Ofschoon er nog onophoudelijk automobielen kwamen aanrijden in de Rue
du Faubourg Saint Honoré, die met een koenen boog de breede koetspoort
inzwaaiden en na een tweede bocht te hebben beschreven stil hielden
voor het ruime terras van het paleis, hetwelk den President der
Republiek tot verblijf strekt, was het reeds tamelijk vol in de
prachtige Gobelinzaal, die voor de receptie was ingericht.
Daar bewogen zich in hun schitterende, met goud overladen uniformen, de
gezanten van Siam en van Perzië, het ernstige, diep-gebruinde gelaat
omringd door een langen, gitzwarten baard, het hoofd gedekt met den
tulband, wat Siamees aangaat, en met een wit-cachemiren kolbak, wat den
Pers betreft. Daar schreed statig de Engelsche gezant, met zijn
onbewogen gelaat, dat nimmer verraden zou, wat er in dien fijnen
diplomaat omging, daar liep, het hoofd op de borst gebogen, de gezant
van het Hemelsche Rijk, alsof hij op den glad gewreven parketvloer het
antwoord zocht op een onuitgesproken vraag; daar glansden de fraaie
uniformen van de vreemde militaire atachés van Noorwegen, Italië,
Spanje, Mexico, België.
Maar dan was er nog veel meer, dat oogverblindend schitterde—dat waren
de juweelen, welke de dames, de echtgenooten en de dochters van die
heeren droegen, als om hulde te brengen aan den vorst van Spanje!
Snoeren juweelen om naakte, sneeuwwitte halzen, snoeren parelen, die
afhingen op gevulde en schrale boezems, fonkelende diamanten in kleine,
rose oortjes—en ook in minder fraaie ooren, smaragden in ringen,
turkooizen, amethisten, robijnen, maansteenen, karbonkels, saffieren in
broches, oorhangers, armbanden!
En dat alles fonkelde, schitterde, glansde, spatte vonken, zoodat de
oogen er welhaast pijn van deden!
Op een kleine verhooging had Koning Alfonso plaats genomen, die zich
daar met eenige gasten onderhield.
Hij droeg eenvoudig een zwarten rok, maar zijn borst was versierd met
verscheiden ridderorden, waaronder groote sterren, schitterend van
juweelen, en die ettelijke duizenden francs waard moesten zijn.
Zijn smal, gebruind gelaat had een peinzenden, eenigszins zorglijken
trek, en het was duidelijk te zien, dat zijn bezoek aan Parijs voor den
monarch niet bepaald een pleizierreis was, en dat de zaken in Marokko
al zijn aandacht in beslag namen.
Dicht bij hem stond President Poincaré, het officieele lint, teeken
zijner hooge waardigheid, dwars over de borst, in druk gesprek met den
Japanschen gezant, die nu en dan zijn kleine, slimme oogjes naar de
zijde van den Amerikaanschen zaakgelastigde liet dwalen.
Door de drie tusschendeuren had men het gezicht op de groote nevenzaal,
waar gedanst zou worden, want de Koning van Spanje had den wensch te
kennen gegeven, dat de receptie geen officieel karakter zou dragen,
maar dat men de jongere aanwezigen in de gelegenheid zou stellen, zich
aan het dansvermaak te wijden.
En zoo drongen nu en dan de tonen van een wals—de Tango, Twostep en
aller dergelijke dansen waren op het Elysée streng verboden—tot in de
receptiezaal door, en zag men de eerste paartjes langs walzen.
Madame Poincaré nam iets verder de honneurs waar, en had eenige
vriendelijke woorden voor allen, die aan haar werden voorgesteld,
terwijl zij het nog steeds bevallige hoofd neeg, en haar zwarte,
zuidelijke oogen van Italiaansche afkomst, liet lachen.
Nu en dan geleidde de ceremoniemeester, Graaf Mollard, een of anderen
hoog geplaatsten bezoeker door de gasten heen tot aan den voet van de
verhooging, en stelde hem voor aan den vreemden vorst, die dan telkens
een correcte buiging maakte, en den ander de hand toestak, een smalle,
maar gespierde hand, die getuigde van veel sport.
Maar plotseling vlogen de blikken uit de gitzwarte, intelligente oogen
naar den ingang van de zaal, waar zooeven een rijzig man in de kleedij
van gezant eener buitenlandsche mogendheid was verschenen.
