JO ONTMOET APPOLLYON.

"Waar gaan jullie heen?" vroeg Amy, toen ze op een Zaterdagmiddag,

in haar kamer komende, haar twee oudste zusters bezig vond hun goed

aan te doen, met een zekere geheimzinnigheid die haar nieuwsgierigheid

opwekte.

"Dat gaat je niets aan; kleine kinderen moeten niet zoo nieuwsgierig

zijn," antwoordde Jo scherp.

Als er iets is, dat ons ergert, wanneer wij nog jong zijn, dan is

het wel, dat ons dit onder den neus gewreven wordt, en nog grievender

is het, als men ons daarbij vriendelijk verzoekt: "Nu maar gauw wat

te gaan spelen." Amy stoof bij deze beleediging op, en besloot het

geheim uit te vorschen, al moest ze er een uur lang om zeuren. Zich

tot Meta wendende, die haar nooit lang iets kon weigeren, begon ze

vleiend: "Toe vertel het me maar; je kon me _best_ laten meegaan;

Bets is zoo verdiept in haar poppen, en ik heb niks te doen en 'k

voel me zóó eenig!"

"Ik kan je niet meenemen, liefje, omdat je niet gevraagd bent,"

begon Meta, maar Jo viel haar ongeduldig in de rede met een: "Nu,

Meta, houd je stil, of je zult alles bederven. Je kunt niet meegaan,

Amy, stel je dus niet aan als een klein kind, door er om te dwingen."

"Jullie gaan met Laurie ergens heen, ik weet het heel goed; je hebt

gisterenavond samen op de canapé zitten fluisteren en lachen, en

jullie hield in eens op, toen ik binnenkwam. Is 't soms niet waar?"

"Ja, we gaan met Laurie ergens heen; wees nou maar stil en zanik

niet langer."

Amy zweeg, maar gebruikte haar oogen, en zag dat Meta een waaier in den

zak stak. "Ik weet het al! Ik weet het al, jullie gaan naar de comedie,

"De zeven Kasteelen" zien," riep ze, er vast besloten bijvoegende:

"En _ik_ ga ook, want moeder heeft gezegd, dat ik het mocht zien,

en ik heb het geld van de prullen nog bewaard! Onuitstaanbaar van

jullie om mij niet bijtijds te waarschuwen."

"Luister eens even naar me, en wees nu eens lief," zei Meta

kalmeerend. "Moeder wou, dat je deze week nog niet gingt, omdat je

oogen nog niet heel goed zijn om al het licht bij het tooverballet

te verdragen. De volgende week kun jij gaan met Bets en Hanna, en

een heerlijken avond hebben."

"Dat vind ik niet half zoo plezierig als met jullie en Laurie. Och,

laat mij maar meegaan? ik ben nu al zoolang om mijn verkoudheid thuis

geweest, en ik snak naar een pretje. Toe, Meta, ik zal heel lief zijn,"

smeekte Amy zoo roerend mogelijk.

"Zouden we haar dan toch maar meenemen. Ik geloof niet dat Moeder er

op tegen zou hebben, als we haar goed instopten," begon Meta.

"Als _zij_ gaat, ga _ik_ niet; en als ik niet meega, heeft Laurie

het land; 't zou trouwens heel onbeleefd zijn er Amy bij in te halen,

nu hij alleen ons gevraagd heeft. Ik vind, dat ze zich schamen moest

zich zoo in te dringen, waar ze niet begeerd wordt," zei Jo knorrig,

want ze had niets geen lust op een beweeglijk kind te passen, nu ze

zich voorgenomen had eens echt te genieten.

Haar toon en manieren maakten Amy boos; ze begon haar laarzen aan te

trekken en zei op de meest tergende manier: "Ik ga _toch_: Meta zegt,

dat ik mag, en als ik voor mezelf betaal, heeft Laurie er niets mee

te maken."

