Jo had het heel druk op zolder, want de Octoberdagen begonnen koel te
worden en de middagen kort. Gedurende twee of drie uur scheen de zon
door het hooge venster en koesterde ze Jo, die op de oude canapé zat,
met al haar papieren voor zich op een koffer uitgespreid, terwijl
Knabbelaar, de lievelingsrat, langs de hanebalken wandelde, vergezeld
door zijn oudsten zoon, een flinken jongen, die blijkbaar heel trotsch
op zijn snorren was. Totaal verdiept in haar werk, krabbelde Jo voort,
tot de laatste bladzijde vol was. Toen zette ze er haar naam onder
met een sierlijken krul, en wierp haar pen neer met den uitroep:
"Daar, ik heb mijn best gedaan! Als dit niet goed genoeg is, zal ik
moeten wachten, tot ik het beter kan."
Languit op de canapé liggende las ze het manuscript nog eens zorgvuldig
over, maakte hier en daar verbeteringen, versierde 't met ettelijke
uitroepteekens, die er uitzagen als kleine luchtballons, rolde toen
het schrift op, bond het vast met een mooi, rood bandje, en bleef
een oogenblik zitten met een peinzend gezicht, dat duidelijk toonde,
hoe ernstig ze haar werk had opgevat. Jo's lessenaar was een oude
blikken poppenkeuken die met de opening tegen den muur hing. Hierin
bewaarde ze haar paperassen en een paar boeken, veilig buiten bereik
van Knabbelaar, die ook letterlievend van aard scheen en dit toonde,
door alle boeken, die in zijn bereik vielen, af te knagen.
Uit deze blikken bewaarplaats haalde Jo nog een ander manuscript,
en nadat zij beide in haar zak had gestoken, ging zij zacht de trap
af, haar vrienden vrijheid latende om aan haar pennen te knabbelen
en van haar inkt te proeven.
Zoo onhoorbaar mogelijk haalde ze hoed en mantel te voorschijn, ging
naar het raam boven de achterdeur, klom daaruit op het lage afdak
boven den ingang, kwam met een sprong in het zachte gras terecht,
en bereikte langs een omweg den straatweg. Daar gekomen wachtte ze
bedaard, wenkte een aankomenden omnibus en rolde naar de stad, met
een buitengewoon vroolijk en geheimzinnig gezicht.
Wanneer iemand op haar gelet had, zou hij haar gedrag zeker vreemd
hebben gevonden, want toen ze uitgestapt was, liep ze met vluggen pas
naar een zeker nommer in een zekere, drukke straat; nadat ze met eenige
moeite het huis gevonden had, stapte ze 't voorportaal in, bekeek de
morsige trap, stond een oogenblik stokstijf, en vloog toen even vlug
als ze gekomen was, de straat weer uit. Deze manoeuvre herhaalde zij
verscheiden malen, tot groot vermaak van een zwartoogig jongmensch,
dat op zijn gemak in de vensterbank van een gebouw aan den overkant
zat. Toen zij voor de vierde maal terugkwam, nam Jo een kloek besluit,
trok haar hoed in de oogen en liep de trap op met een gezicht, alsof
al haar tanden moesten uitgetrokken worden.
Onder andere naamplaatjes op de deurpost, was er ook een van een
tandmeester, en nadat de jongeheer aan den overkant een oogenblik
gestaard had op een paar kunstmatige kakebeenen, die open en dicht
gingen, om de aandacht op een prachtig stel tanden te vestigen, trok
hij zijn jas aan, nam zijn hoed, en posteerde zich in de deur aan den
overkant, terwijl hij met een glimlach en een rilling bij zichzelf zei:
"Net iets voor haar om alleen te komen, maar als ze veel pijn heeft
gehad, mag er toch wel iemand zijn om haar naar huis te brengen."
Na tien minuten kwam Jo de trap afdraven met een rood gezicht en
heelemaal het voorkomen van iemand, die pas de een of andere vuurproef
heeft doorstaan. Toen ze het jongemensch zag, scheen ze de ontmoeting
alles behalve aangenaam te vinden, en liep ze hem met een knikje
voorbij, maar hij volgde haar en vroeg medelijdend:
"Was het heel erg?"
"Neen, zoo heel erg niet."
