OP HET
GEGRONDE WERK
Van den Autheur,
GENAAMT
BESCHRYVINGE van ZURINAME.
Wat heeft de Zatan magt op ’s Menschen hert gewonnen,
Wanneer hy hem, door schult en dwaasheid onbezonnen,
Trok van zijn Schepper af; en brak het schone beelt,
Dat God door zijnen geest in hem had voortgeteelt;
Want van Gods beelt berooft, wil hy weêr beelden maken
En dat van Bomen-hout, van Steenen en van Staken,
En is gelijk een Kind, nu in zijn eerste Jeugd,
Met Poppen en een Kraam van Kinder-tuig verheugd.
Maar dat het droevigst is, door wonder groter laster,
Zo maakt de Zatan nog zijn Helsche banden vaster,
Als hy den Mensch beweegt tot dit verkeert verstand,
Dat God is als een Mensch of eenig Vee te Land:
God schiep ons na zijn beeld, dit willen wy hem lonen,
Als wy hem in een beeld van Mensch of Vee vertonen.
ô Slegte dankbaarheid en gans verzuft, vernuft!
Als of God door ’t getal van beelden stond verbluft.
De Jode, schoon hy haat het dwaze beelde maken,
Derft in het tegendeel de Godheid schier verzaken.
De Amerikaan, die poogt, door list en schone schijn,
Den eerste Vriend van God, ja zelver na te zijn.
En d’ Afrikaansche Moor, tot aller wijzen spot,
Haar, en ook and’re, zelfs verstrekken tot een God,
Dus valt God uit den Throon. Maar lof zy deze Mannen,
Die ooit haar snege brein hier hebben ingespannen,
Op dat de Wereld bleek dat ons herstelde leer,
Alleen den groten God vergunt zijn eigen eer.