TANTE MARCH BRENGT DE ZAAK TOT EEN BESLISSING.

Net als de bijen achter hun koningin aanzwermen, zweefden moeder

en dochters den volgenden dag rondom mijnheer March, en verzuimden

alles om den pas aangekomen herstellende te zien, te hooren en te

bedienen, zoodat hij gevaar liep door overmaat van verzorging weer

ziek te worden. Zooals hij daar, omringd van kussens in den grooten

stoel naast Bets' canapé zat, met de andere drie dicht om hem heen,

terwijl Hanna nu en dan het hoofd eens om de deur stak, "om eens

even den lieven man te zien," scheen het alsof er niets meer aan

hun geluk ontbrak. En toch ontbrak er _iets_, en de ouders voelden

het, hoewel niemand er over sprak. Mijnheer en mevrouw March zagen

elkaar onrustig aan en volgden Meta met de oogen. Jo had plotselinge

aanvallen van somberheid, en werd er op betrapt, dat zij nu en dan

met haar vuist Brooke's parapluie dreigde, die in de gang was blijven

staan. Meta was afgetrokken, verlegen en stil. Ze schrikte wanneer

er gebeld werd, en bloosde als iemand John's naam noemde. Amy zei:

"'t Is net of iedereen op iets wacht en niemand tot rust kan komen,

en dat is toch vreemd, nu Vader weer goed en wel thuis is." En Bets

verwonderde er zich in haar onschuld over, waarom de buren niet als

naar gewoonte kwamen overloopen.

's Middags ging Laurie voorbij en scheen, toen hij Meta aan het venster

zag staan, plotseling door een theatrale bui overvallen te worden,

want hij viel op één knie neer in de sneeuw, sloeg zich op de borst,

trok zich aan het haar, en hief zijn handen smeekend op, alsof hij om

de een of andere gunst bad. En toen Meta hem zei, dat hij zich niet

zoo gek moest aanstellen en doorloopen, wrong hij denkbeeldige tranen

uit zijn zakdoek en wankelde den hoek om, alsof hij "der wanhoop ten

prooi was."

"Idioot! Wat zou hij daarmee meenen?" vroeg Meta lachende, en deed

haar best, om er uit te zien, alsof ze er niets van begreep.

"Hij deed maar eens voor, hoe jouw John zich zal aanstellen. Roerend,

hè?" antwoordde Jo verachtelijk.

"Zeg alstjeblieft niet _mijn John_, want dat is onzin en niet waar,"

maar Meta sprak de woorden langzaam uit, alsof ze haar bijzonder lief

toeklonken. "Toe, plaag me niet, Jo; ik heb je immers gezegd, dat ik

niet _veel_ om hem geef, en hij heeft immers van niets gesproken;

dus moeten wij allemaal maar gewoon vriendschappelijk zijn en net

doen als vroeger."

"Dat kunnen we niet, want er _is_ iets gezegd en Laurie's

onhebbelijkheid heeft je voor mij bedorven. Ik zie het best en Moeder

ook. Je bent heel anders dan vroeger; ik weet niet hoever je wel

van me af lijkt. Ik ben niet van plan je te plagen, en ik zal het

dragen als een man, maar ik wou dat alles nu maar bepaald was. 'k

Heb een hekel aan dat wachten. Als je het dus ooit denkt te doen,

haast je dan wat, dan is het gauw voorbij," zei Jo knorrig.

"_Ik_ kan toch niets zeggen of doen, eer hij er van spreekt, en dat

zal hij niet, omdat Vader gezegd heeft dat ik te jong was," begon Meta,

terwijl ze zich met een ongeloovig glimlachje over haar werk heenboog,

alsof ze het op dit punt niet geheel met haar vader eens was.

"Als hij begon, zou je niet eens weten te antwoorden; je zou maar

schreien en blozen en hem zijn zin geven, in plaats van beslist neen

te zeggen."

