HET GEHEIM VAN EEN ZIEKENHUIS.

Moordaanslag op een gewonde!

„Het bekende ziekenhuis in de Sloanestreet is, zooals aan onze

lezers bekend zal zijn, reeds sedert enkele dagen het tooneel

geweest van geheimzinnige voorvallen.

In den afgeloopen nacht zijn deze bekroond door een gebeurtenis,

die de gemoederen van alle bewoners van het ziekenhuis, van de

directie af tot aan de minste hulpverpleegster en alle zieken, ten

zeerste heeft ontroerd.

Eenige dagen geleden werd er in het ziekenhuis een zwaargewond man

gebracht, die uit verscheidene messteken bloedde en die gevonden

was door twee late voorbijgangers, die opgaven dat zij er getuigen

van waren geweest, hoe de gewonde man overvallen werd door een paar

kerels, die echter op hun nadering de vlucht hadden genomen.

Aanstonds zal blijken, dat er van deze bewering waarschijnlijk geen

woord waar was.

Reeds den volgenden dag werd de zwaargewonde bezocht door een paar

geheimzinnige heeren, die voorgaven tot zijn naaste familie te

behooren en hem dringend wenschten te spreken.

Gedurende het korte gesprek, dat nu volgde, verzocht de gewonde,

die verklaarde Dubois te heeten, aan de hoofdverpleegster der

algemeene mannenzaal, waar hij lag, te telefoneeren naar het

logement „Het Vergulde Hert” en daar navraag te doen naar een

zekere Miss Bispham. De gewonde scheen zeer opgewonden te zijn, het

smartte hem blijkbaar zeer, toen hij ten antwoord kreeg, dat deze

dame niet meer in het hotel aanwezig was.

De beide bezoekers vertrokken, maar werden in de vestibule, juist

toen zij de lift zouden verlaten, gearresteerd door een tweetal

particuliere detectives—bedriegers, zooals later blijken zal!

Want reeds in den loop van denzelfden nacht werden de twee

geheimzinnige bezoekers van Dubois in hetzelfde ziekenhuis binnen

gebracht waar hij ook lag, een hunner zelfs in de groote

mannenzaal. De chauffeur, die hen beiden en de zoogenaamde

detectives naar een huis in het noorden van de stad had gereden,

was nieuwsgierig geworden, en op de loer gaan staan. Hij had er een

paar agenten bijgehaald en deze hadden in het huis twee volkomen

bewustelooze personen gevonden, die naderhand de beide bezoekers

bleken te zijn.

Men stond hier voor een raadselachtig geval en de beste

geneesheeren, de directeur van het ziekenhuis dr. Hudson en die

geneesheeren Bushgrave en Greenway begrepen niet het minste van de

eigenaardige bewusteloosheid, waarin de twee mannen verkeerden.

Men kan dus over hun blijdschap en verwondering oordeelen, toen de

befaamde Fransche psychiater Dr. Edouard Dumoulin, zich met het

geval bemoeide en dringend verzocht de beide bewusteloozen te mogen

onderzoeken.

In een vorige editie hebben wij uitvoerig melding gemaakt van deze

zaak en Dr. Dumoulin wist de beide bewusteloozen, die wel

schijndood leken onder zijn wil te brengen, gelastte hen op te

staan en zich aan te kleeden en voerde hen weg. Ongeveer een uur

later bleek pas dat de beroemde Parijsche geneesheer van de geheele

zaak niets afwist en verzekerde dat men zijn plaats had ingenomen

met een doel dat hij niet begreep.

Maar nog dienzelfden avond kwam er eenig licht in de zaak, want de

beide mannen, die in hun toestand van volkomen machteloosheid in

een groot restaurant in „Temple Bar” met twee andere heeren

dineerden werden op hun aanwijzing gearresteerd en bleken twee

hoogstgevaarlijke bandieten; bekend onder de bijnamen „Big Billy”

en „Bittere Pil”, naar wie de politie van onze stad reeds geruimen

tijd zocht.

