Den volgenden dag reden Raffles en Charly des middags in de fraaie auto
door de straten van Parijs, en opnieuw genoten zij van de ongestoorde
harmonie, welke geen andere stad der wereld in zoo hooge mate in het
stadsbeeld oplevert als de Fransche hoofdstad.
Het was een verrukkelijke dag en de zon scheen nog zoo warm, dat men
zich in den nazomer kon wanen.
De kap van de auto was dan ook teruggeslagen en de beide mannen hadden
zich ermede vergenoegd zich in hun pelsjas te steken.
Henderson reed de Champs Elysées af, tot hij de Rond Point bereikte,
sloeg toen de Avenue d’Antin in en koos zijn weg naar het noorden van
de stad naar de wijk der Batignolles.
De auto was de Rue de Pronie genaderd, en had deze eenigen tijd
gevolgd, toen er een groote auto kwam aanrijden, die stilhield voor een
fraai huis, boven welks deur een groot schild was aangebracht.
In de auto leunde een man van omstreeks vijftigjarigen leeftijd achter
in de kussens, terwijl een jongere man hem nu en dan toesprak met een
blik van medelijden in de oogen.
Met behulp van den chauffeur en dezen jongen man stapte de oude heer
uit de auto, waarbij hij veel pijn scheen te lijden.
Zijn eene voet was geheel in een wit verband gewikkeld, en hij leunde
zwaar op de schouders van de beide mannen, die hem ondersteunden.
Van uit de halve duisternis der koetspoort kwam een bediende
aansnellen, die de taak van den chauffeur overnam.
Deze keerde naar zijn wagen terug en reed ermee weg.
Raffles had Henderson verzocht, een weinig langzamer te rijden, en keek
Charly nu glimlachend aan.
—Je hebt immers den geheelen nacht volgehouden, mijn jongen, dat het
mij onmogelijk zou zijn, hedenavond toegang te krijgen tot het Elysée.
—Zeker! En dat houd ik vol!
—Dat is heel onverstandig van je, want niet ik alleen, maar wij beiden
zullen er heen gaan!
Charly wierp Raffles een blik van ongeloof toe en zeide:
—Dat is je zeker geen ernst?
—Volkomen ernst!
—Wil je mij dan eens zeggen, waaraan die plotselinge zekerheid is toe
te schrijven? vroeg Charly.
—Heel eenvoudig! Heb je dien man herkend, die zooeven uit de auto werd
geholpen en die aan den voet gewond is?
Charly schudde het hoofd.
—Dan heb je zeker niet goed de geïllustreerde bladen bestudeerd. Die
man was de Chileensche gezant te Parijs, Sanfuentes, die nog pas
gisteren een interview heeft toegestaan aan een vertegenwoordiger van
het „Journal des Débats”.
—En die andere heer?
—Dat zal zijn eerste secretaris, Aldunata, wel geweest zijn.
—Hoe komt de gezant dan gewond? riep Charly uit.
—Dat is meer dan ik je zeggen kan, maar het zou mij niet verwonderen
als hij van zijn paard was gevallen en zijn enkel had verstuikt! Zijn
eene laars was gespoord en zijn adjudant droeg een rijpantalon en had
een karwats in de hand.
—Dat heb ik niet opgelet!
Raffles dreigde den jongen man met den vinger en zeide bestraffend:
—Onoplettendheid is de grootste en de onvergeeflijkste fout in de
detectives en in hun tegenvoeters, Charly! Nu, ik heb dan beter
toegezien, en ik zou er wel wat onder durven verwedden, dat die heeren
zoo juist een wandeling hebben gemaakt, en dat de Chileensche gezant
daarbij van zijn paard geduikeld is!
—Je zou je weddenschap gewonnen hebben, Edward, want daar zie ik een
pikeur met twee paarden aankomen! zeide Charly, terwijl hij wees naar
een ruiter, die een tweede paard aan den teugel meevoerde.
De man kwam naderbij en reed met beide paarden onder de hooge
koetspoort door, waarop hij uit het gezicht verdween.
