Een heele week lang was iedereen zoo deugdzaam in het oude huis,
dat men de geheele buurt tot voorbeeld zou hebben kunnen strekken. 't
Was werkelijk bijzonder, want iedereen verkeerde in een bovenaardsch
goede stemming, en zelfverloochening was aan de orde van den dag.
Toen de meisjes evenwel ontheven waren van de eerste ongerustheid,
verslapten ze merkbaar in hun lofwaardige pogingen en begonnen ze
weer in hun oude gewoonten te vervallen. Ze vergaten hun motto wel
niet, maar 't hopen en werken scheen gemakkelijker opgenomen te
kunnen worden; en na de geweldige inspanning vonden ze dat "IJver"
wel een vacantiedag verdiend had en gaven ze er hem meer dan een.
Jo vatte zware kou, doordat ze vergat haar geschoren hoofd te bedekken,
en kreeg bevel thuis te blijven, tot zij beter was, want tante March
hield er niet van voorgelezen te worden door menschen met verkoudheden
in 't hoofd. Dit was zeer naar Jo's zin, en na een nauwkeurige
doorsnuffeling van zolder en kelder, bepaalde ze zich tot de canapé,
waar zij haar kwaal met boeken en arsenicum trachtte te genezen. Amy
kwam tot de ontdekking, dat huiselijke arbeid en kunst niet te
vereenigen waren, en keerde tot haar modderpasteitjes terug. Meta
ging dagelijks naar haar Kings, en naaide thuis, of meende althans,
dat ze dit deed; maar veel tijd werd doorgebracht met lange brieven
aan haar moeder te schrijven en de bulletins uit Washington te lezen
en te herlezen. Bets bleef standvastig en verviel slechts zelden,
en dan maar voor korten tijd, tot niets doen en treuren. Elken dag
werden de kleine plichten trouw volbracht, behalve nog allerlei dingen,
die de zusters hadden moeten doen, maar ze waren vergeetachtig, en het
huis leek veel op een klok, waaruit de slinger is weggenomen. Wanneer
haar hartje bezwaard was door verlangen naar Moeder, of bezorgdheid
omtrent Vader, ging Bets naar een zekere kast, verborg haar gezicht
in zekere dierbare, oude japon, uitte daar in stilte haar klacht en
bad haar gebedje. Niemand wist waardoor zij na een treurige bui weer
opgevroolijkt werd, maar ieder gevoelde hoe lief en hulpvaardig Bets
was, en onwillekeurig gingen allen tot haar om troost of raad in hun
kleine aangelegenheden.
Geen der zusjes dacht er aan, dat deze periode een toetssteen voor
hun karakter zou zijn, en toen de eerste spanning voorbij was, meenden
ze allemaal, dat ze zich flink gehouden en lof verdiend hadden. Dien
verdienden ze ook zoo; maar hun fout was, dat ze niet voortgingen
met hun best te doen, 't geen ze tot hun schade en berouw ondervonden.
"Meta, ik wou, dat je eens naar de Hummels ging; Moeder heeft gezegd,
dat wij ze niet moesten vergeten," zei Bets, tien dagen na het vertrek
van mevrouw March.
"Ik ben te moe om vandaag te gaan," zei Meta, die gemakkelijk in een
schommelstoel zat te naaien.
"Kun jij het dan niet doen, Jo?" vroeg Bets.
"Het is te winderig voor mij, met mijn verkoudheid."
"Ik dacht, dat die zoo goed als beter was?"
"In zoover wel dat ik met Laurie kan uitgaan, maar niet genoeg om
naar de Hummels te gaan," zei Jo lachend, maar toch wat beschaamd
over haar inconsequentie.
"Waarom ga je zelf niet?" vroeg Meta.
"Ik ben er al elken dag heen geweest, maar het kleinste kindje is
ziek, en ik weet niet, wat ik er doen moet. Vrouw Hummel gaat uit
werken en Lotje moet er op passen; maar het wordt al erger en erger,
en ik vind, dat jullie of Hanna eens moesten gaan."
