KADMOS (CADMUS).

(OVÌDIUS, METAMORPHOSEN I, reg. 833 vlgg.; II reg. 1 vlgg.).

In Phoenìcië regeerde een koning, met name Agènor. Zijn dochter Europa

speelde eens met vriendinnen aan den oever van de zee, toen onder een

kudde runderen een wonderschoone, sneeuwwitte stier haar opmerkzaamheid

trok. Agènor’s dochter bewonderde het dier maar durfde het eerst niet

naderen, hoe weinig kwaadaardig het beest er ook uitzag. Langzamerhand

echter week de vrees; bloemen hield zij hem voor, klopte hem streelend

op de breede borst en vlocht hem sierlijke kransen om de horens. Ten

slotte zelfs zette zij zich neer op zijn rug. Toen, langzaam, ging het

voort naar de zee, spelende al verder het water in, en ten slotte

verdween Zeus—want hij was het, die in de gedaante van een stier het

meisje geschaakt had—met zijn buit in de richting van het eiland Creta.

Daar maakte hij zich aan Europa bekend.

De oude koning Agènor was ontroostbaar over het verlies van zijn

dochter: hij gaf zijn zoon Kadmos bevel haar overal te zoeken en

verbood hem zonder haar terug te keeren. Vruchteloos doorzocht de jonge

man de geheele aarde; hij schroomde naar Phoenicië terug te gaan en

vroeg daarom aan het orakel van Delphi waar hij zich vestigen moest.

Apollo beval hem een koe te volgen, die op een eenzamen weg hem tegen

zou komen; waar die zich neer zou leggen, moest hij een stad stichten.

Weldra zag Kadmos het bedoelde rund, dat hem voorging naar Boeötië;

daar vlijde het zich neer in het zachte gras. Dankbaar dat er nu een

einde aan zijn omdolingen zou komen, besloot Kadmos Zeus hier een offer

te brengen; hij zond zijn makkers om water naar een bron. Zij betraden

een bosch en vonden daar weldra een waterplas; maar toen de urn

neerklaterde in het nat schoot uit een naburige grot een draak te

voorschijn, aan Ares gewijd, die de bron bewaakte. Sissend schoot het

monster op de mannen toe en doodde ze, sommigen door zijn giftigen

beet, anderen in de kronkelingen van zijn lenig lichaam.

Reeds was het middag geworden en nòg waren zijn makkers niet

teruggekeerd; in verwondering vroeg Kadmos zich af, waar zij toch

blijven zouden. Ook hij trad het bosch binnen; en toen hij daar den

draak zag, die met bloedige tong de wonden likte, die hij zijn vrienden

geslagen had, maakte een groote woede zich van hem meester. „Of ik

wreek u, mijn trouwe makkers, òf ik ga met u in den dood,” sprak hij,

en in een vervaarlijken strijd overwon hij het monster. Op Athene’s

bevel brak hij het de tanden uit den bek en zaaide die in den grond;

als figuren van een tooneelscherm, dat opgetrokken wordt uit den bodem,

kwamen speerpunten en helmen en forsche schouders en ten slotte heele

gestalten van reuzen te voorschijn, die Kadmos opnieuw naar de wapenen

deden grijpen. Maar verdediging was onnoodig; in een heftigen

onderlingen strijd doodden zij elkaar. Slechts een vijftal bleef over:

dat hielp Kadmos bij het bouwen van de stad, die de naam van Thebe

draagt, en waarvan de burcht de Kadmeia heette.

Het dooden van den draak, die immers aan Ares gewijd was, bleef niet

ongewroken; vreeselijke rampen troffen het geslacht van Kadmos. Hij

zelf trok later van Thebe naar Illyrië, waar hij en zijn vrouw in

slangen werden veranderd.

Goden- en Heldensagen · 第 35 / 74 题