"Je kunt niet bij ons zitten, want wij hebben gereserveerde plaatsen,

en je kunt ook niet alleen zitten; Laurie moet je dan natuurlijk

zijn plaats wel afstaan en dat zal ons plezier bederven; of hij neemt

een andere plaats voor je en dat is onbehoorlijk, want je bent niet

gevraagd. Je hoeft geen moeite te doen, want je blijft eenvoudig waar

je bent," bromde Jo, knorriger dan ooit, daar ze zich juist in haar

haast in den vinger had geprikt. Amy, die op den grond zat met één

laars aan, begon te schreien, en Meta zocht haar tot rede te brengen,

toen Laurie zich beneden liet hooren en de twee meisjes haastig

naar hem toe gingen, haar zusje snikkend achterlatend; want nu en

dan vergat Amy haar groote-menschen-manieren en gedroeg ze zich als

een bedorven kind. Juist toen het gezelschap de deur uit zou gaan,

riep ze op dreigenden toon over de leuning: "Het zal je berouwen,

Jo March! dat beloof ik."

"Malligheid!" antwoordde Jo, de deur toeslaande.

Ze hadden een genotvollen avond, want de "Zeven Kasteelen aan het

Kristallen Meer" waren zóó tooverachtig, zoo wonderschoon, als men

maar verlangen kon. Maar in weerwil van de grappige roode dwergen, de

schitterende elfen en de prachtig aangekleede prinsen en prinsessen,

was Jo's genoegen met een bitteren droppel vermengd; de blonde

krullen van de feeënkoningin herinnerden haar aan Amy, en tusschen

de verschillende bedrijven hield ze zich bezig met te bedenken, wat

haar zusje zou doen, om "het haar te doen berouwen." In den loop der

jaren hadden zij en Amy al menige schermutseling gehad, want beiden

hadden een driftig karakter en werden licht heftig, als ze eens los

kwamen. Amy plaagde Jo, en Jo maakte Amy boos, en af en toe hadden

er uitbarstingen plaats, waarover beiden zich later schaamden. Hoewel

zij de oudste was, had Jo de minste zelfbeheersching en bracht menigen

moeilijken dag door in het bestrijden van den driftigen geest, die haar

zoo dikwijls in verdrietelijkheden bracht. Haar boosheid was nooit van

langen duur, en als ze nederig haar schuld beleden had, voelde ze er

oprecht berouw over, en trachtte zich te beteren. Haar zusters bekenden

dikwijls, dat ze het wel "leuk" vonden Jo eens woedend te maken, omdat

ze dan later zoo engelachtig lief was. De arme Jo deed wanhopig haar

best om kalm te zijn, maar haar boezemvijand was altijd gereed op te

vliegen en haar de nederlaag toe te brengen; en er was een jarenlange,

geduldige strijd noodig om hem te verslaan. Toen ze thuis kwamen, zat

Amy te lezen in de zitkamer. Ze nam een beleedigd air aan, sloeg haar

oogen niet van haar boek op en deed geen enkele vraag. Misschien zou

haar nieuwsgierigheid het gewonnen hebben van haar trots, als Bets er

niet geweest was om naar alles te vragen en een opgewonden beschrijving

van het stuk te krijgen. Toen Jo naar boven ging om haar besten hoed

te bergen, keek ze het eerst naar de latafel, want bij den laatsten

twist had Amy haar gevoel zoeken te luchten, door Jo's bovenste la

op den grond om te keeren. Alles scheen nu evenwel op zijn plaats,

en na een haastigen blik in haar kast, waschtafel en doozen, kwam Jo

tot het besluit, dat Amy de beleediging vergeven en vergeten had.

Maar daarin had Jo zich vergist, want den volgenden dag deed ze een

ontdekking, die een storm teweegbracht. Meta, Bets en Amy zaten in

den namiddag bij elkander, toen Jo opgewonden de kamer binnenstormde

en ademloos vroeg: "Heeft iemand mijn sprookjes weggenomen?"

Meta en Bets zeiden dadelijk "neen" en keken verbaasd op; Amy pookte

in het vuur en zei niets. Jo zag, dat ze een kleur kreeg en vloog op

haar toe.

"Amy, jij hebt ze weggenomen!"

"Neen."

"Dan weet jij, waar ze zijn!"