Charly had hem nagekeken en wendde zich nu weder tot Raffles met de
vraag:
—Wij nemen dus aan, voorloopig tenminste, dat Sanfuentes een wandelrit
heeft gemaakt en een klein ongeluk heeft gehad, door zijn voet te
verstuiken, maar wat heeft dat in ’s hemels naam te maken met je
plannen?
—O, het verband is veel nauwer dan je wel denkt, mijn jongen!
antwoordde Raffles glimlachend. De Chileensche gezant zal zich namelijk
naar den cercle of naar het Elysée hebben begeven.
Charly maakte een gebaar van schrik, want zonder nadere toelichting
begreep hij reeds, wat Raffles van plan was.
Maar toch wilde hij nog trachten zijn vriend terug te houden van een
voornemen, hetwelk hij bij voorbaat tot mislukking gedoemd achtte, en
daarom zocht hij naar bezwaren.
Hij meende er al zeer spoedig een gevonden te hebben en riep uit:
—Ik geloof, dat ik weet wat je wil doen, Edward! Je wilt ongetwijfeld
de plaats innemen van Sanfuentes, wat jou met je ongelooflijke
grimeerkunst al zeer gemakkelijk zou vallen, want de Chileensche gezant
heeft jouw donkergrijze oogen, je grootte, en ook wel eenigszins je
figuur, al is hij een weinig gevulder, maar je vergeet één ding—het is
natuurlijk alom bekend, dat de gezant zich gewond heeft en daarom zeker
niet zal kunnen verschijnen.
Als Charly gedacht had, dat dit bezwaar doel zou treffen, dan had hij
zich vergist!
Raffles had de wenkbrauwen opgetrokken en vroeg nu glimlachend:
—Hoe laat denk je wel, dat de Parijsche avondbladen gedrukt worden?
—Ik vermoed om een uur of zes.
—Je vergist je ruim een uur, Charly! hernam Raffles hoofdschuddend. Van
de meeste bladen wordt het redactioneele gedeelte reeds om half vijf
gesloten en zeker niet later dan hoogstens vijf uur. Het is dus zoo
goed als onmogelijk, dat het bericht van dit tamelijk onbeteekenende
ongelukje nog in de avondbladen zal verschijnen; dat kunnen wij
trouwens over een half uur al weten door eenige bladen aan een kiosk te
koopen.
—Laten wij dat dan eens aannemen, hernam Charly. Geloof je dan soms,
dat de gezant zich niet heeft laten excuseeren?
—Integendeel—dat zal hij wel gedaan hebben! antwoordde Raffles kalm.
Maar zulk een verstuiking kan binnen enkele uren zeer veel beter
worden—en de gezant kan er wel zoo bijzonder op gesteld zijn, aan de
feestelijke bijeenkomst in de officieele ontvangst van President
Poincaré deel te nemen, dat hij zijn pijn verbijt en zich toch maar
naar het Elysée laat brengen!
Charly liet zich achterover in de kussens vallen en vroeg zich verbaasd
af, of dit nu de redeneering was van een met reden begaafd wezen of van
een Don Quichot!
Hij slaakte een diepen zucht en zeide:
—Ik zie het wel—ik zal je niet kunnen weerhouden. Je wilt je zelf
blijkbaar moedwillig in het ongeluk storten!
—Als ik dat doe, Charly, dan zul je me toch zeker niet alleen mijn
ongeluk tegemoet zenden, nietwaar? vroeg Raffles, terwijl een
eigenaardige glimlach zijn lippen deed krullen.
—Wat wil je daarmee zeggen? stamelde Charly.
—Heel eenvoudig. De gezant komt natuurlijk niet alleen, maar laat zich
vergezellen door zijn secretaris!
—Dus—ik......? hakkelde Charly.
—Ja, jij! antwoordde Raffles lachend. Je zult voortreffelijk geschikt
zijn om de rol van Aldunata te vervullen, weliswaar is zijn haar
gitzwart, maar met een van de paar honderd pruiken in ons huisje aan de
Rue Marcadet te Montmartre, zal je zoodanig veranderen, dat men je in
het geheel niet zal herkennen—en het geluk wil, dat die jonge man
donkerblauwe oogen heeft, een bijzonderheid in zijn land. Ik hoop toch
niet, dat je aarzelt?