Bets sprak ernstig en Meta beloofde, dat zij den volgenden dag
gaan zou.
"Vraag Hanna om iets lekkers en breng het even, Bets; de lucht zal
je goed doen," zei Jo, terwijl ze er verontschuldigend bijvoegde:
"Ik zou wel gaan, maar ik wou zoo graag mijn verhaal afmaken."
"Ik heb zoo'n hoofdpijn, en ben zoo moe; daarom vroeg ik of een van
jullie wilde gaan," zei Bets.
"Amy zal wel dadelijk thuiskomen en er even voor ons heenloopen,"
zei Meta.
"Nu, dan zal ik een poosje gaan rusten en op haar wachten."
Bets ging op de canapé liggen, de anderen hervatten hun werk en de
Hummels werden vergeten. Een uur verliep, Amy kwam niet; Meta ging
naar haar kamer om een nieuwe japon te passen, Jo was verdiept in haar
verhaal en Hanna zat gerust voor het keukenvuur te dutten, toen Bets
stil haar hoed opzette, een mandje met allerlei overblijfseltjes vulde
voor de kinderen en met een pijnlijk hoofd en een droevige uitdrukking
in haar geduldige oogen in de vinnige kou uitging. Het was reeds laat
toen zij terugkwam, en niemand zag haar naar boven sluipen en in de
kamer van haar moeder verdwijnen. Een half uur later ging Jo naar
boven om 't een of ander uit "moeders kast" te halen, en daar vond
ze Bets, gezeten op de medicijnkist met een heel ernstig gezicht,
beschreide oogen en een fleschje met kamfer in de hand.
"Wat is er te doen?" riep Jo, toen Bets een hand uitstak, als wilde
ze haar afweren, en gejaagd vroeg:
"Jij hebt het roodvonk gehad, is 't niet?"
"Jaren geleden, toen Meta het had. Waarom?"
"Dan zal ik het vertellen--o, Jo, het kindje is dood!"
"Welk kindje?"
"Van vrouw Hummel; het stierf op mijn schoot, voordat ze thuiskwam,"
snikte Bets.
"Mijn arm kind, wat vreeselijk voor je! Was _ik_ maar gegaan," zei
Jo met een berouwvol gezicht, terwijl ze Bets op haar schoot trok in
den grooten stoel van haar moeder.
"Het was niet vreeselijk, Jo, alleen maar zoo treurig. Ik zag dadelijk
dat het erger was, maar Lotje zei dat haar moeder den dokter was
gaan halen, dus nam ik het kind, om Lotje wat te laten rusten. 't
Leek net of het sliep, maar op eens gaf het een schreeuw, en beefde,
en bleef toen heel stil liggen. Ik deed mijn best de kleine, koude
voetjes te warmen, en Lotje gaf het wat melk, maar het bewoog zich
niet, en toen zag ik dat het dood was."
"Schrei niet zoo, lieveling; wat heb je toen verder gedaan?"
"Ik bleef maar stil zitten en hield het voorzichtig vast, tot vrouw
Hummel thuis kwam met den dokter. Hij zei, dat het dood was en keek
naar Heinrich en Mina, die keelpijn hadden."
"Roodvonk, vrouwtje; je hadt me eerder moeten roepen," zei hij
knorrig. Vrouw Hummel vertelde hem toen, dat ze arm was en dat ze
daarom zelf haar best gedaan had om het kindje te genezen; maar nu was
het te laat, en ze kon hem slechts smeeken voor de anderen te zorgen,
en hoopte, dat liefdadige menschen haar in staat zouden stellen hem te
betalen. Toen glimlachte hij en werd wat vriendelijker, maar het was
zoo treurig, en ik schreide met hen mee, tot de dokter zich op eens
omkeerde en zei, dat ik dadelijk naar huis moest gaan en belladonna
innemen, want dat ik anders ook het roodvonk zou krijgen."
"O, neen, dat zul je niet!" riep Jo, haar met een verschrikt gezicht
vast in de armen sluitende. "O, Bets, als jij ziek wordt, kan ik het
me zelf nooit vergeven! Wat zullen we doen?"
