EEN TELEGRAM.

"November is de naarste maand van het heele jaar," zei Meta, terwijl

ze op een somberen achtermiddag aan het raam stond en in den bevroren

tuin keek.

"Daarom ben ik er zeker in geboren," liet Jo er peinzend op volgen,

geheel onbewust van een inktvlek op haar neus.

"Wanneer er nu eens iets heel plezierigs gebeurde, zouden we het

juist een heerlijke maand vinden," zei Bets, die aan alles, zelfs

aan November, eene lichtzijde zag.

"Misschien, maar in deze familie gebeurt nooit eens iets plezierigs,"

vond Meta, die uit haar humeur was. "Wij sloven dag aan dag voort

zonder eenige wisseling en maar zelden een pretje. We konden evengoed

in een tredmolen loopen."

"Verschrikkelijk, wat zijn we somber!" riep Jo uit. "Het verbaast me

niet, arme stakkerd, want je moet maar aanzien hoeveel plezier andere

meisjes hebben, terwijl jij maar slooft, slooft, slooft, jaar in,

jaar uit. O, ik wou, dat ik maar alles zoo netjes voor je regelen kon,

als voor mijn heldinnen. Je bent al mooi en goed genoeg, dus zou ik

je dadelijk van den een of anderen rijken bloedverwant een groote

erfenis laten krijgen, en je voor den dag laten komen als een rijke,

jonge dame, die ieder, die je beleedigd had, met den nek kon aanzien,

buitenlands gaan en op een goeden dag terugkeeren als Barones die of

die, in oogverblindende pracht en heerlijkheid."

"Op die manier krijgen de menschen tegenwoordig geen erfenissen

meer; mannen moeten voor geld werken, en vrouwen moeten voor geld

trouwen. Het is een gruwelijk onrechtvaardige wereld," zei Meta bitter.

"Jo en ik zullen voor ons allen fortuin maken; wacht maar eens tien

jaar, en dan zul je zien, of het niet waar is," riep Amy, die in een

hoek "modderpastijtjes" zat te maken, zooals Hanna haar modellen in

klei, van vogels, vruchten en gezichten noemde.

"Ik kan niet zoolang wachten, en ik vrees, dat ik ook niet veel

vertrouwen heb in inkt en modder, hoewel ik dankbaar ben voor je

goede bedoelingen."

Meta zuchtte en keerde zich weer naar den doodschen tuin. Jo geeuwde

en leunde in een verslagen houding met de beide ellebogen op tafel,

maar Amy werkte vol vuur door, en Bets, die aan het andere raam zat,

zei glimlachend: "Er zullen dadelijk twee prettige dingen gebeuren:

Moedertje komt de straat af en Laurie holt door den tuin, alsof hij

iets plezierigs te vertellen heeft."

Beiden kwamen binnen; mevrouw Maren met de gewone vraag: "Ook een brief

van Vader, meisjes?" en Laurie om op zijn onweerstaanbare manier te

vragen: "Hebben niet een paar van jullie lust in een ritje? Ik heb

mathesis zitten blokken, tot mijn hoofd suf is, en ga mijn hersens

eens opfrisschen door een flinken toer. Het is wel druilig, maar

niet erg koud, en ik mag Brooke naar huis brengen, dus zal het van

binnen vroolijk zijn, al is het dan ook van buiten somber. Kom Jo,

jij en Bets gaan wel mee, is 't niet, of Meta en Amy?"

"Natuurlijk, graag!"

"Dank je, ik heb het te druk," en Meta haalde haar werkmandje

voor den dag, want ze had haar Moeder moeten toestemmen, dat het

't verstandigste was, niet al te dikwijls met den jongen buurman uit

rijden te gaan.

"Wij drieën zullen in een minuut klaar zijn," zei Amy, wegloopende

om haar handen te wasschen.

"Kan ik ook iets voor u doen, _Madame Mère_?" vroeg Laurie, terwijl

hij over den stoel van mevrouw March leunde met den hartelijken blik,

waarmee hij haar altijd aankeek.

