DE JONKVROUW TOT BETS.

God zeegne u, lieve, kleine Bets

Op dezen Kerstfeestdag;

Dat heil, gezondheid, vrede en vreugd

U voortaan tegenlach'.

Zie bloemen hier en lekker fruit

Voor onze nijvre bij;

Een rol muziek, een voetenzak,

En óók wat snoeperij.

Joanna's beeld, een meesterstuk

Van onzen Rafaël,

Die 't maalde met de meeste zorg--

Mij dunkt, het lijkt ook wel.

Ontvang hierbij een helrood lint

Voor uw beminde kat.

Van Meta wat vanille-ijs:

Een gletscher in een vat.

Mijn makers legden in mijn borst

Van sneeuw hun warme min

Ik kom van Laurie en van Jo--

Zoo 'k hoop, u naar den zin.

Wat moest Bets lachen toen ze 't allemaal zag?

Wat liep Laurie heen en weer om de presenten aan te brengen, en wat

grappige toespraken hield Jo bij het overhandigen.

"Ik ben zoo boordevol geluk, dat er, als Vader er nu nog was, geen

enkel droppeltje meer bij zou kunnen," zei Bets, met een zucht van

tevredenheid, toen Jo haar naar de studeerkamer droeg, om na al die

drukte wat uit te rusten, en zich te verkwikken met een gedeelte van

de heerlijke druiven, die de "Sneeuwjonkvrouw" haar gebracht had.

"Het gaat mij net zoo," riep Jo, terwijl zij eens op den band van

het zoo lang gewenschte "Undine en Sintram" klopte.

"En mij," juichte Amy, die zat te genieten van een gravure,

voorstellende de Madonna en het kind, die haar moeder haar in een

mooi lijstje gegeven had.

"Mij natuurlijk ook," riep Meta, de zilverachtige plooien van haar

eerste zijden japon gladstrijkende, want mijnheer Laurence had er op

gestaan haar die te geven.

"Kinderen, wat een gelukkige dag!" zei mevrouw March dankbaar, en

haar oogen dwaalden van den brief van haar man naar het glimlachend

gezichtje van Bets, terwijl haar hand de broche met grijs, goudblond,

kastanje- en donkerbruin haar liefkoosde, die de meisjes haar juist

hadden voorgespeld.

Nu en dan gaat het wel eens in de wezenlijke wereld op de echte

boekenmanier, en wat is dat dan heerlijk! Een half uur, nadat zij allen

verklaard hadden zóó gelukkig te zijn, dat ze geen enkelen droppel

meer in zich op konden nemen, kwam de droppel. Laurie opende de deur

van de zitkamer en stak langzaam, bedaard het hoofd naar binnen,

maar hij kon evengoed een luchtsprong gemaakt of een Indiaanschen

strijdkreet aangeheven hebben, want zijn oogen verrieden zoo veel

ingehouden opgewondenheid, en zijn stem was zoo verraderlijk vroolijk,

dat iedereen opvloog, hoewel hij slechts op vreemden, gejaagden toon

zei: "Hier is nóg een present voor de familie March."

Eer de woorden goed en wel uit zijn mond waren, verdween hij,

en in zijn plaats verscheen een lange, mannelijke gestalte tot

aan de oogen ingepakt en geleund op den arm van eene andere lange,

mannelijke gestalte, die iets trachtte te zeggen, maar er niet uit kon

komen. Natuurlijk volgde er een algemeene agitatie; in de eerstvolgende

oogenblikken scheen ieder zijn verstand verloren te hebben, want

de vreemdste dingen werden gedaan, en niemand sprak een geregeld

woord. Mijnheer March werd onzichtbaar in de omhelzing van vier paar

liefhebbende armen; Jo beleefde de schande van bijna flauw te vallen

en werd door Laurie in de gang gecureerd; Brooke kuste Meta heelemaal

bij vergissing, zooals hij eenigszins onsamenhangend verklaarde, en

Amy, de welgemanierde, struikelde over een voetenbankje, en omhelsde,

zonder te wachten tot ze weer stond, de laarzen van haar vader en

bedauwde ze met tranen op een alleraandoenlijkste manier. Mevrouw March

herstelde zich het eerst en hield haar hand op met een waarschuwend:

"Stil, denk aan Bets!"

