den lijkheuvel van den
hooggeborene, naam en blazoen ten toon draagt, de Engel der opstanding
is geen heraldicus. In zeker opzicht wordt ieder adelijke met zijne
wapenen begraven; onder de doodsadvertentie van elk edelman zou men,
even als in de stamboeken bij het uitsterven des geslachts, een uurglas
en zeisen kunnen teekenen. De dood casseert allen; hij verbreekt den
degen boven het graf des krijgsmans, den schepter boven het mausoleum
des vorsten, het wapenbord boven het cenotaphe van den baron, en boven
uw zandhoop den bedelstaf. Rust dan zacht, arme broeders en zusters,
gestorven zonder een plaatsje in de Haarlemsche Courant te erlangen!
Ik ben ondanks mijzelven te ernstig geworden voor de mededeeling mijner
gewaarwordingen, onder het lezen der verschillende aankondigingen;
misschien vertel ik u daarvan een en ander bij eene volgende
gelegenheid. Voor ’s hands is het mij genoeg, als ik u slechts heb
overtuigd, dat ik voor mij voldoende reden heb, om iederen dinsdag,
donderdag en zaterdag morgen, terstond na mijn ochtendgroet, mijne
dienstmaagd te vragen: „Hebt gij den brievenpost reeds gehoord?”