"Neen, dat weet ik niet."

"Dat jok je!" riep Jo, haar bij de schouders vattende met zoo'n

woedenden blik dat ze een moediger kind dan Amy, zou hebben doen

schrikken.

"Dat jok ik _niet_!" Ik heb ze niet, en weet niet waar ze zijn,

en ik geef er ook geen zier om."

"Je weet er iets van, en je zou beter doen het maar dadelijk te zeggen,

of ik zal je er toe dwingen," en Jo schudde haar onzacht heen en weer.

"Dreig maar zooveel je wilt, je krijgt je malle verhalen niet terug,"

riep Amy, nu op haar beurt boos wordende.

"Waarom niet?"

"Ik heb ze verbrand."

"Wat! mijn sprookjes, waar ik zooveel van hield en zoo hard aan werkte,

en die ik van plan was af te maken, voordat Vader thuiskwam? Heb

je ze wezenlijk verbrand?" vroeg Jo verbleekend, terwijl haar oogen

schitterden en haar handen Amy zenuwachtig vastklemden.

"Ja zeker! ik heb gezegd, dat het je berouwen zou, dat je gisteren

zoo onaardig was, en daarom heb ik het gedaan, dus--" verder kon

Amy het niet brengen, want Jo's driftige natuur werd haar de baas;

ze schudde Amy, dat de tanden in haar mond klapperden, en riep in

een hartstochtelijke vlaag van droefheid en woede:

"Je bent een slecht, een akelig kind! Ik kan ze nooit meer zoo

schrijven, en ik vergeef het je nooit, zoolang ik leef."

"Meta vloog toe om Amy te ontzetten en Bets om Jo tot bedaren te

brengen; maar Jo was geheel buiten zichzelf, en na Amy tot afscheid

een klap om de ooren te hebben gegeven, vloog ze de kamer uit, naar

de oude canapé op den zolder en streed haar strijd alleen.

De storm klaarde beneden op toen mevrouw March thuiskwam; na het

verhaal aangehoord te hebben, bracht ze Amy weldra tot inzicht

van het onrecht, dat ze haar zuster had aangedaan. Jo's boek was

de trots van haar hart, en werd door de huisgenooten beschouwd als

een veelbelovend letterkundig spruitje. Het waren niet meer dan een

half dozijn sprookjes, maar Jo had er geduldig aan gewerkt met haar

gansche hart, in de hoop, iets te kunnen voortbrengen, dat de moeite

waard was gedrukt te worden. Ze had ze juist zeer zorgvuldig in het

net geschreven, en het klad verscheurd, zoodat Amy's brandstapel

het dierbaar werk van verscheiden maanden had vernietigd. Mogelijk

scheen het anderen een gering verlies toe, maar voor Jo was het een

vreeselijk ongeluk, en ze gevoelde, dat het haar nooit vergoed kon

worden. Bets treurde als om een gestorven katje, en Meta weigerde voor

haar lieveling in de bres te springen; mevrouw March keek ernstig en

bedroefd, en Amy was onder den indruk, dat niemand meer van haar zou

houden, eer ze vergeving had gevraagd voor de daad, die ze nu meer

dan iemand anders betreurde.

Toen de theebel ging, verscheen Jo, maar ze zag er zoo boos

en ongenaakbaar uit, dat Amy al haar moed bijeen moest rapen om

zachtzinnig te zeggen: "Jo, wil je 't mij als 't je blieft vergeven? Ik

heb er vreeselijk veel spijt van."

"Ik zal het je _nooit_ vergeven," was Jo's beslist antwoord, en van

dat oogenblik af, scheen ze Amy's bestaan geheel en al te vergeten.

