HET KAMP LAURANCE.

Bets was postdirecteur, daar ze bijna altijd thuis was, en er dus

geregeld voor zorgen kon, en ze vond de taak van het deurtje open te

maken en den inhoud te verdeelen alle dagen weer even heerlijk. Op

zekeren Julidag kwam ze belast en beladen binnen en ging als een echte

brievenbesteller het heele huis rond, om overal brieven en pakjes af

te geven.

"Hier zijn uw bloemen, Moeder! die vergeet Laurie nooit," zei

ze, terwijl ze het frissche bouquetje in de vaas zette, dat in

"moedershoekje" stond en altijd door Laurie gevuld werd.

"Mejuffrouw Meta March! een brief en een handschoen," ging Bets voort,

genoemde artikelen aan haar zuster overhandigende, die bij haar moeder

manchetten zat te stikken.

"Hé, ik heb hiernaast een paar laten liggen, en dit is er maar een,"

zei Meta, den grijzen handschoen bekijkende. "Heb je den anderen ook

in den tuin verloren?"

"Neen, ik weet zeker van niet, want er was er maar één in de

brievenbus."

"Jammer, ik vind het zoo vervelend ongepaarde handschoenen te

hebben. Nu, misschien komt de andere nog wel terecht. Mijn brief is

alleen maar de vertaling van een Duitsch liedje, waarom ik gevraagd

had; ik denk, dat mijnheer Brooke dit geschreven heeft, want het is

Laurie's schrift niet.

Mevrouw March zag Meta eens aan, die er in haar katoenen japonnetje,

met de kleine krulletjes boven haar voorhoofd allerliefst uitzag,

en zoo echt vrouwelijk aan haar werktafeltje vol nette klosjes zat te

naaien. Ze was volkomen onbewust van de gedachte, die bij haar moeder

opkwam, en naaide en zong, haar vingers ijverig bezig, en haar geest

vervuld met meisjesdroomen, zoo onschuldig en frisch als de viooltjes

in haar ceintuur, zoodat mevrouw March glimlachte en tevreden was.

"Twee brieven voor Dr. Jo, een boek en een gekke, oude hoed, die boven

op de brievenbus lag en hem heelemaal bedekte," zei Bets lachend,

terwijl ze naar de studeerkamer ging, waar Jo zat te schrijven.

"Wat een slimme vogel is die Laurie toch. Ik zei gisteren dat ik

wou dat er grooter hoeden in de mode kwamen, want dat mijn gezicht

elken zonnigen dag verbrandt. Hij zei: "Stoor je niet aan de mode,

zet een grooten hoed op, als je dat plezieriger vindt." "Dat zou ik

ook wel, als ik er maar een had," beweerde ik, en nu heeft hij mij

dezen gestuurd, om eens te zien of ik mijn woord zal houden; ik zal

hem natuurlijk dragen voor de grap en hem bewijzen, dat ik _niet_

om de mode geef," en de breedgerande antiquiteit op een buste van

Plato hangende, ging Jo haar brieven lezen.

De eene was van haar moeder en bracht haar een blos op de wangen en

een paar tranen in de oogen.

"Lieveling, ik schrijf je een woordje, om je te zeggen, hoeveel

genoegen het me doet te zien, dat je gedurig tracht je humeur te

bedwingen. Je spreekt niet van je strijd, van je nederlagen en

overwinningen, en je denkt misschien, dat niemand dat alles ziet,

dan de Vriend, wiens hulp je dagelijks inroept, te oordeelen naar

den versleten omslag van je boekje. Maar ook ik heb alles opgemerkt

en stel vertrouwen in den ernst van je besluit. Ga maar geduldig en

moedig voort, mijn lieve kind, en geloof altijd dat niemand je met

teederder medegevoel gadeslaat dan je liefhebbende Moeder."

"Dat doet mij goed! dat is beter dan duizenden guldens en hoopen

loftuitingen. O, Moedertje, ik _doe_ mijn best. En ik zal voortgaan

mijn best te doen, en het niet opgeven, nu ik u heb om mij te helpen."

Jo legde het hoofd op de armen en bedauwde haar roman met een paar

gelukkige tranen, want ze had inderdaad gedacht, dat niemand haar

pogingen om goed te zijn had opgemerkt en begrepen; en nu was deze

verzekering dubbel dierbaar en bemoedigend, daar ze zoo onverwacht

kwam en van haar, wier goedkeuring ze het meest op prijs stelde. Zich

nu sterker dan ooit voelende om haar gebrek te bestrijden, spelde ze

het briefje vast aan den binnenkant van haar jurk, als een schild

en een waarschuwing, bij een onverhoedschen aanval van den vijand,

en ging toen over tot het openen van haar tweeden brief, gewapend op

alles. Met een flinke, vaste hand schreef Laurie,--

"Lieve Jo,

Hi ha ho!

"Morgen komen er een paar Engelsche jongens en meisjes bij me, en

ik zou graag een prettigen dag met hen hebben. Als het mooi weer is,

sla ik mijn tent op in Longmeadow en roei de heele bende daarheen om

er te picknicken en te crocketten; we stoken er een vuurtje, om op

zigeunermanier ons potje te koken, en al zulk soort van grappen. Het

zijn aardige kennissen en ze houden van zulke dingen. Brooke gaat mee,

om ons jongens, "in toom te houden," en Kate Vaughn komt, om de meisjes

te chaperonneeren. Jullie moet allemaal komen, Bets ontspringt er ook

niet aan; niemand zal haar plagen. Denk maar niet om de consumptie,

daarvoor zorg ik natuurlijk en voor al de rest--als jullie maar komt,

dan ben je de beste.

In vliegende hurrie

Voor altijd, je Laurie."

"Dat belooft wat goeds!" riep Jo naar binnen vliegende om het nieuws

aan Meta te vertellen.

"Natuurlijk mogen we gaan, hè Moeder, het zal zooveel gemakkelijker

zijn voor Laurie, want ik kan roeien en Meta kan voor de koffie

zorgen, en de kleintjes zullen op de een of andere manier ook wel

een handje helpen."

"Ik hoop dat die Vaughns geen deftige, stijve menschen zijn. Weet je

niets van hen, Jo?" vroeg Meta.

"Alleen, dat ze met hun vieren zijn. Kate is ouder dan jij; Fred

en Frank zijn tweelingen en van mijn leeftijd, en dan is er nog een

klein meisje, Grace, dat negen of tien jaar is. Laurie heeft ze op

reis ontmoet en houdt veel van de jongens; maar ik geloof niet, dat

hij Kate erg bewondert, te oordeelen naar het gezicht dat hij trok,

toen hij van haar sprak."

"Ik ben zoo blij, dat mijn katoentje juist schoon is. Dat is er heel

goed voor en het staat zoo frisch," zei Meta opgewekt. "Heb jij iets

dragelijks om aan te doen, Jo?"

