Het was nu zaak, den terugweg te aanvaarden—tenminste aldus dacht
Charly Brand. Maar Raffles bleek andere plannen te hebben.
Tot niet geringe verwondering van den jongen man, liet Raffles de
machine een grooten boog beschrijven en zette koers naar
Issy-les-Moulineaux, waar zich het grootste vliegterrein van Frankrijk
bevindt, en waar ook de aero-club van Parijs haar groote loodsen heeft.
Vóór Charly nog goed begreep wat Raffles van plan was, had deze den
„Duivel der Lucht” in een onberispelijken zweef doen dalen, en even
later rolden de wielen over het grastapijt.
Het liep naar zessen, en men kon reeds tamelijk goed om zich heen zien.
Op het vliegterrein bleken echter nog slechts een paar nachtwakers
aanwezig te zijn, die haastig met electrische lantaarns kwamen
toeloopen en niet weinig verbaasd waren de vliegmachine met haar
zonderlingen, nog onbekenden, vorm te ontwaren.
Henderson had nog tijdens de vlucht de machine aan het oog onttrokken
door er een soort kap van staalplaat overeen te plaatsen, die wel wat
geleek op de houten kappen, waarmede men schrijfmachines toedekt, en
deze zorgvuldig gesloten, zoodat geen onbevoegden een blik zoude kunnen
slaan op het geheime mechaniek.
Raffles wendde zich aanstonds tot de beide bewakers, drukte hun een
goede fooi in de hand, en zeide in vloeiend Fransch:
—Wij zijn Engelschen, vriend, en wij denken hier eenige dagen te
blijven! Zeg ons, wat wij te doen hebben om aan de douane-formaliteiten
te voldoen en of er hier plaats is tot stalling van onze machine.
—Wat het laatste betreft, mijnheer, plaats is er in overvloed,
antwoordde een der bewakers. Wij zullen een loods voor uwe machine
reserveeren. Wat de douane-formaliteiten aangaat, zoo hebt gij niets
anders te doen dan uwe machine te laten aangeven bij den douanepost aan
het begin van het veld! Als gij geen bagage bij u hebt, zal alles zeer
gemakkelijk gaan!
—Zooveel te beter! antwoordde Raffles. Wij zullen u wel helpen met het
onderdak brengen van de machine.
En hierop duwden de vijf mannen het wonderbare vliegtuig zonder moeite
naar een van de loodsen, waarop de drie mannen zich naar het kleine
kantoor van den douanier begaven, die in zijn klein hokje zat te
dommelen, en met bijna gesloten oogen de noodige formulieren invulde.
Eindelijk konden de drie reizigers het vliegterrein verlaten.
Een ondernemend Parijzenaar had een klein restaurant, uit planken en
gegolfd plaatijzer opgetrokken, dicht bij den ingang van het vliegveld
geplaatst, hetwelk ten zuid-westen van het ontzaglijke manoeuvre-veld
is gelegen en dat was voor de drie reizigers een gunstige
omstandigheid, want er zouden voorloopig nog wel geen omnibussen rijden
en zij hadden grooten trek in een kop warme koffie.
Alleen de eigenaar van deze primitieve inrichting was op de been, toen
zij de gelagkamer binnentraden, en hield zich daar onledig met pogingen
om een kachel te doen branden, een werkje, waarin hij het blijkbaar
niet zeer ver gebracht had.
De goede man was tamelijk verwonderd, op dit vroege uur drie zulke
uitstekend gekleede vreemdelingen te zien verschijnen, maar hij was
dadelijk een en al gedienstigheid, en een kwartier later genoten de
drie Engelschen van een voortrekkelijken kop zwarte koffie, zooals men
die maar alleen te Parijs kan drinken.
Toen zij de eerste teugen van het kostelijke vocht gedronken hadden,
begon Charly:
—Ik wil niet ontkennen, Edward, dat ik mij hier uitstekend bevind, in
die goed verwarmde gelagkamer, met dezen kop voortreffelijke koffie
vóór mij—maar ik zou toch wel eens gaarne willen weten, hoe het komt,
dat ik nu hier zit en niet ergens boven het Kanaal zweef.
—Heel eenvoudig, mijn jongen, ik ben van plan eenige dagen in Parijs te
blijven.
—Midden in den winter?
—Midden in den winter!
—Mag ik vragen wat je hier zoo plotseling aantrekt?