"Je bent er nogal gauw afgekomen."
"Ja, den hemel zij dank!"
"Waarom ben je alleen gegaan?"
"Ik wou niet, dat iemand het wist."
"Jij bent toch het wonderlijkste wezen, dat ik ooit gezien heb! Hoeveel
heb j'er laten trekken?"
Jo keek haar vriend aan, alsof ze hem niet begreep, en begon toen te
lachen, alsof hij iets bijzonder grappigs gevraagd had.
"Ik wou er graag twee uit hebben, maar ik moet tot de volgende week
wachten."
"Waar lach je om? Je voert iets kwaads in 't schild, Jo," zei Laurie,
op een dwaalspoor gebracht.
"En jij ook. Wat deed je daar, jongmensch, in dat café?"
"Ik vraag excuus, mejuffrouw, het was geen café, maar een schermschool,
waar ik les neem."
"Daar ben ik blij om."
"Waarom?"
"Dan kun je 't mij leeren; en wanneer we dan Hamlet opvoeren, kun
jij Laertes zijn, en kunnen we dat gevecht mooi voorstellen."
Laurie barstte uit in zoo'n hartelijk gelach, dat verscheiden
voorbijgangers huns ondanks glimlachten.
"Ik zal het je leeren, of we Hamlet spelen of niet; het is een
heerlijke sport en het zal je spieren stalen. Maar ik geloof niet,
dat dit de eenige reden was, waarom je zoo gedecideerd zei: "Daar
ben ik blij om. Was het wel?"
"Neen, ik was blij, dat het geen café was, omdat ik hoop, dat je nog
niet naar zulke gelegenheden gaat. Doe je 't wel eens?"
"Niet dikwijls."
"Ik wou, dat je 't nooit deedt."
"Er steekt niets in, Jo; ik heb thuis wel een biljart, maar er is
niets aan, wanneer je geen goede spelers hebt, en omdat ik het graag
doe, kom ik er wel eens om een partij met Ned Moffat, of een van de
anderen te spelen."
"Och heden, dat spijt mij, want je zult er al meer en meer van gaan
houden, er je tijd en geld mee verspelen, en net als die akelige
jongens worden. Ik had zoo'n hoop, dat jij degelijk zou blijven
en je vrienden eer aan je zouden beleven," zei Jo, met moederlijke
bezorgdheid haar hoofd schuddende.
"Kan een jongmensch zich niet eens een onschuldige uitspanning
veroorloven, zonder zijn aanspraak op "degelijkheid" te
verbeuren?" vroeg Laurie eenigszins geraakt.
"Dat hangt er van af, hoe en waar hij zich die veroorlooft. Ik
houd niet van Ned en zijn club, en ik wou, dat jij je daar buiten
hieldt. Moeder wil niet, dat hij bij ons aan huis komt, hoe graag
hij ook wil, en als jij wordt als hij, zou ze niet meer toelaten,
dat we zooveel pretjes met elkander hadden."
"Kom!" zei Laurie, maar hij was wel wat ongerust.
"Neen, ze kan dat soort van uitgaande heertjes niet uitstaan, en
ze zou ons, geloof ik, nog liever alle vier in hoedendoozen pakken,
dan ons met hen te laten omgaan."
"Nou, je moeder heeft vooreerst haar hoedendoozen nog niet voor
den dag te halen, ik ben niet van dat slag, en ik verlang er niet
toe te behooren, maar ik houd nu en dan wel eens van een onschuldig
amusementje, en jij?"
"O, daar heeft natuurlijk niemand iets tegen; maak pret naar hartelust;
als je maar niet "losbandig" wordt, want dan is er een eind aan al
ons plezier."
"Ik beloof je, een driedubbele heilige te worden."
"Ik houd niet van heiligen, blijf maar een gewone, gezellige, nette
jongen, dan zullen wij je nooit in den steek laten. Ik weet niet wat
ik zou beginnen, als jij zooiets deed als de zoon van mijnheer King;
hij had overvloed van geld, zoodat hij niet wist, wat hij er mee doen
moest, en hij ging drinken en spelen en liep weg, en maakte valsche
wissels op den naam van zijn vader, geloof ik, en was in ieder geval
zoo slecht mogelijk."
"Je denkt dus, dat ik waarschijnlijk ook zoo doen zal? Zeer verplicht."