"Mijn grijs roeipak is prachtig voor mij; ik moet roeien en draven,

en kan dus geen keurig, gesteven goed gebruiken. Bets, jij gaat toch

ook mee?"

"Als jij oppast, dat geen van de jongens tegen mij spreekt."

"Geen levende ziel!"

"Ik wil graag Laurie plezier doen, en voor mijnheer Brooke ben ik niet

bang, die is zoo vriendelijk; maar ik ben niet van plan te spelen of

te zingen, of iets te zeggen. Ik zal doen wat ik kan en niemand lastig

vallen, en als jij voor mij zorgen wilt, Jo, dan zal ik meegaan."

"Je bent een dot, Bets; je doet je best om je verlegenheid af te

leeren, en dat is ferm van je; 't is niet makkelijk gebreken te

bestrijden, dat weet ik bij ondervinding, en een bemoedigend woord

geeft dan zoo'n soort van zetje."--"Dank u, Moeder," en Jo drukte een

dankbaren kus op de bleeke wang, waarvan mevrouw March de bedoeling

wel vatte.

"De post heeft mij een doosje chocolaadjes gebracht en een teekening,

die ik graag wou copieeren," vertelde Amy, haar zending vertoonende.

"En ik kreeg een briefje van mijnheer Laurence, om mij te vragen of

ik van avond, voordat de lamp opgestoken werd, een poosje voor hem

kwam spelen. Ik zal het maar doen," zei Bets, wier vriendschap met

den ouden heer steeds inniger werd.

"Kom, laten we dan nu gauw voortmaken en vandaag dubbel werk doen,

zoodat we morgen met een gerust hart kunnen spelen," zei Jo, terwijl

ze zich gereedmaakte de pen met een stofdoek te verwisselen.

Toen de zon den volgenden morgen in de kamer van de meisjes keek, om

haar een mooien dag te beloven, zag zij een komisch schouwspel. Ieder

van haar had voor het feest de toebereidselen gemaakt, die haar nuttig

en noodig schenen. Meta prijkte met een extra rijtje papillotjes

boven haar voorhoofd; Jo had haar pijnlijk verbrand gezicht met

coldcream ingesmeerd, Bets bleek Johanna mee naar bed te hebben

genomen, om haar voor de aanstaande scheiding schadeloos te stellen,

en Amy had het nog 't mooist van allen gemaakt door een waschklampje

op haar neus te zetten, hopende dat ongelukkige lichaamsdeel wat in

't fatsoen te knijpen. Dit grappig tooneel scheen de zon te vermaken,

want zij brak op eens zoo helder door de wolken, dat Jo wakker werd, en

al haar zusters wekte, door een hartelijk gelach om Amy's versiersel.

Zonneschijn en gelach zijn goede voorteekenen voor een buitenpartij, en

spoedig heerschte in beide huizen een vroolijke drukte. Bets, die het

eerst klaar was en voor het raam had post gevat, bracht trouw verslag

uit van hetgeen er in het andere huis voorviel, en verlevendigde het

toiletmaken van de anderen door steeds nieuwe mededeelingen, als:

"Daar gaat de man met de tent! Ik zie, dat Juffrouw Barker de eetwaren

in een draagkorf en in een groote mand pakt! Nu staat mijnheer Laurence

naar de lucht te kijken en naar den weerhaan; ik wou dat hij ook

meeging! Daar is Laurie, hij ziet er uit als een matroos--leuke jongen

toch! O, hemel, daar is een rijtuig vol menschen--een jonge dame, een

klein meisje en twee verschrikkelijke jongens. De eene is lam, arme

ziel, hij loopt op een kruk. Dat heeft Laurie ons niet verteld. Maakt

voort, zeg, het is al laat. Hé, daar is Ned Moffat ook! Kijk, Meta, is

dat niet die man, die laatst voor je boog, toen we boodschappen deden?"

"Ja, 't is waar, wat vreemd, dat hij ook gekomen is! Ik dacht, dat

hij op reis was. Daar is Sallie, ik ben blij, dat ze bijtijds terug

is. Ben ik netjes, Jo?" vroeg Meta geagiteerd.

"Op en top een madeliefje! Houd je japon op, en zet je hoed recht;

het staat zoo sentimenteel als hij zoo scheef staat, en hij zou bij

het eerste stootje afvliegen. Nu, vooruit dan maar!"

"O, och Jo! Je zult toch dat afschuwelijke ding niet opzetten, dat

is heusch te gek. Je mag geen vogelverschrikker van jezelf maken,"

smeekte Meta, toen Jo met een vuurrood lint den breedgeranden,

ouderwetschen hoed vastbond dien Laurie haar voor de grap gegeven had.

"Ik doe het toch; hij is juist goed; zoo practisch voor de zon,

en zoo licht en groot. Ze zullen het allemaal grappig vinden, en

ik geef er niet om of ik een vogelverschrikker ben, als mijn hoed

maar gemakkelijk zit." Hiermee wandelde Jo vastbesloten weg, gevolgd

door de anderen; een vroolijk troepje zusters, allen op haar netst,

met vroolijke zomerpakjes en gelukkige gezichten.

Laurie liep hun te gemoet en stelde hun op zijn hartelijke manier aan

zijn vrienden voor. Het grasperk was de receptiekamer, en gedurende

eenige minuten ging het daar zeer levendig toe. Meta viel een pak

van het hart, toen ze zag, dat Kate, hoewel al twintig jaar, gekleed

was met een eenvoud, die Amerikaansche meisjes wél zouden doen na te

volgen; en ze voelde zich zeer gevleid door de verzekering van Ned,

dat hij expres gekomen was, om haar te zien. Jo begreep waarom Laurie

"een gezicht getrokken had," toen hij van Kate sprak, want de jonge

dame had een zeker raak-mij-niet-aan air, dat sterk afstak bij de

gulle en onbevangen manieren der andere meisjes.

Bets nam de nieuwe jongens eens in oogenschouw en kwam tot de

overtuiging, dat de kreupele niet "vreeselijk" was, maar zacht en zwak,

en daarom besloot zij vriendelijk tegen hem te zijn. Amy vond Grace een

welopgevoed, vroolijk persoontje, en nadat ze elkander een paar minuten

zwijgend hadden aangestaard, werden ze plotseling dikke vriendinnen.