"Neen, dank je, behalve een boodschap naar het postkantoor, als je

zoo vriendelijk wilt zijn, jongenlief. Het is onze gewone dag voor

een brief, en de postbode is er niet geweest. Vader is zoo geregeld

als de zon, maar misschien is er vertraging onderweg.

"Een luide bel deed zich hooren en een oogenblik daarna kwam Hanna

binnen met een enveloppe."

"Het is zoo'n akelig ding, zoo'n telegram, mevrouw," zei ze, terwijl

ze het couvert overhandigde, alsof ze bang was, dat het zou losbarsten

en brand veroorzaken.

Bij het woord "telegram", greep mevrouw March het haar uit de hand,

las de twee regels, die het bevatte en zonk achterover in haar stoel,

zoo bleek alsof dat stukje papier haar een kogel door het hart had

geschoten. Laurie vloog naar de keuken om water te halen, terwijl

Meta en Hanna haar ondersteunden en Jo met bevende stem voorlas:

Mevrouw March.

Uw Echtgenoot ernstig ziek. Kom onmiddellijk.

_S. Hale._

Blank Hospitaal, Washington.

Hoe stil was het in de kamer, terwijl ze ademloos luisterden; hoe

donker scheen het eensklaps buiten te worden, en hoe plotseling scheen

de heele wereld te veranderen, terwijl de meisjes zich om hun moeder

drongen, met een gevoel, alsof al het geluk en de veiligheid van haar

leven op het punt waren haar ontrukt te worden.

Mevrouw March herstelde zich dadelijk weer; ze las de tijding over en

strekte de armen naar haar dochters uit, terwijl ze op een toon, dien

zij nimmer vergaten, zei: "Ik zal dadelijk gaan, maar het kan misschien

al te laat zijn; o, kinderen, kinderen! helpt het mij dragen!"

Gedurende eenige minuten hoorde men niets in de kamer dan snikken,

vermengd met afgebroken troostwoorden, teedere verzekeringen en

hoopvol gefluister, dat in tranen wegstierf. De arme Hanna was de

eerste, die tot bedaren kwam en zonder het zelf te weten de anderen

een goed voorbeeld gaf; want voor haar was werken het onfeilbare

middel tegen verdriet.

"God beware den goeden man! Ik wil geen tijd meer verdoen met huilen,

maar dadelijk uw goed bij elkander halen, mevrouw," zei zij hartelijk,

terwijl ze haar gezicht met haar boezelaar afdroogde, haar mevrouw

met haar vereelte vingers een warmen handdruk gaf, en aan het werk

ging met een ijver voor drie.

"Ze heeft gelijk, er is nu geen tijd voor tranen. Weest bedaard,

meisjes, en laat me eens nadenken."

Het viertal trachtte bedaard te zijn, terwijl hun moeder bleek maar

kalm opstond, en haar smart op zij zette om de noodige schikkingen

te maken.

"Waar is Laurie?" vroeg ze, toen ze haar gedachten verzameld had en

naging, wat het eerst gedaan moest worden.

"Hier, mevrouw; o, kan ik iets voor u doen?" riep Laurie, die haastig

uit de andere kamer kwam, waar hij zich had teruggetrokken, gevoelende,

dat die eerste droefheid te heilig was, dan dat zelfs zijn oogen die

mochten zien.

"Zend een telegram, dat ik dadelijk zal komen. De eerstvolgende trein

gaat morgen vroeg. Dien zal ik nemen."

"Hebt u nog iets? De paarden staan klaar; ik kan overal

heengaan,--alles doen," en hij zag er uit, alsof hij gereed was naar

het einde der wereld te vliegen.

"Een briefje brengen bij Tante March. Jo, geef me even pen en papier."

Jo scheurde den witten kant van een pas beschreven blad af en schoof de

tafel voor haar moeders stoel, wel wetende dat het geld voor de lange,

droevige reis geleend moest worden, en met een gevoel of ze alles zou

willen doen, om iets toe te voegen aan de kleine som voor haar vader.

