Dit bericht in de „Times” verwekte, zooals gezegd, niet weinig
opschudding, niet alleen in kringen der politie, maar onder de geheele
burgerij, die het geval dagen lang besprak, terwijl men daarbij de
zonderlingste meeningen hoorde.
Onder die burgerij mag ook gerekend worden John Raffles, de Groote
Onbekende, die in dit alles zulk een groote rol had gespeeld, met
behulp van zijn trouwen vriend Charly Brand en den braven reus
Henderson, zijn chauffeur.
De gentleman-inbreker las het stukje, terwijl hij gezeten was in de
vrij schaars gemeubelde ontvangkamer van een splinternieuw huis in een
der noordelijkste wijken van Londen, gelegen in een straat, waarvan de
aanleg nog niet lang geleden begonnen was.
Zijn hoed en zijn stok lagen naast hem, en hij was blijkbaar zooeven
pas gekomen.
Het was tien uur in den morgen, toen Raffles eenig gerucht in een
aangrenzend vertrek hoorde, en het volgende oogenblik ging de deur open
en trad er een jonge vrouw met een mooi, maar zeer bleek gelaat,
binnen, die haastig op Raffles toetrad en zeide:
—Ik vraag u verschooning als ik u heb laten wachten, mijnheer—ik heb
een zeer slechten nacht doorgebracht!
—Het is eerder aan mij om u mijn verontschuldigingen aan te bieden, dat
ik u op zulk een onbehoorlijk uur kom bezoeken, Madame, hernam Raffles,
die was opgestaan.
Er lag een ernstige klank in zijn stem toen hij vervolgde:
—Gij zult begrijpen, dat ik hier op dit uur niet zou gekomen zijn,
Marthe Debussy, wanneer het geen ernstige aangelegenheid gold, gij moet
sterk zijn—er is met uw vriend, met Raoul Beaupré, iets voorgevallen
hetwelk ik wel voorzien had, maar toch onmogelijk kon vermijden.
De jonge vrouw wankelde en moest zich aan den rand van de tafel
vastgrijpen, terwijl zij de linkerhand op het hart drukte.
Bijna toonloos vroeg zij:
—De aanslag heeft dus plaats gehad en—wat?
—Stel u gerust, mijn vriend heeft den aanslag zelf kunnen verijdelen,
maar helaas niet de gevolgen! Big Billy zoowel als de Bittere Pil en de
man die den aanslag had willen plegen, hebben uw vriend verraden, en
zijn waren naam aan de politie opgegeven. Hier—lees.
Hij stak de jonge vrouw het nummer van de „Times” toe, en zij liet zich
op een stoel neervallen, nam het blad met een automatische beweging
aan, en trachtte te lezen.
Maar reeds na de eerste regels gaf zij Raffles het blad terug en zeide
met bevende stem:
—Ik kan niet! Het warrelt mij voor de oogen. Ik smeek u! lees gij het
mij voor.
Raffles nam nu het blad en las met heldere stem het bericht voor.
De jonge vrouw had al dien tijd bewegingloos zitten luisteren, de
zwarte oogen op den zwarten vloer gevestigd, de slanke witte vingers
ineen gestrengeld—het toonbeeld der wanhoop!
Toen Raffles de voorlezing van het noodlottige bericht had beëindigd,
bleef het geruimen tijd stil in het vertrek.
In dit huis, hetwelk hij slechts een week te voren gehuurd had, had
Raffles de vrouw, wie hij zijn hulp had toegezegd, omdat zij door zijn
toedoen in dezen toestand was gebracht en in groot gevaar had verkeerd,
voorloopig ondergebracht, ten einde haar buiten den greep van den
langen arm der justitie te houden.
Zij mocht volstrekt niet uitgaan zonder zijn toestemming en werd daar
steeds bewaakt, door Raffles zelf, door Charly Brand of door Henderson,
omdat haar leven gevaar liep. Zij immers had aan Raffles het plan voor
een inbraak verraden, ten einde Dr. Fox, den chef van een groot
misdadigersgenootschap, en de persoonlijke vijand van haren minnaar, in
handen der politie over te leveren en zich aldus te wreken over de
zware wonden, welke hij Beaupré had toegebracht.