Daar de tent, de eetwaren en de benoodigdheden voor het crocket-spel

vooruit waren gezonden, was het gezelschap spoedig ingescheept, en de

beide booten staken tegelijk van wal, terwijl mijnheer Laurence alleen

op den oever achterbleef, en hen met zijn hoed nawuifde. Laurie en

Jo roeiden de eene boot, mijnheer Brooke en Ned de andere, terwijl

Fred Vaughn, de rumoerige tweeling, zijn best deed beiden te doen

omkantelen, door in een een-persoons giek als een dolle waterspin

overal heen te schieten. Jo's wonderlijke hoed was een dankzegging

waard, en bleek van onbetaalbaar nut; hij brak het ijs in het begin,

door ieder te doen lachen; hij veroorzaakte een verfrisschend

koeltje, door als ze roeide, op en neer te flappen en zou, volgens

Jo's verklaring, een uitmuntende parapluie voor het heele gezelschap

zijn, als er een regenbui kwam opzetten. Kate zat zich over Jo's

gedragingen telkens te verbazen, vooral toen ze, bij 't verliezen van

een riem, uitriep: "Christoffel Columbus!" en toen Laurie zei: "Och,

ouwe jongen, doe ik je pijn?" toen hij haar bij het naar zijn plaats

gaan op den voet stapte. Maar nadat zij haar lorgnet eenige keeren op

"dat eigenaardige meisje" had gericht, besloot juffrouw Kate, dat ze

wonderlijk, maar toch wel "grappig" was, en lachte haar uit de verte

eens toe.

In het andere bootje had Meta eene kostelijke plaats, vlak tegenover

de roeiers, die beiden hun uitzicht bewonderden en hun riemen met

buitengewone kracht en behendigheid hanteerden.

Brooke was een ernstig, stil jongmensch, met aardige, bruine oogen en

eene prettige stem. Meta was zeer ingenomen met zijn rustige manier

van doen, en beschouwde hem als een wandelende encyclopedie. Hij sprak

niet veel met haar, maar keek des te meer naar haar, en ze wist wel

zeker, dat hij haar niet onaardig vond. Ned, pas op de hoogeschool,

had natuurlijk alle studenten-manieren aangenomen; hij was niet

bijzonder knap, maar goedhartig en vroolijk, en over 't geheel een

bizonder geschikt element voor een buitenpartij; Sallie Gardiner

bleek een en al zorg om haar wit piqué japon schoon te houden, en

maakte verder allerlei grappen met den overal tegenwoordigen Fred,

die Bets door zijn toeren in voortdurenden angst hield.

De tocht naar Longmeadow duurde niet lang, maar tegen dat zij

aankwamen, was de tent al opgeslagen en stonden de boogjes. Het was

een heerlijke, groene vlakte, met drie breedgetakte eiken in het

midden en een gerold stuk grasveld om crocket op te spelen.

"Welkom in 't Kamp Laurence!" zei de jonge gastheer, toen ze met

uitroepen van verrukking aan wal sprongen. "Brooke is opperbevelhebber,

ik ben luitenant-generaal, de andere jongens zijn staf-officieren en

de dames zijn gasten. De tent is voor hun bijzonder gebruik; die eik

is het salon, deze is de eetkamer en de derde is de veldkeuken. Laten

wij nu dadelijk een partij spelen, eer het te warm wordt, en dan

zullen wij voor het eten gaan zorgen."

Frank, Bets, Amy en Grace gingen zitten om naar het spel te kijken,

dat door de anderen gespeeld zou worden. Mijnheer Brooke koos Meta,

Fred en Kate; Laurie nam Sallie, Jo en Ned. De Engelschen speelden

goed, maar de Amerikanen speelden beter, en betwistten hun iederen duim

gronds. Jo en Fred hadden verschillende schermutselingen en kregen eens

bijna hooge woorden. Jo was door het laatste poortje gegaan, maar had

het paaltje gemist, welke misslag haar reeds half uit haar humeur had

gebracht. Fred kwam dicht achter haar, en was het eerst aan de beurt;

hij deed een slag, zijn bal vloog tegen het poortje aan en bleef een

duimbreed aan den verkeerden kant liggen. Niemand was er dicht bij,

en toen hij er naar toe liep, gaf hij den bal een klein stootje met

zijn voet, zoodat hij juist even aan den goeden kant kwam te liggen.

"Ik ben er door! Nu, juffrouw Jo, nou zal ik u vinden en u een flink

stuk vooruitkomen," riep de jongeheer, zijn hamer voor een volgenden

slag zwaaiende.

"Je hebt je bal voortgeschopt, ik heb het gezien; nu is 't mijn beurt,"

zei Jo scherp.

"Op mijn woord, ik heb hem niet aangeraakt! Hij rolde een eindje voort,

maar dat mag; ga dus als 't je blieft uit den weg, en laat mij eens

probeeren, of ik den paal kan raken."

"Hier in Amerika spelen we niet valsch; maar je kunt het doen, als

je er lust in hebt," antwoordde Jo boos.

"Yankees zijn juist de grootste bedriegers, dat weet iedereen. Daar

gaat-ie," riep Fred, haar bal ver wegslaande.

Jo deed haar mond reeds open om een boos antwoord te geven, maar ze

hield zich bijtijds in, werd vuurrood en bleef een paar minuten uit

alle macht een poortje vaster in den grond slaan, terwijl Fred den paal

raakte en luidruchtig verklaarde, dat hij uitgespeeld was. Daarop ging

Jo haar bal zoeken, en het duurde lang, voor ze hem vond tusschen de

struiken, maar ze kwam bedaard en kalm terug en speelde door zonder

iets te zeggen. Eer ze weer op haar vorige plaats was, moest ze

verscheiden slagen doen, en toen ze er kwam, had de tegenpartij bijna

gewonnen, want Kate's bal was op een na de laatste en lag bij den paal.

"Bij George, het is met ons gedaan! Goeien nacht, Kate! we hebben

nog wat van juffrouw Jo te goed, dus het is uit met je," riep Fred

opgewonden, terwijl ze allemaal naderbij kwamen om het einde te zien.

"Yankees zijn edelmoedig jegens hun vijanden," zei Jo met een blik,

die den jongenheer deed blozen, "vooral wanneer ze hen verslaan,"

voegde ze er bij, terwijl ze Kate's bal onaangeroerd liet liggen en

door een behendigen slag het spel won.

Laurie wierp zijn hoed in de hoogte, herinnerde zich toen, dat het

niet beleefd was om te juichen over de nederlaag van zijn gasten,

en hield midden in een hoera op, om zijn vriendin toe te fluisteren:

"Mooi zoo, Jo! Hij speelde valsch, ik zag het ook, maar wij kunnen 't

hem niet zeggen. Hij zal 't niet weer probeeren, daar kun je op aan."

Meta trok haar ter zijde, onder voorwendsel van een losgeraakte vlecht

vast te spelden, en zei goedkeurend:

"Het was tergend, maar je bent je drift de baas gebleven, en daar

ben ik erg blij om, Jo."

"Prijs me niet, Meta; want ik zou hem op dit oogenblik nog wel een

pak slaag willen geven. Als ik niet zoolang tusschen die netels was

gebleven, zou ik zeker losgebarsten zijn. Het vuur smeult nu nog,

dus ik hoop maar, dat hij uit mijn weg zal blijven," antwoordde Jo,

terwijl ze zich op de lippen beet en van onder haar grooten hoed

woedende blikken op Fred wierp.