"Ik ben niet zoo kinderachtig en zwak, als je denkt. Ik weet precies,

wat ik zeggen zal, want ik heb er een uitvoerig plan voor gemaakt,

om niet onverwachts te worden verrast; je kunt nooit weten wat er

gebeuren zal, en ik wil op alles bedacht zijn."

Jo moest lachen om het gewichtig air, dat Meta onbewust had aangenomen,

en dat haar heel goed stond, even als het aardig blosje, dat telkens

haar wangen kleurde.

"Zou je me niet eens willen vertellen, wat je zou zeggen?" vroeg Jo

meer eerbiedig.

"Met plezier. Je bent nu zestien, oud genoeg om mijn vertrouweling

te zijn, en mijn ondervinding kan jou misschien mettertijd te pas

komen in een dergelijke aangelegenheid."

"Ik ben niet van plan die ooit te hebben. Ik vind het ontzettend

grappig andere menschen het hof te zien maken, maar ik zou me

bespottelijk voelen, als het mezelf overkwam," zei Jo, verschrikt

bij de gedachte.

"Dat geloof ik niet, als je veel van iemand hield en hij van jou." Meta

zei het als tot zichzelf, en tuurde naar de laan, waar ze zoo dikwijls

geëngageerde paartjes in de schemering had zien wandelen.

"Ik dacht, dat je me je redevoering zou gaan opzeggen," zei Jo,

de droomerij van haar zuster onbarmhartig verstorend.

"O, ik zou alleen heel kalm en beslist zeggen: dank u, mijnheer Brooke,

u is wel vriendelijk, maar ik ben het ééns met mijn vader, dat ik te

jong ben om me al te engageeren; wees dus zoo goed er niet meer over

te spreken, maar laat ons vrienden blijven als vroeger."

"Hm, stijf en koel genoeg. Ik geloof niet, dat je dat ooit zult zeggen,

en ik weet dat hij er niet mee tevreden zal zijn. Als hij aanhoudt,

zooals gelukkige minnaars in boeken, zul je hem aannemen, liever dan

hem te kwetsen."

"Neen, dat zal ik niet! Ik zal hem zeggen, dat ik vast besloten ben,

en dan de kamer met waardigheid verlaten."

Meta stond op, toen zij dit zei, en was juist van plan haar

indrukwekkenden uittocht voor te stellen, toen een stap in de gang

haar naar haar stoel terug deed stuiven en op haar naaiwerk aanvallen,

alsof haar leven er mee gemoeid was, zoo de zoom niet in een bepaalden

tijd af kwam. Jo bedwong een lach bij de plotselinge verandering,

en toen iemand bescheiden aan de deur tikte, opende zij die alles

behalve gastvrij met een barsch gezicht.

"Dag juffrouw March, ik kwam om mijn parapluie te halen--eigenlijk

ook om te zien, hoe uw vader zich vandaag voelt," begon Brooke een

beetje verlegen, terwijl zijn oog van het eene veelzeggende gezicht

naar het andere vloog.

"Best, hij is heel wel; de parapluie staat in den stander; ik zal hem

even krijgen en zeggen dat u er is," zei Jo, en wipte de kamer uit om

Meta de gelegenheid te geven haar redevoering in alle waardigheid af

te steken. Maar zoodra ze weg was, begon Meta naar de deur te schuiven:

"Moeder zal zeker blij zijn u te zien; ga zitten, ik zal haar roepen."

"Ga niet weg; ben je bang voor me, Meta?" en Brooke keek zoo gegriefd,

dat Meta vreesde iets heel ruws gedaan te hebben. Ze bloosde tot

onder haar krulletjes, want hij had haar nog nooit bij haar naam

genoemd, en ze was verbaasd, dat het zoo natuurlijk en prettig uit

zijn mond klonk. Om vriendelijk en kalm te schijnen, stak ze haar

hand vertrouwelijk uit en zei op dankbaren toon:

"Hoe zou ik bang voor u kunnen zijn, terwijl u zoo goed voor Vader

geweest is? Ik wou maar, dat we er u voor konden bedanken."