Niemand sprak over de droevige gebeurtenis, zelfs mevrouw March

niet, want allen hadden door ondervinding geleerd, dat woorden

niets uitwerkten als Jo in zoo'n bui was; en dat het wijste zou

zijn, te wachten tot de een of andere kleine gebeurtenis, of Jo's

eigen edelmoedige natuur, haar verbittering verzachtte en de breuk

heelde. Het was geen gelukkige avond, want hoewel de meisjes als naar

gewoonte zaten te werken, terwijl hun moeder voorlas uit Bremer, Scott

of Edgeworth, ontbrak er toch iets aan, en de liefelijke, huiselijke

vrede was verstoord. Ze gevoelden dit vooral toen het oogenblik van

zingen was gekomen; want Bets kon alleen maar spelen, Jo zweeg als

een steenen beeld, en Amy begon te schreien, zoodat Meta en Moeder

alleen zongen. Maar in spijt van hun pogingen om zoo vroolijk te zijn

als leeuwerikken, schenen de heldere stemmen toch niet zoo goed bij

elkander te passen als gewoonlijk, en allen voelden zich ontstemd.

Toen mevrouw March Jo een nachtkus gaf, fluisterde ze haar teeder

toe: "Kindlief, laat de zon niet ondergaan over je toorn, vergeeft

elkander, helpt elkander, en begin morgen weer opnieuw." Jo verlangde

niets liever dan haar hoofd neer te leggen aan dat moederlijk hart

en haar droefheid en boosheid uit te schreien; maar tranen waren

een onmannelijke zwakheid, en ze voelde zich zoo diep beleedigd,

dat ze nog niet _kon_ vergeven. Ze knipoogde dus uit alle macht,

schudde haar hoofd en zei barsch, omdat Amy nog onder het bereik

van haar stem was: "Het was een afschuwelijk leelijke streek, en ze

verdient niet, dat ik het haar vergeef."

Zoo stapte Jo naar haar kamer en naar bed, en er werd dien avond geen

vroolijk of vertrouwelijk praatje gehouden.

Amy voelde zich diep gegriefd, dat haar vredesvoorslagen van de hand

gewezen waren en begon te wenschen dat ze zich niet zoo vernederd had,

daarna zich hoe langer hoe meer beleedigd te achten en eindelijk zich

op een onuitstaanbare wijze te verheffen op haar deugdzaamheid. Jo

zag er nog altijd uit als een donderwolk, en niets ging dien dag

goed. 's Morgens was het bitter koud; ze liet haar kostelijk warm

puddingtrommeltje in de goot vallen, tante March had een aanval van

rusteloosheid, Meta was afgetrokken, Bets keek bedroefd en neerslachtig

toen ze thuiskwam, en Amy praatte gedurig over menschen, die altijd den

mond vol hadden van goed te worden en er toch niet naar wilden streven,

zelfs niet, wanneer andere menschen hun een goed voorbeeld gaven.

"Ze zijn allemaal zoo onverdraaglijk, ik zal maar eens aan Laurie

vragen, of hij met me wil gaan schaatsenrijden. Hij is altijd

vriendelijk en vroolijk en zal me wel weer in mijn fatsoen brengen,

dat weet ik zeker," zei Jo tot zichzelf en ging op weg.

Amy hoorde het klepperen der schaatsen, en keek naar buiten met den

ongeduldigen uitroep:

"Daar nu! ze had me beloofd, dat ik den eersten den besten keer mee zou

gaan, want dit is natuurlijk het laatste ijs, dat we dit jaar zullen

hebben. Maar het zou vergeefsche moeite zijn aan zoo'n brombeer te

vragen mij mee te nemen."

"Zeg dat niet, Amy; je bent heel ondeugend geweest en het _is_

moeilijk voor Jo je het verlies van haar kostbaar boekje te vergeven;

maar ik vind, dat ze het nu wel doen kon, en ik denk ook wel, dat

ze het doen zal, als je 't maar op het goede oogenblik vraagt," zei

Meta. "Loop hen achterna, zeg niets voordat Jo weer in haar humeur

gekomen is door Laurie, neem dan een gunstig oogenblik waar en geef

haar een kus of doe iets liefs, en dan geloof ik zeker, dat ze met

heel haar hart vrede zal sluiten."

"Ik zal het probeeren," zei Amy, want die raad was naar haar smaak;

en na zich haastig aangekleed te hebben, liep ze de vrienden na,

die juist achter den heuvel verdwenen.