"Neen, dat denk ik niet, zeker niet! maar ik hoor oude menschen soms
zeggen, dat veel geld hebben zoo verleidelijk is, en dan zou ik maar
wenschen, dat je arm was; dan hoefde ik niet ongerust over je te zijn."
"Bèn je dan ongerust over me, Jo?"
"Ja, een beetje, als je zoo somber en ontevreden kijkt, zooals je
soms doet; want je hebt zoo'n vasten wil, en wanneer je eenmaal den
verkeerden weg opging, zou het moeilijk zijn je tegen te houden."
Laurie liep een paar minuten zwijgend voort, en Jo keek hem eens
van ter zijde aan, wenschende dat ze haar mond gehouden had, want de
uitdrukking van zijn oogen was alles behalve vriendelijk, hoewel hij
nog glimlachte, alsof hij met haar waarschuwingen den spot dreef.
"Ben je van plan den heelen weg over te preeken?" vroeg hij opeens.
"Natuurlijk niet--waarom?"
"Omdat ik, als je 't van plan bent, in een omnibus stap; maar als
j'er mee ophoudt, loop ik liever met je, om je iets belangrijks
te vertellen."
"Ik zal niet meer preeken, en ik verlang vreeselijk het nieuws
te hooren."
"Mooi, vooruit dan maar. 't Is een geheim, en als ik 't je vertel,
moet je mij het jouwe ook vertellen."
"Ik heb er geen," begon Jo, maar hield plotseling op, zich
herinnerende, dat ze er wel een had.
"Je weet wel beter; je kunt je toch niet goed houden! Voor den dag
er dus mee, of ik vertel jou ook niets!" riep Laurie.
"Is het jouwe een aardig geheim?"
"Of het, en allemaal over menschen die je kent; zóó leuk! Je _moet_
het weten, en ik heb al lang van verlangen gebrand om het je te
vertellen. Kom, jij moet beginnen."
"Zul je er thuis niet over spreken?"
"Geen woord."
"En er mij in 't geheim ook niet mee plagen?"
"Ik plaag nooit."
"Ja, dat doe je wel. Je kunt alles wat je weten wilt uit de menschen
krijgen. Ik weet niet, hoe je het aanlegt, maar je bent een geboren
flikflooier."
"Dank je. Kom er nou maar mee voor den dag."
"Nou, ik heb twee verhalen gebracht aan den uitgever van een courant,
en hij zal mij de volgende week antwoord geven," fluisterde Jo in
het oor van haar vertrouweling.
"Hoera, voor juffrouw March, de beroemde Amerikaansche
schrijfster!" riep Laurie, zijn hoed in de lucht gooiend en hem
weer opvangend, tot groot vermaak van twee ganzen, vier katten, vijf
kippen en een half dozijn Iersche kinderen; want ze waren nu buiten
de stad gekomen.
"Stil, er zal denkelijk niets van komen, maar ik had geen rust, voor
ik het geprobeerd had, en ik heb er niets van gezegd, omdat ik niet
wou dat iemand anders teleurgesteld zou worden."
"Ze nemen het natuurlijk aan! Wel Jo, jouw verhalen zijn Shakespeare
waardig, vergeleken bij de prullen, die dagelijks verschijnen. Aardig
ze in druk te zien! Wat zullen we trotsch zijn op onze schrijfster!"
Jo's oogen schitterden, gestreeld dat Laurie vertrouwen in haar
stelde, want de lof van een vriend doet meer goed dan een half dozijn
vleierijen in de courant.
"En nu jouw geheim? Eerlijk opbiechten, Teddy, of ik geloof je
nooit meer," zei ze, terwijl ze haar best deed de blijde hoop te
onderdrukken, die bij Laurie's woord van aanmoediging opvlamde.
"Ik werk er me misschien in wanneer ik het vertel, maar ik heb niet
beloofd, dat ik het _niet_ vertellen zou, en dus zal ik het maar doen,
want ik voel me altijd bezwaard, tot ik je elk kruimeltje nieuws dat
ik te weten kom, verteld heb.--Ik weet waar Meta's handschoen is."
"Is dàt alles?" riep Jo teleurgesteld, toen Laurie met een geheimzinnig
gezicht bleef knikken en knipoogen.