Charly vestigde zijn heldere oogen op het gelaat van zijn vriend en
zeide eenvoudig:
—Ik vind, dat je een waanzinnige daad begaat, die je je vrijheid kan
kosten, en misschien nog wel meer—en daarom zal ik je natuurlijk niet
alleen laten gaan—ik geloof echter, dat dit onze laatste reis naar
Parijs is geweest, en dat wij hier wel geruimen tijd zullen
blijven—heel wat langer dan ons aangenaam zal zijn......
—Kom, kom! Niet zoo zwartgallig, mijn jongen, hernam Raffles
glimlachend, terwijl hij Charly op den schouder klopte. Ik verzeker je,
dat alles op rolletjes zal loopen! Je moet niet vergeten, dat wij te
doen krijgen met diplomaten, hoog geplaatste officieren, ministers en
andere personen, die specialist zijn op hun bijzonder gebied, maar
meestal niet uitblinken door buitengewone schranderheid in het
algemeen. De meest ongehoorde dingen worden natuurlijk het minst
verwacht.
—En een vervanging van een gezant, al is het dan ook maar een
Chileensche, is toch zeker wel ongehoord!
Het was nu langzamerhand duister geworden en de straatlantaarns waren
opgestoken.
De auto had haar weg vervolgd, maar Raffles had toch de ligging van het
Chileensche gezantschap nauwkeurig in het geheugen geprent.
Langs de helderverlichte boulevards reed de auto weder terug en bracht
de beide vrienden weder naar hun hotel.
Zij dineerden er met opzet zoo vroeg mogelijk, en Raffles moest de
kosten van het onderhoud dragen, want Charly was zeer weinig
spraakzaam.
Een ontijdige ontdekking zou de noodlottigste gevolgen na zich sleepen,
en hoe gemakkelijk kon een schijnbaar onbeteekenend voorval, een
onverwachte samenloop van omstandigheden die ontdekking niet teweeg
brengen?
Daar was, om te beginnen, de Spaansche taal.
Men zou toch wel kunnen verwachten, dat de Chileensche gezant en zijn
secretaris hun landstaal zouden spreken!
Raffles nu sprak de Spaansche taal bijna even vloeiend als Fransch,
maar met zijn eigen kennis van de taal van Cervantes was het poover
gesteld!
En dan—hoeveel vergissingen zou hij niet kunnen begaan, hoe vaak zou
hij geen dingen doen, die in strijd waren met het heilige protocol,
waardoor hij meer de aandacht op zich zou vestigen dan goed was voor
zijn veiligheid en die van Raffles!
Deze evenwel scheen in de beste stemming te zijn en praatte geestig en
onderhoudend over allerlei zaken—maar in het geheel niet over de
receptie op het Elysée!
Dat was een gewoonte van den Grooten Onbekende—daardoor bleef de geest
frisch, zoo beweerde hij, en het was altijd vroeg genoeg om over de
aangelegenheid na te denken, wanneer men er zich middenin bevond.
Maar tegen het dessert meende Charly toch eensklaps een tegenwerping te
hebben gevonden, die onweerlegbaar was!
Zijn oogen schitterden van zegepraal, toen hij zich tot Raffles
overboog en fluisterend zeide:
—Een enkele opmerking, Edward!
—Toch niet over de zaak van vanavond? vroeg Raffles, terwijl hij even
de wenkbrauwen fronste.
—Ik vraag verschooning. Daar gaat het integendeel wel om!
—Maak het dan kort!
—Wil je mij eens zeggen, hoe je zoo zeker weet, dat Aldunata, de
secretaris van den gezant, niet alleen naar het Elysée zal gaan?
—Nu denk je me zeker met een enkelen treffer in den grond te hebben
geboord, mijn jongen, antwoordde Raffles glimlachend. Je vergist je
echter! Als de gezant niet gaat—dan gaat de secretaris ook niet. Dat is
zoo overal het gebruik over de geheele wereld—en men wijkt er nimmer
van af!