—Natuurlijk! Heb je de bladen dan niet gelezen?
—De bladen? herhaalde Charly verbaasd, zeker heb ik dat! Maar ik kan
niet inzien...
—Dan hecht je zeker niet veel waarde aan een omstandigheid welke mijn
aandacht heeft getroffen; ik zal je niet langer in de onzekerheid
houden. Koning Alfonso van Spanje is hier op bezoek, weliswaar niet
officieel, want hij reist incognito, onder den naam van den graaf van
Toledo, maar dat heeft toch niet belet, dat President Poincaré hem in
statie heeft ontvangen en dat Zijne Majesteit morgen op het Elysée zal
dineeren. Toespraken worden er dan natuurlijk niet gewisseld—maar dat
neemt niet weg, dat het bezoek van den koning van Spanje van groot
gewicht voor zijn eigen land zoowel als voor Frankrijk is.
—Dat is waar! riep Charly nu uit. De betrekkingen tusschen de beide
landen zijn een weinig gespannen in verband met de Marokkaansche
kwestie.
Naar het schijnt is er oneenigheid gerezen naar aanleiding van de
Spaansche interpretatie van de overeenkomst volgens welke Spanje het
protectoraat uitoefent over een deel van Marokko.
—Juist, en Alfonso is eenvoudig hier gekomen om de zaak in der minne te
schikken. Hij is een groot minnaar van Frankrijk en men heeft te Madrid
waarschijnlijk geoordeeld, dat hij beter dan iemand anders in staat zou
zijn om het opkomend onweder te doen overdrijven.
—Nu ja—maar wat kan ons dat nu eigenlijk allemaal schelen, hernam
Charly verwonderd, terwijl hij zijn stem liet dalen.
—Meer dan je denkt, antwoordde Raffles glimlachend, denk toch eens aan,
een koning. Weliswaar een koning zonder grooten hofstaat, maar toch een
voortreffelijk object......
Raffles voltooide den zin niet, maar wierp Charly een eigenaardigen
blik toe.
De jonge man wierp zich met een verschrikte uitdrukking op zijn gelaat
achterover in zijn stoel en zeide toen bijna onhoorbaar:
—Ben je krankzinnig geworden? Dat kan je toch onmogelijk ernst zijn?
—Het is mij integendeel volle ernst! Hier biedt zich een prachtige
gelegenheid aan, om het avontuurlijke met het nuttige te vereenigen! De
koning van Spanje wordt over het algemeen een sympathiek man geacht,
maar toch een weinig gierig. Ik acht dit een zeer slechte
karaktereigenschap, die bestraft moet worden! En dan—ik zou dien
monarch zoo gaarne eens van dicht bij zien, en daarom heb ik geen
weerstand kunnen bieden aan den lust hier eenige dagen te vertoeven.
—Maar hoe stel je je dat toch wel voor, om in zijn nabijheid te
geraken? ging Charly hoofdschuddend voort.
—O, dat zal mij later wel invallen, dat is niet zoo moeilijk. Wij
kunnen ons bijvoorbeeld uitgeven voor bijzondere correspondenten van de
„Times” of van een ander groot blad, maar dat is van later zorg. Ik
moet natuurlijk eerst de plaatselijke gesteldheid opnemen, alvorens ik
mijn veldtochtplan klaar heb.
Charly zeide niets meer.
Het avontuur leek hem zóó dol, zóó volmaakt onuitvoerbaar, dat hij er
zelfs niet meer over spreken wilde.
De koning van Spanje berooven, het was onzinnig; het kon alleen maar
ontstaan in het brein van een man als John Raffles.
Het was nu dag geworden en de zon schoot haar schuine stralen over het
aardrijk en rolde als het ware de nevelen op, die het ontzaglijke
manoeuvreterrein tot dusverre aan het oog had onttrokken.
—Luister eens, vriend, zoo wendde Raffles zich tot den
restauranthouder, kan men hier in de buurt een auto huren?
—Zeker, mijnheer, antwoordde de man gedienstig. Gij kunt goede auto’s
huren in een garage op den hoek van den Boulevard Gambetta en de Place
Voltaire, op ongeveer twintig minuten loopen hier vandaan, maar als gij
nog een kwartier kunt wachten, dan kunt gij u die kosten besparen, want
gij zijt hier slechts tien minuten gaans van de halte van Issy van den
ceintuur-spoorweg, die u tot in het hartje van Parijs brengt.
