DE VLUCHT.

Den volgenden morgen om negen uur kwamen zich twee mannen aan het

ziekenhuis in de Sloane Street aanmelden, die verklaarden, te moeten

nazien of de reparatie op het dak wel goed verricht was.

Zij noemden den naam van de firma Dribbel and Jonas en daar zij er

juist uitzagen als de personen, die zij voorgaven te zijn, werden

Raffles en Charly zonder eenig bezwaar binnen gelaten, en wees men hun

den weg naar het groote dak.

Daar gekomen, nam Raffles de reparatie schijnbaar met de grootste zorg

op, schudde nu en dan het hoofd, en zeide eindelijk tegen den

surveillant, die hem en Charly hierheen had vergezeld:

—Er zijn nog een paar plekken, die nog wel wat afgewerkt mochten

worden, mijnheer! Het werk van een uur! Laat u niet ophouden—wij vinden

den weg wel weer!

De zoogenaamde werkbaas wierp zijn tasch met gereedschap neer en

bekommerde zich niet langer om den surveillant, die vond, dat hij zijn

plicht had gedaan en er bitter weinig voor gevoelde in het snerpend

koude Novemberweder langer op het dak te blijven dan volstrekt

noodzakelijk was.

—Meldt u dan even aan als het werk gedaan is, zeide hij in de handen

wrijvend.

—Tot uw dienst, mijnheer! kwam Charly, die reeds de tasch geopend had

en er een klein komfoor had uitgehaald.

De surveillant verdween en Raffles en Charly hadden nu het rijk alleen,

en konden ongestoord de omgeving opnemen.

Diep onder hen gaapte het groote, vierkante gat van de binnenplaats.

Recht tegenover de plek waar zij stonden verrees de achtergevel van het

voorgebouw, aansluitend bij de zijgevels, die op hun beurt weder

aansluiting hadden bij het achtergebouw.

Het dak liep dus inderdaad onafgebroken om de binnenplaats heen, en dat

was een groot voordeel voor de twee gewaande loodgieters.

Want vlak over hen, aan de andere zijde van die plaats, op bijna zestig

meter afstand, was het getraliede raam van de kamer, waar men de

misdadige zieken en gewonden verpleegde, die slechts wachten op het

oogenblik dat zij deze kamercel zouden verruilen tegen de cel eener

gevangenis.

De bovenkant van het raam raakte bijna de daklijst, die hier slechts

een smalle goot droeg.

Het raam was gesloten, maar de gordijnen waren terzijde geschoven, en

vaag was daarbinnen de omtrek van het bed zichtbaar.

Raffles trok zich zoover terug, dat men van den anderen kant niets zou

kunnen zien, tenzij uit de ramen, die op gelijke hoogte met dat van de

cel gelegen waren, en haalde een sterk vergrootenden verrekijker uit

zijn zak, in den vorm van een gewonen tooneelkijker, maar met dit

verschil dat men door eenvoudig een scharnier te doen draaien, met

behulp van een spiegelinrichting ook terzijde, en zelfs achter zich kon

zien.

Hij bracht het toestel voor het oog, zorg dragende dat hij half achter

een schoorsteen verborgen was, en keek naar het raam.

Een seconde later liet hij den kijker weder zakken en zeide:

—Hij ligt alleen! Het is tijd, om hem onze boodschap te doen toekomen!

—Maar dat zal niet mogelijk zijn! kwam Charly. Het raam is immers

gesloten!

—Dan moet het geopend worden, hernam Raffles kortaf. Jij blijft hier en

ik ga naar dien overkant, tot boven het venster. Doe alsof je aan ’t

werk waart, maar let goed op mij, en houd den kijker bij je, zoodat je

in het vertrek kunt zien. Er zal zoo dadelijk wel een verpleger

binnenkomen, en het raam openen. Zoodra je ziet, dat hij zich weder

verwijderd heeft, ga je op een schoorsteenrand zitten. Dat zal voor mij

het teeken zijn, dat alles veilig is en ik kan handelen! Mocht er

echter, juist terwijl ik aan den overkant kom, iemand de cel

binnentreden, wat ik natuurlijk niet zou kunnen zien, zonder mijn

tegenwoordigheid te verraden, waarschuw mij dan door je pet af te nemen

en over je hoofd te strijken met je zakdoek.

—In orde! zeide Charly. Ik zal goed acht geven.