"Wees maar niet zoo angstig, ik denk, dat ik het niet erg zal hebben;
ik keek eens in Moeders boek en daar stond, dat het begint met
hoofdpijn, keelpijn en zoo'n wonderlijk gevoel als ik heb; dus toen
heb ik wat belladonna genomen, en nu voel ik me al wat beter," zei
Bets, terwijl zij haar ijskoude handen tegen haar brandend voorhoofd
drukte en haar best deed om er gewoon uit te zien.
"Was Moeder maar thuis!" riep Jo uit, terwijl ze naar het boek greep en
gevoelde, dat Washington ontzettend ver weg was. Ze las een bladzijde,
keek Bets eens aan, voelde haar hoofd, tuurde in haar keel en zei
toen ernstig: "Je bent meer dan een week lang elken dag bij het kind
geweest en bij de anderen, die op het punt staan het ook te krijgen;
ik ben dus wel bang, dat jij ook besmet zult zijn, Bets. Ik zal Hanna
roepen; die weet alles van ziekte af."
"Laat Amy vooral niet hier komen, ze heeft het nooit gehad en ik zou
niet willen, dat ze het van mij kreeg. Kunnen jij en Meta het niet
nóg eens krijgen?" vroeg Bets angstig.
"Ik denk het niet en ik geef er ook niets om; 't zou juist zijn
wat ik verdiende, zelfzuchtig schepsel dat ik ben, met jou te laten
gaan en zelf thuis te blijven om nonsens te schrijven," mompelde Jo,
terwijl ze Hanna ging raadplegen.
Die goede ziel was in een oogenblik klaar wakker en dadelijk gereed
tot hulp en goeden raad; ze verzekerde Jo, dat er geen reden tot
ongerustheid was; iedereen kreeg het roodvonk, en als het maar
goed behandeld werd, stierf niemand er aan; hetgeen Jo alles als
een evangelie aannam, zoodat ze, aanmerkelijk gerustgesteld, Meta
ging roepen.
"Nu zal ik u eens zeggen wat we zullen doen," zei Hanna, nadat ze Bets
had bekeken en ondervraagd: "we zullen dokter Bangs laten halen, om
eens even naar je te zien, liefje, en om te zorgen, dat we het niet
verkeerd aanleggen; dan zullen wij Amy voor een poosje naar tante
March sturen, om haar buiten de besmetting te houden, en moet een
van de groote meisjes een paar dagen thuis blijven om Bets gezelschap
te houden."
"_Ik_ zal natuurlijk thuis blijven, ik ben de oudste," begon Meta,
met een bezorgd en berouwvol gezicht.
"Neen, _ik_, want het is mijn schuld, dat ze ziek is, ik zei tegen
Moeder, dat ik de boodschappen zou doen, en ik heb het niet gedaan,"
zei Jo beslist.
"Wie wil je hebben, Bets? er is er maar één noodig," vroeg Hanna.
"Liefst Jo," en Bets leunde haar hoofd tegen haar zuster aan met zulk
een tevreden blik, dat dit punt op eens beslist was.
"Ik zal het Amy gaan vertellen," zei Meta, wel wat gegriefd, maar over
't geheel verlicht, want zij hield niet van ziekenoppassen en Jo wel.
Amy kwam in openlijken opstand en verklaarde hartstochtelijk, dat
ze liever het roodvonk wou krijgen, dan naar tante March gaan. Meta
redeneerde, smeekte en beval; alles vergeefs, Amy hield vol, dat
ze _niet_ ging en Meta verliet haar in wanhoop om met Hanna te
beraadslagen wat er gedaan moest worden. Voor zij terugkwam, trad
Laurie de kamer binnen en vond Amy snikkende, met het hoofd in de
canapékussens verborgen. In de hoop, troost te vinden, vertelde ze
de reden van haar droefheid, maar Laurie stak de handen in den zak
en wandelde met gefronste wenkbrauwen en zacht fluitend de kamer op
en neer. Eindelijk kwam hij naast haar zitten en begon op zijn meest
overredenden toon: "Kom, wees nu verstandig en doe wat ze zeggen. Neen,
schrei niet, maar hoor eens wat een mooi plannetje ik gemaakt heb. Jij
gaat naar tante March, en ik kom je elken dag halen om te wandelen
of te rijden, en we zullen een hoop plezier samen hebben. Is dat niet
beter, dan hier te zitten pruilen?"