—Zooveel te beter! hernam Raffles, dan zullen wij met den trein gaan.
Hij betaalde, en een oogenblik later wandelden de drie mannen langs den
Boulevard Rouget de Lille, die het vliegveld van het manoeuvreterrein
scheidt.
Na tien minuten te hebben geloopen traden zij het kleine haltestation
binnen en vijf minuten later kwam de trein aanrijden, die hen door de
Porte du Bas Meudon Parijs binnenvoerde.
Zij stapten aan het station van de Champ de Mars uit.
Het was toen kwart over negenen, en de grootste drukte van het
coiffeur- en het winkelpersoneel, dat zich naar zijn betrekking begaf,
was reeds gedaan.
—Nu zullen wij maar eerst eens omzien naar een goed hotel, stelde
Raffles voor.
—Ik weet een voortreffelijk hotel maar dat ligt in Londen aan de
Readsing-Street, zeide Charly droogjes, die zich nog volstrekt niet kon
vereenigen met het denkbeeld, dat hij zich in Parijs bevond om aandeel
te nemen in een hoogst gevaarlijk avontuur.
Raffles liet een kort lachje hooren en zeide:
—Naar het schijnt ben je met mijn plannetje niet zeer ingenomen, mijn
jongen.
—Je plannetje, herhaalde Charly verontwaardigd, waarom noem je het niet
liever een uitspanning, iemand die voornemens was, zijn heele verdere
leven in de gevangenis door te brengen zou onmogelijk anders kunnen
handelen.
—Kom, kom—je bent een zwartkijker, kwam Raffles kalm, je zoudt in staat
zijn mij mijn vermaak te bederven. Ik zeg je, dat alles gesmeerd zal
loopen—als wij het geluk althans aan onze zijde hebben.
—En als het geluk eens ditmaal niets van ons weten wil, drong Charly
aan.
—Wel, dan geven wij de partij eenvoudig verloren en verwijderen ons.
—Je kunt er gemakkelijk over spreken, zeide Charly schamper; het is
maar de vraag of men ons daartoe de gelegenheid zal laten.
—O, wij zullen die gelegenheid wel scheppen! kwam Raffles, eenigszins
ongeduldig, en laat verdere opmerkingen nu maar achterwege, want er zal
geen rekening mee worden gehouden.
Charly pruttelde iets voor zich heen, dat onverstaanbaar was in het
straatgewoel, en schikte zich in het onvermijdelijke.
Raffles had het krankzinnige plan nu eenmaal opgevat—de treurige
gevolgen zouden voor zijn rekening zijn.
—Laat ons nu eens zien waar de koning logeert, begon Raffles weder,
alsof Charly in het geheel niets gezegd had. Men heeft hem een
onderkomen verschaft in het hotel Maurice aan de Champs Elysées
gelegen, reeds daaruit blijkt dat zijn reis niet officieel is, anders
zou hij natuurlijk aan het Elysée logeeren. Het zal zaak voor ons zijn,
zoo dicht mogelijk in zijn nabijheid te vertoeven, en daarom stel ik
voor, onzen intrek te nemen in het Hotel de l’Esplanade, niet ver van
de Place de l’Etoile, en aan denzelfden prachtigen verkeersweg gelegen;
draagt mijn keuze je goedkeuring weg of geef je de voorkeur aan een
ander hotel?
—Ik zou de voorkeur geven aan den eersten den besten trein, die mij
naar Calais bracht! antwoordde Charly.
Raffles schudde afkeurend het hoofd en hernam:
—Men kan het jou ook nooit naar den zin maken. Hoe is het mogelijk, dat
je het pittoreske van mijn onderneming niet inziet, jij zult nooit
leeren begrijpen, dat men een berooving zoodanig met romantiek kan
omkleeden, dat zij zelfs voor den beroofde bijna aantrekkelijk wordt.
—Een kwestie van opvatting, bromde Charly schouderophalend, en als ik
nu eenmaal toch hier moet blijven, dan is mij mijn woonplaats
onverschillig.
—Dan maar naar het hotel de l’Esplanade, zeide Raffles lachend.
Hij wendde zich daarop tot Henderson, en zeide:
—Je draagt immers je livrei onder je dikken pels?
—Om u te dienen, Mylord.
—Prachtig!