Raffles nam een dunne koperen staaf uit de gereedschapstasch en begon

zijn tocht over het dak, na Charly te hebben toegeknikt.

Nu en dan stond hij stil en deed alsof hij de looden dakbedekking aan

een inspectie onderwierp.

Zoo bereikte hij de overzijde, juist boven het venster van de cel.

Charly zag hoe hij een stuk papier uit zijn zak haalde en er blijkbaar

met groote letters iets op schreef.

Daarop bond Raffles het papier aan het uiteinde van zijn dunne koperen

staaf en keek naar de overzijde.

Charly had zijn kijker gebruikt en gezien, dat de kamer nog altijd leeg

was op den zieke na.

Het moest dus nu gewaagd worden.

Charly verroerde zich niet en Raffles begreep hieruit, dat alles veilig

was.

Toen trok Raffles de stang weder naar zich toe, en wachtte.

Zou Beaupré wakker zijn geweest?

Zou hij het papier wel hebben gezien, en zoo ja—zou hij dan hebben

gezien wat er op te lezen stond?

Binnen enkele minuten moest dit beslist worden.

Charly hield zijn blikken door den kijker onafgewend op het

ziekenvertrek gericht, ten einde Raffles op tijd te kunnen waarschuwen.

En nu zag hij hoe de deur open ging en er een verpleger binnen trad.

Blijkbaar had Beaupré de boodschap kunnen lezen, en op een bel naast

zijn bed gedrukt.

De verpleger scheen eenige woorden met den gewonde te wisselen—en trad

toen naar het raam toe.

Charly bukte zich dadelijk, en deed alsof hij druk bezig was met de

dakbedekking.

Toen hij even later weder keek, zag hij dat het raam geopend was......

Weer sprak de verpleger even met Beaupré, en daarop verwijderde hij

zich weder.

Charly zette zich dadelijk op den rand van een schoorsteen, zooals hij

met Raffles had afgesproken.

Deze ging plat op zijn buik op het platte dak liggen, zoodat zijn hoofd

over de goot heen stak, en deed alsof hij deze onderzocht.

Maar inderdaad wierp hij met de hand, die de sterkte van de goot scheen

te beproeven, een klein pakje naar binnen, dat juist op het bed van den

gewonde terecht kwam.

Hij kwam weer overeind, liep voor de leus nog eenige passen verder,

trok hier en daar aan een steunstang van een schoorsteen, en keerde

toen weder kalm op zijn schreden terug.

Spoedig had hij zich weder bij Charly gevoegd, die vol ongeduld zijn

terugkomst afwachtte.

Op zachten toon, alsof men hem hier had kunnen hooren, vroeg de jonge

man:

—Wat heb je nu eigenlijk gedaan?

—Ik heb hem eerst gevraagd, een verpleger te roepen en dien te

verzoeken het venster onder een of ander voorwendsel te openen. Daarop

heb ik een pakje op zijn bed geworpen, hetwelk in de eerste plaats een

middel van mijn vinding bevat, bij uitstek geschikt om de uitgeputte

levenskrachten zeer snel te herstellen, veel sneller dan waarop de

geneesheeren kunnen rekenen, vervolgens een sterke vijl, om de tralies

door te vijlen, en een dun maar zeer stevig knoopentouw, aan het einde

van een stalen haak voorzien, waaraan hij zich zal kunnen laten zakken,

en eindelijk een kort briefje met de noodige aanwijzingen.

—Wat behelst dat briefje als ik vragen mag?

—Ik zeg hem daarin, dat hij zich bij voortduring zeer zwak en ziek moet

houden, om de verplegers om den tuin te leiden, zoodat zij niet al te

waakzaam zijn, dat hij over drie dagen sterk genoeg zal zijn om te

ontvluchten, al zijn zijn wonden dan zeker nog lang niet genezen, en

dat er precies om drie in den nacht een auto zal gereed staan op den

hoek van de Sloane Street en Beggar Road, om hem op te nemen.

—En wij?

—Wij wachten op hem!

—Maar zal hij dat pakje wel kunnen verbergen?

—Als hij dat niet kan, is hij geen knip voor den neus waard, en zeker

niet geschikt om aan het hoofd eener Parijsche dievenbende te staan!

antwoordde Raffles verachtelijk. Hij kan het onder aan zijn matras

binden, met behulp van het touw dat er omheen gebonden was, maar hij

zal nu wel niet verbed worden, en daarom kan hij het eenvoudig onder

zijn peluw schuiven. En nu hebben wij hier verder niets meer te doen,

mijn jongen! Ik zie, dat de reparatie toch wel heel deugdelijk is

uitgevoerd! Op weg maar!