"Ga nu, beste jongen; maar krijg geen ongeluk door al te hard rijden;

dat hoeft niet."

Deze waarschuwing had mevrouw March kunnen sparen, want vijf minuten

later stoof Laurie op zijn eigen paard voorbij, rijdende alsof zijn

leven er mee gemoeid was.

"Jo, ga naar de vergadering om Mevrouw King te zeggen, dat ik niet

komen kan. Haal onderweg deze dingen. Ik zal ze opschrijven; ze zijn

misschien noodig en ik moet alles zooveel mogelijk bij me hebben. De

hospitalen zijn niet altijd goed voorzien. Bets, ga jij een paar

flesschen ouden wijn vragen aan Mijnheer Laurence; ik ben niet te

trotsch om iets voor Vader te vragen; hij moet van alles het beste

hebben. Amy, zeg aan Hanna, dat ze den zwarten koffer van boven haalt

en Meta, help jij me mijn goed krijgen, want ik ben half versuft."

En geen wonder dat de arme mevrouw versufte door 't schrijven, denken

en aanwijzingen geven. Meta smeekte haar een oogenblik stil in haar

kamer te gaan zitten, en hen te laten werken. Allen vlogen uit elkander

als bladeren voor den wind, en de rust van 't gezin was plotseling

verstoord, alsof het telegram een boosaardige tooverroede geweest was.

De oude heer Laurence kwam onmiddellijk met Bets terug en bracht

alle verkwikkingen voor den zieke mede, die hij kon verzinnen, en

beloofde gedurende de afwezigheid der moeder voor de meisjes te zullen

zorgen, hetgeen mevrouw March zeer gerust stelde. Er was niets wat hij

niet aanbood, van zijn eigen kamerjapon tot zijn geleide toe. Maar

dit laatste was onmogelijk. Mevrouw March wilde er niet van hooren,

dat de oude heer die lange reis zou ondernemen, hoewel ze eerst zeer

verlicht scheen, toen hij er van sprak, want wanneer men angstig is, is

men niet heel geschikt voor verre reizen. Hij zag den blik, fronste de

wenkbrauwen, wreef zijn handen en stond plotseling op, zeggende dat hij

dadelijk zou terugkomen. Niemand had meer tijd om aan hem te denken,

totdat Meta, die met een paar overschoenen in de eene, en een kopje

thee in de andere hand de gang doorliep, plotseling op Brooke stuitte.

"Wat droevig nieuws, juffrouw March," zei hij op een hartelijken,

kalmen toon, die haar in haar onrust weldadig toeklonk. "Ik kom om uw

moeder mijn geleide aan te bieden. Mijnheer Laurence heeft iets voor

me te doen in Washington, en het zal me een groote voldoening zijn,

wanneer ik mevrouw March van dienst kan wezen."

De overschoenen vielen op den grond, en bijna volgde de thee hun

voorbeeld, terwijl Meta hem de hand reikte, met een gezicht zoo blij

en dankbaar, dat Brooke zich ruimschoots beloond zou achten voor een

nog veel grooter opoffering, dan die van wat tijd en gemak.

"Wat is iedereen vriendelijk, Moeder zal het zeker aannemen; en het

is zoo'n rust voor ons te weten, dat er iemand bij haar is die voor

haar zorgen kan. Ik dank u heel, héél hartelijk."

Meta sprak ernstig en vergat zichzelf geheel, totdat een zeker iets

in de bruine oogen haar deed bedenken, dat de thee koud kon worden,

waarop ze Brooke binnen liet en zei, dat ze haar moeder roepen zou.

Alles was geregeld, toen Laurie terugkwam met een briefje van tante

March, met de gevraagde som en een paar regels om te melden, dat

zij altijd wel gezegd had, hoe bespottelijk het was voor March,

zich bij het leger te voegen. Zij had altijd voorspeld, dat ze er

spijt van zouden hebben, en ze hoopte, dat men een anderen keer naar

haar raad luisteren zou. Mevrouw March wierp het briefje in het vuur,

stak het geld in haar zak, en ging met vast opeengedrukte lippen voort

met haar toebereidselen, op een manier, die Jo zou begrepen hebben,

wanneer ze er bij was geweest.