Zij had zich reeds in handen van de mannen van Dr. Fox bevonden, en het
doodvonnis zou zeker aan haar voltrokken zijn geworden, als Raffles en
zijn twee vrienden niet tusschen beide waren gekomen.
De Groote Onbekende was de eerste die weder sprak. Hij had eenigen tijd
ernstig nagedacht en zeide nu:
—Ik mag er ook tegenover u geen geheim van maken Madame. Raoul Beaupré
is en blijft mijn vijand! Misschien zal de politie ons over een kam
scheren—ik denk daar echter anders over! Ja—ik weet wat gij zeggen
wilt: Ik heb mij niet als een vijand gedragen! Vergeet echter niet dat
ik dit voor een deel uit eigen belang deed! Als ik de vijanden van Dr.
Fox help, dan bestrijd ik hem zelf, maar er was nog een overweging, die
alle anderen in de schaduw stelde.
—Wat meent gij, vroeg Marthe Debussy op zachten toon.
—Gij hadt mijn woord! Het was mijn schuld dat gij in groot levensgevaar
hebt verkeerd en ik heb beloofd, u te beschermen en wat uw vriend
betreft—hij is in zekeren zin mijn bondgenoot, en wel een zeer
kostbare, want hij is een doodsvijand van Fox! en ik zou hier met een
kleinen variant kunnen zeggen: „De vijanden van mijn vijanden zijn mijn
vrienden”.
—Gij wilt dus zeggen...? stamelde Marthe, terwijl haar oogen vochtig
begonnen te glanzen.
—Ik wil zeggen, dat ik mijn hand nog niet van hem aftrek, maar dat ik
wil trachten hem toch nog voor u te redden.
De jonge vrouw liet een snikkend geluid hooren, greep de hand van
Raffles en voor hij het had kunnen verhinderen, had zij er een kus op
gedrukt.
—Dat moet gij niet doen, zeide Raffles hoofdschuddend, terwijl hij zijn
hand snel terug trok. Ik zeg u immers, dat ik handel uit eigen belang!
Ik wil u echter niet ontveinzen, dat het ditmaal zeer moeilijk zal
zijn. Ik vrees zelfs dat het volkomen onuitvoerbaar zal zijn, zoolang
Beaupré in het ziekenhuis ligt! Wij moeten echter alles in het werk
stellen, om hem nog te redden vóór hij naar de gevangenis wordt
overgebracht, want daar zal het wellicht onmogelijk zijn.
—Kan ik u daarbij niet van dienst zijn, vroeg Marthe Debussy op zachten
toon. Ik zou u zoo gaarne helpen! Ik heb niets anders ter wereld dan
Raoul, en als ik mijn leven voor hem zou moeten offeren, dan zou ik
geen seconde twijfelen.
Raffles had even nagedacht, en zeide toen:
—Misschien kunnen wij uw hulp gebruiken, dan zal ik u wel laten weten
wat wij in de eerste dagen kunnen doen, want bij mijn pogingen om
Beaupré te bevrijden zal ik ook zijn eigen hulp noodig hebben; hij moet
mede werken, en daartoe is hij thans nog veel te zwak. Maar ik beschik
over middelen, waardoor ik de natuur ter hulp zal kunnen komen en zijn
herstel zal kunnen bespoedigen. De zaak is slechts of het mogelijk zal
zijn, tot hem door te dringen om hem dat middel toe te dienen, want de
directie zal nu natuurlijk zeer wantrouwend zijn en goed acht geven op
ieder die binnentreedt. Ik vrees dat wij den truc met de zoogenaamde
verpleegster niet nogmaals kunnen toepassen—en om voor de tweede maal
als dokter Dumoulin op te treden, dat zal ook wel niet gaan. Wij hebben
echter den tijd om daarover na te denken, want in normale
omstandigheden zou het zeker nog minstens een week duren alvorens men
Beaupré naar de gevangenis zou kunnen overbrengen.
Raffles was opgestaan en had hoed en stok gegrepen, hij maakte een
buiging voor de jonge vrouw en zeide:
—Ik kom u vanmiddag halen om u met een mijner auto’s naar een andere
stad te brengen, hier dicht bij, want hier zijt ge nog altijd niet
veilig genoeg, en wij zouden u ook niet goed meer kunnen bewaken, daar
ik bij mijn plannen ter bevrijding van uw vriend de hulp van mijn twee
makkers niet zou kunnen ontberen. Als gij uw haar verft, of een pruik
opzet, zult gij vrijwel veilig zijn in een of andere provinciestad.
