AMY'S DAL DER VERNEDERING.

"Die jongen is een echte cycloop, vindt jullie niet?" vroeg Amy op

een keer, toen Laurie te paard voorbij rende en in het voorbijgaan

met zijn zweep salueerde.

"Hoe durf je dat te zeggen van een jongen, die zijn beide oogen heeft,

en nog wel heel mooie ook!" riep Jo, die niet de minste aanmerking

op haar vriend kon velen.

"Ik zei niets van zijn oogen, en ik begrijp niet, waarom je zoo op

moet vliegen, als ik zijn rijden bewonder."

"O, lieve ziel! die kleine gans bedoelt een centaur en ze zegt een

cycloop," riep Jo, in lachen uitbarstend.

"Je hoeft je niet zoo ruw aan te stellen, het is alleen maar een

"lapsus lingus," zooals mijnheer Davis zegt," antwoordde Amy, Jo met

haar Latijn den mond snoerend. "Ik wou maar, dat ik een gedeelte van

het geld had, dat Laurie aan dat paard verspilt," voegde ze er als

tot zichzelf sprekend bij, maar toch in de hoop, dat haar zusters

het hooren zouden.

"Waarom?" vroeg Meta vriendelijk, want Jo kreeg een nieuwe lachbui

bij Amy's tweede vergissing.

"Ik heb het zoo hoog noodig; ik zit diep in de schuld en mijn beurt

voor het prullengeld komt nog in geen maand."

"In schulden, Amy, wat bedoel je?" vroeg Meta bezorgd.

"Och, ik ben minstens een dozijn dadels schuldig, en je weet, ik kan

ze niet betalen, voor ik geld heb, want Moeder heeft me volstrekt

verboden iets op rekening te koopen."

"Vertel mij de heele zaak eens. Zijn dadels nu in de mode? Vroeger

waren het "balletjes," en Meta trachtte haar gezicht in de plooi te

houden, want Amy zag er hoogst ernstig en gewichtig uit.

"Och, zie je, de meisjes koopen ze telkens, en als je niet voor schriel

wilt aangezien worden, moet je het ook wel's doen. Het zijn nu altijd

dadels; iedereen zit er onder schooltijd in zijn lessenaar aan te

zuigen en verruilt ze in het speelkwartier tegen potlooden, kralen,

ringen en papieren poppetjes of iets anders. Als een meisje veel van

een ander houdt, geeft ze haar er een mee; als zij boos op haar is,

eet zij er een voor haar oogen op, zonder haar zelfs te vragen of

ze er even aan wil zuigen. Ze tracteeren om beurten, en ik heb er al

een hoop gehad, zonder ooit iets terug te doen; en dat moet ik toch,

want het zijn eereschulden, is 't niet?"

"Hoeveel heb je noodig, om alles af te doen en je crediet te

herstellen?" vroeg Meta, haar beurs uit den zak halend.

"Een kwartje zou genoeg zijn, dan bleef er nog wel wat over om jullie

te trakteeren, of houden jullie niet veel van dadels?"

"Niet erg, je mag mijn deel houden. Hier is het geld--maak er zooveel

van als je kunt, want ik kan 't je niet dikwijls geven, dat weet je."

"O, dank je wel; wat heerlijk toch om zakgeld te hebben. Ik zal

een heel feest aanrichten, want ik heb de heele week geen dadel

geproefd. Ik wou er liever geen een aannemen, omdat ik niets terug

kon geven, en ik smacht er wezenlijk naar."