Maar het was al te laat; de deur van de studeerkamer ging open--de

kleine, roode shawl verscheen op den drempel--vreugd verleende

kracht aan de zwakke beenen, en Bets vloog regelrecht in haar vaders

armen. Vraag maar niet wat er toen gebeurde, want de overkropte

harten vloeiden over, zoodat al de bitterheid van het verleden werd

uitgewischt en niets dan het blijde heden overbleef.

Het was wel niet romantisch, maar een hartelijk gelach bracht ieder

weer tot zichzelf--want achter de deur stond Hanna, snikkende over

den vetten kalkoen, dien zij in de haast vergeten had neer te leggen,

toen zij de keuken uitstormde. Zoodra het gelach ophield, begon

mevrouw March Brooke te danken voor de trouwe zorg, die hij voor haar

echtgenoot gedragen had, waarop Brooke zich plotseling herinnerde,

dat mijnheer March rust noodig had, en Laurie bij de hand nemende,

zoo haastig mogelijk verdween. Toen werd den twee invaliden bevolen

rust te nemen, hetgeen ze ook deden, door samen in één grooten stoel

te zitten en zoo druk mogelijk te praten.

Mijnheer March vertelde, hoe hij verlangd had hen te verrassen, en hoe

de dokter hem toegestaan had van het zachte weder gebruik te maken;

hoe onschatbaar Brooke geweest was, en hoe hij in alle opzichten een

hoogst achtenswaardig en ferm jongmensch was. Waarom mijnheer March

juist toen een oogenblik ophield en, na een blik op Meta geworpen te

hebben die hevig in het vuur stond te poken, zijn vrouw met vragend

opgetrokken wenkbrauwen aanzag, laat ik aan uw verbeelding over, als

ook, waarom mevrouw March zacht met het hoofd knikte en hem eenigszins

plotseling vroeg, of hij niet wat te eten wilde hebben. Jo zag en

begreep den blik, wandelde verontwaardigd weg om wijn en bouillon

te halen en sloeg de deur vrij hard achter zich toe, bij zichzelf

mompelend: "Ik háát achtenswaardige, ferme jongelui met bruine oogen!"

_Nooit_ was er zoo'n vroolijke maaltijd op Kerstmis als dien dag. De

vette kalkoen was een lust om te zien, toen Hanna hem opgevuld,

heerlijk bruin gebraden en versierd binnen bracht. De plumpudding

smolt in den mond, evenals de vla en de gelei, waarvan Amy genoot

als een vlieg in een stroopkan. Alles viel goed uit; hetgeen volgens

Hanna een gelukkig toeval was, "want ik was zoo veraltereerd, mevrouw,

dat het een wonder is, dat ik de podding niet heb gebraden, en den

kalkoen met rozijnen heb opgevuld, of hem in een doek gekookt."

Mijnheer Laurence en zijn kleinzoon dineerden bij hen, evenals Brooke,

die, tot Laurie's groot vermaak, voortdurend vijandig door Jo werd

aangestaard. Twee gemakkelijke stoelen stonden naast elkander aan het

boveneinde van de tafel, waarin Bets en haar vader zaten, die zich

vergenoegden met een kipje en wat vruchten. Zij dronken, toastten,

deden verhalen, zongen, "haalden op uit den ouden tijd," zooals oude

menschen zeggen en vierden allerheerlijkst feest. Er had een plan

bestaan op een sleetochtje, maar de meisjes wilden hun vader niet

verlaten; dus vertrokken de gasten vroeg, en toen de schemer inviel

vereenigde zich de gelukkige familie om het vuur.

