VOORBERICHT.

Gelijk ieder boek, dat het licht ziet, hebben ook de hierna volgende

bladen, die bij dezen den lezer op nieuw worden aangeboden, hunne eigen

geschiedenis.

Onopzettelijker en met minder bepaald plan om als een afzonderlijk,

zelfstandig, deftig boek, op eigen beenen, de wereld der openbaarheid

in te treden, is wel zelden eenige letter-arbeid zijne wandeling onder

de menschen begonnen. Het was een tweetal vrienden, die, tot mijne en

veler vreugde, nog thans de eer en de trots der vaderlandsche

letterkunde zijn, welke tot het ontstaan van de eerste hier voorkomende

Schets aanleiding gaven. Het was eenigszins als bij wijze van een

dichterlijk spel, dat die bladzijden ten papiere werden gebracht, om

het bloemenkorfje van de bekoorlijke, helaas, te vroeg gestorven

Tesselschade te helpen vullen en versieren. Dat de verzamelaar van dien

bloemruiker het eenvoudige bloemeke uit de hand des vriends niet

afwees, liet zich verstaan en verklaren. Maar dat het groote Publiek

gunstig genoeg geluimd was, niet alleen om deze geringe veldbloem

welwillend aan en op te nemen, maar haar ook een blijvende plaats in

zijn kamertuin te geven, was meer, oneindig meer, dan men zich had

beloofd. Was het wonder, dat men, ziende welk een onthaal die soort van

gewas vond, er meer opzettelijk werk van begon te maken en met dat doel

een kleine kweekerij werd aangelegd?

Met de voorspoedig ontluikende spruiten van dien hof werden nu van tijd

tot tijd ook andere bloemkorven voorzien. Niet alleen de kunst-keurige

Tesselschade, ook de klassieke Gids, de Gids, zooals De Génestet zingt:

in lang vervlogen dagen,

Eer in zijn hart, verflauwd voor Letteren en Kunst,

Hebreeuwsch en politiek, ach, stegen in de gunst,

ook het toen nog zoo populaire en veelgelezen Leeskabinet, ook de eens

zoo bloeiende, maar spoedig uitgebloeide Nederlandsche Maatschappij van

schoone kunsten hadden voor haar een plaatsje over. Zoo ontstond van

lieverlede eene gansche verzameling, die, hoewel altoos niet groot,

toch na eenigen tijd groot genoeg geworden was, om voor zich in den

Nederlandschen letterhof een eigen plek te vragen. Onder den algemeenen

titel van Waarheid en droomen door Jonathan, kwam in 1840 de eerste

uitgave der bijeenvergaderde Schetsen in het licht.

De opname was zoo ongedacht gunstig, dat nog in hetzelfde jaar een

tweede oplage noodig werd. In 1846 volgde een derde, in 1856 een vierde

uitgave, en nu, in 1872, verschijnt bij dezen een vijfde, weder op

nieuw vermeerderde druk.

Vermeerderd—waarom?

Ik zal eerlijk opbiechten. Ik voor mij zou daartoe uit eigen beweging

wel niet gekomen zijn. Maar in die dagen was de oorspronkelijke

uitgever van de Jonathaniana, mijn wakkere, bekwame en achtenswaardige

vriend Pieter François Bohn nog in het land der levenden. Hij verraste

mij met de aankondiging, dat een nieuwe oplage van de Waarheid en

Droomen noodig was geworden, en dat ook werkelijk bij hem het plan

bestond om daartoe eerlang over te gaan. Maar hij voegde bij die

mededeeling, zonder er juist een voorwaarde van te maken, toch een

dringenden wensch, dat er aan de oorspronkelijke verzameling althans

een enkele nieuwe Schets mocht worden toegevoegd, die daaraan als een

zeker waas en geur van verschheid en frischheid geven zou. Had ik

recht, of onrecht, voor dien aandrang te bezwijken? Ik weet het niet.

Misschien had ik beter gedaan, ook hier den bekenden rechtsregel te

gedenken: Non bis in idem. Misschien was het al te laat in ’t jaar

geworden, om nog op een groen Sint-Jans-lot te hopen. Misschien doet de

oude man beter, om met zijn roestig geworden stem het liedje van

vroeger dagen niet nog eens op nieuw te willen opneuriën... Wat baat

het alles? Ik was, ondanks dit alles, zwak genoeg toe te geven. De

nieuwe Schets werd geschreven, en onder het opschrift: Een

afscheidsbezoek in 1871 aan de overige verzameling toegevoegd.