Maar toen men wilde omzien naar de beide personen met wie ze waren

binnengetreden en die hen hadden laten arresteeren, waren zij

spoorloos verdwenen!

Wat de beide bandieten betreft, zij wisten zich volstrekt niet meer

te herinneren wat zij gedaan of gezegd hadden van het oogenblik af

dat zij door de gewaande detectives in een huurauto van het

gasthuis waren weggeleid,—naar zij meenden met de gevangenis als

bestemming—en toen ieder een sterke prik in den pols hadden

gekregen, waarop bijna aanstonds het bewustzijn uit hun was

weggevloden, althans zij herinnerden zich volstrekt niets meer, tot

op het tijdstip, dat zij tot hun groote verwondering in de eetzaal

van het restaurant in „Temple Bar” weder tot bewustzijn kwamen.

En toch moeten deze mannen hebben kunnen zien en hooren, zij moeten

zich hebben kunnen bewegen, maar zij deden dit slechts op bevel van

een ander!

De zaak wend intusschen hoe langer hoe geheimzinniger! Wie was de

zwaargewonde in de ziekenzaal, die zulke eigenaardige bezoeken had

gekregen? Wie was de schoone jonge vrouw met het bleeke gelaat, die

voorgaf mevrouw Dubois te heeten, en die hem enkele keeren bezocht,

steeds in gezelschap van een grijsaard met spierwit haar, die haar

vader moest zijn.

De lezers zullen het spoedig vernemen.

In den afgeloopen nacht had er in het ziekenhuis aan de Sloane

Street opnieuw een opzienbarend voorval plaats.

Omstreeks half een kwam zich een jonge verpleegster aanmelden, die

zeide, door mevrouw Dubois gezonden te zijn met het doel om haren

echtgenoot speciaal op te passen, daar zijn toestand, een

overbrenging naar een afzonderlijke kamer, onmogelijk maakte in de

eerste dagen.

De hoofdverpleegster stond haar dit verzoek geredelijk toe en het

jonge meisje nam haar plaats aan het ziekbed in, en kweet zich,

volgens de getuigenis van de oude dame, met groote vaardigheid van

haar verpleegsterplichten.

Om één uur werd de groote zaal geheel donker gemaakt, of althans

was zij toen slechts verlicht door de kaarslantaarns van twee

surveillanten.

Dezen waren onder den invloed van de stilte van de groote zaal

ingesluimerd, toen zij plotseling werden opgeschrikt door het op

luiden toon gegeven bevel: „Handen op”.

De jonge verpleegster had een der lange linnen gordijnen voor de

groote balkonramen terzijde gerukt, een electrische zaklantaarn

opgestoken en hield nu een revolver gericht op het voorhoofd van

een man die achter het gordijn had gestaan dicht bij het bed van

den gewonde Dubois en blijkbaar zooeven door het balkonraam was

binnengedrongen.

De koele luchtstroom die door dit open raam naar binnen drong en

die ook het gordijn zachtjes deed bewegen, had zijn aanwezigheid

verraden.

De man werd door de beide surveillanten met behulp van een stuk van

het gordijnkoord gebonden en daarop werden zijn zakken doorzocht.

Deze bleken behalve een revolver en een kleine scherp geslepen

dolk, ook een klein houten étui te bevatten, waarin zich een

vaccinatienaald bevond, waarvan de punt gedrenkt was in een uiterst

giftige stof.

De man werd natuurlijk aanstonds in arrest gesteld, maar toen men

nu de verpleegster nader wilde ondervragen, bleek ook zij verdwenen

te zijn.

Maar het eigenaardigste komt nog.

Want Big Billy, Bittere Pil, zoowel als de moordenaar achter het

gordijn, inziende dat alles voor hen verloren was, en dat hun een

gevangenisstraf van tientallen jaren wachtte, brachten onder andere

aan het licht, dat de zoogenaamde Dubois niemand anders was dan een

Parijsche bandiet, een man van adellijke afkomst en een authentiek

markies Raoul Beaupré de la Sardogne geheeten.