De twee mannen namen hun zak met gereedschap weder op en klommen door

het dakluik naar den zolder, waarop zij de trappen afdaalden en beneden

bij den portier hun bevindingen omtrent den staat van het dak gingen

mededeelen.

Nog geen vol half uur nadat zij gekomen waren, stonden de gewaande

loodgieters weer op straat.

Drie dagen waren verloopen.

Het was omstreeks een uur in den nacht.

De surveillanten hadden zooeven hun laatste ronde door de particuliere

ziekenkamers gedaan, en ook Beaupré bezocht, die schijnbaar koortsig op

zijn leger heen en weer woelde.

En daarop was de ijzeren deur in het slot gedraaid, en de gewonde

hoorde, hoe een der surveillanten een stoel naderbij trok, en hoe het

meubel onder zijn gewicht kraakte, toen hij er op ging zitten, om naast

de deur te waken.

Beaupré was verre van koortsig—of het moest zijn van spanning en

opwinding.

Integendeel—hij gevoelde zich sterk en krachtig en alleen zijn wonden

deden hem pijn.

Het geheimzinnige middel, hem door Raffles verstrekt, had wonderen

uitgewerkt!

Hij had zijn kracht als het ware met ieder uur voelen toenemen, en nu

was hij vastbesloten een poging te wagen om zijn vrijheid te

herkrijgen.

Hij wist wel dat de bewaker meestal na een half uur insluimerde,

oordeelende, dat iedere poging om te ontvluchten van den zoo verzwakten

en uitgeputten gewonde tot de onmogelijkheden behoorde.

En zoo luisterde hij ingespannen naar alle geluiden welke door de

ijzeren deur tot hem doordrongen.

Hij wist precies hoe laat het was, want alles was in dit ziekenhuis met

de regelmaat van een klok ingericht.

Het oogenblik ging aanbreken waarop hij aanstalten zou moeten maken om

te ontvluchten.

Hij zou zeker wel een uur noodig hebben om de tralies van zijn venster

door te vijlen.

Hij voelde zijn slapen kloppen en een zenuwachtige rilling liep nu en

dan over zijn lichaam, want het volgende uur moest hem de vrijheid of

een langdurige, misschien wel levenslange gevangenisstraf brengen.

Eindelijk vernam zijn oor een zacht gerucht, dat hem wel bekend was—het

was het gesnurk van den surveillant aan de andere zijde van de deur,

dat tot hem doordrong.

Dadelijk wierp Beaupré het dek van zich af en liet zich behoedzaam uit

het bed glijden.

Tot zijn geluk droeg hij een warmen, flanellen pyjama en hij wist dat

zijn overjas in een kast was opgehangen.

Hij sloop daar naar toe, nam er het kleedingstuk uit en trok het aan.

Vervolgens sloeg hij nog een deken om, trad op het venster toe en

opende het zonder geraas te maken.

Hij nam nu de vijl ter hand, besmeerde een der staven met een weinig

vet ten einde het gekras van het werk zooveel mogelijk te dempen en

begon met zijn arbeid.

Het ging vlugger dan hij vermoed had, want de vijl was van uitmuntende

kwaliteit en tastte het ijzer der tralies snel aan.

Toch duurde het een vol uur alvorens Beaupré een paar der spijlen

geheel had doorgevijld, en had kunnen ombuigen, zoodat er een gat

ontstond, groot genoeg om hem doorgang te geven.

Van tijd tot tijd was hij aan de deur gaan luisteren, waarachter nog

steeds het regelmatig gesnurk van den surveillant klonk.

Nu zou hij zich echter moeten haasten, want over een kwartier zou de

hoofdverpleger van deze verdieping zijn ronde doen om zich te

vergewissen of alles in orde was en dan kon hij het wel in zijn hoofd

krijgen een blik in de celkamer te werpen.

Het oogenblik om te handelen was dus aangebroken.

Beaupré sneed een reep van de wollen deken, met behulp van het kleine

mes hetwelk hij eveneens in het pakje had gevonden, dat Raffles hem zoo

behendig in handen had weten te spelen en knoopte deze bij wijze van

een bouffante om zijn hals, ten einde aldus eenigszins beschermd te

zijn tegen de koude van den Novembernacht.