Het was niet ver tot aan de rivier, maar beiden stonden al op de

schaatsen, voordat Amy hen bereikte. Jo zag haar komen, en keerde zich

om; Laurie zag haar niet, want hij probeerde zorgvuldig het ijs langs

den kant, daar een warm zonnetje aan de laatste vorst was voorafgegaan.

"Ik zal tot aan de eerste bocht gaan, en zien of alles in orde is

voordat we om het hardst rijden," hoorde Amy hem zeggen, terwijl

hij vooruit schoot en er in zijn pels en bonten muts uitzag als een

jonge Rus.

Jo hoorde hoe Amy hijgde na haar harde loopen, en hoe ze met de voeten

stampte en haar vingers warm zocht te blazen, terwijl ze bezig was

haar schaatsen aan te binden, maar Jo keerde zich volstrekt niet om,

en reed langzaam "en zigzag" de rivier op, met een bitter en ongelukkig

soort van voldoening in den tegenspoed van haar zuster. Ze had haar

boosheid gekoesterd, tot het een krachtig gevoel was geworden, dat

haar heelemaal beheerschte, zooals kwade gedachten en opwellingen

altijd doen, tenzij men ze terstond verjaagt. Toen Laurie de bocht

omging, riep hij terug:

"Blijf aan den kant, het is in 't midden niet veilig". Jo hoorde het,

maar Amy kwam juist overeind en verstond geen woord. Jo keek over

haar schouder, en de kleine demon, dien ze schuilplaats verleende,

fluisterde haar in 't oor:

"'t Komt er niet op aan, of zij het hoorde of niet, laat ze maar voor

zichzelf zorgen."

Laurie was achter de bocht verdwenen, Jo kwam er juist dichtbij

en Amy ver in de achterhoede, zette zich in beweging naar de mooie

effen baan in het midden der rivier. Eén oogenblik stond Jo stil met

een vreemd gevoel in haar hart; toen besloot ze verder te gaan, maar

een zeker iets hield haar tegen en dwong haar nog eens om te kijken,

juist bijtijds om te zien, hoe Amy de handen in de hoogte sloeg, en

onder het plotseling kraken van brekend ijs, het geplas van water,

en het uiten van een gil, die Jo's hart van schrik deed stilstaan,

wegzonk. Ze wilde Laurie roepen, maar haar stem begaf haar; zij

trachtte op haar zusje toe te schieten, maar haar voeten schenen alle

macht verloren te hebben, en ze stond daar maar onbeweeglijk met een

ontzet gezicht te staren naar het kleine blauwe hoedje boven het zwarte

water. Eensklaps schoot haar iets pijlsnel voorbij, en Laurie's stem

riep haar toe: "Haal een stok; gauw, gauw!"

Hoe zij het deed, wist ze nooit te zeggen, maar de volgende

oogenblikken werkte ze als een bezetene, blindelings gehoorzamende aan

Laurie, die zijn zelfbeheersching niet verloor, en voorover liggende,

Amy ophield met zijn armen, totdat Jo een lat aangesleept had en ze met

vereende krachten het kind, meer verschrikt dan bezeerd, uit het ijs

trokken. "Ziezoo, nu moeten wij zoo hard mogelijk met haar naar huis

loopen; pak haar goed in met onze dingen, terwijl ik die verwenschte

schaatsen losmaak," riep Laurie, zijn jas om Amy heenslaande en aan de

riemen rukkende, die nooit te voren zoo ingewikkeld hadden geschenen.

Rillend, druipend en schreiend brachten ze Amy thuis, en na wat

van den schrik bekomen te zijn, viel ze bij een heet vuur en warm

in dekens gewikkeld in slaap. Onder al de bemoeiingen had Jo bijna

niet gesproken, maar bleek en verwilderd rondgevlogen, haar hoed en

mantel half af, haar japon gescheurd, en haar handen opengehaald en

bezeerd door ijs en latten en weerspannige gespen. Toen Amy rustig

lag te slapen, het huis stil was, en mevrouw March voor het bed zat,

riep ze Jo tot zich en begon hare gewonde handen te verbinden.