Den volgenden dag kwam Amy vrij laat op school, maar ze kon de

verzoeking niet weerstaan met vergeeflijken trots een vochtig,

bruin papieren pakje te vertoonen, voordat ze het in de verborgenste

schuilhoeken van haar lessenaar wegstopte. Het volgend oogenblik ging

het praatje als een loopend vuurtje door de klasse, dat Amy March

vierentwintig heerlijke dadels bij zich had (zij had er onderweg

één opgegeten) en zou trakteeren, waarop ze door haar vriendinnen

met attenties overladen werd. Katy Brown verzocht haar dadelijk op

haar eerstvolgende partij, Mary Kingsley drong er op aan haar tot

het speeluur haar horloge te leenen; en Jenny Snow, een satirieke

jonge dame, die Amy laaghartig geplaagd had met haar dadelloozen

staat, wierp haastig de wapens neer, en bood de antwoorden aan,

voor een paar moeilijke sommen. Maar Amy had de scherpe opmerkingen

niet vergeten van de jongejuffrouw Snow over "sommige menschen,

wier neuzen niet te stomp waren om de dadels van anderen te ruiken,

en verwaande menschen, die niet te trotsch waren er om te vragen,"

en zij sloeg dadelijk de hoop van "dat kind Snow" den bodem in, door

de vernietigende tijding: "Je hoeft niet plotseling zoo beleefd te

zijn, want je krijgt er toch geen."

Nu gebeurde het, dat de school dien morgen bezocht werd door

een gewichtig personage, die Amy's net geteekende kaarten prees,

welke eer, aan haar vijandin bewezen, een angel was in de ziel van

jongejuffrouw Snow, en jongejuffrouw March de airs deed aannemen van

een jonge pauw. Maar helaas, helaas! hoogmoed komt voor den val, en

de wraakzuchtige Snow deed met rampzalig succes de kans keeren. Niet

zoodra had de bezoeker de gewone complimenten gemaakt en den aftocht

geblazen, of Jenny deelde den onderwijzer, mijnheer Davis, onder

voorwendsel van iets belangrijks te vragen, mede, dat Amy March dadels

in haar lessenaar had.

Nu had de heer Davis dadels voor contrabande verklaard, en plechtig

gezworen, dat de eerste, die de wet durfde overtreden, openlijk kennis

zou maken met de handplak. De arme man, die heel wat te verdragen

had, was er na een langen, hevigen oorlog in geslaagd de balletjes

te verbannen, had een vuurtje gestookt van de in beslag genomen

romannetjes en couranten, een privaat-postkantoor opgeheven, het

gezichten trekken, het geven van bijnamen, het teekenen van caricaturen

verboden, en alles gedaan wat één enkel man doen kan om een vijftigtal

oproerige meisjes in bedwang te houden. Jongens stellen het menschelijk

geduld meer dan genoeg op de proef, de hemel weet het! maar meisjes

nog erger, vooral dat van zenuwachtige heeren met een tiranniek

gemoed en niet meer talent voor het onderwijs dan "Dr. Blimber." De

heer Davis had veel kennis van Grieksch, Latijn, algebra en "ologies"

van allerlei soort, waarom hij een bijzonder goed onderwijzer genoemd

werd, terwijl manieren, zedenleer, gevoelens en voorbeelden van niet

veel belang beschouwd werden. Het was een zeer gelukkig oogenblik om

Amy aan te klagen, en Jenny wist bet. Klaarblijkelijk had mijnheer

Davis dien morgen te sterke koffie gedronken, er woei een Oostenwind,

die altijd zijn zenuwen prikkelde en zijn leerlingen hadden hem niet

die eer bewezen, die hij wist verdiend te hebben; daarom was hij,

om den veelzeggenden, indien ook al niet bevalligen spreektrant van

een schoolmeisje te gebruiken, "zoo kwaadaardig als een bul en zoo

brommig als een beer." Het woord "dadel" werkte als vuur bij buskruit;

zijn tanig gezicht werd vuurrood, en hij sloeg met zoo'n kracht op zijn

lessenaar, dat Jenny met ongewone vlugheid naar haar plaats terugwipte.

"Jonge dames, opletten _als 't je blieft_!"

Op dat streng verzoek zweeg het geraas, en vijftig paar blauwe,

zwarte, grijze en bruine oogen werden gehoorzaam gericht op zijn

schrikwekkend gelaat.

"Jongejuffrouw March, kom hier."

Amy stond op om te gehoorzamen, uiterlijk bedaard maar inwendig

angstig genoeg, want de dadels bezwaarden haar geweten.

