LUCHTKASTEELEN.

Op zekeren warmen September-namiddag lag Laurie heerlijk in zijn

hangmat heen en weer te schommelen; hij was nieuwsgierig om te

weten wat zijn buren toch uitvoerden, maar te lui om het te gaan

onderzoeken. Laurie was uit zijn humeur, want hij had zijn dag

nutteloos en onbevredigend doorgebracht en wenschte, dat hij hem nog

eens over kon leven. Het warme weder maakte hem lui; hij had de hand

gelicht met zijn werk, het geduld van den gouverneur tot het uiterste

op de proef gesteld, zijn grootvader ontstemd door den halven middag

piano te spelen, de dienstboden angst aangejaagd door geheimzinnig

te kennen te geven, dat een van zijn honden dol scheen geworden,

en nadat hij hooge woorden had uitgelokt met den stalknecht, over

het een of ander vermeend verzuim aan zijn paard, was hij in zijn

hangmat gevallen om te brommen over de "onmogelijkheid" van de wereld

in het algemeen, tot de rust van den liefelijken namiddag hem, ondanks

zichzelf, tot kalmte gebracht had. Naar boven starend in het groene

looverdak van een wilde kastanje, droomde hij allerlei droomen, en

verbeeldde hij zich juist rond te zwalken op den oceaan bij een reis

rondom de wereld, toen het geluid van stemmen hem in een oogwenk aan

land bracht. Door de mazen van de hangmat glurend, zag hij de meisjes

March uit het huis komen, alsof ze de een of andere expeditie gingen

ondernemen. "Wat ter wereld beginnen de meisjes nou?" dacht Laurie,

zijn slaperige oogen wijd opensperrend om eens goed te kijken, want

er was iets vreemds aan zijn buurmeisjes. Ze hadden elk een grooten,

overhangenden hoed op, een bruin linnen zak over den schouder en een

langen stok in de hand. Meta droeg een kussen, Jo een boek, Bets een

mandje en Amy een portefeuille. Zeer bedaard liepen ze den tuin door,

het achterhekje uit, om den heuvel te beklimmen, die tusschen hun

huis en de rivier lag.

"Dat is al héél leuk," zei Laurie bij zichzelf, "een buitenpartij te

houden, en mij niet eens te vragen. Ze kunnen niet met de boot gaan,

want ze hebben den sleutel niet. Misschien hebben ze hem vergeten;

ik zal hem even gaan brengen en meteen eens zien, wat ze uitvoeren."

Hoewel hij een half dozijn hoeden in zijn bezit had, duurde het eenigen

tijd, voor hij er een vinden kon, toen moest hij naar den sleutel

zoeken, dien hij eindelijk in zijn zak vond, zoodat de meisjes al ver

uit het gezicht waren eer hij de heining oversprong en hen achterna

draafde. Hij nam den kortsten weg naar het schuitenhuisje en wachtte

daar hun komst af, maar niemand verscheen, dus beklom hij den heuvel

om het terrein eens te overzien. Deze was gedeeltelijk bedekt door een

dennenboschje, en uit het dichtst van dit geboomte kwam een sterker

geluid, dan het zachte ruischen der dennen en het slaperige gezang

der krekels.

"Hier zit het wild," dacht Laurie, door de takken glurend, nu geheel

wakker en in zijn humeur.

De meisjes zaten lekker in de schaduw, terwijl het zonlicht door de

takken speelde, een koeltje de geurige dennelucht door hun haren en

langs hun gloeiende wangen blies en al de kleine boschbewoners met

hun bezigheden voortgingen, alsof de Marches geen vreemdelingen maar

vrienden waren. Meta die op haar kussen zat en met hare fijne handjes

ijverig naaide, zag er in haar rose japonnetje op het groene gras zoo

frisch en lief uit als een roos. Bets zocht ijverig naar dennenappels,

waarmee de grond onder de struiken bezaaid lag, want zij maakte er

allerlei aardige dingen van; Amy schetste een groep varens, en Jo

breide een soldatensok terwijl ze las. Even betrok Laurie's gezicht,

toen hij bedacht, dat hij eigenlijk behoorde heen te gaan, omdat hij

niet mee gevraagd was; toch bleef hij staan, 't Scheen hem thuis zoo

eenzaam toe, en dit rustige partijtje in het bosch had bijzonder veel

aantrekkelijks voor hem in zijn ongedurige stemming. Hij stond zóó

stil, dat een eekhoorn, bezig voedsel te zoeken, van een pijnboom vlak

naast hem afkwam, maar toen met zulk een schrillen kreet terugrende,

dat Bets omkeek, het verlegen gezicht tusschen de takken bemerkte,

en hem met een bemoedigenden glimlach wenkte dichter bij te komen.