Charly zweeg. Ook dit laatste wapen was hem uit de handen geslagen.
Het diner werd tamelijk stilzwijgend geëindigd, en Charly rekende, in
zijn rol van secretaris van den Engelschen graaf, met den kellner af.
Henderson was reeds gewaarschuwd en stond reeds met de auto vóór het
terras van het hotel, toen de beide vrienden naar buiten stapten.
Maar toen zij in de auto gezeten waren, liet Charly nogmaals zijn
zwaarste geschut losbranden.
—Luister eens, Edward—de personen, die voor hedenavond op het Elysée
genodigd zijn, zullen natuurlijk wel een uitnoodigingskaart moeten
vertoonen?
—Dat spreekt van zelf!
—Dan heb ik je dan toch eindelijk vóór den loop van mijn geweer! riep
Charly triomfantelijk uit, want wij hebben zulk een kaart niet!
—Ik heb er tenminste niet een in mijn zak! hernam Raffles volmaakt
kalm; maar daarentegen eenige dozijnen, oningevuld, wel te verstaan—in
het huis in de Rue Marcadet! Eenige maanden geleden, toen ik hier
eveneens vertoefde, heb ik zulk een invitatie-kaart in handen gekregen,
en ik heb er toen met mijn eigen kleine handpers een paar dozijn van
nagemaakt—zeker geen kunstwerken, in typografisch opzicht, maar
ruimschoots voldoende voor ons doel!
Charly liet een zacht gekreun hooren en mompelde toen:
—Ik geef het op—laat het noodlot zich dan maar aan ons voltrekken!
Raffles barstte in lachen uit en riep:
—Je doet als een hoofdpersoon in een drama van Eugène Sue! Ik heb je
nog nimmer in zulk een eigenaardige stemming gezien! Ik ken je niet
meer! Zou dit soms het gevolg zijn van de Parijsche lucht?
—Dat weet ik niet, antwoordde Charly op somberen toon, maar ik gaf een
lief ding als ik weer rustig de lucht van Londen inademde!
—Als alles goed gaat, kun je dat reeds morgen, wie weet, vannacht,
alweder doen!
—En als het niet goed gaat?
—Met die mogelijkheid houd ik geen rekening!
En hiermede eindigde het gesprek.
De auto had intusschen in snelle vaart haar weg vervolgd en was langs
den Boulevard de Courcelles en den Boulevard des Batignolles naar den
heuvel van Montmartre gereden. Zij stak de Place de Clichy over, reed
de Avenue van dien naam op, volgde eenigen tijd de Avenue van St. Ouen
en sloeg ten slotte de Rue Marcadet in.
De wagen stond stil voor een zeer oud huis, hetwelk Raffles reeds jaren
geleden gekocht had, en dat zoo goed als steeds ledig stond.
Het diende zoogenaamd tot opslagplaats van handelsgoederen, maar
iemand, die er zou zijn binnengetreden, zou daar weinig van gevonden
hebben.
Het was een der oudste huizen van deze oude straat en was gelegen op
den hoek van de Rue de Bergerac. Het had een ingang in de beide
straten, en bovendien kon men het binnengaan door de deur van een
kleinen tuin aan den kant van de Rue Francœur. Het was dus als
aangewezen voor het doel, hetwelk Raffles zich gesteld had.
Mochten de drie uitgangen eens worden afgezet, dan nog was de
gentleman-inbreker niet als een muis in de val opgesloten, want dan kon
hij nog ontsnappen door den kelder. Daar bevond zich in den vloer een
verborgen luik, waarvan hij en zijn beide metgezellen alleen het geheim
kenden en dat het begin van een onderaardsche gang afsloot, die ruim
een kilometer verder uitkwam midden op het kerkhof van Montmartre,
dicht bij een vervallen grafkelder, die sedert eeuwen niet was
gebruikt.
De beide vrienden waren snel binnengetreden, en Henderson, die zijn
instructies had, liet de auto dadelijk keeren—een half uur later zou
hij zijn meester bij een anderen uitgang weder opwachten.