"Breng de dadels mee, die in je lessenaar zijn," klonk het onverwachte

bevel, dat haar tegenhield, nog eer ze uit de bank was gekomen.

"Neem ze niet allemaal mee," fluisterde haar buurvrouw, een jonge dame,

die veel tegenwoordigheid van geest bezat.

Amy schudde er haastig een half dozijn uit en legde de overige voor

mijnheer Davis neer, vast overtuigd, dat ieder man, die een menschelijk

hart in zich omdroeg, zachter gestemd zou worden, als die verrukkelijke

geur zijn neus bereikte. Ongelukkig had de heer Davis een bijzonderen

afkeer van de vrucht, en die afschuw deed zijn toorn stijgen.

"Is dat alles?"

"Neen, mijnheer," stamelde Amy.

"Breng dadelijk het overige hier."

Met een wanhopigen blik op haar clubje gehoorzaamde Amy.

"Weet je zeker, dat er niet meer zijn?"

"Ik jok nooit, mijnheer!"

"Dat zie ik. Neem nu die walgelijke dingen twee aan twee op en smijt

ze uit het raam."

Een diepe zucht steeg uit aller hart op, die wel een kleine windvlaag

geleek, toen de laatste hoop vervloog en de lekkernij ontstolen werd

aan de smachtende lippen.

Purper van schaamte en toorn deed Amy haar twaalf vreeselijke

wandelingen heen en terug, en iederen keer, dat een veroordeeld paar,

o, zoo dik en sappig! uit haar onwillige handen viel, vermeerderde een

juichtoon van de straat de smart der meisjes, want die vreugdeuitingen

zeiden hun, dat de kleine Iersche kinderen, hun geslagen vijanden,

met Amy's tractatie hun voordeel deden. Dit was te veel; allen wierpen

verontwaardigde of smeekende blikken op den onverbiddelijken Davis,

en één hartstochtelijke dadelliefhebster barstte in tranen uit.

Toen Amy van haar laatste tochtje terugkeerde, "hm"de de heer Davis

gewichtig, en begon op zijn indrukmakendsten toon: "Jonge dames,

gij herinnert u, wat ik een week geleden gezegd heb. Het spijt me,

dat dit gebeurd is, maar ik kan niet toestaan, dat er inbreuk gemaakt

wordt op mijn wetten, en ik breek _nooit_ mijn woord. Jongejuffrouw

March, houd uw hand op."

Amy schrikte, hield de beide handen op den rug en zag hem zoo smeekend

aan, dat die blik krachtiger voor haar pleitte, dan de woorden,

die ze niet kon uitbrengen. Ze was min of meer een lieveling van den

"oude", zooals hij genoemd werd, en ik voor mij geloof, dat hij zijn

woord _zou_ gebroken hebben, indien niet de verontwaardiging van een

zichzelf niet beheerschende jonge dame, zich geuit had in een leelijk

gesis. Dat gesis, hoe flauw het ook was, dreef den prikkelbaren

leeraar tot het uiterste en besliste het lot der schuldige.

"Uw hand, jongejuffrouw March!" was het eenig antwoord op haar stomme

bede, en te trotsch om te schreien of vergiffenis te vragen, klemde

Amy de tanden op elkaar, wierp het hoofd fier achterover, en verdroeg,

zonder eenig teeken van pijn te geven, verscheiden slagen op haar

kleine hand. Ze waren talrijk noch zwaar, die slagen, maar dat maakte

geen verschil. Voor de eerste maal in haar leven was ze _geslagen_,

en de vernedering was in haar oogen even groot, als wanneer hij haar

een pak ransel gegeven had.

"Ga nu tot het vrije kwartier voor het bord staan", beval mijnheer

Davis, vast besloten de zaak door te zetten, nu hij eenmaal begonnen

was.