"Zal ik je zeggen, hoe je dat kunt?" vroeg Brooke, die Meta's hand in

zijn twee groote handen vastgreep, en haar aanzag met zooveel liefde in

zijn bruine oogen, dat haar hart begon te bonzen en ze wel had willen

wegloopen, maar toch ook graag wou blijven om het verdere te hooren.

"Och neen, als 't u belieft niet--liever maar niet," zei ze, terwijl

ze trachtte haar hand weg te trekken, en er heel schuw en verschrikt

uitzag, al had ze beweerd niet bang voor hem te zijn.

"Ik zal je niet plagen; ik wou alleen weten of je een beetje van

me houdt; ik heb je al zoolang liefgehad, Meta," voegde Brooke er

teeder bij.

Dit was het oogenblik voor de kalme, gepaste redevoering, maar Meta

sprak die niet uit; zij was alles vergeten, keek op den grond en

antwoordde: "Ik weet het niet," zoo zachtjes, dat John zich bukken

moest, om het kleine, dwaze antwoord te verstaan.

Het scheen hem toch nogal te voldoen, want hij glimlachte met

een stralend gezicht, drukte Meta's handje en vroeg op zijn meest

overredenden toon: "Zou je willen probeeren, om het te weten te

komen? Ik zou het zoo graag van je hooren, en kan niet met lust aan

't werk gaan, eer ik weet, of ik in 't eind mijn belooning zal krijgen

of niet."

"Ik ben nog te jong," stamelde Meta, verbaasd dat ze zoo overstuur

raakte en dat ze het toch eigenlijk niets naar vond.

"Ik zal wachten; en intusschen kun je misschien leeren van mij te

houden. Zou 't een erg moeilijke les wezen, Meta?"

"Niet, als ik hem graag wou leeren, maar--"

"Toe, wil het maar, Meta. Ik houd van onderwijs geven, en dit is veel

gemakkelijker dan Duitsch," riep John, haar andere hand grijpende,

zoodat zij haar gezicht niet kon verbergen, toen hij zich bukte om

haar in de oogen te zien.

Zijn toon was "gepast smeekend," maar Meta keek hem eens van ter

zijde schichtig aan en zag dat zijn oogen niet alleen teeder, maar

ook vroolijk stonden en dat hij tevreden glimlachte, als iemand, die

niet twijfelt aan zijn succes. Dit prikkelde haar; ze herinnerde zich

Annie Moffat's dwaze lessen in coquetterie, en de zucht naar macht,

die in 't hart, ook van de beste jonge meisjes sluimert, ontwaakte

plotseling in haar en maakte zich van haar meester. Ze voelde zich

zenuwachtig en vreemd, en niet wetende wat anders te doen, volgde ze

een opkomende gril, trok haar handen los, en zei heftig: "Ik _wil_

niet; ga als 't je blieft weg en laat mij alleen."

De arme Brooke keek alsof zijn dierbaar luchtkasteel op hem

neertuimelde, want hij had Meta nooit in zoo'n stemming gezien,

en hij raakte er door in de war.

"Meen je dat werkelijk?" vroeg hij dringend, haar met zijn blik

volgend, terwijl ze de kamer uitliep.

"Ja, ik meen het. Ik wil niet met die dingen geplaagd worden. Vader

zegt, dat het niet hoeft; het is te vroeg en ik wil niet."

"Maar mag ik niet hopen, dat je langzamerhand van plan veranderen

zult? Ik wil wachten en niets zeggen, totdat je tijd hebt gehad. Speel

niet met me, Meta. Dat had ik niet van je gedacht."

"Denk maar in het geheel niet meer aan me. Ik wou liever, dat je

't niet deed," zei Meta, die in een ondeugende opwelling het geduld

van haar minnaar en haar eigen macht eens op de proef wilde stellen.