De korte namiddag liep ten einde; al de boodschappen waren gedaan; Meta

en haar moeder waren druk bezig met naaiwerk, dat nog noodig af moest,

terwijl Bets en Amy voor de thee zorgden, en Hanna met vliegende vaart

stond te strijken, maar nog kwam Jo niet thuis. Men begon ongerust

te worden en Laurie ging uit om haar te zoeken, want niemand kon

weten welken nieuwen inval Jo nu weer in het hoofd mocht gekregen

hebben. Hij liep haar evenwel mis, en ze kwam weldra binnenstappen

met een vreemde uitdrukking op haar gezicht, eene mengeling van spot

en vrees, voldoening en spijt, die de familie evenzeer verbaasde als

het rolletje banknoten, dat zij voor haar moeder neerlegde, terwijl

ze op ontroerden toon zei: "Dit is mijn bijdrage om Vader al het

noodige te geven en hem naar huis te brengen."

"Maar kind, waar heb je dat gekregen? vijf-en-twintig dollars! Jo,

ik hoop, dat je niets overijlds gedaan hebt!"

"Neen, het is eerlijk van mij; ik heb het niet gebedeld, geleend of

gestolen. Ik heb het verdiend en ik geloof niet, dat u mij beknorren

zult, want ik heb verkocht wat mijn eigendom was."

Terwijl ze sprak, zette Jo haar hoed af, wat een algemeenen kreet

uitlokte, want haar mooi, dik haar was afgeknipt.

"Je haar! je prachtige haar!" "O, Jo, hoe kon je dat doen! Je eenige

schoonheid!" "Mijn lieve kind, dat was niet noodig geweest." "Ze

lijkt niets meer op mijn ouwe Jo, maar ik heb er haar des te liever om.

Terwijl allen door elkander riepen en Bets den jongensbol teeder kuste,

zette Jo een onverschillig gezicht, dat evenwel niemand misleidde,

en zei, terwijl ze de korte lokken opstreek en haar best deed om te

kijken, alsof ze 't plezierig vond: "Het heil der natie is er niet mee

gemoeid; jammer dus maar niet, Meta. Het is goed voor mijn ijdelheid;

ik werd te trotsch op mijn pruik en 't zal mijn hersens opfrisschen,

dat er niet meer zoo'n vracht op drukt. Mijn hoofd voelt heerlijk

licht en koel, en de kapper zei dat ik gauw een krullebol zou krijgen;

dat zal dus heel netjes staan, en gemakkelijk zijn om in orde te

houden. Ik ben er tevreden mee; neemt u dus als 't u belieft het geld

en laat ons gaan eten."

"Vertel me er alles van, Jo; _ik_ ben er niet zoo tevreden mee, hoewel

ik niet op je kan knorren, want ik weet hoe gewillig je je ijdelheid,

zooals je het noemt, hebt opgeofferd aan je liefde. Maar, lieveling,

het was niet noodig, en ik vrees, dat het je gauw berouwen zal,"

zei mevrouw March.

"Neen, dat zal het niet," zei Jo beslist, zich verlicht voelende,

dat ze om haar buitensporigheid niet heelemaal werd veroordeeld.

"Hoe kwam je er toe?" vroeg Amy, die even lief haar hoofd als haar

mooie krullen zou willen missen.

"Wel, ik brandde van verlangen, om iets voor Vader te doen," zei Jo,

terwijl zij om de tafel gingen zitten, want gezonde, jonge menschen

kunnen zelfs in de grootste droefheid eten. "Ik haat leenen, net als

Moeder, en ik wist, dat Tante March zou zeuren; dat doet zij altijd,

al vraag je haar maar om een cent. Meta had haar salaris van dit

kwartaal heelemaal voor de huur gegeven, en ik had voor het mijne

alleen kleeren voor mezelf gekocht. Ik voelde me dus heel egoïstisch

en moest geld zien te krijgen, al zou ik er ook mijn neus voor hebben

moeten verkoopen."