Hij was ook niet gewond door een overval, maar in een tweegevecht

met een mededinger.

Deze opzienbarende onthulling werd spoedig bevestigd, toen uit

Parijs door de Sureté een uitvoerig signalement werd overgeseind,

dat in alles overeenstemde met het uiterlijk van den gewonde,

behalve wat den baard betreft, dien hij in Engeland waarschijnlijk

aanstonds had afgeschoren.

Te Parijs heeft deze markies nog een zestal jaren gevangenisstraf

te goed, en daar hij ook hier in Londen daadwerkelijk aandeel heeft

genomen aan een paar inbraken, zoo kan men wel zeggen dat het een

goede dag is voor onze politie.

Veel werd nu ook opgehelderd. Bijvoorbeeld de identiteit van de

zoogenaamde Madame Dubois, die waarschijnlijk niemand anders was

dan een Fransche bandiete, een zekere Marthe Debussy.

Waar deze vrouw zich echter thans bevindt is niet uit te maken;

zeker logeerde zij niet langer in het „Vergulde Hert”.

En wat het bezoek van de beide naderhand bewusteloos gevonden

schurken van den markies betreft, zij kwamen hem slechts dreigen

dat zijn minnares zich in handen van hun chef bevond en dat deze

haar zou dooden indien Beaupré niet zekere geheimen van zijn eigen

bende verried en zich verbond onder eede, hun chef nooit meer te

bestrijden.

Het spreekt vanzelf, dat Dubois, alias markies Beaupré nu aanstonds

onder zeer strenge bewaking is geplaatst en met groote

behoedzaamheid naar een afzonderlijk vertrok is overgebracht,

speciaal voor dergelijke gevallen bestemd, met een zwaar getralied

venster, een ijzeren deur en dat op de vijfde verdieping van het

ziekenhuis gelegen is. Zoodra de bandiet genezen is, zal hij voor

zijn rechters moeten verschijnen, en daarna zijn rechtvaardige

straf ondergaan.

De man achter het gordijn, eveneens een berucht misdadiger,

trachtte zijn straf blijkbaar verminderd te krijgen door te

verklaren, dat hij handelde in opdracht van den chef zijner bende,

wiens naam hij echter weigerde te noemen, evenals trouwens „Big

Billy” en „Bittere Pil”.

Hij was gekomen om Beaupré te vermoorden, en aldus den aanvoerder

te beschermen tegen zijn aanval.

En voor de rest wilde hij niets loslaten.

Met dit al moeten er nog vrij wat raadsels door de politie worden

opgelost.

Zoo weet zij bijvoorbeeld volstrekt niet, wie de „edele grijsaard”

was, die als vader van de zoogenaamde mevrouw Dubois optrad, noch

wie de beide detectives waren, noch wie de rol van dr. Dumoulin

vervuld heeft, en evenmin wie op zulke geniale wijze de taak van

verpleegster heeft vervuld, maar de politie heeft vermoedens. Er

wordt een naam gefluisterd, dien wij nu niet zullen herhalen, ten

einde het onderzoek van de politie niet te bemoeilijken, maar die

waarschijnlijk dezer dagen alom bekend zal zijn gemaakt; doch als

Scotland Yard er ook ditmaal niet in slaagt hem gevangen te nemen,

dan zal het wel eeuwig een raadsel blijven wat hem er toe bewoog

als beschermer op te treden voor een man als Beaupré, daar deze

zich in een halsstarrig stilzwijgen hult, en weigert eenige

inlichtingen te geven.

In ieder geval is het niet te loochenen, dat de politie, dank zij

het ingrijpen van den geheimzinnigen man, wiens naam thans nog niet

genoemd wordt, wederom vier zeer gevaarlijke bandieten in handen

heeft gekregen.

Lord Lister No. 0306: Een avontuur van Koning Alfonso · 第 4 / 16 题