"Dat is meer dan voldoende voor 't oogenblik; en dat zul je met me
eens zijn, zoo gauw je weet, waar hij is."
"Zeg het dan."
Laurie bukte en fluisterde Jo drie woorden in het oor, die eene komieke
verandering teweegbrachten. Zij stond hem eenige oogenblikken verbaasd
en verontwaardigd aan te staren en liep toen voort, terwijl zij op
scherpen toon vroeg:
"Hoe weet je dat?"
"Gezien."
"Waar?"
"In zijn zak."
"Al dien tijd?"
"Ja; is 't niet romantisch?"
"Neen, 't is afschuwelijk!"
"Vindt je 't niet aardig?"
"Neen, _natuurlijk_ niet; 't is bespottelijk, het mag niet. Genade! Wat
zal Meta er van zeggen?"
"Je mag het niemand vertellen, onthoud dat."
"'k Heb niks beloofd."
"Dat sprak vanzelf, en ik heb je vertrouwd."
"Goed, dan zal ik het ten minste vooreerst niet doen, maar ik vind
het afschuwelijk, en ik wou dat je 't mij niet verteld hadt."
"Ik dacht dat je 't juist aardig zou vinden!"
"Aardig? Dat iemand Meta wil komen weghalen! Hoe bedenk je 't."
"Je zou het misschien aardiger vinden, als er iemand kwam om jou weg
te halen," plaagde Laurie.
"Ik zou 't wel eens iemand willen zien probeeren!" riep Jo uitdagend.
"Ik ook," grinnikte Laurie.
"Ik ben niet voor geheimen geschikt, geloof ik; 't is of er een
pak op mijn hart ligt, sedert je 't mij verteld hebt," zuchtte de
ondankbare Jo.
"Loop dan maar eens hard den heuvel met me af, dan zul je wel weer
in orde zijn," stelde Laurie voor.
Nergens was iemand te zien; de dalende weg zag er zoo uitlokkend
uit, dat Jo, voor de verzoeking bezwijkend, als een pijl uit den
boog vooruit vloog, hoed en kam verliezende, en overal haarspelden
rondstrooiend. Laurie bereikte het eindpunt het eerst, volkomen
tevreden over de uitwerking van zijn voorschrift, want daar kwam
zijn Atalante aanvliegen met fladderende haren, schitterende oogen,
blozende wangen en geen spoor van ontevredenheid meer op het gezicht.
"Ik wou dat ik een paard was; dan zou ik in deze heerlijke lucht
uren lang kunnen voorthollen, zonder buiten adem te raken. Het was
goddelijk, maar ik zie er nu ook uit als een vogelverschrikker. Toe,
ga al mijn verloren schatten eens oprapen, engel, die je bent,"
hijgde Jo, neervallende onder een ahornboom, die het gras met zijn
schitterend roode bladen bezaaide.
Laurie wandelde op zijn gemak terug om "de verloren schatten" te
gaan zoeken, en Jo stak haar vlechten op, in de hoop, dat er niemand
voorbij mocht komen, eer ze weer presentable was. Maar er _kwam_
iemand voorbij, en wel niemand anders dan Meta, die er bijzonder
damesachtig uitzag in haar beste plunje, want ze had visites gemaakt.
"Kind, wat voer je uit!" riep zij, haar ontredderde zuster met
verbazing bekijkende.
"Bladen zoeken," zei Jo, de handvol roode bladeren sorteerende,
die zij gauw had opgeraapt.
"En haarspelden," zei Laurie, terwijl hij er een half dozijn op Jo's
schoot gooide. "Die groeien hier langs den weg, Meta, net als kammen
en bruine stroohoeden."
"Je bent weer aan 't draven geweest, Jo; hoe _kon_ je het doen? Wanneer
zul je toch die jongensmanieren eens afschaffen," zei Meta berispend,
terwijl ze haar dasje verschoof en haar haar gladstreek.
"Niet voordat ik oud en stijf ben en een kruk noodig heb. Doe maar niet
je best om me voor den tijd oud te maken, Meta; het is al erg genoeg,
dat jij zoo op eens veranderd bent; laat mij maar een kind blijven,
zoolang ik kan."