Kleed u zoo eenvoudig mogelijk en vertoon u tijdelijk zoo weinig
mogelijk in het publiek. Indien wij uw hulp kunnen gebruiker, zullen
wij u aanstonds laten halen!
—Ik voeg mij geheel maar uw aanwijzingen, mijnheer zeide Marthe Debussy
op zachten toon. Hoe laat komt gij?
—Om drie uur!
Nogmaals boog Raffles voor de jonge vrouw en het volgende oogenblik had
hij het vertrek en het huis verlaten.
Honderd schreden verder stapte hij in een wachtende auto, die hem naar
het einde van de Regent Street bracht, dicht bij Pall Mall.
In de eerstgenoemde straat bewoonde Raffles, onder den naam van Lord
William Aberdeen, een fraai heerenhuis, dat met een voor deze buurt
zeer grooten tuin omgeven was.
Hij kon dit huis steeds en ten allen tijde ongezien binnengaan, in
welke vermomming hij zich ook bevond, want een der tuinmuren strekte
zich over geruimen afstand uit langs een straat, welke zoo goed als
nimmer begaan werd, en welker overzijde werd ingenomen door den blinden
muur eener opslagplaats, tijdens den oorlog door de regeering
overgenomen en thans in het bezit van Raffles zelf, die het groote
gebouw voordeelig had verhuurd, op voorwaarden dat er aan de bestemming
niets mocht worden gewijzigd.
Niemand bespeurde er dus iets van, dat hij de kleine deur in den
tuinmuur opende en snel binnentrad.
Hij stak den grooten tuin dwars over en ging het huis aan de
achterzijde binnen.
Daarop beklom hij een smalle trap, die hem rechtstreeks naar zijn
slaapkamer bracht, waar hij de vermomming kon afleggen, welke hij
gedragen had bij zijn bezoek aan de minnares van den Franschen Markies.
Terwijl hij hier mede bezig was, werd er op de deur geklopt en de stem
van Charly Brand liet zich hooren.
—Ben je hier, Edward?
—Ja, Charly! Wacht—ik zal open doen!
Hij ging de knip van de deur doen en de jonge man, die hem op zoovele
zijner gevaarlijke avonturen had vergezeld, trad het vertrek binnen.
—Heb je haar gesproken? vroeg hij.
—Ja. Alles is in orde. Als zij zich niet buiten vertoont, bestaat er
geen vrees dat de politie haar zal vinden, noch de handlangers van Dr.
Fox, den chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel, die het op
haar leven voorzien heeft, zoowel als op dat van haren minnaar, Raoul
Beaupré.
—Je hebt haar natuurlijk alles medegedeeld omtrent den gevaarlijken
toestand, waarin zich die Fransche bandiet bevindt?
—Ja—daarom ging ik immers daarheen! Zij schijnt dien man zeer lief te
hebben, want zij siddert voor zijn leven, en zelfs voor zijn vrijheid.
Ik acht het dan ook mijn plicht dien man te redden!
Charly keek Raffles aan, alsof hij hem niet goed verstaan had.
—Dat kan je toch geen ernst zijn? vroeg hij.
—Volle ernst. Beaupré kan mij later diensten bewijzen, als ik den
strijd met Fox weder aanbind, en al was dat niet zoo—belofte maakt
schuld! Zijn minnares is door mijn toedoen in den toestand geraakt
waarin zij zich nu bevindt—dat wil zeggen, van een stuk wild dat door
de politie, zoowel als door de mannen van Fox wordt opgejaagd. Zij
heeft de plannen van de bende aan mij verraden, en is dus volgens de
bepalingen van het Genootschap van den Gouden Sleutel des doods
schuldig!
—Maar—als zij jou niet ontmoet had, dan zou zij eenvoudig een ander in
den arm hebben genomen, om Fox onschadelijk te maken—de politie
bijvoorbeeld! riep Charly uit.