John was heel ernstig en bleek geworden en leek nu ongetwijfeld veel op

de romanhelden, die ze tot nu toe bewonderd had; maar hij sloeg zich

toch niet voor het voorhoofd en stampvoette niet op den grond, zooals

zij deden; hij stond maar stil naar haar te kijken, zóó verlangend,

zóó teeder, dat ze bijna berouw kreeg. Het is moeilijk na te gaan,

wat er gebeurd zou zijn, als op dit hoogst belangwekkend oogenblik

Tante March niet binnengestrompeld was.

De oude dame kon het verlangen haar neef te zien, niet bedwingen,

want ze had Laurie ontmoet op haar wandeling, en de terugkomst van

mijnheer March vernemende, reed ze terstond uit om hem te bezoeken.

De heele familie was juist achter in het huis en ze was stilletjes

binnengekomen om hem te verrassen. Ze verraste twee anderen zóó, dat

Meta schrikte alsof ze een geest zag en John Brooke in de studeerkamer

ontsnapte.

"Zeg! wat beteekent dit alles?" riep de oude dame, met een slag van

haar wandelstok, terwijl ze van den bleeken jongeman naar de vuurroode

jonge dame keek.

"Een vriend van Vader. Ik ben zoo verrast u te zien," stamelde Meta,

overtuigd dat haar thans de les zou worden gelezen.

"Dat is duidelijk," antwoordde Tante March, en ging zitten. "Maar wat

zei die vriend van je vader, dat je zoo purperrood gemaakt heeft? Er

is iets niet in den haak hier, en ik eisch dat je me vertelt, wat er

gebeurd is!"

"We waren maar wat aan 't praten. Mijnheer Brooke kwam om zijn

parapluie te halen," begon Meta, die mijnheer Brooke en zijn parapluie

veilig de deur uitwenschte.

"Brooke? De gouverneur van dien jongen? Aha, nu begrijp ik het! Ik

weet er alles van. Jo versprak zich, toen ze mij een boodschap wou

voorlezen uit een der brieven van je vader, en ik heb haar laten

opbiechten. Je hebt hem toch niet geaccepteerd, kind?" riep Tante

March verontwaardigd.

"Stil toch! hij zal u hooren! Laat ik Moeder gaan roepen," zei Meta,

hevig ontsteld.

"Nog niet. Ik heb je iets te zeggen en zal dat eerst doen. Vertel m'

eens, ben je van plan dien Brooke te trouwen? Als je dat doet, krijg je

geen cent van me. Denk daar maar aan, en wees een verstandig meisje,"

sprak de oude dame dreigend.

Nu bezat Tante March in hooge mate de kunst, zelfs in de zachtste

menschen een geest van verzet op te wekken en ze had er plezier

in dat te doen. De besten onder ons hebben iets van koppigheid in

zich, vooral wanneer zij jong en verliefd zijn. Als Tante March

Meta verzocht had John Brooke aan te nemen, zou ze waarschijnlijk

beslist hebben geweigerd; maar nu haar bevolen werd _niet_ van hem

te houden, besloot zij terstond het wél te doen. Genegenheid, zoowel

als koppigheid maakte dit besluit gemakkelijk, en in haar opgewonden

toestand verzette Meta zich tegen de oude dame met ongewoon vuur.

"Ik zal trouwen met wien ik wil, Tante, en u kunt uw geld geven aan

wie u wilt," zei ze met een vastberaden knikje.

"Wel, nu nog mooier! Is dat de manier, waarop je mijn raad volgt,

meisje. 't Zal je gauw genoeg berouwen, als je de liefde in een hutje

hebt leeren kennen en je die is tegengevallen."

"In een hut is dikwijls veel meer liefde dan in sommige groote huizen,"

antwoordde Meta.