"Ik wil niet weggestuurd worden, alsof ik in den weg loop," snikte
Amy op beleedigden toon.
"Maar mijn lieve kind, het is om je gezond te houden. Je verlangt
toch niet ziek te worden, is 't wel?"
"Neen, natuurlijk niet; maar ik zal het tóch wel worden, want ik ben
den heelen tijd bij Bets geweest."
"Dat is juist de reden, waarom je dadelijk weg moet, dan blijf je
misschien nog vrij. Verandering van lucht en voorzichtigheid zullen
je, denk ik, wel vrijwaren, of in alle gevallen je het roodvonk in
minderen graad doen krijgen. Ik raad je, maar zoo gauw mogelijk heen
te gaan, want roodvonk is geen gekheid, juffertje."
"Maar het is zoo vervelend bij tante March; ze is zoo knorrig,"
zei Amy wel wat verschrikt.
"Het zal niet zoo vervelend zijn, als ik elken dag eens in kom loopen
om je te vertellen, hoe het met Bets is en om je te komen halen,
om met mij uit te gaan. Ik sta nogal in een goed blaadje bij de oude
dame, en ik zal zoo beleefd mogelijk tegen haar zijn; dan zullen we
haar wel verteederen."
"Zul je me met het hittenwagentje en Puck komen halen?"
"Op mijn woord van eer."
"Vast elken dag?"
"Dat zul je eens zien."
"En mij dadelijk terug halen, als Bets beter is?"
"Op de minuut af."
"En met mij naar de comedie gaan?"
"Naar twaalf comedies, als we maar mogen."
"Nou--dan--denk ik--dat ik maar gaan zal," zei Amy langzaam.
"Mooi zoo! Ga nu Meta maar eens opsnorren en haar vertellen, dat
je je hoofd gebogen hebt," zei Laurie, met een goedkeurend tikje,
wat Amy nog meer ergerde, dan dat "het hoofd buigen."
Meta en Jo kwamen naar beneden loopen om het wonder, dat had plaats
gegrepen, te aanschouwen, en Amy, die zichzelf nu heel interessant
en zelfopofferend begon te vinden, beloofde te zullen gaan, wanneer
de dokter dacht, dat Bets ziek zou worden.
"Hoe is 't met onze Bets?" vroeg Laurie, want Betsy was zijn bijzondere
lieveling, en hij was veel ongeruster over haar dan hij wilde toonen.
"Ze ligt nu een poosje op Moeders bed en voelt zich wat beter. De
dood van dat kindje heeft haar erg getroffen, maar verder geloof ik
dat het gevatte kou is. Hanna _zegt_ ook dat zij het denkt, maar ze
kijkt ongerust, en dat maakt me zenuwachtig," antwoordde Meta.
"Wat is de wereld toch een jammerdal," zuchtte Jo, met een wanhopig
gebaar haar kuif opstrijkend. "Pas zijn we de eene zorg te boven,
of er is weer een andere in aantocht! En nu moeder weg is, is er zoo
niets om je aan vast te houden; ik ben ten minste ten einde raad."
"Nou, maak maar geen stekelvarken van je zelf, dat staat je
niks. Strijk je lokken glad, Jo, en vertel m'eens, of ik ook aan je
moeder zal telegrafeeren of iets anders doen?" vroeg Laurie, die
zich nog niet had kunnen verzoenen met het verlies van de "eenige
schoonheid" zijner vriendin.
"Dat is het juist wat me zenuwachtig maakt," zei Meta. "Ik vind dat
we het moeder moeten berichten, wanneer Bets wezenlijk ziek is,
maar Hanna zegt, dat we het niet moeten doen, omdat Moeder Vader
niet alleen kan laten en het haar maar ongerust zou maken. Bets zal
wel niet lang ziek zijn en Hanna weet precies wat ze doen moet, en
Moeder zei, dat we naar haar moesten luisteren; dus moeten we ons,
dunkt mij, aan Hanna houden, hoewel ik het toch niet heel goed vind."
