DE GODENWERELD.

De heerschappij der jongere goden was nu voor goed gevestigd.

Zeus (Jùpiter) was de oppergod, de god van den hemel, de verzamelaar

der wolken, die de bliksemschichten slingerde en donderslagen deed

rollen. Hij was bekleed met het opperste gezag; aan hem ontleenden de

vorsten hun macht; door hem werden beschermd, wie bijzondere

bescherming noodig hadden. In zijn prachtig paleis op den Olympus zat

hij voor bij de vergaderingen der goden en bevestigde het genomen

besluit door zijn stevigen hoofdknik. Feestmalen werden hier gehouden;

dan bediende Hebe en soms ook Hephaistos; nectar en ambrozijn werden

gebruikt en een groote vroolijkheid uitte zich vaak in een gullen lach.

Ook op den berg Ida, in de nabijheid van Troje, mocht Zeus graag

vertoeven.

In het bijzonder werd Zeus geëerd op Creta, waar hij immers opgevoed

zou zijn. Een oud heiligdom van Zeus bevond zich in Dodòna; daar gaf

hij orakels; uit het ruischen der bladeren van een aan hem gewijden eik

wist men zijn wil af te leiden. Maar vooral Olympia was aan Zeus

gewijd. Hier stond binnen de altis, het heilige terrein, de groote

Zeustempel met het kolossale Zeusbeeld in goud en ivoor, door Phidias

vervaardigd. Hier werden ter eere van Zeus om de vier jaar de beroemde

Olympische spelen gegeven. Hier eindelijk, evenals in Dodòna, konden

orakels worden verkregen.

Elische munten hebben de voorstelling bewaard van het groote Zeusbeeld

te Olympia. Het bekendste beeld is nu de Zeus van Otricoli.

Onder de dieren was de adelaar aan Zeus gewijd.

Boven Zeus nog stond de macht van het noodlot, de Moira, het Fatum,

waarvan Zeus de voltrekker was.

Hera (Juno) was de vrouw van Zeus, de koningin van den hemel, de

beschermgodin van het huwelijk. Vooral in Argos werd zij geëerd, waar

in een aan haar gewijden tempel een groot beeld van Polykleitos

voorkwam. Ook in Olympia was het Heraion een bekende tempel. De meest

verspreide voorstelling in beeld is de Hera Ludovisi.

Pallas Athene (Minerva), een dochter van Zeus, uit zijn hoofd geboren,

was oorspronkelijk ook een hemelgodin. Later was zij de godin van den

tactischen krijg, gewapend met helm en schild en speer: zóó stond zij

op het plateau van de Acròpolis te Athene. Zij was verder de godin van

de wijsheid en de beschermster van alle kunstvaardigheid, vooral van de

vrouwelijke handwerken. Om de vereering van de stad Athene had zij met

Poseidon moeten kampen; wie het nuttigste geschenk zou geven zou de

gevierde zijn. Toen deed Poseidon een bron ontstaan; Pallas Athene

schonk den olijfboom en kreeg den prijs. Op de Acròpolis stond het

Pàrthenon, een groote tempel, aan haar gewijd; op de gevelvelden waren

haar geboorte en haar wedstrijd met Poseidon afgebeeld. In het

Erechtheion werd een oud, houten beeld van Athene bewaard, dat uit den

hemel heette gevallen te zijn; ieder jaar, bij gelegenheid van het

feest der Panathenaeën, werd in plechtigen optocht aan dit beeld een

nieuw kleed gebracht. Een voorstelling van dien optocht was afgebeeld

op het fries van het Pàrthenon en bevindt zich nu in het Britsch Museum

te Londen.

Een kleine copie van de Athene Parthenos bevindt zich in Athene; ook

andere verre copieën van Phidias’ werk zijn bewaard; zoo b.v. de Athene

Farnese te Napels.

Uil en olijfboom waren aan Pallas Athene gewijd.

Apollo en Àrtemis (Diana) waren kinderen van Zeus en Leto (Latòna).

Apollo, oorspronkelijk vooral in Klein-Azië en op de eilanden geëerd,

was de god van het licht, de beschermer van dichtkunst en zang, het

hoofd van de Muzen op Helicon en Parnassus. Op Delos was hij geboren;

daar o.a. stond een heiligdom van hem. Maar vooral Delphi met zijn

grooten Apollo-tempel was hem gewijd; hier gaf de Pythia, zijn

priesteres, orakels, die langen tijd zeer gezien waren in Griekenland

en daar buiten; hier werden groote wedstrijden te zijner eere gehouden.