"Tijd voor de lunch!" kondigde mijnheer Brooke aan, op zijn horloge

ziende. "Luitenant-generaal, wilt u het vuur aanmaken en water halen,

terwijl juffrouw March, juffrouw Sallie en ik de tafel dekken? Wie

kan goede koffie zetten?"

"Dat kan Jo," zei Meta, blij haar zuster te kunnen prijzen. Dus nam

Jo, in het gevoel, dat haar laatste lessen in de kookkunst haar

nu te pas moesten komen, het toezicht over de koffiekan op zich,

terwijl de kleine meisjes doode takken zochten en de jongens een vuur

aanmaakten en water uit een naburig beekje haalden. Kate schetste,

en Frank praatte met Bets, die kleine matjes van gevlochten biezen

maakte, om voor borden te dienen.

De opperbevelhebber en zijn satellieten spreidden het tafellaken op

den grond uit en bedekten het met een keur van uitlokkende gerechten,

allen netjes met groene bladeren versierd. Jo kondigde aan, dat de

koffie klaar was, en allen zetten zich tot een stevig maal, want ze

hadden trek gekregen van al de beweging in de buitenlucht. En een

luidruchtige maaltijd was het, want alles was zoo vroolijk en dwaas,

dat een eerwaardig paard, dat in de nabijheid liep te grazen, gedurig

opschrikte, door de herhaalde uitbarstingen van gelach. Er was een

vermakelijke oneffenheid in de tafel, waardoor allerlei ongelukken met

kopjes en borden ontstonden, eikels vielen in de melk, kleine zwarte

mieren kwamen ongenood haar deel van de lekkernijen halen, en rupsen

lieten zich uit den boom vallen, om te zien wat er toch aan de hand

was. Drie vlasharige kinderen keken over de heg en een vervelende

hond blafte hen van den overkant der rivier uit alle macht aan.

"Hier is zout, als j'er dat soms bij verlangt," zei Laurie, toen hij

Jo een schoteltje aardbeien aangaf.

"Dank je, ik houd meer van spinnen," antwoordde ze, twee kleine

onvoorzichtigen opvisschende, die hun dood in den room hadden

gevonden. "Hoe durf je me aan die afschuwelijke partij te herinneren,

nu de jouwe in alle opzichten zoo heerlijk is?" voegde ze er bij,

terwijl ze beiden lachend van één bordje aten, daar de voorraad

aardewerk niet groot was.

"Ik heb erg veel plezier gehad dien dag, en moet er nog telkens aan

denken. En dat het vandaag zoo gezellig is, daar komt mij de eer niet

van toe, dat weet je; ik doe niets, jij en Meta en Brooke maken dat

alles zoo goed gaat, en ik ben jullie ontzettend dankbaar. Wat zullen

wij doen, wanneer we niet meer kunnen eten?" vroeg Laurie, die voelde,

dat zijn beste kaart met het koffiemaal was uitgespeeld.

"Spelletjes, totdat het wat koeler is. Ik heb het "auteurspel"

meegebracht, en Kate weet zeker wel wat nieuws en aardigs. Ga het haar

maar eens vragen; ze is een gast, en je moest meer bij haar blijven."

"Ben jij dan ook geen gast? Ik dacht, dat ze wel met Brooke zou

opschieten, maar hij blijft aldoor met Meta praten, en Kate doet niets,

dan hen door dat bespottelijke lorgnet aanstaren. Ik zal dadelijk

naar haar toe gaan, dus je kunt je zedepreken voor je houden, die

gaan je toch niet goed af, Jo."

Kate wist verscheiden spelletjes, en daar de meisjes niet meer wilden

en de jongens niet meer konden eten, trokken allen naar het "salon"

om deel te nemen aan het romanspel.

"Iemand begint een verhaal--het een of ander verzinsel--en vertelt,

zoolang hij wil, maar houdt plotseling op een zeer interessant

punt op, en dan moet een ander verder vertellen. Het is heel aardig

als het goed gedaan wordt en geeft stof genoeg tot lachen over het

wonderlijk samenraapsel van tragische en comische gedeelten. Wees

zoo goed te beginnen, mijnheer Brooke," zei Kate op bevelenden toon,

tot verbazing van Meta, die den gouverneur even beleefd behandelde

als elk ander heer.

Brooke, die aan de voeten van de beide jonge dames in het gras lag,

begon gehoorzaam zijn verhaal, terwijl zijn sprekende bruine oogen

onafgewend op de zonnige rivier gevestigd bleven.

"Op zekeren tijd trok een ridder de wereld in, om zijn fortuin te

zoeken, want hij bezat niets dan zijn zwaard en zijn schild. Hij

reisde overal heen, wel achtentwintig jaar lang, totdat hij kwam aan

het paleis van een goed, oud koning, die een prijs had uitgeloofd

aan den man, die een prachtig maar ongetemd veulen, waarvan de

grijsaard zeer veel hield, dresseeren kon. De ridder bood aan het te

beproeven, en vorderde er langzaam maar zeker mee, want het veulen

was een verstandig dier en begon spoedig van zijn nieuwen meester

te houden, hoe wild en nukkig het ook was. Elken dag gaf de ridder

les aan den lieveling des konings, en reed met hem door de stad, en

onder het rijden keek hij overal uit naar een boven alles lieftallig

gelaat, dat hij dikwijls in zijn droomen had gezien, maar nooit had

kunnen vinden. Eens toen hij door een stille straat galoppeerde,

ontdekte hij het voor een vervallen kasteel. De ridder was verrukt,

onderzocht wie in dat oude kasteel woonde, en vernam dat verscheiden

prinsessen daar door tooverij gevangen werden gehouden, dag en nacht

spinnende om geld voor een losprijs te verdienen. De ridder wenschte

vurig haar te bevrijden; maar hij was arm en al wat hij doen kon was

dagelijks voorbij te gaan om te zien, of hij het lieve gezichtje

nog eens aanschouwen mocht, terwijl hij hartstochtelijk verlangde

het daarbuiten in den zonneschijn te zien. Eindelijk besloot hij het

kasteel binnen te dringen en te vragen, hoe hij haar helpen kon. Hij

ging er heen en klopte; de deur vloog open, en hij zag--"

"Een betooverend schoone jonkvrouw, die met een vreugdekreet uitriep:

"Eindelijk, eindelijk," ging Kate voort, die fransche romans gelezen

had, en den stijl daarvan bewonderde.

"Zij is het!" riep ridder Gustave, terwijl hij, overstelpt van vreugde,

aan haar voeten zonk.

"O, sta op!" smeekte zij, hem een lelieblanke hand toestekend.