Op de scherp geteekende trekken was verbazing te lezen en de koning
wendde zich tot zijn adjudant del Rio, die zijn oogen dichtkneep en nog
niets scheen te zien en daarop een monocle van onwaarschijnlijken
omvang in zijn rechter oogholte klemde.
Daarop richtte hij eenige woorden tot zijn souverein, en ten slotte
keerde deze zich tot den President, en scheen hem iets te vragen.
De man, wien deze belangstelling gold, was intusschen binnengekomen.
Hij scheen met moeite te loopen en hinkte een weinig.
Die man was John Raffles, die stoutmoedig zijn rol als de Chileensche
gezant kwam vervullen!
Naast hem schreed Charly Brand, die zich nog niet al te zeer op zijn
gemak scheen te gevoelen, en tamelijk bleek zag.
President Poincaré sprak eenige woorden tot Graaf Mollard, die even
rondkeek en toen op den gewaanden gezant afkwam.
Hij bleef verwonderd voor hem stilstaan en zeide toen:
—Het doet mij zeer groot genoegen, dat ik u hier zie, Excellentie! Om u
de waarheid te zeggen, geloofden wij niet, dat wij u zouden mogen
begroeten, na het betreurenswaardig ongeluk, waardoor gij hedenmiddag
zijt getroffen! De zaak schijnt dus gelukkig minder ernstig te zijn dan
wij vreesden!
—Een kleine verstuiking, mijn waarde graaf! antwoordde Raffles met een
uitstekend nagebootst Spaansch accent. Ik vreesde zelf in den aanvang,
dat ik er een paar dagen kamerarrest door zou houden, maar tegen den
avond begon de pijn te bedaren—en ik wilde mij het genoegen niet
ontzeggen, Zijne Majesteit mijn opwachting te maken!
—Mijnheer de President zond mij naar u toe, ten einde naar uw welzijn
te vernemen!
—Dat is zeer vriendelijk van Mijnheer den President! zeide de gewaande
gezant.
—Wenscht gij, dat ik u aan Zijne Majesteit voorstel?
—Maar uitsluitend daarvoor ben ik hier gekomen! antwoordde Raffles
snel.
—Wees dan zoo goed mij te volgen! hernam de ceremoniemeester.
Hij geleidde den gezant door de gasten, die eerbiedig plaats maakten,
en bracht Raffles tot voor de verhevenheid, waar koning Alfonso zich
nog altijd bevond.
De gezant had moeilijk geloopen en zijn secretaris moest hem daarbij
ondersteunen door hem een arm te geven.
Raffles maakte een hoofsche buiging voor den koning en wachtte toen,
zooals de etiquette voorschreef, tot de monarch het woord tot hem zou
richten.
De koning had geluisterd naar de officieele voorstelling en stak toen
den gezant zijn smalle, aristocratische hand toe.
—Men had mij medegedeeld, dat gij een zwaren val van uw paard hadt
gedaan, mijn waarde gezant! zeide de vorst, zich van de Spaansche taal
bedienend. Toen ging hij tot het Fransch over en vervolgde:
—Het doet mij groot genoegen, dat men blijkbaar uw toestand overdreven
heeft.
—Uw Majesteit doet mij te veel eer aan, zeide de gezant nederig. De
voet doet mij ongetwijfeld nog pijn, maar ik ben overtuigd, dat over
enkele dagen de gevolgen van mijn onvoorzichtigheid verdwenen zullen
zijn!
—Wilt gij mij niet eens mededeelen, hoe het ongeval zich heeft
toegedragen? vroeg de koning.
Dat was een lastige vraag, want daar wist Raffles bitter weinig van!
Hij redde er zich zoo goed als het ging uit door te antwoorden:
—Een te jong paard voor een te oud man, Sire! Meer kan ik er niet van
zeggen!
Koning Alfonso lachte tot al zijn groote, blinkende witte tanden te
zien kwamen en zeide, terwijl hij den gewaanden gezant met den vinger
dreigde:
—Moge dit u een les zijn voor een volgenden keer, Excellentie!
Hij wuifde hem vriendelijk met de hand toe, en Raffles begreep, dat het
onderhoud als geëindigd werd beschouwd en dat hij zich weder kon
verwijderen.
Buigend, en achteruitloopend, trok hij zich terug, moeilijk met zijn
been trekkend.