"Juist een jaar geleden zaten we te brommen over den treurigen

Kerstdag, dien wij verwachtten. Weet jullie 't nog wel?" vroeg Jo, een

korte stilte afbrekende, die op een gesprek over allerlei onderwerpen

gevolgd was.

"Het werd over 't geheel tóch een goed jaar," zei Meta, die glimlachend

in het vuur staarde, en zich gelukwenschte, dat ze Brooke met

waardigheid had behandeld.

"_Ik_ vind, dat het een moeilijk jaar is geweest," merkte Amy op,

terwijl ze met peinzenden blik naar het flikkeren van het licht op

haar ring keek.

"Ik ben blij, dat het om is, omdat wij u weer terug hebben," fluisterde

Bets, die op Vaders knie zat.

"Het was wel een oneffen weg voor jullie, mijn kleine pelgrims, vooral

het laatste gedeelte. Maar je bent moedig voortgegaan, en ik geloof,

dat de pakken mooi op weg zijn af te vallen," zei mijnheer March,

terwijl hij met vaderlijk welgevallen de vier jonge gezichtjes aankeek.

"Hoe weet u dat? Heeft Moeder u daarvan verteld?" vroeg Jo.

"Niet veel, maar aan den weerhaan ziet men, uit welken hoek de wind

waait, en ik heb vandaag verscheiden ontdekkingen gedaan."

"O, vertel dan eens gauw wát!" riep Meta uit, die naast hem zat.

"Hier is er een!" en haar hand vattende, die op den arm van zijn

stoel rustte, wees hij op den ruwen wijsvinger, een blaartje op den

rug en een paar harde plekjes in de palm. "Ik herinner mij een tijd,

toen dat handje wit en zacht was, en toen het je voornaamste zorg

scheen, het zoo te houden. Het was toen heel mooi, maar in mijn oog

is het nu mooier, want in die schijnbare ontsieringen lees ik een

heele geschiedenis. De ijdelheid is opgeofferd; dit vereelte handje

heeft nog iets beters dan blaren opgedaan, en ik geloof zeker, dat

het naaiwerk door deze beprikte vingertjes verricht, lang zal duren,

daar de steken met zooveel goeden wil gemaakt werden. Metalief, ik

schat de vrouwelijke bekwaamheden, die een thuis aangenaam maken,

hooger dan witte handen of fraaie talenten, ik ben er trotsch op,

dat ik dit flinke, ijverige handje drukken mag, en ik hoop, dat men

ons niet gauw vragen zal, het weg te geven."

Wanneer Meta een belooning verlangd had voor uren van geduldigen

arbeid, ontving ze die nu in den handdruk en den goedkeurenden glimlach

van haar vader.

"Wat hebt u van Jo te zeggen? Toe, zeg iets goeds, want ze heeft zoo

haar best gedaan, en ze is zoo heel, heel lief voor mij geweest,"

fluisterde Bets haar vader in het oor.

Mijnheer March glimlachte en keek naar het lange meisje tegenover hem,

met die ongewoon zachte uitdrukking op haar bruin gelaat.

"Ondanks den krullebol zie ik niet meer den "zoon Jo," dien ik een

paar jaar geleden achterliet," zei mijnheer March. "Ik zie eene jonge

dame, die haar kraagjes recht speldt, haar laarzen netjes toerijgt,

en niet meer fluit, ruwe woorden gebruikt of languit op het haardkleed

ligt, zooals vroeger. Op het oogenblik is zij vrij bleek en mager

door zorg en waken; maar ik zie haar graag aan, want haar gezicht is

vriendelijker en haar stem is zachter geworden; ze stampt niet meer,

maar beweegt zich licht, en draagt voor zeker klein persoontje zorg op

een moederlijke wijze, die ik met blijdschap opmerk. Ik mis mijn wilde

meid wel min of meer, maar als ik daarvoor een sterke, behulpzame,

teerhartige vrouw in de plaats krijg, zal ik meer dan voldaan zijn. Ik

weet niet of ons zwart schaap door het scheren zoo bedaard is geworden,

maar wel weet ik, dat ik in heel Washington niets kon vinden, mooi

of goed genoeg, om er de vijfentwintig dollars voor uit te geven,

die mijn dochter mij gezonden heeft."

