Welkom, lieve vrienden, welkom,
Op dee'z heugelijken dag!
Nu de Pickwick Club haar jaarfeest
Aan de kim verrijzen zag.
Allen zijn we tegenwoordig;
Allen zijn gezond en blij;
Voelen ons volmaakt gelukkig,
Van verdriet en zorgen vrij.
Onzen ijverigen Pickwick
Brengen wij den eersten groet;
Hem die 't welgevulde weekblad,
Voorleest met zoo'n warmt' en gloed.
Schoon hij zware kou gevat heeft,
Schor van keel is, heesch van stem,
Wil hij toch het werk niet staken.
Maar wie vreest dat ook van _hem_!
Zesvoet lange Stockwall zit daar
Met de gratie van een beer,
En zijn schalksche bruine tronie
Blikt lieftallig op ons neer.
Dichtvuur doet zijn oogen stralen,
"Moedig voorwaarts!" is zijn leus,
Eerzucht zetelt op zijn voorhoofd,
En een inktvlek op zijn neus.
Daarna volgt ons vriendje Tupman,
Zoo teerhartig, lief en goed;
Die om onze aardigheden
Altijd vreeselijk lachen moet.
Tot besluit de kleine Winkle.
'n Aardig ventje, keurig net,
Die, al haat hij 't handen wasschen,
Keurig is op zijn toilet.
't Jaar vloog om, wij bleven allen,
Onder pret en lach' tezaam,
Langs het letterkundig voetpad
Stromplen naar den berg der Faam.
Moog ons blad steeds floriseeren!
Onze Club, dat is mijn beê,
Menig jaarfeest vroolijk vieren!
Lang nog leve de "P.C!"