Dat was verschrikkelijk! Het zou al erg genoeg geweest zijn nu naar

haar plaats terug te keeren, en de medelijdende gezichten te zien van

haar vriendinnen, of de triomfeerende blikken van haar vijandinnen;

maar om daar te pronk te staan, ten aanschouwe van de geheele school,

terwijl de schande nog zoo versch in 't geheugen lag, scheen Amy

ondraaglijk, en gedurende een oogenblik was liet haar, alsof ze zich

voorover op den grond moest laten vallen en in heete tranen uitbarsten.

Een bitter gevoel van verongelijkt te worden en de gedachte aan Jenny

Snow hielpen het haar echter dragen. Toen ze de standplaats ingenomen

had, vestigde ze haar oogen op de kachelpijp, boven wat haar nu een zee

van hoofden toescheen. Daar stond ze, zoo onbeweeglijk en bleek, dat de

meisjes het moeilijk vonden hun aandacht bij 't werk te houden, met die

tragische kleine gedaante voor zich. Gedurende de vijftien minuten,

die nu volgden, had het trotsche, gevoelige kleine ding, zooveel

schaamte en verdriet te verdragen, dat ze het nimmer vergat. Voor

anderen mocht het een belachelijke of weinig beteekenende zaak zijn,

voor Amy was het een harde ondervinding. Gedurende de twaalf jaren

van haar leven uitsluitend door liefde geregeerd, had haar nog nooit

zoo iets getroffen. Al de pijn in haar hand en de smart van haar

ziel werden vergeten bij de kwellende gedachte: "Ik moet het thuis

vertellen en ze zullen zoo teleurgesteld over me zijn!" De vijftien

minuten schenen haar een uur, maar ze waren toch eindelijk om, en het

woord "opbergen" had haar nog nooit zoo welkom in de ooren geklonken.

"Je kunt gaan, Amy March," zei mijnheer Davis en hij leek zooals hij

zich ook gevoelde, alles behalve op zijn gemak.

Het duurde lang, eer hij den verwijtenden blik vergat, dien Amy hem

toewierp, toen ze, zonder een enkel woord te zeggen, naar de kleedkamer

ging, haar goed van den kapstok rukte en de plaats "voor altijd"

verliet, zooals ze zichzelf hartstochtelijk beloofde. Thuis raakte

ze totaal overstuur, en toen de oudere meisjes eenigen tijd later

terugkwamen, werd er dadelijk een zeer verontwaardigde vergadering

gehouden. Mevrouw March zei niet veel, maar keek ontstemd en troostte

haar bedroefd dochtertje op de teederste wijze. Meta bette het

gepijnigde handje met glycerine en tranen; Bets voelde, dat zelfs

haar geliefde katjes geen balsem konden brengen voor een smart als

deze, en Jo meende in haar woede, dat mijnheer Davis zonder uitstel

behoorde gearresteerd te worden, terwijl Hanna haar vuist balde tegen

den "ellendeling" en de aardappelen voor het middagmaal met zulk een

vuur fijnstampte, alsof ze _hem_ onder den lepel had.

Niemand, behalve haar makkertjes, nam eenige notitie van Amy's vlucht;

maar de scherpziende jonge dames merkten op, dat "Davis" 's middags

bijzonder vriendelijk en ook buitengewoon zenuwachtig was. Even

voordat de school begon, verscheen Jo met een "grimmig gelaat", stapte

op den leeraar toe, en overhandigde hem een briefje van haar moeder;

daarna pakte ze alles bij elkaar wat aan Amy toebehoorde en vertrok, na

zorgvuldig haar laarzen afgeveegd te hebben op de mat bij de voordeur,

alsof ze het gehate stof van haar voeten wilde schudden.

"Ja, je kunt nu van deze school af gaan, maar moet dan elken dag een

tijd met Bets studeeren," zei mevrouw March dien avond. "Ik ben tegen

lichaamsstraf, vooral wat meisjes betreft. Ik houd niet van mijnheer

Davis' manier van onderwijzen en geloof ook niet, dat de meisjes,

waarmee je omgaat, je veel goed doen. Voor ik je naar een andere

school zend wil ik eerst Vader eens raadplegen."