"Je hoefde je niet egoïstisch te voelen, mijn kind, want je hadt geen

behoorlijke winterkleeren, en je hebt ze zoo eenvoudig mogelijk voor

eigen, zuur verdiend geld gekocht," zei mevrouw March met een blik,

die Jo's hart goeddeed.

"Ik had er in 't eerst volstrekt geen idee op om mijn haar te gaan

verkoopen, maar ik liep al maar te denken, wat ik toch zou kunnen

doen, en ik kreeg bijna lust om mij zelf maar eens goed uit een van

die groote magazijnen te bedienen. Voor het raam van een kapper zag

ik haarvlechten hangen met den prijs er aan, en een zwarte staart,

die wel wat langer, maar niet zoo dik was als de mijne, kostte veertig

dollar. Op eens viel het me in, dat ik toch _iets_ bezat, wat geld

waard was, en zonder er verder over na te denken, stapte ik naar binnen

en vroeg of ze haar kochten, en wat dan het mijne waard zou zijn."

"Ik weet niet, hoe je het durfde," zei Bets op een toon vol ontzag.

"O, het was een heel klein mannetje, dat er uitzag of hij van zijn

leven niets anders deed dan zijn haar parfumeeren. Hij keek eerst

heel verbaasd, en was zeker niet gewoon, dat meisjes zijn winkel

binnenstormden om te vragen, of hij hun haar wou koopen. Hij zei, dat

hij volstrekt niet op het mijne gesteld was; het was de modekleur niet,

en hij betaalde nooit veel voor levend haar; het werd pas geld waard

door de bewerking. 't Werd laat, en ik was bang, dat, als ik het niet

dadelijk deed, er niets meer van komen zou, en jullie weet, wanneer ik

eens iets begin, heb ik er een hekel aan het op te geven. Ik verzocht

hem dus dringend het te koopen, en vertelde hem, waarom ik zoo'n haast

had. 't Was gek misschien, maar het scheen hem te treffen, want ik werd

nogal opgewonden en vertelde de zaak op mijn holderdebolder-manier,

en zijn vrouw hoorde het en zei heel vriendelijk:

"Neem het maar, Thomas, om de jonge dame genoegen te doen; ik zou

morgen aan den dag hetzelfde doen voor Jimmy, zoolang ik nog een

spiertje haar over had."

"Wie was Jimmy?" vroeg Amy, die graag dadelijk van alles uitleg had.

"Haar zoon, zei ze, die ook in het leger is. Wat voel je je door

zooiets eigen met vreemden, hè? Ze praatte al maar door, terwijl haar

man knipte, en leidde daardoor mijn gedachten kostelijk af."

"Vondt je 't niet vreeselijk, toen de schaar er voor 't eerst ingezet

werd?" vroeg Meta met een huivering.

"Ik sloeg nog een laatsten blik op mijn staart, terwijl de man zijn

benoodigdheden kreeg, en dat was alles. Over zulke kleinigheden

hoef ik nooit te schreien, maar ik moet toch zeggen, dat het me een

wonderlijke gewaarwording gaf, toen ik mijn dierbare, oude pruik daar

op de tafel zag liggen, en niets dan de korte vlokjes op mijn hoofd

voelde. 't Was net of me een arm of een been was afgezet. De vrouw

zag, dat ik er naar keek, en gaf me een lange lok om te bewaren. Die

zal ik aan u geven, Moes, om u aan mijn vorige pracht te herinneren,

want een kroeskop is zoo makkelijk, dat ik niet denk, ooit weer lange

manen te laten groeien."