"Nimmer, wanneer gij mij niet meedeelt, hoe ik u kan verlossen!" zwoer

de ridder, steeds knielende.

"Helaas, mijn wreed noodlot dwingt mij hier te blijven, totdat mijn

dwingeland is gedood."

"Waar is de schurk?"

"In de purperen zaal; ga, moedige held, en red mij uit mijn

vertwijfeling!"

"Ik ga op uw bevel, en keer òf zegevierend òf nimmer terug!" Met deze

treffende woorden ijlde hij voort, wierp de deur van de purperen zaal

open, en was op het punt binnen te treden, toen hij--"

"Een verdoovenden slag ontving met een Grieksch woordenboek, dat een

gedaante in een zwarten mantel hem naar het hoofd gooide," vervolgde

Ned. "De ridder, hoe-heet-hij-ook-weer, herstelde zich dadelijk,

smeet den dwingeland uit het venster en keerde op zijn schreden terug,

om overwinnend, hoewel met een buil op het hoofd, naar de jonkvrouw

te snellen; hij vond de deur gesloten, rukte de gordijnen aan reepen,

maakte er een touwladder van, klom die halverwege op; de ladder brak,

en hij viel hals over kop in den vijver, die zestig voet daar beneden

was. Gelukkig kon hij zwemmen als een eend; hij zwom dus om het kasteel

heen, tot aan een klein deurtje, bewaakt door twee stevige kerels, en

sloeg hun hoofden tegen elkander, zoodat ze kraakten als notendoppen;

toen trapte hij met eene kleine inspanning van zijn verwonderlijke

kracht de deur in, ging een trap op, bedekt met een voet dik stof,

padden zoo groot als een vuist, en spinnen, waarvan u het op de

zenuwen zou krijgen, juffrouw March. Boven aan die trap wachtte hem een

schouwspel, dat hem den adem ontnam, en zijn bloed deed verstijven--"

"Namelijk een lange gedaante, geheel in het wit, met een sluier over

het hoofd en een lamp in de vermagerde hand," ging Meta voort. "Ze

wenkte, terwijl zij onhoorbaar voor hem uitzweefde door een gang,

zoo donker en koud als een graf. Schimmige, gewapende beelden stonden

aan beide zijden; er heerschte een diepe stilte, de lamp wierp een

blauwachtig schijnsel, en nu en dan keek de spookachtige gedaante

naar hem om, waarbij hij een paar vreeselijke oogen door den sluier

heen zag flikkeren. Zij bereikten een bekleede deur, waarachter

liefelijke muziek klonk. De ridder sprong vooruit om binnen te gaan,

maar de geest sleurde hem terug, terwijl ze dreigend boven zijn hoofd

zwaaide met een--"

"Snuifdoos," zei Jo op een graftoon, die het gezelschap in lachen

deed uitbartsen. "Dank je," zei de ridder beleefd, terwijl hij een

snuifje nam en zevenmaal zóó hard niesde, dat zijn hoofd afviel. "Ha,

ha!" lachte de geest, en nadat ze door het sleutelgat had gezien,

dat de prinses zat te spinnen, alsof haar leven er mee gemoeid was,

nam ze haar slachtoffer op, en stopte hem in een groote tinnen doos,

waarin nog elf andere ridders, ook zonder hoofd, als sardines naast

elkaar lagen. Ze stonden alle twaalf op en begonnen--

"Een horlepijp te dansen," viel Fred in, toen Jo buiten adem ophield,

"en terwijl ze dansten, veranderde het oude nest van een kasteel in

een oorlogsschip in volle zee. "De kluiver op, reef de val van de

marszeilen, stuur sterk lijwaarts en bezet de kanonnen," brulde de

kapitein, toen er een Portugeesch zeerooverschip in het gezicht kwam,

met een pikzwarte vlag in top. "Er op los, en moedig vooruit, jongens,"

riep de kapitein, en een hevig gevecht begon. Natuurlijk wonnen

de Engelschen, dat doen ze altijd, en nadat zij den rooverkapitein

gevangen hadden genomen, overzeilden zij den schoener, waarvan het dek

opgestapeld met dooden lag, terwijl het bloed uit de spijgaten liep,

want het bevel was geweest: "Hartsvangers, en geen genade!" "Bootsman,

neem een bocht van het kluiverzeil en gooi den schelm over boord,

wanneer hij niet één twee drie zijn zonden bekent," beval de Engelsche

kapitein. De Portugees was stom als een visch en liet zich over boord

gooien, terwijl de vroolijke pikbroeken juichten als bezetenen. Maar de

slimme vos dook, kwam boven onder het oorlogsschip, wierp het omver,

en naar den kelder ging het, met vliegende zeilen. Naar den bodem

van de zee, zee, zee, waar--"

"O lieve tijd, wat zal ik zeggen?" riep Sallie uit, toen Fred ophield

met zijn poespas, waarin hij allerlei scheepstermen en tooneelen uit

zijn geliefkoosde boeken door elkander had gewerkt. "Wel, zij kwamen

op den bodem, en een lief zeemeerminnetje heette hen welkom, maar zij

was zeer bedroefd toen zij de doos met de ridders vond, en pakte ze

voorzichtig in zeegras, hopende nog iets naders aangaande hun lot te

vernemen, want natuurlijk, ze was een vrouw en dus nieuwsgierig. Na

eenigen tijd kwam daar beneden eens een duiker, en de meermin zei:

"Deze doos met paarlen is voor u, als gij hem boven kunt brengen,"

want zij verlangde de arme stakkerds weer te doen herleven, maar zij

kon zelf die zware vracht niet omhoog krijgen. Dus haalde de duiker

hen naar boven, en was zeer teleurgesteld, toen hij bij het openen

geen paarlen vond. Hij liet de doos staan in een groot, eenzaam veld,

waar hij gevonden werd door--"

"Een klein ganzenhoedstertje, dat honderd vette ganzen op dat

veld liet weiden," fantaseerde Amy, toen Sallie's verbeelding te

kort schoot. "Het meisje had erg veel medelijden met hen en vroeg

aan een oude vrouw, wat ze zou kunnen doen, om hen te helpen. "Dat

zullen je ganzen je wel vertellen," zei de oude vrouw, "die weten

alles." Daarom vroeg zij hen, wat ze voor nieuwe hoofden gebruiken

zou, omdat de andere weg waren, en de ganzen deden hun honderd snavels

open en riepen--"