"Mag ik dit heiligdom binnentreden, of zou ik maar tot last

zijn?" vroeg hij, langzaam naderend.

Meta trok haar wenkbrauwen op, maar Jo keek haar boos aan, en zei

onmiddellijk: "Natuurlijk, mag je! We zouden je wel gevraagd hebben

mee te gaan, maar we waren bang, dat je zoo'n meisjesbedenksel saai

zou vinden."

"Ik vind jullie bedenksels nooit saai, maar als Meta mij liever niet

ziet, verdwijn ik."

"Ik heb er niets tegen, wanneer je iets uitvoert; 't is tegen de orde

hier leeg te zitten," zei Meta ernstig, maar vriendelijk.

"Zeer verplicht; ik wil _alles_ doen, wanneer jullie mij een poosje

duldt, want het is thuis zoo saai als in de Sahara. Zal ik naaien,

lezen, denneappels zoeken, teekenen, of alles te gelijk? Gij hebt

slechts te bevelen, ik ben tot uw dienst gereed," en Laurie ging

zitten met zoo'n onderdanig gezicht, dat Meta verteederd werd.

"Lees dit verhaal uit, terwijl ik de hiel zet," commandeerde Jo,

hem het boek overhandigend.

"Alstublieft, juffrouw," was het deemoedig antwoord, en Laurie las

op zijn allersierlijkst om zijn dankbaarheid te toonen voor zijn

toelating tot de "Nijvere-Bij-club."

Het verhaal was niet lang, en toen hij het uitgelezen had, waagde

hij het tot belooning voor de bewezen diensten een paar vragen te doen.

"Als het niet te vrijpostig is, dames, zou ik wel eens willen vragen,

of deze gezellige en hoogst nuttige vereeniging pas is opgericht?"

"Mag hij het weten?" vroeg Meta aan de anderen.

"Neen, hij zal ons uitlachen," waarschuwde Amy.

"Wat zou dat?" vroeg Jo.

"Ik wed, dat hij 't wel aardig zal vinden," meende Bets.

"Wel ja, natuurlijk. Ik geef jullie mijn woord, dat ik niet zal

lachen. Vertel op, Jo, en wees maar niet bang!"

"'t Idée! bang voor jou? Nou, je moet weten, we _speelden_ vroeger

altijd den Pelgrimstocht, maar sinds verleden winter stellen wij hem

in _ernst_ voor."

"Ja, dat weet ik," zei Laurie, met een knikje.

"Wie heeft het je dan verteld?" vroeg Jo snibbig.

"Een geest."

"Neen, _ik_ heb het gedaan om hem eens te amuseeren op een avond,

toen jullie allemaal uit waren, en hij zich zoo verveelde. Hij vond

het niets gek; dus brom er maar niet over, Jo," zei Bets onderdanig.

"Je kunt geen geheim bewaren. Nu, het doet er niet toe, het wint nu

alweer moeite uit."

"Ga voort, als 't je belieft," verzocht Laurie, toen Jo in haar werk

verdiept, ontstemd voor zich bleef kijken.

"O, heeft ze ons nieuwe plan niet verteld? Nou, we hebben ons best

gedaan om onzen vacantietijd niet te verlummelen, maar ieder heeft

een taak op zich genomen en geprobeerd die af te krijgen. De vacantie

is bijna om, onze taken af, en we zijn vreeselijk blij, dat we niet

geluierd hebben."

"Ja, dat kan ik me begrijpen," en Laurie dacht berouwvol aan zijn

eigen verbeuzelde dagen.

"Moeder heeft graag, dat wij zooveel mogelijk buiten zijn; daarom

nemen we onze taak hier mee naar toe; 't is hier heerlijk. Voor

de grap stoppen we ons werk in deze zakken, zetten oude hoeden op,

gebruiken lange stokken om den heuvel te beklimmen en spelen pelgrims,

zooals we jaren geleden plachten te doen. Wij noemen dezen heuvel

"de Berg der Verrukking", [6] omdat wij van hier het heerlijke land

kunnen zien, waar wij eenmaal hopen te gaan wonen."