En zoo geef ik hierbij den geheelen bundel, gelijk hij nu is ingericht,

den goedgunstigen lezer over. Ik doe het echter met een gemengd gevoel.

Het is als zag ik een rouwrand om den titel. Er bestaat een populair

rijmpje:

Het boompje groot;

De planter dood.

Dit komt mij nu als van zelf voor den geest, bij den blik op deze

afgedrukte bladen, wier oorspronkelijke uitgever ook dit deel zijns

werks met zooveel wakkerheid aanvatte, maar het niet ten einde brengen

mocht. Hij heeft zelfs de nieuwe Schets, tot wier vervaardiging hij den

stoot gaf, niet eens gezien! Een memento meer bij zoovele anderen,

waarvan de volgende bladen spreken. Ik betreur dit overlijden, niet zoo

zeer om het boek, dat nu toch op zijn tijd behoorlijk in de wereld

komt, als om den Vriend, met wien mij een langdurig verkeer op de

hartelijkste wijze verbond. Aan zijn hand verscheen ik, met mijn Rijm

en Onrijm beide, het eerst voor het groot Publiek; toen, en later,

dankte ik aan hem menigen nuttigen wenk, die getuigde van zijn helder

hoofd, gezond hart en goeden smaak.—Ik werp dus, in deze eenvoudige

mededeeling, een bloem van hulde en erkentenis op zijn pasgesloten

graf. Ik weet, dat ik, zoo doende, niet alleen voor mij zei ven, maar

ook uit naam van meer anderen spreke, die erkennen zullen, aan de

medewerking van den bekwamen en ijverigen Uitgever hunner werken geen

mindere verplichting te hebben, dan ik gevoel hem schuldig te zijn—en

te willen blijven.

En nu ik eens den voet op dit gebied der herinnering gezet heb, hoevele

liefelijke beelden uit het verleden verrijzen daarbij voor mijnen

geest!

Een mensch kan twee levens leven: een historisch, reëel, en een

literarisch leven—een leven, ook hier, van Waarheid en van Droomen, als

gij wilt. Het eerste is zeker in menig opzicht het belangrijkste, het

ware, het eigenlijke leven; maar ook het tweede heeft, naast en in het

eerste, zijne eigen beteekenis en waardij. Maar nu, met het oog daarop,

kan Jonathan niet dan met groote dankbaarheid erkennen, dat, terwijl

zijn werkelijk leven, als ieder weefsel der Schikgodinnen, zijn

gemengde witte en zwarte draden gehad heeft, de webbe van zijn

letterkundig leven schier niet dan enkel witte draden bevat. Hoeveel

vrienden heeft hij op zijne omwandeling, nu reeds aanvankelijk onder

een tweede geslacht, gevonden en behouden! En daarentegen, hoe weinig

harde beoordeeling of behandeling heeft hij... ja, heeft hij daarvan

ooit wel iets ondervonden? Hij kan het zich niet herinneren. Kon hij

aan deze Schetsen een verhaal van zijne ervaringen op dit punt

toevoegen!... maar dat behoort in het Geheime Dagboek, dat niet onder

vreemde oogen komt. Waartoe dan de vermelding? Alleen uit een gevoel

van dankbaarheid jegens de zachte lucht, die zijn zwak en teer gewas

tot nu toe in ’t leven heeft gehouden, en het nu weer, als eene

vernieuwing des levens, een nieuwen bloeitijd gunt. Moge ook later die

lucht even zacht blijven. De heerlijke Juli-zon van dit jaar,

schijnende over het bekoorlijke Dal aan de oevers van de Vesdre, nabij

de wellen der Warme-Bron, [1] waar ik deze regelen nederschrijve,

schijnt mij daarvoor een goed en veelbelovend voorteeken te wezen. Moge

dit voorteeken niet liegen. In die hoop, ga dan, mijn bloemeke, en

bloei, en geur, zoolang uw zomerdag duurt, en breng met dezen uwen geur

aan allen, die u welkom heeten en in liefde ontvangen, den heilwensen

van uwen kweeker over in het ouderwetsche, maar hartelijk gemeende

woord, dat ik zoo vaak als een devies op een breekbare gave der

erkentenis en der liefde las: Wandel op rozen en—vergeet mij niet!

Juli 1872.

Waarheid en droomen · 第 3 / 64 题