Terwijl ze dit zei, boog Jo zich over haar bladen om het beven van haar
lippen te verbergen; want in den laatsten tijd had ze wel gevoeld,
dat Meta gauw een jonge dame zou zijn, en Laurie's geheim maakte
haar bang voor de scheiding, die eenmaal komen moest en nu zoo nabij
scheen. Hij zag haar ontroering en trachtte Meta's aandacht af te
leiden door haar te vragen:
"Waar heb jij, zoo sierlijk uitgedost, visites gemaakt?"
"Bij de Gardiners; en Sallie heeft me alles van het huwelijk van
Belle Moffat verteld. Het was prachtig geweest en ze zijn den winter
in Parijs gaan doorbrengen; denk eens aan wat heerlijk!"
"Benijd je haar, Meta?" vroeg Laurie.
"Ik vrees van ja."
"Daar ben ik blij om," mompelde Jo, terwijl ze met een ruk haar
hoed rechtzette.
"Waarom?" vroeg Meta verwonderd.
"Omdat je, als je op rijkdom gesteld bent, nooit hals over kop met een
arm man zult trouwen," zei Jo, haar wenkbrauwen fronsend tegen Laurie,
die haar zwijgend trachtte te waarschuwen, om toch niets ondoordachts
te zeggen.
"Ik zal nooit _hals-over-kop_ met _iemand_ trouwen," zei Meta,
zoo waardig mogelijk vooruitstappend, terwijl de anderen lachend,
fluisterend en steentjes gooiend volgden, en zich "aanstelden als
kinderen", zooals Meta bij zichzelf zei, hoewel ze zeker lust gehad
zou hebben mee te doen, wanneer ze niet haar beste japon had aangehad.
Gedurende een paar weken gedroeg Jo zich zoo wonderlijk, dat haar
zusters niet wisten, wat van haar te denken. Ze vloog naar de
deur, als de postbode schelde, was opvallend onvriendelijk jegens
mijnheer Brooke, wanneer ze hem ontmoette, kon soms een heele poos
Meta weemoedig zitten aanstaren en dan plotseling opstaan, om haar
door elkaar te schudden en haar dan op eens weer te omhelzen, alles
op een even raadselachtige manier. Laurie en zij maakten altijd
allerlei teekens en zinspelingen tegen elkander en praatten over
"vliegende adelaars," tot de meisjes verklaarden, dat ze beiden
hun verstand verloren hadden. Op den tweeden Zaterdag, nadat Jo het
raam was uitgeklommen, keek Meta, die op de veranda zat te naaien,
verontwaardigd, toen ze zag hoe Laurie Jo najoeg, den heelen tuin rond,
en haar eindelijk in Amy's priëel gevangen nam. Wat daar voorviel,
kon Meta niet zien, maar ze hoorde een luid gelach, gevolgd door een
gemurmel van stemmen en een eindeloos geritsel met couranten.
"Wat zullen we toch met dat kind doen! Zij zal zich _nooit_ als een
volwassen meisje leeren gedragen," zuchtte Meta, den wedren met een
afkeurend gezicht volgend.
"Dat hoop ik ook niet; ze is juist zoo grappig en zoo lief, zooals
ze is," zei Bets, die nooit liet blijken, dat ze een beetje gegriefd
was door Jo's geheimen met een ander.
"Ja, 't is vervelend, maar we zullen haar nooit _comme la fo_ kunnen
maken," voegde Amy er bij, die een paar nieuwe strikjes voor zich zelf
zat te naaien, en haar krullen bijzonder netjes opgemaakt had--twee
aangename dingen, die haar een gevoel gaven van buitengewone élegantie
en groote-damesachtigheid.
Een paar minuten daarna stoof Jo naar binnen, viel op de canapé neer
en deed alsof ze las.
"Heb je daar iets moois?" vroeg Meta neerbuigend.
"'t Is maar een verhaaltje, het beteekent niet veel, geloof ik,"
antwoordde Jo, terwijl ze zorgvuldig den naam van het nieuwsblad
bedekt hield.
"Lees het liever hardop, dan hooren wij het meteen en heb je zelf
iets te doen," zei Amy op haar deftigsten toon.
"Hoe heet het?" vroeg Bets, verwonderd dat Jo haar gezicht achter
het blad verborgen hield.
"De Schilders-Wedstrijd."