"Weet u wel zeker, dat ze buiten gevaar is?" fluisterde Jo en zag

vol wroeging naar het goudlokkig hoofdje, dat wel voor goed uit haar

oogen had kunnen verdwijnen, onder het verraderlijke ijs.

"Volkomen, mijn kind; ze heeft zich niet bezeerd, en zal zelfs niet

verkouden worden, denk ik; je hebt haar zoo flink ingestopt en zoo

gauw thuis gebracht," antwoordde haar moeder opgeruimd.

"Dat heeft Laurie gedaan, ik liet haar haar gang gaan. Moeder, _als_

Amy stierf, zou het mijn schuld zijn," en naast het bed neervallende

bekende Jo, onder een stroom van berouwvolle tranen, al wat er

gebeurd was, de hardheid van haar hart ten diepste veroordeelend

en onder snikken haar dankbaarheid betuigend, dat de zware straf,

die haar had kunnen treffen, haar bespaard was.

"Het is alles de schuld van mijn ellendige drift! Ik tracht het te

overwinnen, gedurig denk ik, dat ik het overwonnen heb, en dan is

het weer erger dan ooit. O moeder! wat zal ik doen! Wat zal ik toch

doen?" riep de arme Jo wanhopig.

"Waak en bid, lieveling; geef nooit den strijd uit moedeloosheid op,

en denk nooit dat het onmogelijk is een gebrek te overwinnen," zei

Mevrouw March, en ze trok het verwilderde hoofd tegen haar schouder

en kuste de betraande wang zoo teeder, dat Jo nog hartstochtelijker

begon te schreien.

"Ik weet het niet; u kunt niet begrijpen hoe erg het is! Als ik zoo

driftig ben, geloof ik, dat ik tot alles in staat zou zijn. Ik word

zoo woedend, dat ik iemand wel zou kunnen aanvliegen en kwaad doen,

en er dan blij om zijn. Soms ben ik zoo bang, dat ik nog eens iets

verschrikkelijks _zal_ doen en mijn leven bederven, en maken, dat

iedereen mij haat. O Moeder, help me, help me toch alstublieft!"

"Dat zal ik, mijn kind, dat zal ik. Schrei niet zoo bitter, maar

vergeet dezen dag nooit, en neem je met heel je ziel voor er zoo

nooit meer een te beleven. Jolief! wij hebben allen onze verzoekingen,

sommigen veel grooter dan de jouwe, en we hebben dikwijls ons heele

leven noodig om ze te overwinnen. Jij meent, dat je humeur het

slechtste ter wereld is, maar het mijne was vroeger precies zoo."

"Het uwe, Moeder? En u bent nooit boos!" riep Jo voor een oogenblik

haar berouw in haar verbazing vergetende.

"Veertig jaar heb ik er tegen gestreden, en daardoor geleerd mij te

beheerschen. Ik word bijna elken dag van mijn leven boos, Jo; maar

ik heb geleerd het niet te toonen, en ik hoop nog altijd ook dat te

overwinnen, al moest het me ook nóg veertig jaar kosten."

Het geduld en de nederigheid, die te lezen stonden op het gelaat,

dat ze zoo liefhad, waren een betere les voor Jo dan de verstandigste

preek, de scherpste bestraffing. Zij voelde zich dadelijk vertroost

door haar moeders medegevoel en vertrouwen; de overtuiging, dat

Moeder hetzelfde gebrek had en het steeds trachtte te verbeteren,

maakte het voor haar zooveel gemakkelijker te dragen, en versterkte

haar besluit er tegen te strijden; hoewel veertig in waken en bidden

doorgebrachte jaren een meisje van vijftien wel lang schenen.

"Moeder, is u boos als u uw lippen zoo op elkander drukt en soms de

kamer uitgaat, wanneer Tante March bromt, of de menschen het u lastig

maken?" vroeg Jo, die zich meer en inniger dan ooit te voren met haar

moeder verbonden voelde.