Raffles en Charly volgden een smalle gang, waar het pikdonker was,
zoodat zij van een electrische zaklantaarn gebruik moesten maken.
Daarop beklommen zij, ongeveer in het midden van deze gang, een oude,
eikenhouten wenteltrap en traden op de eerste verdieping een vrij ruim,
eenvoudig gemeubeld slaapvertrek binnen.
Er hing een muffe lucht, zooals in alle huizen, die niet of slechts
zelden bewoond worden, maar het was thans te gevaarlijk om een raam
open te zetten, dat op de binnenplaats uitzag.
Integendeel, het gordijn ervoor werd zorgvuldig dichtgetrokken, en
daarop trad Raffles naar den schoorsteen toe en drukte op een kleine
verhevenheid, die in de krullen van de lijst om een grooten spiegel was
aangebracht.
Dadelijk liet zich een zacht knarsend geluid hooren en de spiegel
draaide om een onzichtbare as—hij vormde een soort van deur, die een
smal vertrekje afsloot.
Men kon dit nu slechts bereiken door een stoel vóór den schoorsteen te
plaatsen en daarop te klimmen.
Het geheime vertrek, of liever de doodloopende gang was iets meer dan
een meter breed en bijna ongeveer drie meter lang.
Aan weerszijden met lakens bedekt, hing aan kapstokken een groot aantal
kleedingstukken: rokcostuums, livreien en uniformen van allerlei aard.
Op planken daarboven stonden doozen, die pruiken, valsche baarden en
andere benoodigdheden bevatten.
Ten slotte lag er op een der planken een groot boek, van de dikte van
een Statenbijbel, vol platen en een zeer nauwkeurige beschrijving van
alle leger-uniformen, diplomaten-gewaden en ridderorden ter wereld, van
het grootste land, zooals Amerika en Rusland af tot miniatuur-landjes
als het vorstendom Monaco toe.
Raffles had aanstonds dit boek ter hand genomen en het hoofdstuk
„Chili” opgeslagen.
Na eenige oogenblikken mompelde hij:
—De Chileensche gezantenuniform heb ik niet. Mijn verzameling is helaas
lang niet compleet.
Charly meende reeds victorie te kunnen roepen, maar hij kwam bedrogen
uit, want Raffles vervolgde:
—Ik heb echter wel een Chileensch generaalsuniform, die met een weinig
handigheid veranderd kan worden! Jij kunt voortreffelijk omgaan met
naald en draad, Charly, toon dus je kunst eens.
Raffles was de gang binnengetreden en wierp Charly, die in de kamer was
blijven staan, na eenige oogenblikken een complete uniform toe.
—Hierbij hoort eigenlijk een kepi, zeide hij, en wij hebben een steek
noodig. Maar deze fraaie Engelsche admiraalssteek kan, als hij een
weinig veranderd wordt, uitstekend dienst doen. Toon eens, wat je kunt,
mijn jongen, en maak hiervan, aan de hand van de beschrijving in mijn
boek, een Chileenschen diplomatensteek.
Zuchtend zette Charly zich met naald en draad aan het werk, nadat hij
uit een verborgen lade, eveneens in de kleederenkast, galon, gouddraad,
en eenige passementen had gehaald.
Zijn vaardige vingers draaiden en keerden de stugge stof van de
uniform, en het duurde niet lang, of hij had haar zoodanig veranderd,
dat het zeer moeilijk zou vallen, tenzij misschien aan een echten, op
de hoogte zijnden Chileen, om het bedrog te ontdekken.
Raffles had intusschen een illustratie uit zijn zak gehaald, welke een
uitstekend gelijkend portret van den Chileenschen gezant bevatte, en
deze foto voor zich neder gezet, tegen den rand van een kaptafel,
voorzien van een Venetiaanschen spiegel.
Hij had zich van pelsjas en rokcostuum ontdaan en begon zich nu met de
grootste zorgvuldigheid te grimeeren, nu en dan het portret voor zich
bestudeerend.