—Dat is best mogelijk! hernam Raffles kalm. Maar dat verandert voor mij
de zaak niet. Ik ben nu eenmaal geen politie, maar een inbreker—een
soort collega dus, al verschillen onze werkmethoden en onze doeleinden
wellicht een weinig! Hoe het ook zij—Beaupré moet gered worden, omdat
ik zijn minnares in een gevaarlijken toestand heb gebracht en daardoor
ook alle daarop volgende gebeurtenissen in het Ziekenhuis heb
teweeggebracht!
Charly slaakte een zucht, maar hij sprak niet verder tegen, daar hij
wel wist, dat hem dit bitter weinig zou baten.
Raffles had eenmaal een plan opgevat, een plan, dat zijn gevoel voor
recht en billijkheid hem ingaf, en vooral zijn begrip van wat de eer
eischt—en hij zou het ten uitvoer brengen, ook al zou het hem het leven
kosten.
En zoo duurde het niet lang, of de twee mannen zaten tegenover elkander
in de kleine rookkamer, welk vertrek bij voorkeur werd uitverkoren voor
dergelijke krijgsraden en overleggen.
Zij begrepen maar al te goed, dat hun voornemen op de grootste
moeilijkheden zou stuiten, want de bewaking van den zoogenaamden
„Dubois” die zich had ontpopt als een lang gezocht Parijsch bendelid,
zou zeker streng zijn, en nog veel strenger worden, zoodra de toestand
van den gewonde toeliet, dat er vrees voor een ontsnapping zou bestaan.
Er moest dus zoo snel mogelijk gehandeld worden en met list, daar hier
met geweld niets te bereiken viel.
Een groot deel van den morgen was reeds verstreken en nog hadden de
beide vrienden niets gevonden.
Om half twaalf stond Raffles ongeduldig op en zeide:
—Neem je hoed en je stok en ga mede! Op straat zullen wij misschien een
weinig beter geïnspireerd worden—vooral den kant op van het ziekenhuis!
Misschien geeft het zien van dat gebouw wel een goed plan aan de hand!
En zoo stonden de twee mannen een oogenblik later op straat, thans als
William Aberdeen en zijn secretaris, zooals vele Londenaren hen beiden
goed kenden.
Een huurauto bracht hen tot op een honderdtal meters van het
ziekenhuis, hetwelk voor hen het tooneel van zoovele schokkende
voorvallen was geweest.
Zij liepen er eens om heen, in den gewonen wandelpas, om geen argwaan
te wekken, maar aan den achterkant van het groote gebouw gekomen, dat
aan alle kanten met een grooten tuin omringd was, waar hier en daar
paviljoens voor besmettelijke ziekten stonden, hield Raffles eensklaps
zijn schreden in en keek naar boven.
—Wat is er? vroeg Charly nieuwsgierig, daar hij een schittering in de
schrandere grijze oogen van zijn vriend had gezien, die heel wat
verried.
—Kijk eens naar het dak! beval Raffles.
Charly gehoorzaamde en zag eerst een klein rookwolkje ten hemel
stijgen, en daarop de gedaanten van een tweetal mannen, die blijkbaar
bezig waren met iets aan het zinken dak van het ziekenhuis te
repareeren.
Charly keek Raffles glimlachend aan en zeide veelbeteekenend:
—Dat zou misschien wel iets voor ons zijn, dunkt je niet?
—Het hangt er van af, hoever die menschen met hun werk staan! Ik hoop
maar, dat zij nog vandaag gereed komen!
—Waarom?
—Omdat wij dan morgen daar naar boven kunnen gaan en zeggen, dat er nog
iets verricht moet worden, wat heden vergeten werd!
—Maar als wij ons eens gingen aanbieden als knechts!
—Ik vrees, dat dit in het onderhavige geval niet veel zou uitwerken,
mijn jongen! Die mannen zijn maar met hun beiden, en de reparatie is
dus blijkbaar niet zeer omvangrijk. Zij schijnen het gemakkelijk met
zijn beiden af te kunnen en zullen er dus niet twee mannen bij nemen!
—Maar één toch misschien wel!
—Het zou te probeeren zijn, maar eerst willen wij eens afwachten of het
werk reeds is afgeloopen!
De twee mannen gingen een weinig verder en traden een fijne bar binnen,
waar, wegens het vroege uur, plaats in overvloed was bij een der ramen.