Jo wees het hem, en Laurie kwam overeind om te kijken. Door een

opening in het hout, zag men, over de breede, blauwe rivier, de

weilanden aan den overkant, verder over de buitenwijken der stad,

naar de groene heuvelen, die den horizon begrensden. De zon stond

al laag, en de lucht baadde zich in den prachtigen gloed van een

herfstzonsondergang. Gouden en purperen wolken zweefden boven de

heuvels, en hoog in de roodgekleurde lucht verhieven zich nevelige

toppen, als de zilveren kerktorens van de eene of andere "Hemelsche

Stad." [7]

"Heerlijk!" zei Laurie zacht, want hij had een open oog voor al wat

mooi was.

"Het is dikwijls zoo mooi, en we kijken er zoo graag naar, want

het is nooit hetzelfde, maar altijd prachtig," zei Amy, wenschende,

dat ze het kon teekenen.

"Jo spreekt van het land, waar we eenmaal hopen te wonen; het

wezenlijke land, meent ze, met varkens en kuikens en hooibergen;

dat zou wel heerlijk zijn, maar ik wou, dat dat land daar in de

wolken werkelijk bestond, en dat we daar eens heen konden gaan,"

zei Bets peinzend.

"Jij zult wel in de Hemelsche Stad komen, Bets, wees daar maar

niet bang voor," zei Jo. "Ik ben degeen, die zal moeten strijden

en werken, en klauteren en wachten, en misschien nog niet eens zal

worden toegelaten."

"Dan zul je mij tot gezelschap hebben, als je dat kan troosten. Ik zal

heel wat moeten afreizen, voor ik jullie Hemelsche Stad bereik. Als ik

er heel laat aankom, zul jij dan een goed woordje voor me doen, Bets?"

Een zeker iets in Laurie's gezicht verontrustte zijn vriendinnetje,

maar zij zei opgewekt, met haar vriendelijke oogen op de drijvende

wolken gevestigd: "Als iemand echt verlangt er te komen, en er zijn

heele leven zijn best voor doet, geloof ik, dat hij zeker zal mogen

binnentreden, want ik denk niet, dat er grendels of wachters voor die

poort zijn. Ik stel het me altijd voor, als op dat plaatje, waar de

vriendelijke gedaanten de handen uitstrekken om den armen Christiaan

[8] te verwelkomen, wanneer hij de rivier doorwaad heeft."

"Wat zou het leuk zijn, als al de luchtkasteelen, die we bouwen,

eens werkelijkheid werden, en wij er in konden wonen?" zuchtte Jo na

eenige oogenblikken stilzwijgen.

"Ik heb er al zooveel gebouwd, dat het me moeilijk zou vallen te

zeggen, welk ik per slot van rekening zou verkiezen," zei Laurie,

terwijl hij zich zoo lang als hij was op het mos liet vallen en

denneappels gooide naar het eekhorentje dat hem verraden had.

"Je zou natuurlijk je lievelingskasteel moeten kiezen; wat is

dat?" vroeg Meta.

"Als ik het mijne vertel, zullen jullie het dan ook doen?"

"Ja, als de anderen het ook beloven."

"Ja, dat is goed. Nu, Laurie!"

"Zoodra ik genoeg van de wereld gezien had, zou ik in Duitschland

willen gaan wonen, en zooveel van muziek genieten als ik maar kon. Ik

zou zelf een groot genie willen zijn, zoodat alle menschen toestroomden

om me te hooren; ik zou nooit iets van geldzaken of handel willen

hooren, maar alleen genieten en leven voor de dingen waar ik van

houd. Dat is mijn liefste luchtkasteel. En wat is het jouwe, Meta?"

Meta scheen het wat moeilijk te vinden het hare te vertellen; zij

streek met een varentakje langs haar gezicht, alsof ze denkbeeldige

muggen wilde verdrijven, terwijl zij langzaam begon: "Ik zou graag

een mooi huis hebben, vol met allerlei prachtige dingen; lekker

eten, mooie kleeren, smaakvolle meubels, aardige menschen en hoopen

geld. Ik zou er de eigenares van moeten zijn, en het heelemaal kunnen

inrichten, zooals ik wou, met veel dienstboden, zoodat ik niet hoefde

te werken. Wat zou ik er van genieten! Want ik zou niet luieren,

maar veel goed doen en maken dat iedereen mij liefhad."

