XV.

[Gelijke vryheid van op de Colonie te komen, omme van daar (des

begerende) wederom onbelemmert te mogen vertrekken, &c.] Dat gelijk het

yder een vry staat met zijn Perzoon, Familie en Goederen in de voorsz.

Colonie te komen, het ook alzo zal wezen gepermitteert aan een

iegelijk, de welke alrede zig daar ter neder gestelt heeft, ofte zal

komen te stellen, ten allen tijden van daar te vertrekken met hare

Slaven, Beesten en verdere roerende Goederen, en dat naar zodanige

andere Plaatzen ofte Eilanden als het haar zal believen, konnende tot

het voorsz. transport, huiren, of kopen alzulke Schepen of Vaartuigen,

als zy tot haar voorsz. dessein hen zullen oordelen dienstig te wezen.

Beschryvinge van de volk-plantinge Zuriname · 第 44 / 111 题