Charly had hem opnieuw onder den arm genomen en geleidde hem naar een
stil hoekje, dicht bij de danszaal.
Zoodra zij daar gekomen waren, fluisterde Raffles:
—Heb je op de prachtige diamanten van die oude, leelijke dame gelet,
die, als ik mij niet vergis, de echtgenoote is van den gezant van een
zéér bevriende natie?
—Jawel! antwoordde Charly. Ik weet welke je bedoelt! Ik taxeer ze op
ongeveer dertig duizend franc!
—Meer, mijn jongen, veel meer! antwoordde Raffles. Wel veertig! Wij
zullen het trouwens spoedig genoeg zeer nauwkeurig weten!
—Hoe zoo? vroeg Charly verbaasd en ook een weinig verschrikt.
—Omdat ik ze op het oogenblik in mijn zak heb!
Het scheelde niet veel of Charly had een schreeuw van ontsteltenis
gegeven.
Raffles had het dus aangedurfd, hier, in deze volle zaal, een der
aanwezige dames van haar kostbaar halssnoer te ontdoen, en dat met de
wetenschap, dat de diefstal elk oogenblik kon worden ontdekt!
—Bedenk je wel, wat dat zeggen wil? kon hij eindelijk heesch
fluisterend uitbrengen.
—Zeker—dat wil de leniging van zeer veel ondraaglijke ellende
beteekenen! antwoordde Raffles kortaf.
—Ik bedoel—nu, op dit oogenblik! drong Charly aan. De zaak kan iedere
seconde aan het licht komen!
—En wat zou dat dan? vroeg Raffles. Denk je, dat men dat aanstonds in
een gezelschap als dit gaat rondbazuinen? Vergeet je, dat daar ginds de
koning van Spanje staat? Acht je het geloofwaardig, dat men het
dadelijk van de daken gaat schreeuwen, dat hier een zoo brutale roof
heeft plaats gehad? Ik wilde je wijzer hebben!
—Maar er kunnen hier detectives aanwezig zijn!
—Die kúnnen niet aanwezig zijn, mijn waarde—ze zijn er inderdáád! Ik
heb er reeds twee herkend, en ik wil er heel wat onder verwedden, dat
er zeker een half dozijn Spaansche rechercheurs, als gasten vermomd,
hier rond loopen—of misschien wel als bedienden!
—En dat zeg je zoo kalm?
—Moet ik mij daarover opwinden? Zouden zij den gezant van Chili
wantrouwen? Ik gevoel mij zoo rustig, alsof ik thuis was, en—ik denk
mijn zoo goed begonnen operaties voort te zetten! Met mijn voet gaat
het nu wat beter, en je kunt mij gerust los laten!
Charly wilde nog iets zeggen, maar reeds was Raffles verdwenen.
De jonge man zag, hoe hij door de zaal gleed, en nu en dan werd
aangesproken.
Eensklaps schrok hij op.
Iemand had hem aangesproken.
Dadelijk herkende hij een Parijsch rechercheur, en hij dwong zich
aanstonds uit alle macht, om een vragend, eenigszins verstoord gezicht
te zetten.
—Neem mij niet kwalijk, dat ik u kom storen, mijnheer, zeide de
rechercheur. Ik wilde nog even naar den toestand van Zijne Excellentie
informeeren!
—Maar die is zoo goed, als hij in de gegeven omstandigheden maar zijn
kan! antwoordde Charly.
—Dat verheugt mij ten zeerste—en tevens verwondert het mij wel
eenigszins! Gij moet wetten, dat ik nog geen twee uur geleden mij ten
huize van den gezant vervoegde, en toen uit den mond van een der
bedienden moest vernemen, dat Zijne Excellentie veel pijn leed, en dus
stellig hedenavond niet op het Elysée zou komen! Ik verzocht toen, bij
Zijne Excellentie te worden toegelaten, en vond hem op een sofa
uitgestrekt, den voet in een koud waterverband. De markies deed mij de
eer, mij persoonlijk mede te deelen, dat er geen denken aan was, dat
hij zou komen, maar dat hij zich toch niet over zijn toestand ongerust
maakte, evenmin als de geneesheer. Gij kunt u dus voorstellen, hoezeer
ik verrast en verheugd ben, Zijne Excellentie desniettemin hier aan te
treffen!
Charly haalde de schouders op, ofschoon hij in zijn binnenste de
onvoorzichtigheid van zijn vriend naar den duivel wenschte.