"En moet je geen ridder in je kasteel hebben?" vroeg Laurie ondeugend.

"Ik zei immers aardige menschen!" en Meta strikte zorgvuldig haar

schoen vast, terwijl zij sprak, zoodat niemand haar gezicht kon zien.

"Waarom noem je er niet bij op, dat je een volmaakt, verstandig,

beminnelijk echtgenoot wilt hebben en een paar engelachtige

kinderen? Je weet best, dat je kasteel zonder dat toch niet volmaakt

zou zijn," riep de openhartige Jo, die nog geen "teedere gevoelens"

koesterde, en liefdeshistories, behalve in boeken, verachtte.

"Jij zou in het jouwe niets dan paarden, inktkokers en boeken willen

hebben," zei Meta geraakt.

"Dat snap je! Ik zou een stal vol Arabische paarden willen hebben,

en kamers opgehoopt met boeken, en ik zou willen schrijven uit een

betooverden inktkoker, zoodat mijn werken even beroemd werden als

Laurie's muziek. Maar voordat ik mijn kasteel betrek, moet ik iets

groots doen, iets heldhaftigs of ongeloofelijks, dat na mijn dood niet

vergeten zal worden. Ik weet nog niet wat, maar ik ben steeds op den

uitkijk, en van plan jullie allemaal nog eens te verrassen. Ik denk,

dat ik boeken zal gaan schrijven en rijk en beroemd worden. Dat zou

mij het best bevallen. Nou weet jullie _mijn_ lievelingsdroom."

"En de mijne is, stil bij Vader en Moeder te blijven, en voor de

anderen te helpen zorgen," zei Bets tevreden.

"Verlang je niks anders?" vroeg Laurie.

"Nu ik mijn piano heb, ben ik volkomen tevreden; ik hoop alleen,

dat we allemaal gezond en bij elkander mogen blijven, anders niets."

"Ik heb een massa wenschen; maar de voornaamste is, schilderes te

worden, en naar Rome te gaan, en prachtige schilderijen te maken,

en de beste schilderes van de heele wereld te zijn," was Amy's

nederige begeerte.

"Wat zijn we een eerzuchtig troepje! Behalve Bets, verlangen wij

allemaal rijk en beroemd, en in ieder opzicht onovertreffelijk te

worden. Ik zou wel eens willen weten, of we ooit een van allen onze

wenschen bereiken zullen," zei Laurie, op een grasspriet kauwend als

een nadenkend kalf.

"Ik heb den sleutel van mijn luchtkasteel, maar het blijft de vraag,

of ik de deur zal kunnen openkrijgen," zei Jo geheimzinnig.

"Ik heb van het mijne ook den sleutel gekregen, maar ik mag hem niet

probeeren. 'k Wou, dat de academie opvloog," mompelde Laurie met een

ongeduldige zucht.

"Hier is de mijne," en Amy zwaaide met haar penseel.

"Ik heb er geen," zei Meta treurig.

"Wel waar!" riep Laurie.

"Waar dan?"

"In je gezicht."

"Nonsens, dat geeft niets."

"Wacht maar af, of het je niet iets geven zal, dat de moeite waard is,"

antwoordde Laurie, glimlachend bij de gedachte aan het aardige geheim,

dat hij meende te weten.

Meta bloosde achter haar varentakje, maar vroeg niet verder en keek

naar de rivier, met dezelfde verlangende uitdrukking als Brooke,

den dag, waarop hij van den ridder verteld had.

"Als wij alle vijf over tien jaren nog leven, moesten we bij elkaar

komen, om te zien, wiens wenschen vervuld zijn, en hoeveel nader wij

er aan toe zijn dan nu," zei Jo, die altijd met een plan gereed was.

"Och hemel, wat ben ik dan al oud--zeven-en-twintig," zuchtte Meta,

die zich als een volwassen dame beschouwde, daar ze juist zeventien

was geworden.

"Jij en ik zullen zes-en-twintig zijn, Teddy; Bets vier-en-twintig

en Amy twee-en-twintig; wat een eerwaardig gezelschap!" riep Jo.

"Ik hoop, dat ik tegen dien tijd iets gedaan zal hebben om trotsch op

te wezen; maar ik ben zoo'n luie hond, dat ik vrees, ik zal blijven

lanterfanten, Jo."