"Hm, ja, ik weet het niet; vraag het eens aan Grootvader, als de
dokter er geweest is."
"Ja, dat is goed; Jo, ga jij dadelijk Bangs halen, want we kunnen
over niets beslissen, voordat hij er geweest is," commandeerde Meta.
"Blijf waar je bent, Jo; ik ben de boodschaplooper van deze
inrichting," zei Laurie zijn pet grijpende.
"Heb je 't niet te druk?" begon Meta.
"Neen, ik heb mijn werk voor vandaag af."
"Werk je in de vacantie?" vroeg Jo.
"Ik volg het goede voorbeeld van mijn buren," was Laurie's antwoord,
toen hij de kamer uitstapte.
"Ik heb de beste verwachtingen van mijn jongen," zei Jo, hem met een
goedkeurenden glimlach naziende, terwijl hij over de heining sprong.
"O, ja, hij is nog al geschikt--voor een jongen," was Meta's eenigszins
onvriendelijk antwoord, want het onderwerp interesseerde haar niet.
Dokter Bangs kwam en verklaarde dat Bets kenteekenen van roodvonk
vertoonde, maar hij hoopte dat ze het in lichten graad zou
hebben, hoewel hij zeer ernstig keek bij het vernemen van de
Hummel-geschiedenis. Amy werd dadelijk weggezonden met een dosis
voorbehoedmiddelen; ze vertrok in alle statie, met Jo en Laurie
tot geleide.
Tante March ontving hen met haar gewone gastvrijheid.
"Wat moet je nu hebben?" vroeg zij, grimmig over haar bril
heenkijkende, terwijl de papegaai, die op de leuning van haar stoel
zat, krijschte:
"Ga weg; geen jongens hier!"
Laurie ging voor het raam staan en Jo deed haar verhaal.
"Juist wat te verwachten was, wanneer je moeder jullie toestaat bij
allerlei arme menschen in en uit te loopen. Amy kan blijven en zich
hier nuttig maken, als ze niet ziek wordt; maar dat zal wel--zij
ziet er nu al naar uit. Schrei niet, kind, ik word zenuwachtig,
als ik menschen zoo hoor snuffen."
Amy _was_ op het punt te gaan schreien, maar Laurie trok tersluiks
den papegaai bij zijn staart, wat dit dier een verschrikten schreeuw
ontlokte en hem op zoo'n dwazen toon "Genadige hemel!" deed roepen,
dat ze in plaats daarvan begon te lachen.
"Welke tijding heb je van je moeder?" vroeg de oude dame snibbig.
"Vader is veel beter," antwoordde Jo, terwijl ze haar best deed een
ernstig gezicht te zetten.
"Zoo, waarlijk? Nu, dat zal niet lang duren, denk ik. March had nooit
een sterk gestel," was het opbeurend antwoord.
"Ha, ha, schep vreugd in 't leven! Een
snuifje? Adieu! Adieu!" schreeuwde Polly, op zijn zitplaats
rondspringend, en met zijn poot naar de muts van de oude dame slaande,
toen Laurie hem achter haar rug kneep.
"Houd je bek, oneerbiedig, oud dier! en Jo, jij deed beter dadelijk
naar huis te gaan, in plaats van nog zoo laat rond te loopen met
zoo'n dolleman van een jongen als...."
"Houd je bek, oneerbiedig, oud dier!" riep Polly met een sprong van
den stoel aftuimelend, om den "dolleman van een jongen" na te zitten,
die bij dit laatste gezegde schudde van het lachen.
"Ik denk, dat ik het niet zal _kunnen_ uithouden, maar ik zal het
probeeren," dacht Amy, toen zij alleen bij tante March achtergelaten
werd.
"Ga weg, spook!" krijschte Polly, en bij dat onvriendelijk gezegde
kon Amy een zacht gesnuf niet onderdrukken.