Tante March zette haar bril op en staarde haar nichtje aan--ze

herkende haar niet in deze stemming. Meta begreep zichzelf nauwelijks;

ze voelde zich zoo dapper en onafhankelijk, zoo blij dat ze John kon

verdedigen en haar recht kon handhaven om hem lief te hebben als zij

dat verkoos. Tante March zag in, dat ze de zaak verkeerd had aangepakt;

na een poosje deed ze dus een nieuwen aanval en begon zoo zachtzinnig

als haar mogelijk was:

"Meta, lieve, wees nu eens verstandig en volg mijn raad. Ik meen het

goed, en zou je niet graag je heele leven zien bederven door één

misstap aan 't begin. Je behoort goed te trouwen en je familie te

steunen. Het is je plicht een rijk huwelijk te doen en dat behoorde

je ingeprent te zijn."

"Vader en Moeder denken er anders over. Zij houden van John, al is

hij arm."

"Je vader en moeder, kindlief, hebben niet meer wereldwijsheid dan

een paar zuigelingen."

"Dat doet me pleizier!" riep Meta brutaal.

Tante March deed alsof ze 't niet hoorde, maar ging voort met haar

les. "Die Brooke is arm en heeft geen enkel rijk familielid, wel?"

"Neen, maar heel veel hartelijke vrienden."

"Daar kun je niet van leven; probeer het maar eens en zie hoe gauw

die hartelijkheid bekoelt. Heeft hij een betrekking?"

"Nog niet; mijnheer Laurence zal hem helpen."

"Dat zal niet van langen duur zijn. James Laurence is een lastig oud

man, op wien men niet kan rekenen. Dus je bent van plan iemand te

trouwen zonder geld, zonder positie of betrekking, en harder te gaan

werken dan je nu gewoon bent, terwijl je een gelukkig leven tegemoet

kon gaan, door mijn raad te volgen en een beter huwelijk te doen. Ik

dacht dat je verstandiger was, Meta."

"Ik zou geen beter huwelijk _kunnen_ doen, al wachtte ik

levenslang. John is goed en flink en knap; hij is begaafd en

verstandig, hij wil werken en zal stellig vooruitkomen. Hij is sterk en

goedhartig; iedereen houdt van hem en acht hem, en ik ben er trotsch

op dat hij om mij geeft, ofschoon ik zoo arm en jong en dom ben,"

zei Meta, die er in haar ernst liever uitzag dan ooit.

"Hij weet dat je rijke verwanten hebt, kind; dat is, vermoed ik,

het geheim van zijn liefde."

"Hoe _durft_ u zooiets zeggen, Tante? John is boven zooiets

verheven. Ik wil geen seconde langer naar u luisteren, als u zoo

praat!" riep Meta, in haar verontwaardiging alles vergetende, behalve

de onrechtvaardigheid van die verdenking. "John zou evenmin om geld

trouwen als ik. Wij zijn bereid te werken, en willen wachten. Ik ben

niet bang voor armoede, want ik ben gelukkig geweest tot nu toe, en ik

weet dat ik het met hem ook zal zijn, omdat hij van me houdt, en ik--"

Hier zweeg Meta, zich plotseling herinnerend, dat ze nog geen besluit

genomen had, dat ze John had gezegd heen te gaan, en dat hij misschien

haar veranderde verklaringen hoorde.

Tante March was heel boos, want ze had het er op gezet, dat haar

mooi nichtje een goede partij zou doen, en een zekere uitdrukking in

't bezielde, jonge gezichtje wekte een treurig en bitter gevoel op

in de eenzame, oude vrouw.

"Welnu, ik trek mijn handen van de heele zaak af. Je bent een

koppig kind, en je verliest meer dan je vermoedt, door dezen dollen

streek.--Neen, ik wil niet zwijgen. Ik ben in je teleurgesteld en

heb geen lust, je vader nu te zien. Verwacht niets van mij, als je

getrouwd bent. Die vrienden van je mijnheer Brooke moeten je dan maar

voorthelpen. _Ik_ wil niets meer met je te doen hebben."