"Ja, ik heb geleerd de haastige woorden, die mij voor den mond komen,

te bedwingen; en als ik voel, dat ze toch, tegen mijn wil, zouden

ontsnappen, ga ik een oogenblik heen en neem mijzelf eens onderhanden,

omdat ik zoo zwak en slecht was," antwoordde mevrouw March met een

zucht en een glimlach, terwijl zij Jo's verwarde lokken gladstreek

en in orde bracht.

"Hoe hebt u geleerd u te bedwingen? Dat kost mij de meeste moeite--want

de scherpe woorden ontvallen me, voordat ik weet wat ik doe; en hoe

meer ik zeg, des te erger wordt het, totdat het me goed doet het gevoel

van anderen te kwetsen en verschrikkelijke dingen te zeggen. Vertel

mij toch eens, Moes, hoe u het aanlegt."

"Mijn goede moeder hielp mij altijd--".

"Zooals u ons helpt,"--viel Jo haar met een dankbaren kus in de rede.

"Maar ik verloor haar, toen ik nog maar iets ouder was dan jij nu,

en moest jarenlang alleen voortsukkelen, want ik was te trotsch om

mijn zwakheid aan iemand anders te bekennen. Ik had een moeilijken

tijd, Jo, en stortte veel bittere tranen over mijn tekortkomingen;

want in weerwil van mijn pogingen scheen ik toch nooit vooruit te

komen. Toen kwam je vader, en voelde ik me zoo gelukkig, dat het mij

gemakkelijk viel goed te zijn. Maar weldra, toen ik vier dochtertjes

om mij heen had, en we arm werden, begon de oude strijd opnieuw;

want ik ben van natuur niet geduldig en het kostte me heel veel,

als ik zag, dat mijn kinderen niet alles hadden, wat ze verlangden."

"Arme Moeder! wie heeft u toen geholpen?"

"Vader, Jo. Hij verliest nooit zijn geduld, twijfelt nooit, klaagt

nooit, maar hoopt altijd, en werkt zoo opgeruimd, dat men zich schamen

moet in zijn nabijheid anders te zijn. Hij hielp mij en beurde mij

op, en toonde mij aan, dat ik naar al de deugden moest streven, die

ik graag mijn kleine meisjes wilde zien bezitten, want ik moest hun

voorbeeld zijn. Het was gemakkelijker daarnaar te trachten ter wille

van jullie, dan ter wille van mezelf; een verschrikte of verbaasde

blik van een van mijn kinderen, als ik eens scherp uitviel, was

mij grooter verwijt dan woorden hadden kunnen zijn; en de liefde,

de achting en het vertrouwen van mijn kinderen was de heerlijkste

belooning, die ik kon ontvangen voor mijn streven, om de vrouw te

worden, die ik wenschte, dat ze zouden navolgen."

"O, Moeder! als ik ooit half zoo goed word als u, zal ik tevreden

wezen," zei Jo aangedaan.

"Ik hoop, dat je veel beter zult worden, lieve kind; maar je moet

waken tegen je "boezemvijand", zooals je Vader zegt, anders zou hij je

leven treurig maken, zoo niet bederven. Je hebt nu een waarschuwing

gehad, onthoud die, en zoek met hart en ziel dit driftig humeur te

beteugelen, voordat het je grooter droefheid en berouw veroorzaakt,

dan je nu voelt."

"Ik zal het probeeren, Moeder, ik zal wezenlijk mijn uiterste best

doen. Maar u moet me helpen, het mij herinneren, en maken dat het

niet tot zoo'n uitbarsting komt. Ik heb vroeger wel eens gezien, dat

Vader soms zijn vinger op den mond hield, en u aanzag met een heel

vriendelijk, maar ernstig gezicht; en dan klemde u altijd de lippen

vast op elkaar, of ging weg; herinnerde hij er u dan aan?" vroeg

Jo zacht.

"Ja, ik had hem gevraagd mij zoo te willen helpen, en Vader vergat

het nooit, maar bewaarde me voor menig scherp woord door die kleine

beweging en dien vriendelijken blik."