"Dat kan wel aardig zijn; lees het maar," zei Meta.
Na een luid: "hm hm!" en een diepe ademhaling begon Jo zeer snel te
lezen. De meisjes luisterden met belangstelling, want het verhaal
was romantisch en eindigde heel aandoenlijk, daar de meeste personen
tegen het slot stierven.
"Dat over dat prachtige schilderij is een mooi eindje," zei Amy,
toen Jo ophield.
"Ik vind de liefdesgeschiedenis bizonder goed. Viola en Angelo zijn
twee van onze geliefkoosde namen; toevallig hè?" zei Meta, haar oogen
afvegende, want de liefdesgeschiedenis was héél tragisch.
"Wie heeft het geschreven?" vroeg Bets, die een oogenblik Jo's gezicht
te zien had gekregen.
De lezeres kwam plotseling overeind, wierp het blad weg, waardoor
een vuurrood hoofd voor den dag kwam en antwoordde, met een comische
mengeling van plechtigheid en bedwongen pret:
"Je zuster!"
"Jij!" riep Meta en liet haar werk vallen.
"Het is héél goed," zei Amy critisch.
"Ik wist het wel! ik wist het wel! O, mijn lieve Jo, wat ben ik
trotsch op je," en Bets vloog op haar zuster toe om haar te omhelzen,
in haar innige vreugde over dit heerlijk succes.
Wat waren ze allemaal gelukkig! Meta kon het niet gelooven, voor ze
den naam: "Josefine March" wezenlijk in de courant gedrukt zag; Amy
critiseerde genadig de gedeelten, die over de schilderkunst handelden,
en gaf aanwijzingen voor een vervolg, dat ongelukkig niet tot stand
kon komen, daar de held en de heldin beiden dood waren; Bets was meer
dan opgewonden en danste en zong van plezier; en toen Hanna binnenkwam
riep ze: "Wel lieve ziel, heb ik ooit!" in groote verbazing over "dat
gedoe van die Jo." Hoe trotsch mevrouw March was, toen ze het vernam,
laat zich denken, en Jo stond met tranen in de oogen te lachen, en
verklaarde, dat ze nog een pauw zou worden en dat het nu genoeg was,
terwijl van "de Vliegende Adelaar" gezegd kon worden, dat hij zijn
vleugelen triomfantelijk over den huize March uitspreidde, daar het
aldus genoemde nieuwsblad haastig van hand tot hand ging.
"Vertel nu eens alles! Wanneer is het gekomen? Hoeveel heb j'er voor
gekregen? Wat zal Vader zeggen! En wat zal Laurie lachen!" riep de
familie in één adem, terwijl ze zich om Jo verdrongen, want de Marches
maakten een jubilé van elke kleine huiselijke vreugde.
"Houd op met dat gekakel, kinderen dan zal ik jullie alles vertellen,"
zei Jo, die wel eens zou willen weten of bekende schrijfsters
even trotsch waren geweest op hun eersteling als zij op haar
"Schilders-wedstrijd." Nadat zij verteld had, hoe ze er met haar
verhalen op uit was gegaan, vervolgde ze: "En toen ik het antwoord
ging halen, zei de man, dat hij ze beide goed vond, maar dat hij
eerst-beginnenden niet betaalde, en alleen maar de verhalen in zijn
blad plaatste en recenseerde. Het was eene goede oefening, zei hij, en
wanneer een auteur vooruitging, kon hij overal honorarium krijgen. Ik
liet hem dus mijn twee verhalen houden, en vandaag werd mij dit blad
toegezonden en Laurie ving mij juist op, toen ik het had, en hij wou
het met alle geweld zien, en hij zei, dat het goed was, en nu ga ik
meer schrijven en Laurie zal maken, dat ik voor het volgende betaald
word; en o!--ik ben zóó blij, want mettertijd zal ik misschien in
staat zijn om voor me zelf te zorgen en de zusjes te helpen."
Hier geraakte Jo buiten adem, en haar hoofd in de courant verbergend,
besproeide ze haar verhaal met een paar gelukkige tranen; want
onafhankelijk te zijn en den lof in te oogsten van hen, die ze liefhad,
waren de wenschen van haar hart en dit scheen haar de eerste stap
naar dat heerlijke einde.