"Heerlijk! Ik wou dat alle meisjes weggingen en zijn akelige school

opgeruimd moest worden. Is 't niet om gek te worden, als je aan

die heerlijke dadels denkt?" zuchtte Amy met het gezicht van een

martelares.

"Het spijt me niet, dat je ze verloren hebt, want je handelde in

strijd met de regels en verdiende straf voor je ongehoorzaamheid,"

was het strenge antwoord, dat de jonge dame die niets dan medelijden

verwachtte, wel eenigszins teleurstelde.

"Bedoelt u, dat u blij is, dat ik voor de geheele school vernederd

ben?" riep Amy.

"Ik zou niet dien weg inslaan om een gebrek te verbeteren," antwoordde

haar moeder; "maar ik ben er niet zeker van of je deze methode niet

meer goed zal doen, dan een zachtere manier. Je bent mooi op weg

veel te verwaand en gewichtig in je eigen oogen te worden, kindlief,

en het is meer dan tijd, dat je er eens goed acht op geeft. Je hebt

veel goede eigenschappen en kleine deugden, maar het is niet noodig ze

zoo uit te stallen, want verwaandheid bederft den besten aanleg. Een

echt talent of echte goedheid zullen niet licht over het hoofd gezien

worden, en al hád dit ook plaats, dan moest nog het bewustzijn,

ze te bezitten en ferm te gebruiken, iemand voldoen. Bedenk dat de

grootste aantrekkelijkheid van elk begaafd mensch is: bescheidenheid."

"Ja, dat is waar," riep Laurie, die in een hoek met Jo zat te

schaken. "Ik heb een meisje gekend, dat een bijzonder talent voor

muziek had, zonder het zelf te weten; ze wist ook niet, hoe lief

de kleine stukjes waren, die ze componeerde, wanneer ze alleen was,

en zou het niet geloofd hebben, al had iemand het haar verteld."

"Ik wou, dat ik dat meisje gekend had; ze zou mij misschien wel

willen helpen, ik ben zoo dom," zei Bets, die gretig luisterend naast

hem stond.

"Je kent haar, en ze helpt je beter dan eenig mensch ter wereld zou

kunnen," antwoordde Laurie en zag haar met zoo'n ondeugende uitdrukking

in z'n vroolijke, zwarte oogen aan, dat Bets plotseling bloosde en

haar gezicht verborg in een canapékussen, heelemaal ontsteld door

die plotselinge ontdekking.

Jo liet Laurie het spel winnen, om hem te beloonen voor dien lof,

haar Bets toegezwaaid, die er echter niet toe te bewegen was dien

avond iets te spelen na dat compliment. Laurie deed dus zijn best en

zong uitstekend, daar hij in een bijzonder goede luim was, want aan

de Marches toonde hij zelden de schaduwzijde van zijn karakter. Toen

hij vertrokken was, vroeg Amy, die den geheelen avond peinzend had

zitten kijken, plotseling, alsof haar een nieuwe gedachte inviel:

"Is Laurie een begaafde jongen?"

"Ja, hij heeft veel gaven en een prachtige opvoeding gehad; hij zal

een knap man worden, als hij niet door vertroeteling bedorven wordt,"

antwoordde haar moeder.

"En hij is _niet_ verwaand, wel?" vroeg Amy.

"Volstrekt niet; dat is juist de reden, waarom hij zoo aantrekkelijk

is, en we allemaal zooveel van hem houden."

"Ja, ik begrijp het, het is heel aardig begaafd te zijn en mooi en

elegant, maar niet om vertooning te maken of er zich op te verheffen,"

zei Amy nadenkend.

"Die dingen worden altijd gevoeld en gewaardeerd in iemands manier van

doen en van spreken, als ze maar met bescheidenheid gebruikt worden;

het is heusch niet noodig er mee te koop te loopen," zei mevrouw March.

"Net zoo min als je 't in je hoofd zou halen, al je hoeden en jurken

en strikken tegelijk te dragen, om de menschen toch vooral maar te

laten zien, dat je ze hebt," voegde Jo er bij, en "de preek" eindigde

met gelach.

Onder Moeders Vleugels · 第 15 / 70 题