"Koolen," viel Laurie aanstonds in. "Dat is goed bedacht," zei het

meisje en liep weg om twaalf mooie koolen uit haar tuin te halen. Ze

zette ze op hun halzen; de ridders werden dadelijk levend, bedankten

haar en gingen huns weegs, zonder iets van de verandering te merken,

want er waren zooveel menschen met dergelijke hoofden, dat het niemand

opviel. De ridder, dien ik ken, keerde terug, om het mooie gezichtje

weer te vinden, en vernam, dat de prinsessen zich vrij hadden gesponnen

en alle getrouwd waren op één na. Hij was zeer ontsteld over deze

tijding, sprong op het veulen, dat naast hem stond, en rende door dik

en dun naar het kasteel om te zien, wie er was overgebleven. Over de

heg glurende zag hij de koningin zijns harten rozen plukken in haar

tuin. "Wilt gij mij een roos geven?" verzocht hij. "Dan moet gij er

een komen halen! ik kan niet naar u toegaan, dat is niet gepast,"

antwoordde zij, met een stemmetje zoo zoet als honing. Hij probeerde

over de haag te klimmen, maar die scheen al hooger en hooger te worden;

toen trachtte hij er door te kruipen, maar zij werd al dikker en

dikker, en de ridder werd wanhopig. Toen begon hij geduldig het eene

takje na het andere af te breken, tot hij eindelijk een klein gaatje

gemaakt had. Hij keek er door en riep smeekend: "Laat mij binnen, och,

laat me binnen!" Maar de schoone prinses scheen hem niet te hooren,

want zij plukte rustig haar bloemen en liet het aan hem over om te

zien, hoe hij er komen zou. Of het hem gelukte of niet, zal Frank

wel vertellen."

"Dat kan ik niet, ik speel niet mee, dat doe ik nooit!" riep Frank,

verschrikt over de onmogelijke positie, waaruit hij het sentimenteele

paar moest redden. Bets kroop achter Jo weg, en Grace was in slaap

gevallen.

"Moet de arme ridder dus maar in de haag blijven steken?" vroeg Brooke,

die nog steeds naar de rivier staafde en met de wilde roos in zijn

knoopsgat speelde.

"Ik denk, dat de prinses hem na een poos een bloem gaf en het hek

opendeed," zei Laurie, terwijl hij spottend glimlachte, en zijn

gouverneur met een paar eikels gooide.

"Wat een prachtige verzameling nonsens hebben we samen geflansd. Met

oefening zouden we het nog ver kunnen brengen. Kennen jullie

"Waarheid"," vroeg Sallie, nadat zij over het verhaal gelachen hadden.

"Ik hoop van wel," zei Meta met een ernstig gezicht.

"Het spel," meen ik.

"Hoe is dat?" vroeg Fred.

"Wel, je legt je handen op elkaar, kiest een getal en trekt bij

beurten je hand weg, en hij, wiens beurt met het getal samenvalt,

moet naar waarheid alle vragen beantwoorden die hem door de anderen

gedaan worden. Het is heel grappig."

"Laten we 't eens probeeren," zei Jo, die veel van nieuwe proefnemingen

hield.

Kate en mijnheer Brooke, Meta en Ned wilden liever niet meedoen, maar

Fred, Sallie, Jo en Laurie legden hun handen op elkaar en trokken en

het lot viel op Laurie.

"Wie zijn je lievelingshelden?" vroeg Jo.

"Grootvader en Napoleon."

"Welk meisje vindt je het mooist?" vroeg Sallie.

"Meta."

"En van welk houdt je het meest?" vroeg Fred.

"Van Jo natuurlijk."

"Wat doen jullie flauwe vragen!" en Jo trok verachtelijk de schouders

op, terwijl de anderen lachten, omdat Laurie het zoo zei, alsof het

vanzelf sprak.

"Laten we 't nog eens doen: Waarheid is geen kwaad spel," zei Fred.

"Het is een bijzonder goed spel voor jou," zei Jo zachtjes.

Nu kwam haar beurt.

"Wat is je grootste gebrek?" vroeg Fred, om eens te zien, of zij

vaststond in de deugd, die hem ontbrak.

"Opvliegendheid."

"Wat zou je 't liefst willen hebben?" vroeg Laurie.

"Een paar schoenveters," zei Jo, die zijn doel giste en het wilde

verijdelen.

"Geen waar antwoord. Je moet zeggen, wat je _werkelijk_ het liefst

zou willen hebben."

"Genie; zou je niet graag willen, dat je me daar wat van geven kon,

Laurie?" en ze lachte ondeugend om zijn teleurgesteld gezicht.

"Welke deugden bewonder je het meest in een man?" vroeg Sallie.

"Moed en oprechtheid."

"Nu is het mijn beurt," zei Fred, daar zijn hand er het laatst was

uitgekomen.

"Hij moet er inloopen," fluisterde Laurie Jo toe, die knikte en

onmiddellijk vroeg:

"Heb je niet valsch gespeeld met crocket?"

"Nu ja, een klein beetje."

"Goed! Heb je je verhaal niet genomen uit "De Zeeleeuw"?" vroeg Laurie.

"Zoowat."

"Verbeeld je je niet, dat de Engelsche natie in alle opzichten volmaakt

is?" vroeg Sallie.

"Ik zou me schamen, als ik dat niet deed."

"Hij is een echte John Bull. Nu krijg jij een beurt Sallie, zonder

dat je hoeft te trekken. Ik zal beginnen met je gevoelens te kwetsen,

door je te vragen of je niet vindt dat je wel wat coquet bent?" vroeg

Laurie, terwijl Jo Fred toeknikte, ten teeken dat de vrede gesloten

was.

"Onbeschaamde jongen! Heelemaal niet," ontkende Sallie op een manier,

die het tegendeel bewees.

"Waar heb je het meeste hekel aan?" vroeg Fred.

"Aan spinnen en rijstetaart."

"En waarvan houdt je het meest?" vroeg Jo.

"Van dansen en Fransche handschoenen."

"Nu, ik vind "Waarheid" een flauw spel; laten we nu eens als

verstandige menschen het "auteurspel" gaan doen, om weer op te

frisschen," stelde Jo voor.

Ned, Frank en de kleine meisjes voegden zich bij hen, en terwijl ze

speelden, zaten de drie oudsten met elkaar te praten. Kate haalde

haar schetsboek weer voor den dag en Meta zat naar haar te kijken,

terwijl Brooke in het gras lag met een boek, waarin hij niet las.

"Wat doe je het mooi, ik wou dat ik teekenen kon," zei Meta op een

toon, die bewondering en leedwezen te kennen gaf.

"Waarom leer je het dan niet? Ik zou wel denken dat je er smaak en

talent voor hebt," zei Kate neerbuigend.

"Ik heb geen tijd."

"Je mama heeft misschien meer op met andere talenten? De mijne ook,

maar ik nam stil een paar lessen om haar te bewijzen, dat ik er

werkelijk aanleg voor had, en toen vond ze heel goed, dat ik er mee

voortging. Kun jij dat ook niet doen bij je gouvernante?"

"Ik heb geen gouvernante."