Wij zijn hier op den Quai d’Orsai, en daar weet ik een groote
verhuurinrichting van auto’s waar je een flinken, zeer snellen wagen
moet uitzoeken.
—All right, Mylord, antwoordde de chauffeur.
De drie mannen waren den Eiffeltoren reeds voorbijgeloopen en op den
hoek van de Avenue de la Bourdonnais traden zij een groote garage
binnen, waar Henderson spoedig een niet al te groote, maar zeer fraaie
en snelle auto had uitgezocht, geschikt voor vier personen.
Nadat Raffles zich in het verhuurregister had laten inschrijven als
graaf Gresham en het vrij hooge staangeld vooruit had voldaan, en nadat
hij ook als verblijfplaats het Hotel de l’Esplanade had opgegeven,
stapten de beide vrienden in, terwijl Henderson achter het stuurwiel
plaats nam.
De brave kerel was met Raffles reeds herhaaldelijk in Parijs geweest en
kende er den weg, althans wat de hoofdstraten betreft, even goed als
zijn meester. Hij stuurde dus de auto zonder te aarzelen langs den Quai
d’Orsai tot aan de l’Alma, reed de Seinebrug over, stak de Place de
l’Alma dwars over en reed de Avenue Marcoi in, welke hij volgde tot aan
de wereldberoemde Place de l’Etoile, in welks midden zich de Zegenboog,
het door Napoleon I gestichte kunstwerk verhief, opgericht ter eere van
de vele overwinningen van het Fransche leger ten tijde van het eerste
keizerrijk, en waarop de namen van Marengo, Yena, Austerlitz en zooveel
andere in onvergankelijke glorie prijkten.
Hier liet hij de auto een wending maken en reed de Avenue des Champs
Elysées op. Op den hoek van de Rue Barsac stond de auto stil voor het
fraaie terras van het Hotel de l’Esplanade.
Een portier kwam ijlings toesnellen, die het portier van de auto
opende, nog voor een der reizigers dit had kunnen doen, ofschoon zij
vlug genoeg waren.
Raffles en Charly stapten uit, en Henderson reed de auto naar de
garage, die zich achter het groote hotel bevond.
De twee vrienden begaven zich naar de loge van den portier, en lieten
hun namen inschrijven: „Graaf Gresham en secretaris”.
Zij kregen twee kamers op de tweede verdieping, en begaven zich
aanstonds daar heen, teneinde zich een weinig te verfrisschen.
Daar hun eetlust door de luchtreis en alles wat daarop gevolgd was,
niet weinig was geprikkeld, daalden zij naar de eetzaal af, waar zich
nog slechts een gering aantal reizigers bevonden, en lieten zich
chocolade en cakes brengen, daar het voor het eerste ontbijt nog veel
te vroeg was.
Terwijl zij zich de smakelijke koek goed lieten smaken, las Raffles
vluchtig de „Figaro” door, die wel het best zou zijn ingelicht omtrent
het doen en laten van Spanje’s koning in de Fransche hoofdstad.
Hij had spoedig gevonden wat hij zocht.
Zijne Majesteit had den dag te voren te Rambouillet gejaagd, en later
deputaties ontvangen van verminkten uit den grooten oorlog,
oorlogsweduwen of moeders van krijgsgevangenen, die hem dank wilden
zeggen voor zijn bemiddeling bij het overbrengen van berichten omtrent
het lot der hunnen tijdens de vreeselijke wereldworsteling.
Den volgenden dag zou een rondrit door Parijs en omstreken plaats
hebben en des avonds zou er een gala-diner op het Elysée plaats vinden,
gevolgd door een cercle.
In het deftige Parijsche blad vond Raffles bovendien nog enkele
aanwijzingen, welke hem van groot nut zouden kunnen zijn bij zijn
gevaarvolle onderneming.
Zijne Majesteit was namelijk vergezeld door zijn aide de camp, den
brigade-generaal Del Rio, zijn adjudant, kapitein De Estella, en den
hofstalmeester, markies De Vianna.
Naar Raffles meende, moest het onder deze omstandigheden niet
onmogelijk zijn, toegang tot den koning te erlangen.
Hij vouwde het blad weder dicht, en zat geruimen tijd in gedachten
verzonken.
Maar als Charly hem een half uur later eens had gevraagd of hij reeds
een plan had gemaakt, dan zou hij ontkennend hebben moeten antwoorden.