En de deur voor Meta's neus dichtslaande, verdween Tante March in

heftigen toorn. 't Was of ze al den moed van haar nichtje met zich mee

genomen had, want zoodra Meta alleen was, stond ze een oogenblik in

tweestrijd of ze zou lachen of schreien. Eer ze een besluit kon nemen,

had Brooke zich van haar meester gemaakt, die in één adem uitriep:

"Ik kon het niet helpen, ik _moest luisteren_, Meta. Ik dank jou voor

je verdediging, en Tante March voor het bewijs, dat je al een beetje

om me geeft."

"Ik wist zelf niet hoeveel, tot ze kwaad van je ging spreken,"

begon Meta.

"En ik hoef niet weg te gaan, maar mag blijven en gelukkig zijn?"

Hier bood zich weer een schoone gelegenheid om de verpletterende

speech uit te spreken, en een statigen aftocht te blazen, maar Meta

dacht er niet aan een van beide te doen, en verlaagde zich voor eeuwig

in Jo's schatting, door zacht te fluisteren: "Ja, John," terwijl zij

haar lief gezicht tegen John's vest verborg.

Een kwartier na het vertrek van Tante March kwam Jo zachtjes naar

beneden, wachtte even aan de kamerdeur, en geen geluid hoorende,

knikte en lachte ze met een tevreden gezicht, en zei bij zichzelf:

"Ze heeft hem weggestuurd, zooals we afgesproken hadden; dat zaakje

is dus gezond! Ik zal maar eens naar binnen gaan om wat van de grap

te hooren en er samen eens over te lachen."

Maar de arme Jo is nooit zoover gekomen, want ze versteende al op den

drempel bij het aanschouwen van een tooneel, dat haar met opengesperden

mond en oogen terughield. Gekomen met het voornemen over een gevallen

vijand te triomfeeren en een onverbiddelijke zuster te prijzen wegens

de verbanning van een lastigen aanbidder, was het zeker een schok voor

haar, toen ze moest aanschouwen, hoe bovengenoemde vijand genoeglijk op

de canapé zat, en de onverbiddelijke zuster op zijn knie, met het meest

onderworpen en gelukkige gezicht ter wereld. Jo hijgde, alsof ze een

koud stortbad kreeg; zoo'n onverwachte omkeer benam haar den adem. Het

rare geluid dat ze maakte, deed het paar omzien. Meta sprong op, met

een mengeling van verlegenheid en trots op haar blozend gezichtje,

maar "die man" zooals Jo hem noemde, waagde het nog te lachen, en

zei bedaard, terwijl hij het verbaasde standbeeld kuste:

"Zuster Jo, feliciteer ons maar!"

Dat was beleediging op beleediging stapelen; het werd Jo te kras, en

een woest gebaar makende, verdween ze, zonder een woord te spreken. Ze

vloog de trappen op en verschrikte de zieken, door de kamer binnen

te stormen en heftig uit te roepen: "O, laat er toch gauw iemand naar

beneden gaan; John Brooke doet zoo onmogelijk en Meta laat het toe."

Mijnheer en mevrouw March verlieten haastig de kamer, en op haar bed

neervallend, brak Jo onder bittere tranen in luide jammerklachten los,

terwijl ze Bets en Amy het verschrikkelijke nieuws vertelde. Maar

de kleine meisjes vonden het een heel prettige en interessante

gebeurtenis, en hier ook al geen troost vindende, trok Jo maar naar

haar toevluchtsoord op den zolder en maakte de ratten deelgenoot van

de ramp.

Niemand kwam te weten, wat er dien middag in de huiskamer voorviel,

maar er werd veel gepraat, en de dikwijls zoo stille Brooke verbaasde

zijn vrienden door de welsprekendheid en het vuur, waarmee hij zijn

zaak bepleitte tot hij alles naar zijn zin geregeld kreeg.