Jo zag, dat haar moeders oogen zich met tranen vulden, en dat haar

lippen beefden, terwijl ze sprak. Vreezend, dat ze te veel gezegd had,

fluisterde ze hartelijk: "Deed ik er verkeerd aan, dat ik zoo op u

lette en dat ik er nu van sprak? Ik was niet van plan iets onliefs

te zeggen, maar het is zoo prettig u alles te vertellen wat ik denk,

en me bij u zoo veilig en gelukkig te voelen."

"Mijn lieve Jo, je mag Moeder _alles_ zeggen, want het is mijn grootste

geluk en trots, als ik voel, dat mijn meisjes vertrouwen in me stellen,

en weten, hoe lief ik ze heb.""

"Ik dacht, dat ik u bedroefd maakte."

"Neen, kind, maar als ik zoo over Vader spreek, voel ik zoo diep

zijn gemis, zoo duidelijk hoeveel ik hem verschuldigd ben, en hoe

zorgvuldig ik waken en werken moet om zijn dochtertjes veilig en goed

voor hem te bewaren."

"En toch hebt u hem aangeraden te gaan, Moeder, en schreide niet,

toen hij heenging, en u klaagt nu nooit en ziet er nooit uit, alsof

u hulp noodig hebt," zei Jo verwonderd.

"Ik gaf het beste, wat ik had, aan het land, dat ik liefheb, en

bewaarde mijn tranen, tot hij vertrokken was. Waarom zou ik klagen,

als we beiden slechts onzen plicht hebben gedaan, en er aan 't einde

zeker gelukkiger om zullen zijn? Als het je toeschijnt, dat ik geen

hulp noodig heb, dan is dat, omdat ik een beter vriend heb dan zelfs

Vader is om mij te troosten en te steunen. Mijn kind, de moeiten en

verzoekingen van je leven beginnen eerst, en zullen misschien vele

zijn: maar je kunt ze allen bestrijden en overwinnen, zoo je de kracht

en de teederheid leert kennen van onzen hemelschen Vader, zooals je die

van je aardschen vader kent. Hoe meer je Hem liefhebt en vertrouwt,

des te dichter zul je je bij Hem gevoelen, en zooveel minder zul je

steunen op menschelijke macht en wijsheid. Zijn liefde en zorg worden

niet moede, noch veranderen; ze kunnen je nooit ontnomen worden, en

zullen je, hoop ik, een bron zijn van vrede, geluk en sterkte voor

het heele leven. Geloof dit van harte, en ga tot God met al je kleine

zorgen en bezwaren, je zonden en lasten, even vrij en vertrouwelijk,

als je tot mij gaat."

Jo's eenig antwoord was, dat ze haar moeder vaster omklemde, en in

de stilte, die nu volgde, steeg het oprechtste gebed, dat ze ooit

gebeden had, uit haar hart tot God op; want in dat droevig, maar

toch zoo gelukkig uur had ze niet alleen de bitterheid van berouw en

wanhoop leeren kennen, maar ook het liefelijke van zelfverloochening

en zelfbeheersching, en geleid door haar moeders hand, was zij

nader gekomen tot den Vriend, die ieder menschenkind welkom heet met

een liefde, sterker dan die van eenig vader, teederder dan die van

eenige moeder.

Amy bewoog zich en zuchtte in haar slaap, en alsof ze er naar verlangde

dadelijk haar fout te herstellen, keek Jo op met een uitdrukking op

haar gezicht, die er vroeger nooit op te zien was geweest.

"Ik liet de zon ondergaan over mijn toorn; ik wou haar niet vergeven,

en vandaag zou het te laat geweest zijn, als Laurie ons niet geholpen

had! Hoe kon ik zoo slecht zijn?" zei Jo halfluid, terwijl ze zich

over haar zusje heenboog en het vochtige haar, dat op het kussen lag,

streelde.

Amy sloeg haar oogen op, alsof ze de woorden gehoord had en stak

de armen uit met een glimlach, die rechtstreeks doordrong tot Jo's

hart. Geen van beiden sprak een enkel woord, maar ze omhelsden elkander

innig, in spijt van al de dekens, en alles werd met een hartelijken

kus vergeven en vergeten.

Onder Moeders Vleugels · 第 17 / 70 题