Hij was blootsvoets, maar daaraan was niets te doen, en in ieder geval

zou het hem bij het klimmen van nut zijn.

Hij stak dus eerst het hoofd door de opening welke hij zooeven gemaakt

had, en vervolgens het bovenlichaam, daarop trok hij zich, terwijl hij

zich met beide handen aan de nog vast zittende tralies vast hield,

geheel naar buiten en plaatste de voeten op de smalle vensterbank.

Het knoopentouw met den stalen haak aan het eind had hij om zijn middel

gewikkeld zoodat het hem bij zijn pogingen niet kon hinderen.

Hij kon nu met zijn handen juist den rand van de dakgoot bereiken en

trok zich nu op, met de voeten steun zoekend op de dwarsloopende

tralies.

Het was zwaar werk voor een man, wiens kracht op kunstmatige wijze was

opgewekt, en die bijna een week op het ziekbed had gelegen, maar de

zucht tot vrijheid staalde zijn spieren en deed hem alle moeilijkheden

overwinnen.

Hij wist een been over den gootrand te slingeren, zette zich nu met het

andere been met kracht af—en lag een oogenblik later hijgend in de

smalle goot.

De nachtvorst had het dunne laagje water in ijs doen verkeeren, en

Beaupré voelde de koude door zijn ledematen dringen.

Een soort verdooving maakte zich van hem meester, waartegen hij uit

alle macht streed, want als hij daaraan toegaf, dat begreep hij wel,

dan was hij verloren.

Hij richtte zich dus op, kroop uit de goot op het dak, en liep zoo vlug

hij kon naar den kant waar zich de rechterzijgevel bevond.

Hij was het ziekenhuis vaak genoeg voorbij gekomen, om te weten dat

zich daar de brandtrap bevond, die ongeveer drie meter lager, bij de

bovenste verdieping begon.

Er stond een straatlantaarn tegenover de trap en hij kon haar vrij

duidelijk onderscheiden, ondanks de duisternis.

Beaupré maakte het eene uiteinde van het touw met behulp van den stalen

haak aan een steunijzer van een der kolossale schoorsteenen vast en

wierp het uiteinde over den rand van het dak.

Hij beproefde de sterkte, door er uit alle macht aan te trekken en

bevond, dat het zijn gewicht gemakkelijk zou kunnen dragen.

Het koord bleek uit zijde gevlochten te zijn en zeker even sterk als

staaldraad van dezelfde dikte.

Hij had nog slechts enkele minuten den tijd en hij begreep, dat hij

niet mocht aarzelen, want dadelijk na zijn ontsnappen zou er alarm

gemaakt worden en men zou natuurlijk allereerst aan de brandtrap

denken.

Hij vatte het touw dus boven een der knoopen vast, slingerde zich

moedig over den rand van het dak, en liet zich behoedzaam zakken,

telkens met zijn bloote voeten steun zoekend op een der knoopen, daar

hij niet krachtig genoeg was om alleen op zijn armen te kunnen

vertrouwen.

Na eenige minuten voelde hij met den rechter voet iets kouds—de ijzeren

leuning van het kleine portaal, waarmede de brandtrap eindigde.

Nog iets lager—en hij stond veilig en wel op de brandtrap.

Hij duizelde van de inspanning, maar hij begreep dat hij hier niet

mocht blijven staan, niet alleen omdat hij nog lang niet veilig was,

maar ook omdat de koude nachtlucht hem in zijn dun gewaad zeker ernstig

zou kunnen schaden.

Hij begon dus zoo snel hij kon de brandtrap af te loopen.

Deze eindigde een paar meter boven de oppervlakte van de straat, en

Beaupré liet zich vallen.

Zijn wonden deden hem pijn, en een oogenblik bleef hij versuft staan.

Maar een snerpend gefluit boven zijn hoofd, dat onmiddellijk in het

ziekenhuis en op de binnenplaats herhaald werd, joeg hem eensklaps

weder op!

Zijn vlucht was ontdekt en de surveillant had alarm gemaakt.

Beaupré bezon zich geen seconde, maar zette het aanstonds op een loopen

in de richting van de Beggar Street.

Juist toen hij den hoek bereikte, kwam er een agent van politie

aanstormen, die door het fluitsignaal was aangelokt, waarvan hij de

beteekenis blijkbaar kende.