"Je hebt maar een prikkel noodig, zegt Moeder; als je dien eenmaal

hebt, zul je wel flink aan 't werk gaan," zegt ze.

"Zegt je Moeder dat? Bij Jupiter, ik zal het doen, zoo gauw ik er

kans toe zie!" riep Laurie uit, met plotselinge geestdrift overeind

komend. "Het moest mij genoeg zijn, wanneer ik Grootvader tevreden

stel; en ik doe ook mijn best, maar het is tegen stroom opvaren, zie

je, en dat valt niet mee. Hij wil, dat ik, net als hij vroeger, als

koopman naar Indië zal gaan, maar ik laat me nog liever doodschieten;

ik heb een hekel aan thee en zij en specerijen en al dien rommel,

die met zijn schepen hierheen komt, en zoodra ze van mij zijn, kan

't me niets schelen, of zij naar den kelder gaan. Grootpapa moest

tevreden zijn als ik de academie afloop; wanneer ik hem vier jaar

van mijn leven geef, behoorde hij mij van den handel vrij te laten;

maar hij staat er op, dat ik net doe, zooals hij gedaan heeft. Als ik

maar niet wegloop en mijn eigen hoofd volg, zooals mijn vader! Was er

maar iemand, om bij den ouden heer te blijven, dan deed ik het morgen."

Laurie sprak opgewonden, en keek, alsof hij bereid was bij de minste

aanleiding zijn bedreiging ten uitvoer te brengen; hij ontwikkelde

zich sterk, en niettegenstaande zijn onverschillige manieren, had

hij den gewonen jongensafkeer van onderdanigheid, en een rusteloos

verlangen zelf zijn weg door de wereld te zoeken.

"Ik zou in een van mijn eigen schepen wegzeilen en niet terugkomen,

voor ik mijn fortuin beproefd had," zei Jo, wier verbeelding geprikkeld

werd bij de gedachte aan den moed, die zulk een heldenfeit vereischte,

en wier sympathie dadelijk was opgewekt door wat ze het "onrecht"

noemde, Teddy aangedaan.

"Dat is niet goed, Jo; zoo moet je niet spreken en Laurie mag je

slechten raad niet opvolgen. Je moet doen, wat je grootvader van je

verlangt," zei Meta op haar moederlijksten toon. "Doe je best aan de

academie, en wanneer hij ziet dat je hem plezier wilt doen, ben ik

zeker, dat hij niet hard of onrechtvaardig tegen je zal zijn. Er is,

zooals je zegt, niemand om bij hem te blijven en hem lief te hebben, en

je zou het je zelf nooit vergeven, als je hem zonder zijn toestemming

verliet. Laat er je niet door terneer slaan, maar doe je plicht,

dan zul je tenminste net als mijnheer Brooke de voldoening hebben,

dat ieder je acht en van je houdt."

"Wat weet jij van Brooke?" vroeg Laurie, dankbaar voor den goeden

raad, maar ongeduldig over de vermaning, en verlangend om, na zijn

ongewone uitbarsting, het gesprek van zichzelf af te leiden.

"Alleen maar wat je Grootvader aan Moeder verteld heeft; hoe hij

zorgde voor zijn moeder, tot zij stierf, en dat hij niet met een

goede familie als gouverneur buitenslands wou gaan, omdat hij haar

niet kon achterlaten, en dat hij nu een oude vrouw onderhoudt, die

zijn moeder heeft opgepast, en er nooit tegen iemand van spreekt en

altijd zoo edelmoedig en geduldig is, als een man maar wezen kan."

"Dat is-ie, die beste kerel," riep Laurie hartelijk, toen Meta met

een kleur eindigde. "Net iets voor Grootvader, om, zonder het Brooke

te laten merken, dat alles van hem uit te visschen, om het dan aan

anderen te vertellen, zoodat ze van hem gaan houden. Brooke kon

ook al niet begrijpen, waarom je moeder zoo aardig voor hem was,

en hem met mij meevroeg, en hem op haar lieve, vriendelijke manier

behandelde. Hij vond haar absoluut volmaakt, geloof ik, en was in

geen dagen over jullie allemaal uitgepraat. Je had hem eens moeten

hooren! Wanneer ooit mijn wenschen uitkomen, zul j' eens zien, wat

ik voor Brooke doen zal."

"Begin nu maar liever, door hem niet dood te ergeren," zei Meta scherp.

"Hoe weet je, dat ik dat doe, mejuffrouw?"