Mevrouw March wond de golvende, kastanjebruine lok in elkander, en

sloot die met een andere, een korte grijze, weg in haar lessenaar. Ze

zei niets meer dan: "Dankje, lieveling!" maar een zeker iets in haar

blik deed de meisjes van onderwerp veranderen, en zoo opgeruimd

mogelijk doorpraten over de vriendelijkheid van mijnheer Brooke,

de waarschijnlijkheid, dat het den volgenden dag mooi weer zou zijn,

en den heerlijken tijd dien ze zouden hebben, als Vader thuiskwam om

opgepast te worden.

Niemand verlangde naar bed, toen mevrouw March om tien uur het laatste

stuk verstelwerk neerlegde en zei: "Komt, meisjes." Bets ging naar de

piano en speelde Vader's lievelingsgezang; allen begonnen vol moed,

maar raakten een voor een van streek, zoodat ten laatste Bets alleen

van ganscher harte bleef zingen, want voor haar was muziek altijd de

beste troosteres.

"Gaat nu naar bed en praat niet meer, want we moeten vroeg op en hebben

wel al den slaap noodig, dien we krijgen kunnen. Goeden nacht, mijn

lieve kinderen," zei mevrouw March, toen het gezang ten einde was,

want niemand verlangde een tweede in te zetten.

De meisjes kusten haar zwijgend en gingen zoo stil naar bed, alsof

de dierbare zieke in de andere kamer lag. Bets en Amy vielen gauw in

slaap, ondanks de groote droefheid, maar Meta lag wakker, vervuld

van de ernstigste gedachten, die ze nog ooit in haar jong leven

had overdacht. Jo verroerde zich niet, en Meta meende dat ze sliep,

toen een gesmoorde snik en het voelen van een betraande wang haar

deden uitroepen:

"Jolief, wat is er? Schrei je om je vader?"

"Neen, nu niet."

"Waarom dan?"

"Mijn--mijn haar," barstte de arme Jo uit, terwijl ze vergeefsche

pogingen deed om haar aandoening in haar kussen te smoren.

Het klonk Meta volstrekt niet belachelijk toe, en ze kuste en

liefkoosde de bedroefde heldin zoo teeder mogelijk.

"Het spijt me niet," riep Jo al snikkende. "Ik zou het morgen weer

doen als ik kon. Het is alleen maar het zelfzuchtige, ijdele gedeelte

van me, dat nu zoo moet schreien. Vertel het aan niemand, want het is

nu al weer over. Ik dacht dat je sliep, en dat ik dus wel eens even

in het geheim kermen mocht over mijn eenige schoonheid. Hoe kom jij

zoo wakker te liggen?"

"Ik kan niet slapen, ik ben zoo ongerust," zei Meta.

"Denk dan aan iets plezierigs, dan zul je wel gauw onder zeil gaan."

"Dat heb ik al geprobeerd, maar ik blijf klaar wakker."

"Waar heb je dan aan gedacht?"

"Aan knappe gezichten, oogen vooral," zei Meta, stilletjes glimlachend

in het donker.

"Van welke kleur van oogen houdt je het meest?"

"Van bruine--dat is te zeggen--blauwe zijn soms ook heel

aantrekkelijk."

Jo lachte, waarop Meta haar op scherpen toon verbood langer te praten,

haar toen weer heel hartelijk beloofde, dat ze haar haar zou friseeren

en eindelijk in slaap viel om van haar luchtkasteel te droomen.

De klok sloeg middernacht, en het was doodstil in de kamers, toen een

gedaante van bed tot bed gleed, hier een deken recht leggende, daar

een kussen verschikkende, en terwijl ze lang en teeder de slapende

gezichtjes beschouwde, op ieder een lichten kus drukte, het hart vol

van die onuitgesproken, maar innige gebeden, die slechts een moeder

kan opzenden. Toen ze het gordijn ophaalde en in den somberen nacht

naar buiten staarde, brak de maan plotseling door en keek haar aan,

als een trouw, vriendelijk gelaat, dat haar zachtkens toefluisterde:

"Houd moed; er is altijd licht achter de wolken."

Onder Moeders Vleugels · 第 46 / 70 题