—De Markies is zeer grillig, zeide hij onverschillig. Even nadat gij
waart vertrokken, veranderde hij van besluit, en gaf bevel, alles in
gereedheid te brengen voor zijn bezoek aan het Elysée! Zoo is hij nu
eenmaal! Dan verbijt hij zijn pijn, en niemand kan hem tegenhouden!
—Dat is zeker merkwaardig voor zulk een bejaard heer! hernam de
rechercheur—en of Charly zich vergiste—het was hem alsof er een glimp
van wantrouwen in de donkere oogen van den politieman school.
Deze vervolgde:
—En weet gij, wat mij ook bijzonder getroffen heeft?
—Ik ben er benieuwd naar! antwoordde Charly, ofschoon het hem volkomen
koud liet.
—Ik heb vanavond duidelijk gezien, dat de rechtervoet van Zijne
Excellentie gekneusd was—en de Markies schijnt toch met den linkervoet
te trekken!!
Charly kneep de lippen op elkander en had moeite zijn kalmte te
bewaren.
Toen zeide hij luchtig:
—Gij zult u wel vergist hebben, mijn waarde heer!
—Toch niet! En ik vind het zeer merkwaardig! Zie maar zelf!
Hij wees in de richting van den gewaanden gezant van Chili, die zich
vlak naast den koning bevond en nu langzaam met hem opliep naar een der
ramen, welke op het breede terras uitkomen, en daar met hem stilstond,
bijna alleen.
Een zonderlinge onrust scheen zich van den rechercheur meester te
maken.
—Wat gebeurt daar toch? mompelde hij. Dat is tegen het protocol!
—O, daar stoort Zijne Majesteit zich steeds bitter weinig aan—dat is
bekend! zeide Charly, die zijn hart in zijn keel voelde kloppen, daar
een voorgevoel ham zeide, dat de comedie haar hoogtepunt ging bereiken.
Langzaam kwamen zij naderbij, de rechercheur en de gewaande
Gezantschapssecretaris.
Ook de oogen van vele anderen waren op den koning en op den gezant van
Chili gevestigd.
En zij allen zagen, hoe de koning lachend zijn dikke portefeuille uit
zijn binnenzak haalde en er een papiertje uithaalde, hetwelk hij den
Chileen liet zien.
En toen zagen zij, hoe de ander deze portefeuille met een bliksemsnelle
beweging uit de hand van den monarch trok, en in zijn zak liet glijden!
De koning slaakte een kreet van woede, die niet koninklijk, maar wel
zeer menschelijk klonk, en wilde den ander vastgrijpen.
Maar de gewaande markies duwde den heerscher over het Spaansche volk
tamelijk onzacht achteruit, zoodat hij op een groote rustbank
terechtkwam, en met de beenen in de lucht spartelde, rukte een der
groote ramen open, sprong naar buiten en was verdwenen!
Maar hij had een zonderlingen doordringenden kreet geslaakt, die door
Charly maar al te goed begrepen werd!
Het ging om zijn vrijheid!
Hij slingerde den rechercheur terzijde, die hem wilde vastgrijpen, daar
hij nu het gansche bedrog doorzag, en vloog vlug als een haas naar het
opengelaten raam, dwars door de gasten, die van schrik letterlijk
versteend waren, terwijl enkele stokoude diplomaten stuntelige pogingen
aanwendden, hun sierlijke, maar wellicht vastgeroeste degens uit de
fluweelen scheden van hun statiegewaad te trekken!
Hij was met een geweldigen sprong over rustbank en koning heen, die nog
niet overeind had kunnen komen, en was zijn metgezel gevolgd.
Dit alles had ternauwernood enkele seconden geduurd, en toen men
eindelijk Zijne Majesteit te hulp kwam, en hem overeind hielp, toen de
detectives in alle richtingen wegsnelden—toen waren Raffles en Charly
reeds ver weg!
Toen zij in de auto zaten, welke hen in vliegende vaart naar het
vliegveld Issy-les-Moulineaux zou brengen, vroeg Charly, die nog niet
van zijn ontroering bekomen was:
—Hoe kwam de koning er toe zijn portefeuille te voorschijn te halen?
—Heel eenvoudig, zeide Raffles kalm. Ik had hem verzocht mij eens een
Spaansch bankbiljet te laten zien! De Chileensche regeering wil ze
juist zoo laten maken, weet je!