Jo's heldere oogen werden een oogenblik dof, en bij het licht van het

vuur zag Bets, dat haar bleeke wangen door een blos overtogen werden

bij den lof van haar vader, dien zij wist, voor een deel althans,

verdiend te hebben.

"Nu Bets," zei Amy, die verlangde dat haar beurt kwam, maar bereid

was te wachten.

"Er is zoo weinig van haar over, dat ik niet veel durf zeggen,

uit vrees, dat zij heelemaal zal verdwijnen, hoewel ze niet meer

zoo verlegen is als vroeger," schertste haar vader vroolijk; maar

bij de herinnering hoe zij hem bijna ontvallen was, sloot hij haar

vast in zijn armen, legde zijn wang tegen de hare en eindigde teeder:

"Hier heb ik je veilig en wel, mijn kind, en hoop je zoo te behouden,

als God wil."

Na een oogenblikje stilzwijgen keek hij naar Amy, die op een

voetenbankje voor hem zat en begon, terwijl hij haar glanzend haar

liefkoosde:

"Ik zag, dat Amy aan tafel de minst lekkere kluifjes nam, dat ze

den heelen middag voor Moeder heen en weer liep, van avond Meta haar

plaats afstond, en iedereen geduldig en vriendelijk bediend heeft. Ik

merkte ook op, dat zij niet pruilde of in den spiegel keek, en dat ze

geen woord gesproken heeft over het mooie ringetje, dat ze draagt;

daaruit besluit ik, dat ze meer aan anderen en minder aan zichzelf

heeft leeren denken en haar best gedaan om evengoed haar karakter

te vormen, als haar figuurtjes van klei. Daar ben ik blij om, want,

hoewel ik heel trotsch zou zijn op een mooi, door haar geboetseerd

beeld, zal ik nog oneindig trotscher zijn op een lieve dochter, die de

gave bezit, het leven voor anderen en voor zichzelf gelukkig te maken."

"Waar denk je aan, Bets?" vroeg Jo, toen Amy haar vader had bedankt,

en de geschiedenis van haar ring verteld had.

"Ik las vandaag in "de Pelgrimstocht", hoe, na veel moeiten en gevaren,

Christiana en Groothart aan een mooie, groene weide kwamen, waar de

lelies het heele jaar door bloeiden, en dat ze daar heerlijk bleven

uitrusten, zooals wij nu doen, voordat ze de reis verder voortzetten,"

antwoordde Bets, en voegde er bij, terwijl ze zich langzaam losmaakte

uit de armen van haar vader en naar de piano ging: "Het is tijd om

te zingen, en ik verlang mijn oude plaats weer in te nemen. Ik zal

probeeren het liedje van den herdersjongen te zingen, dat de Pelgrims

hoorden. Ik heb de wijs voor Vader gemaakt, omdat hij zooveel van de

woorden houdt."

Bets ging voor haar piano zitten, raakte zacht de toetsen aan, en het

lieve stemmetje, dat ze gevreesd hadden nimmer weer te zullen hooren,

zong met eigen begeleiding het oude lied, dat zoo bijzonder op haar

toepasselijk was:

Die laag staat, vreeze voor geen val,

De needrige geen trots;

Die klein van kracht is, bouwe vrij

Op God, als op een rots.

Ik ben tevreê met wat ik heb,

Of 't veel of weinig zij:

Tevreden wíl ik zijn, o Heer:

Dezulken toch mint Gij.

Voor hen is overvloed tot last,

Wier weg naar boven leidt.

Hier weinig en hiernamaals veel

Is 't best voor d' eeuwigheid.

Onder Moeders Vleugels · 第 65 / 70 题