Gewoonlijk wordt Apollo afgebeeld met boog en pijlen of met een lier;

bekend zijn de Apollo van Belvedère, de Apollo als zanger bij de lier,

en de Apollo Sauròktonos, hagedissendooder, de laatste van Praxìteles.

Aan Apollo was de laurierboom gewijd; met lauwerkransen werden de

overwinnaars in de Delphische spelen beloond.

Àrtemis was de godin der maan, de godin ook van de jacht, met hoog

opgeschort kleed om des te sneller te kunnen loopen. Haar bekendste

beeld is de Artemis van Versailles.

Hephaistos (Vulcanus) was de god van het vuur en de smid der goden. De

mooi bebeitelde deuren van de woningen van sommige onsterfelijken, de

bliksems, die Zeus hanteerde, de wapenrustingen van godenkinderen als

Achilles en Aenèas, kwamen uit zijn werkplaats. Nu en dan hielp hij ook

bedienen op den Olympus.

Hestia (Vesta) was de godin van den huiselijken haard, voor wie te Rome

van staatswege door de Vestaalsche maagden voortdurend een vuur werd

brandende gehouden.

Ares (Mars) was de god van den woesten krijg; bekend is de Ares

Ludovisi.

Aphrodìte (Venus) was de godin van schoonheid en liefde; vooral

Praxìteles heeft getracht haar in beeld te brengen en velen hebben hem

nagevolgd. Bekend is de Aphrodìte van Knidos; bekender nog de Venus van

Milo.

Eros (Amor, Cupido) was geworden tot Aphrodìte’s zoon, de god van de

liefde, gewoonlijk voorgesteld met pijl en boog.

Hermes (Mercurius) was de bode der goden, toegerust met vleugelschoenen

en herautstaf, de geleider der dooden naar de onderwereld, de god van

den handel en de beschermer van de reizigers. In Olympia werd, voor een

groot gedeelte nog gaaf, de Hermes van Praxìteles gevonden; bekend is

ook het beeld van den rustenden Hermes van Napels.

Poseidon (Neptunus) was de opperste zeegod, gehuwd met Amphitrìte, een

dochter van Nereus. Zijn wapen was een drietand, waarmeê hij gewoonlijk

wordt afgebeeld. Aan hem werden ook wel toegeschreven de vulkanische

bewegingen van de aarde; de „Aardschudder” werd hij bijgenaamd. Hij

reed met zijn wagen over de golven der zee, omstuwd van Tritonen en

Nereïden; hij bewoonde in de diepte een prachtig paleis. Paard, stier

en dolfijn waren hem gewijd. Op de landengte van Corinthe werden de

Isthmische spelen te zijner eere gevierd.

Zeegoden van minderen rang waren Nereus, de oude vader der vijftig

Nereïden en Proteus, een god, die de toekomst kon voorspellen.

Verder dachten zich de Grieken in elke rivier een stroomgod, zonen van

Okèanos (Oceanus), den wereldstroom, die de geheele aarde omspoelde.

Als goden van de aarde werden vooral geëerd: Dionỳsos (Bacchus), de god

van den plantengroei, van den weelderigen wijnstok in het bijzonder.

Nymfen en Satyrs, die velden, bosschen en bergen bevolkten, kwamen voor

in zijn gevolg. Tot groote uitgelatenheid, heet het, bracht hij zijn

vereerders; berucht zijn bacchanaliën en bacchanten. Uit de groote

feesten ter eere van Dionysos heeft zich waarschijnlijk het tooneelspel

ontwikkeld. Verder Demèter (Ceres), de godin van den landbouw en:

Persèphone (Prosèrpina), haar dochter, die geschaakt werd door Hades,

den god van de onderwereld. Na lang zoeken en vragen vernam Demèter

waar zij was; toen werd een overeenkomst gesloten: de eene helft van

het jaar zou Persèphone bij haar moeder op aarde zijn, de andere bij

haar man in de onderwereld.

Ter eere van Dionysos, Demèter en Persèphone werden te Eleusis

bijzonder plechtige feesten gevierd, de Eleusinische mysteriën.

Hades (Pluto, Dis) ten slotte was de beheerscher van de onderwereld,

waar in den Tàrtaros de boozen hun straf ondergingen, op de Elyseesche

velden de goeden een gelukkiger leven leidden. Een drietal rechters,

Minos, Aeacus en Rhadamanthys, velden vonnis over de schimmen.

Goden- en Heldensagen · 第 15 / 74 题