"Dat is waar; ik vergat dat de jonge dames in Amerika meer naar school

gaan dan bij ons. En de scholen zijn hier zoo goed, zegt Papa. Jij

gaat zeker naar een bijzondere school?"

"Ik ga in het geheel niet; ik ben zelf gouvernante."

"O, zoo!" zei juffrouw Kate, maar ze had even goed kunnen zeggen. "Wat

afschuwelijk!" want haar stem gaf dat te kennen en een zekere

uitdrukking op haar gezicht deed Meta blozen, en wenschen, dat ze

niet zoo openhartig was geweest.

Brooke keek op en zei snel: "De jonge meisjes in Amerika zijn evenzeer

op hun vrijheid gesteld als hun voorouders, en worden bewonderd en

geëerd, wanneer ze in staat zijn voor zichzelf te zorgen."

"O zeker, natuurlijk, het is heel goed en heel flink, dat ze het

doen. Bij ons doen verscheiden beschaafde jonge vrouwen hetzelfde,

en ze worden veel door den adel gebruikt, omdat ze, als dochters van

nette families, meestal ontwikkeld zijn, en ook goede manieren hebben,"

zei Kate op een beschermenden toon, die Meta's trots wondde en maakte,

dat ze haar werk niet alleen nog onaangenamer, maar ook onteerend

ging vinden.

"Beviel u het Duitsche versje, juffrouw March?" vroeg Brooke, om een

onaangename stilte af te breken.

"O ja, het is beeldig, en ik ben heel dankbaar aan dengene, die het

voor mij vertaald heeft," zei Meta, terwijl haar bedrukt gezichtje

ophelderde.

"Lees je Duitsch?" vroeg Kate met een verbaasden blik.

"Niet heel goed. Mijn vader, die bezig was het mij te leeren, is van

huis, en alleen kan ik niet goed vooruit komen, want er is niemand

om mij met de uitspraak te helpen."

"Probeer het nu eens; hier is Schiller's "Maria Stuart" en een

leermeester die graag onderwijst," en Brooke legde met een uitlokkenden

glimlach het boek op haar schoot.

"Het is zoo moeilijk, ik durf het niet goed te probeeren," zei Meta

dankbaar, maar verlegen door de tegenwoordigheid van de talentvolle

jonge dame naast haar.

"Ik zal wel eerst een eindje lezen om je moed te geven," en juffrouw

Kate las een van de schoonste gedeelten op onberispelijke wijze,

wat de uitspraak betrof, maar zonder de minste uitdrukking.

Brooke maakte geen aanmerking, toen ze het boek aan Meta teruggaf,

die in haar eenvoud zei:

"Ik dacht dat het poëzie was!"

Een eigenaardige glimlach speelde om den mond van den gouverneur,

terwijl hij het boek opende bij de klacht van de arme Maria.

Meta volgde gehoorzaam het lange grassprietje, dat haar onderwijzer

gebruikte om bij te wijzen, en las langzaam en beschroomd voort,

terwijl zij door de zachte intonatie van haar lieve stem onwillekeurig

aan de moeilijke woorden een poëtische uitdrukking gaf. Steeds lager

wees de groene gids, en langzamerhand vergat Meta haar toehoorders

door de schoonheid van het treurige verhaal en las ze alsof zij

alleen was, onwillekeurig iets tragisch leggend in de woorden der

ongelukkige koningin. Als ze toen de bruine oogen had gezien, zou

ze plotseling zijn opgehouden, maar ze keek in het geheel niet op,

en de les werd dus niet voor haar bedorven.

"Lang niet slecht," zei Brooke, zonder eenige aanmerking op haar

vele vergissingen en terwijl hij er uitzag alsof hij werkelijk

"graag onderwees."

Kate zette haar lorgnet op, sloot haar schetsboek, na nog een blik

over het lieflijk landschap en zei welwillend:

"Je hebt een goed accent en zult mettertijd best leeren lezen. Ik

raad je aan deze studie voort te zetten; want de kennis van talen is

eene groote aanbeveling voor onderwijzeressen. Kom, ik moet eens naar

Grace gaan kijken; ze is veel te wild," en juffrouw Kate drentelde weg,

schouderophalend bij zich zelf zeggende: "Ik ben niet gekomen om een

gouvernante te chaperonneeren, hoe mooi en jong ze ook is. Wat zijn

die Yankees toch wonderlijke menschen. Ik ben bang dat Laurie onder

hen nog heelemaal bederven zal."

"Ik vergat, dat Engelschen eigenlijk hun neus voor gouvernantes

optrekken en ze niet behandelen zooals wij," zei Meta, die de

wegwandelende gedaante ontstemd nakeek.

"Gouverneurs hebben het in Engeland ook niet makkelijk, zooals ik bij

ondervinding weet. Voor ons werkende menschen, is er geen beter land

dan Amerika, juffrouw Meta," en Brooke keek zoo tevreden en vroolijk,

dat Meta zich schaamde om over haar hard lot te klagen.

"Dan ben ik blij dat ik er woon. Ik houd niet van mijn werk, maar

ik heb er toch wel voldoening van, daarom mag ik niet klagen. Ik wou

alleen maar dat ik zooveel van onderwijs geven hield als u."

"Dat zou u zeker, denk ik, met een leerling als Laurie. Het zal mij

veel moeite kosten hem 't volgend jaar te verliezen," zei Brooke,

met aandacht gaatjes borend in het gras.

"Hij gaat zeker naar de academie?" vroegen Meta's lippen, maar haar

oogen voegden er bij: "En wat wordt er dan van u?"

"Ja, het is hoog tijd, dat hij gaat, want hij is klaar, en zoodra

hij weg is, word ik soldaat."

"Daar ben ik blij om!" riep Meta. "Me dunkt, iedere jonge man moet

verlangen te gaan, hoewel het ellendig is voor de moeders en zusters,

die thuis moeten blijven," voegde ze er treurig bij.

"Die heb ik niet, en ook heel weinig vrienden die er om zouden geven,

of ik leef of dood ben," zei Brooke eenigszins bitter, terwijl hij

verstrooid de roos in het gaatje stopte, dat hij gemaakt had, en dit

toedekte met zand, alsof het een klein grafje was.

"Laurie en zijn grootvader zouden er toch om geven, en wij zouden

't allemaal heel naar vinden als u iets overkwam," zei Meta hartelijk.

"Dank u, dat klinkt aangenaam," begon Brooke, wat vroolijker kijkende;

maar voor hij zijn zin kon voltooien, kwam Ned op het oude paard

aandraven, om zijn rijkunst aan de dames te vertoonen, en verder was

er dien dag geen rustig oogenblik meer.

"Hou jij niet veel van rijden?" vroeg Grace aan Amy, terwijl ze samen

stonden te rusten, na een harddraverij over het veld met de anderen,

onder aanvoering van Ned.