De theebel luidde, eer hij geëindigd had met de beschrijving van het

paradijs, dat hij voor Meta dacht te verdienen, en vol trots leidde

hij haar naar binnen om te soupeeren, beiden zoo zichtbaar gelukkig,

dat Jo het niet van zich kon verkrijgen, jaloersch of verdrietig te

zijn. Amy was zeer gesticht door John's eerbiedige aanbidding en over

de waardigheid, waarmee Meta zich die liet welgevallen; Bets zat hem

in de verte glimlachend aan te staren, terwijl mijnheer en mevrouw

March met zooveel blijde tevredenheid op het jonge paar neerzagen,

dat Tante March blijkbaar gelijk had met hen "zoo onverstandig

als een paar zuigelingen" te noemen. Niemand gebruikte veel, maar

iedereen keek even gelukkig, en de oude kamer scheen als vernieuwd,

nu de eerste roman in de familie er begon.

"Nu zul je niet meer zeggen, Meta, dat hier nooit iets prettigs

gebeurt, is 't wel?" riep Amy, terwijl ze tot een besluit zocht te

komen, hoe ze het paar zou schikken voor een schets, die zij van plan

was te maken.

"Neen, zeker niet. Wat is er veel gebeurd sedert ik dat zei! Het

schijnt wel een jaar geleden," antwoordde Meta, die in verheven sferen,

ver boven gewone dingen zooals brood en boter, rondzweefde.

"De aangename dingen volgden dezen keer al heel gauw op de treurige,

en ik geloof, dat de veranderingen ten goede nu begonnen zijn," zei

mevrouw March. "In de meeste families komt er nu en dan zoo'n gewichtig

jaar; dit is er een voor ons geweest, maar het is gelukkig geëindigd."

"'k Hoop, dat het volgende beter zal eindigen," mompelde Jo, die het

heel hard vond Meta voor haar oogen heelemaal in een vreemde te zien

opgaan; want de weinige personen, die Jo liefhad, had zij héél innig

lief, en ze vreesde niets zoozeer als hun genegenheid te verliezen,

of ook maar in het minst te zien verflauwen.

"_Ik_ hoop, dat het _derde_ jaar, van nu af gerekend, gelukkig eindigen

mag; en dat _zal_ het ook, als ik in leven blijf en mijn plannen ten

uitvoer brengen kan," zei John, Meta toelachende, alsof hem nu niets

meer onmogelijk scheen.

"Lijkt het je niet vreeselijk, zoo'n tijd te moeten wachten," vroeg

Amy, die verlangde, dat de trouwpartij nu maar voor de deur stond.

"Ik moet nog zooveel leeren, eer ik er genoeg voor weet, dat het

me kort zal toeschijnen," antwoordde Meta met een zachten ernst,

die haar tot nog toe vreemd was.

"Jij hebt maar te wachten. Ik zal het werk wel doen," zei John, zijn

taak beginnende door Meta's servet op te rapen, met een gezicht, dat Jo

aanleiding gaf haar hoofd te schudden, en met een zucht van verlichting

tot zichzelf te zeggen, toen ze de voordeur hoorde dichtslaan: "Daar

komt Laurie gelukkig; nu zullen we weer eens verstandig kunnen praten!"

Maar Jo vergiste zich, want Laurie kwam binnenstormen met eene

groote engagementsbouquet voor "Mevrouw John Brooke," terwijl hij

blijkbaar in den waan verkeerde, dat alles zoo geloopen was door zijn

voortreffelijke leiding.

"Ik wist wel, dat Brooke zijn zin zou krijgen; dat lukt hem altijd! Als

hij zich eenmaal voorneemt iets te doen, gebeurt het ook, al zou de

hemel er bij invallen," zei Laurie, nadat hij zijn gelukwenschen en

bloemen had aangeboden.