Er had een botsing plaats tusschen den man in blauw laken en den

vluchteling in zijn grijs flanellen pyjama, en bijna was de Fransche

markies ter aarde geslingerd.

Hij wist echter op de been te blijven, bracht den agent een hevigen

vuistslag tegen de kaak toe, die hem deed duizelen, en snelde zoo vlug

hij kon voort.

Voorbijgangers waren er gelukkig op dit uur niet te zien, en op honderd

pas afstand schitterde eensklaps het krachtige licht van een

autolantaarn.

Nog een laatste inspanning en Beaupré voelde zich door krachtige handen

in de wachtende auto getrokken, die dadelijk met de grootste snelheid

wegreed.

Charly Brand, die het avontuur niet had willen missen, legde dadelijk

een dikken plaid over den vluchteling, die nu met gesloten oogen en

spierwit gelaat achterover in de kussens leunde, terwijl Raffles hem

den inhoud van een klein fleschje, dat hij uit zijn vestzak had

gehaald, tusschen de lippen goot.

Wat de man achter het stuurwiel betreft, dat was de trouwe Henderson,

de reusachtige chauffeur, die eveneens zijn rol bij de ontvoering had

gespeeld.

De tocht duurde ongeveer drie kwartier, en toen stond de auto stil vóór

het huis, waarin ook de minnares van Beaupré zich bevond.

Onder den invloed van het middel, hetwelk Raffles hem had ingegeven,

voelde Beaupré zijn krachten snel terugkeeren, en hij was in staat,

alleen uit de auto te stappen zonder hulp.

Zoodra de deur achter de drie mannen was dichtgevallen, reed Henderson

met de auto vliegensvlug weder weg, nadat Raffles fluisterend eenige

woorden met hem gewisseld had.

Nauwelijks was de voordeur geopend, of achter in de vestibule vloog een

deur open. Marthe Debussy verscheen.

Ondanks het nachtelijk uur was zij geheel gekleed, daar zij toch niet

had kunnen slapen, nu het om de bevrijding van haar minnaar ging.

Zij deed wankelend een paar schreden vooruit, slaakte een lichten kreet

en wierp zich aan de borst van den markies.

Raffles en Charly trokken zich bescheiden terug, teneinde het wederzien

tusschen de geliefden niet te storen.

Maar na vijf minuten keerden zij terug, en Raffles sprak glimlachend:

—Het spijt mij dat wij u moeten lastig vallen, maar gij zult nu tot de

werkelijkheid moeten terugkeeren, en die gebiedt, markies, dat gij u in

de eerste plaats van kleederen voorziet en u vervolgens gereed maakt om

dit land te verlaten.

—Verlaten? herhaalde Beaupré verbaasd, zonder dat ik mij nog op Fox

gewroken heb?

—Dat kunt gij later doen! hernam Raffles ernstig, thans moet gij u in

veiligheid brengen, want hier is de politie op het spoor gebracht. Uw

signalement zonder baard is reeds naar alle havens bekend en naar alle

steden gezonden en gij zoudt zeker geen volle week op vrije voeten

zijn, en ga nu spoedig mede, dat gij u in de kleederen kunt steken, dan

zullen wij ons vereenigen aan een maaltijd, die uwe krachten geheel zal

herstellen en wij zullen onder het eten eens praten over uwe kansen om

ongemerkt te ontkomen.

Raffles had Beaupré bij den arm genomen en duwde hem in een vertrek

waar een compleet costuum en een goede reispels, het noodige ondergoed

en een paar sterke laarzen reeds gereed lagen.

Beaupré kleedde zich snel aan, en juist toen hij klaar was trad Charly

binnen, en verzocht den Franschman hem te willen volgen.

Een oogenblik later trad Beaupré een ander vertrek binnen, en hij bleef

verrast op den drempel staan, want op de tafel was een voortreffelijke

maaltijd aangericht.

—Dat is het werk van mijn jongen vriend, zeide Raffles glimlachend, die

reeds met Marthe Debussy aan den disch had plaats genomen, en in een

levendig gesprek met hem was gewikkeld.

De wimpers van de jonge vrouw waren vochtig en het was duidelijk te

zien dat zij zooeven geweend had, van geluk en van dankbaarheid.

Lord Lister No. 0306: Een avontuur van Koning Alfonso · 第 8 / 16 题