"Ik ben er dol op; Meta reed vroeger, toen Papa rijk was, maar nu

houden wij geen paarden meer--behalve Hobbelaar," voegde Amy er

lachend bij.

"Vertel eens van Hobbelaar. Is dat een ezel?" vroeg Grace nieuwsgierig.

"Och, zie je, Jo is net zoo dol op paarden als ik, maar we hebben

alleen een oud dameszadel en geen paard. Nu is er in onzen tuin een

appelboom met een heerlijken lagen tak; daar leg ik dan het zadel op,

maak de leidsels aan den stam vast, en zoo draven we op Hobbelaar,

wanneer wij maar willen."

"Wat grappig," lachte Grace. Ik heb thuis een hit, en ik rijd haast

elken dag met Fred en Kate in het park; het is heel prettig, want al

mijn vriendinnetjes gaan er ook heen en de "Row" is altijd vol dames

en heeren."

"Hè, wat heerlijk! Ik hoop, dat ik den een of anderen tijd ook nog

eens buitenslands ga, maar ik wou nog liever naar Rome, dan naar de

"Row", zei Amy, die geen flauw idée had wat de "Row" [5] kon zijn,

maar het voor niets ter wereld zou gevraagd hebben.

Frank, die vlak achter de meisjes zat, hoorde wat zij zeiden en

schoof met een ongeduldig gebaar zijn kruk van zich af, toen hij zag,

hoe de andere jongens allerlei gymnastische toeren verrichtten. Bets,

bezig de verstrooide kaarten van het auteurspel op te rapen, keek op,

en zei met haar beschroomde maar vriendelijke stem:

"Ik ben bang, dat je wat moe bent; kan ik soms iets voor je doen?"

"Praat wat met me, als 't je blieft; 't is zoo stom vervelend hier

alleen te zitten," antwoordde Frank, blijkbaar gewend, dat er tehuis

veel werk van hem gemaakt werd.

Wanneer hij de arme, verlegen Bets gevraagd had een latijnsche

oratie uit te spreken, zou dit haar geen onmogelijker taak hebben

toegeschenen; maar ze kon niet ontvluchten, er was geen Jo om zich

achter te verbergen, en de arme jongen keek haar zoo droefgeestig aan,

dat ze moedig besloot het te probeeren.

"Waar praat je graag over?" vroeg zij verlegen, de kaarten

gelijkschuddende, terwijl ze bij het samenbinden de helft weer verloor.

"Och--ik hoor graag van cricketten en roeien en jagen," zei Frank, die

nog niet geleerd had zijn vermaken naar zijn krachten in te richten.

"O, wat zal ik toch beginnen! daar weet ik niets van," dacht Bets,

en in haar verlegenheid het gebrek van Frank vergetende, zei zij,

in de hoop hem aan het spreken te krijgen: "Ik heb nooit zien jagen,

maar jij hebt het zeker wel's gedaan?"

"Vroeger wel, maar ik kan 't nu natuurlijk nooit meer doen, want ik

heb me bezeerd bij het springen over een hek. Voor mij bestaan er dus

geen paarden en honden meer," zei Frank, met een zucht, die Bets haar

onschuldige vergissing deed verwenschen.

"Jullie herten zijn veel mooier dan onze leelijke buffels," zei zij,

bij de prairiën hulp zoekende, en innig verheugd, dat ze een van de

jongensboeken gelezen had, die Jo zoo gretig verslond.

De buffels schenen verzachtend en bevredigend te werken, en in haar

vurig verlangen om den armen Frank wat afleiding te geven, vergat Bets

zich zelf, en bemerkte ze zelfs niets van de verbazing en blijdschap,

waarmee Meta en Jo ontdekten, dat Bets druk zat te keuvelen met een der

verschrikkelijke jongens, tegen wie ze haar bescherming had ingeroepen.

"Lief hartje! Ze heeft medelijden met hem en daarom is ze zoo

vriendelijk tegen hem," zei Jo, die van het crocketveld af, verrukt

naar haar keek.

"Ik heb altijd gezegd, dat zij een klein heiligje is," zei Meta,

alsof de zaak nu aan geen twijfel meer onderhevig kon zijn.

"Ik heb Frank in langen tijd niet zóó hooren lachen," zei Grace tot

Amy, die samen over hun poppen zaten te praten, en theeserviesjes

van eikels maakten.

"Bets is een welgemaakt meisje, wanneer ze wil," zei Amy, trotsch

over den lof, haar zuster toegezwaaid. Zij meende "welbespraakt", maar

Grace merkte de vergissing niet op, zoodat Amy met haar "welgemaakt"

den gewenschten indruk teweegbracht.

Een geïmproviseerd paardenspel, de "kat en de muis," en een

vriendschappelijk partijtje crocket vulden den namiddag. Tegen

zonsondergang moest de tent afgebroken, werden de manden gepakt,

de poortjes uit den grond getrokken, de booten beladen, en het heele

gezelschap dreef, luid zingende, stroomaf.

Ned werd sentimenteel en zong een serenade, met het weemoedig refrein:

"Alleen, alleen, ach gansch alleen!"

en bij de regels:

"Jong en vol liefde zijn wij beiden,

Waarom blijft ons het noodlot scheiden!"

zag hij Meta met zoo'n jammerlijke uitdrukking aan, dat ze hardop

begon te lachen en de uitwerking van zijn lied bedierf.

"Hoe kun je zoo wreed tegen me zijn," fluisterde hij, toen er

een vroolijk, algemeen gezang volgde, "Je hebt den heelen dag aan

dien uitgestreken Engelsche vastgeketend gezeten, en nu ben je zoo

onaardig."

"Dat wou ik niet zijn, maar je keek zoo dwaas, dat ik het heusch niet

helpen kon," antwoordde Meta, het eerste gedeelte van zijn verwijt

onbeantwoord latende; want het was volkomen waar, dat ze hem vermeden

had, gedachtig aan de Moffatspartij en de praatjes daarna.

Ned was beleedigd en ging zijn troost bij Sallie zoeken, die hij

geraakt toefluisterde: "In die Meta zit nou geen zier coquetterie,

vindt je wel?"

"O, neen, geen zweempje, maar ze is tóch aardig," zei Sallie, haar

vriendin verdedigend, hoewel zij haar tekortkomingen moest erkennen.

Op het grasperk, waar het gezelschap bij elkaar was gekomen, scheidde

men met hartelijke groeten en een vaarwel aan de Vaughn's, die naar

Canada zouden vertrekken. Toen de vier zusters door den tuin naar

huis gingen, keek Kate hen na en zei, nu niet op beschermenden toon:

"Niettegenstaande hun vrijere manieren, zijn Amerikaansche meisjes,

wanneer je ze eenmaal kent, toch héél aardig."

"Dat ben ik geheel met u eens," antwoordde Brooke.

Onder Moeders Vleugels · 第 40 / 70 题