Vandaar hadden zij een uitstekend gezicht op het dak van het ziekenhuis
en zij konden de twee loodgieters duidelijk aan het werk zien.
Het werd tijd om te lunchen en Raffles bestelde een maaltijd.
En juist toen hij en Charly aanstalten maakten toe te tasten, zagen zij
hoe de twee arbeiders daar boven op het platte dak hun gereedschappen
bijeen pakten, het vuurtje onder een kleine kachel doofden, deze
afbraken en in een grooten zak deden.
—Wij treffen het! mompelde Raffles zachtjes. Het werk is gedaan, anders
zouden die arbeiders niet midden op den dag hun boeltje pakken en
verdwijnen!
—Misschien gaan zij wel lunchen! meende Charly.
—Met hun gereedschappen en hun kachel? vroeg Raffles spottend. Dat
klinkt niet erg waarschijnlijk! Kijk, zij laten alles al aan een touw
zakken en beneden wordt alles in ontvangst genomen door den derden man,
die zoo even met een kar is komen aanrijden! Neen, het werk is wel
degelijk afgeloopen!
—Maar die lieden zullen aan de directie gaan mededeelen, dat zij gereed
zijn, riep Charly uit.
—Welnu—dan komen wij haar morgenochtend zeggen, dat zij zich vergist
hebben!
—Dan zullen wij moeten weten van welke firma zij zijn!
—Dat is tenminste veiliger, voor het geval er soms naar mocht worden
gevraagd, en daarom zullen wij snel moeten eten en hen volgen!
—Maar geloof je, dat het ons van nut kan zijn, als wij daar op het dak
zijn, vroeg Charly.
—Van zeer groot nut! Ik heb niet meer dan vijf minuten noodig! Ik weet
waar het vertrek gelegen is, waar men gewonden en zieken, waarvan
tijdens hun verblijf gebleken is, dat zij nog een appeltje met de
justitie te schillen hebben, heen brengt. Het is op de vijfde, dat wil
zeggen, op de bovenste verdieping, en aan de zijde van de binnenplaats.
Je kunt het hier natuurlijk niet zien, maar het platte dak loopt om die
binnenplaats heen, en het zal zeker niet moeilijk vallen, ons met den
gewonde in verbinding te stellen, en hem de noodige instructies te
geven. En daar valt mij nog een beter plan in, waardoor ons verblijf op
het dak niet noodeloos gerekt zal worden—ik ben een werkbaas van de
loodgieterszaak, die komt zien, of het karweitje wel behoorlijk
verricht is!
—En als het uitkomt, dat je de directie wat op de mouw hebt gespeld?
Als bijvoorbeeld later eens een échte werkbaas komt kijken?
—Wel, dan heeft Beaupré in ieder geval zijn instructies en de rest! En
wij moeten dan maar hopen, dat die werkbaas niet komt! En laten wij ons
nu wat haasten, want ik zie de arbeiders niet meer op het dak, en zij
zullen wel aanstonds met hun kar vertrekken.
De twee vrienden beëindigden spoedig hun maaltijd, en betaalden den
kellner.
Zij traden juist bijtijds weder naar buiten, om er getuige van te zijn,
dat de drie loodgieters met hun handkar vertrokken.
Zij liepen hen na, daar zij begrepen, dat de loodgieterszaak onmogelijk
ver uit de buurt kon zijn, anders hadden de arbeiders wel paard en
wagen, of een auto gebruikt.
Dit hadden zij blijkbaar goed ingezien, want nog geen half uur later
reed de kar een winkelstraat in, en reeds van verre zagen de beide
mannen het uithangbord van de zaak, welke de loodgieters had
uitgezonden: „Dribbel and Jones, Aanleg van gas en waterleiding”.
Zij bleven voor de zekerheid nog even staan en zagen, hoe de kar een
smalle gang naast den winkel werd binnen gereden.
Toen sprak Raffles glimlachend:
—Het was een goede digestie-wandeling, Charly—wij weten nu tenminste,
wat wij weten wilden! En nu snel naar ons huis in de nieuwe straat, die
nog zelfs geen behoorlijken naam heeft—om Marthe Debussy in veiligheid
te brengen, en dan de handen vrij te hebben!