"Zeer verplicht voor je gunstige opinie. Ik neem die aan als een

goed voorteeken voor de toekomst, en vraag je nu reeds bij voorbaat

op onze bruiloft," antwoordde Brooke, die op het oogenblik in vrede

verkeerde met het heele menschdom, zelfs met zijn lastigen leerling.

"Ik kom, al zat ik ook aan het einde der aarde, want alleen Jo's

gezicht bij die gelegenheid, zal de moeite van de reis waard zijn. Je

ziet er niet feestelijk uit, mejuffrouw, wat scheelt er aan?" vroeg

Laurie, haar volgende in een hoek van de kamer, toen allen waren

opgestaan om den ouden heer Laurence te begroeten.

"Ik keur het huwelijk niet goed, maar ik heb me voorgenomen het te

dragen en er geen woord over te zeggen," zei Jo plechtig. "Je kunt

niet begrijpen, hoe hard het voor mij is Meta af te staan," kwam er

met bevende stem achter.

"Je stáát haar niet af. Je deelt haar maar," zei Laurie troostend.

"Het kan nooit meer hetzelfde zijn. Ik heb mijn beste vriendin

verloren," zuchtte Jo.

"Maar je hebt mij nog. Ik ben wel niet veel waard, dat weet ik wel;

maar ik zal je trouw blijven, Jo, al de dagen van mijn leven; op mijn

woord, dat zal ik!" en Laurie meende wat hij zei.

"Dat weet ik wel, en daar ben ik heel dankbaar voor. Je bent altijd een

groote troost voor me, Teddy!" zei Jo, hem dankbaar de hand drukkende.

"Wel, wees nu niet zoo somber meer, beste jongen. Alles is immers in

orde. Meta is gelukkig, Brooke zal wel in een oogenblik een betrekking

hebben, laat dat maar aan Grootpapa over, en het zal allerleukst

zijn Meta in haar eigen huisje te zien. Als ze weg is zullen we nog

een hoop plezier hebben, want dan duurt het niet lang meer, of ik

ben klaar aan de academie, en dan gaan we naar Europa en doen een

heerlijk reisje. Zou je dat niet troosten?"

"Misschien wel; maar je weet nooit, wat er in drie jaar gebeuren kan,"

zei Jo peinzend.

"Dat is waar. Zou je niet wel eens in de toekomst willen zien, om te

weten, waar we dan allemaal zullen zijn? Ik wel," zei Laurie.

"Neen, ik niet, want misschien zou ik iets treurigs zien; en nu ziet

ieder er zoo gelukkig uit, dat ik niet geloof, dat het veel beter

worden kan," en Jo liet langzaam haar oogen door de kamer gaan, ondanks

zichzelf glimlachend, want het was een allergenoegelijkst tooneeltje.

Vader en Moeder zaten naast elkander en doorleefden nog eens weer

het eerste hoofdstuk van _hun_ roman, die een jaar of twintig geleden

begonnen was. Amy teekende de gelieven uit, die in een aparte wereld

leefden, met zulke stralende gezichten, dat de kleine kunstenares ze

wel niet op het papier zou kunnen teruggeven. Bets lag op haar canapé

vroolijk met haar ouden vriend te praten, die haar handje vasthield,

alsof hij voelde, dat het ook hem kon leiden op den weg des vredes

dien Bets zelf bewandelde. Jo zat in haar geliefkoosd gemakkelijk

stoeltje, met den ernstig, rustigen blik, die haar zoo goed stond,

en Laurie, op den rug van haar stoel geleund, zoodat zijn kin op

eene hoogte was met haar krullebol, knikte haar vriendelijk toe in

den grooten spiegel, die hun beider beeld weerkaatste.

En terwijl ze zoo zitten, valt het gordijn voor Meta, Jo, Bets en

Amy. Het zal weer worden opgehaald, als we het eerste deel van dit

huiselijk drama, getiteld: _Onder Moeders Vleugels_, vervolgen onder

den titel: _Op Eigen Wieken_.

Onder Moeders Vleugels · 第 67 / 70 题