"Ik kan 't altijd zien aan zijn gezicht, als hij weggaat. Wanneer je

je best gedaan hebt, ziet hij er tevreden uit, en loopt hij vlug en

opgewekt voorbij, maar als je hem geplaagd hebt, kijkt hij ernstig

en loopt hij langzaam, alsof hij liever terug zou keeren, en het nog

eens overdoen."

"Zoo, dat is mooi! Jij houdt dus, volgens Brooke's gezicht, een

aanteekenlijst van mijn goed of slecht gedrag? Ik zie hem wel buigen

en glimlachen, wanneer hij jullie huis voorbijgaat, maar ik wist niet,

dat er een telegraaf tusschen jou en hem bestond."

"Dat is ook niet zoo; wees er maar niet boos om en o! vertel hem

alstjeblieft niet, dat ik iets gezegd heb. Ik zei het alleen om je te

toonen, dat ik wel weet, hoe je het maakt, en wat hier gezegd wordt,

is in vertrouwen gezegd, dat begrijp je," riep Meta, ongerust over

de mogelijke gevolgen van haar onnadenkende uitlating.

"_Ik_ klik niet," zei Laurie met zijn "hooghartig air," zooals Jo een

zekere uitdrukking noemde, die zijn mond soms aannam. "Maar wanneer

Brooke voor thermometer gebruikt wordt, dien ik te zorgen dat hij

altijd op "mooi weer" staat."

"Och toe, Laurie, wees maar niet boos; ik wou eigenlijk niet preeken

of zoo flauw zijn alles over te brieven; ik was alleen maar bang,

dat Jo je zou aanmoedigen in gevoelens, waarover je later berouw zou

hebben. Je bent zoo vriendelijk voor ons, dat we je als een broer

beschouwen en alles zeggen, wat we denken; neem 't me maar niet

kwalijk, ik meende het goed!" en Meta stak hem vriendschappelijk,

maar verlegen de hand toe.

Laurie drukte het handje en zei openhartig, daar hij beschaamd was over

zijn oogenblikkelijke opwelling: "Ik heb eerder vergiffenis noodig;

ik ben den heelen dag al uit mijn humeur. Ik vind het best, hoor,

dat je mij op mijn gebreken wijst en een beetje over me "moedert;"

geef er dus maar niet om, wanneer ik eens kwaad word; ik ben er je

toch wel dankbaar voor."

Om te toonen, dat hij niet beleedigd was, gedroeg Laurie zich verder

zoo "beminnelijk" mogelijk; hij wond garen voor Meta op, reciteerde

verzen voor Jo's plezier, schudde dennenappels voor Bets, hielp

Amy met haar varens--en bewees zoo, dat hij waardig was om tot de

"Nijvere-Bij-club" te behooren. Midden onder een levendige discussie

over de gewoonten van schildpadden (daar juist zoo'n beminnelijk

diertje uit de rivier was komen aanwandelen), waarschuwde hen het

verwijderd geluid van de bel, dat Hanna de thee gezet had, en dat

zij maar juist bijtijds voor het avondeten thuis zouden kunnen zijn.

"Mag ik weerkomen?" vroeg Laurie.

"Ja, "mits gij braaf oppast en naarstig leert," zooals de jongetjes

in het A-B-C-boekje," zei Meta glimlachend.

"Ik zal mijn best doen."

"Dan mag je komen, en zal ik je leeren breien, zooals de Schotten;

er is nu juist behoefte aan sokken," zei Jo, terwijl ze met de hare

als een blauwe, gebreide banier tot afscheid wuifde.

Terwijl Bets dien avond in den schemer voor grootvader Laurence

speelde, stond "Teddy" in de schaduw voor het gordijn naar "de

kleine David" te luisteren, wier eenvoudige muziek altijd zijn

oproerige gedachten tot bedaren bracht, en toen hij naar den ouden

man keek, zooals hij daar, met het grijze hoofd op de hand gesteund,

verzonken zat in gedachten aan het verloren kind, dat hij zoo innig

had liefgehad, herinnerde Laurie zich opeens het gesprek van dien

middag, en zei hij tot zichzelf: "Ik zal mijn luchtkasteel opgeven

en bij Grootpapa blijven, zoolang hij het verlangt, want ik ben alles

wat hij nog in de wereld heeft."

Onder Moeders Vleugels · 第 42 / 70 题