Zijn weelderig haar verdween onder een pruik van grijs haar, zoo
voortreffelijk nagemaakt, als geen enkele beroepsacteur de zijne zou
kunnen noemen, en welke zoo zuiver om het hoofd paste, dat een
afscheiding ook bij scherp toezien niet te ontdekken viel.
Raffles veranderde de kleur van zijn gelaat door middel van een soort
kleurstof, die er als helder water uitzag, maar in de lucht lichtbruin
opdroogde, en in niets geleek op de schmink, welke de tooneelspelers
gebruiken, maar hij bracht dit pas aan, nadat hij den vorm van zijn
neus geheel gewijzigd had, want markies Sanfuentes mocht zich verheugen
in het bezit van een zeer grooten, eenigszins terzijde gekromden neus,
en het was dus noodzakelijk, dit lichaamsdeel zoo goed mogelijk te
imiteeren.
Met behulp van een soort stopverf, die na eenige minuten tot een stijve
massa opdroogde, maakte Raffles eerst den vorm van den neus van zijn
model na, en overtoog toen het geheel met een zeer dun vleeschkleurig
vlies, hetwelk de opperhuid moest nabootsen.
Toen pas bracht hij het kleursel aan, en werkte de fijne naden weg, die
door het opleggen van het vlies waren ontstaan.
Nu nog een paar borstelige, grijze wenkbrauwen, een spitsen baard en
een martialen knevel, alles van menschenhaar vervaardigd—en de
gelijkenis was zoo volkomen, dat Charly, die reeds gereed was met zijn
kleermakerswerk, Raffles verstomd zat aan te zien.
En toen Raffles de uniform had aangetrokken, stond daar markies
Sanfuentes in eigen persoon.
—Maak nu maar wat voort! gaf Raffles te kennen, want de tijd begint te
dringen.
—Zal men mij niet herkennen? vroeg Charly, terwijl hij op zijn beurt
voor de kaptafel plaats nam.
—Men moet je juist wel herkennen, beste jongen! zeide Raffles
glimlachend. En stel je maar gerust—de Chileensche gezant is nog pas
zeer korten tijd te Parijs, en zijn secretaris zal nog wel niet zoo
algemeen bekend zijn. Dat jonge mensch zal het te druk hebben gehad met
het inrichten van de bureaux van zijn meester!
Na ongeveer twintig minuten riep Charly uit:
—Is het zoo goed?
Raffles draaide den jongen man, die van zijn stoel was opgestaan, om en
om en monsterde hem aandachtig.
Toen zeide hij:
—De kleur van je oogen is misschien wel wat lichter dan die van
Aldunata, maar daar is niets aan te doen, en wij mogen er op rekenen,
dat het licht daar in de receptiezaal wel anders zijn zal dan hier. En
nu vooruit! Het is reeds negen uur en het diner zal daarginds wel
afgeloopen zijn.
—Wat doet Henderson?
—Die wacht ons op een afgesproken plaats, in de Rue du Faubourg Saint
Honoré en komt dadelijk op het afgesproken sein—drie fluitstooten kort
achtereen.
—Nu—laat ons dan maar gaan, en ons hoofd in den muil van den leeuw
steken, kwam Charly op melodramatischen toon.
—Kom—het zal geen leeuw zijn, maar een gewone huis- of tuinpoes! zeide
Raffles lachend.
—Ik hoop het! zuchtte Charly, terwijl hij zijn rok aanschoot.
Raffles had intusschen uit de geheime lade een pakje oningevulde
invitatie-formulieren genomen, zooals ze gebruikt worden voor de
uitnoodigingen van den president der Fransche Republiek, en er met
keurig schrift de namen van Sanfuentes en zijn eersten secretaris
Aldunata op ingevuld, benevens den aard van het feest waartoe zij
werden geïnviteerd.
Er was nu juist een uur verloopen, sedert de vrienden waren
binnengetreden, en buiten klonk autogetoeter.
—Daar is Henderson, zeide Raffles. De tijd om te handelen is
aangebroken, mijn waarde! Courage, het hoofd op, het oog open, de ooren
gespitst! Naar het Elysée.