XXXI.

In de warme dagen van Mei was het ruime atelier, op het Noorden

gelegen, koel, terwijl de stad, buiten, blaakte. Duco en Cornélie

gingen niet uit voor de avond viel en zij er aan dachten ergens te

dineeren. Rome was stil: de Romeinsche wereld was weg, de touristen

waren weg. Zij zagen niemand en hunne dagen vloeiden weg. Hij werkte

met ijver; de "Banieren" waren voltooid: beiden, hunne armen om

elkaârs middel, haar hoofd op zijn schouder, zaten zij er voor, in

een fier glimlachenden trots gedurende die laatste dagen nog vóór de

aquarel verzonden zoû worden naar de Internationale Tentoonstelling te

Knightsbridge, Londen. In hun gevoel voor elkaâr was nog nooit geweest

zoo een reine harmonie, zoo een eenheid van samenstemming, als nu zijn

groote arbeid klaar was. Hij voelde, dat hij nog nooit zoo edel had

gearbeid, zoo vast en zonder weifeling, met zooveel zelfde kracht en

toch zoo teêr en hij was er haar dankbaar voor. Hij bekende haar, dat

hij nooit zoo had kunnen werken, als zij niet met hem had meêgedacht,

had meêgevoeld, in hun ure-lange zitten peinzen, in hun ure-lange

zitten staren op den optocht, de vrouwentheorie, die zich ontwikkelde

uit den in zuilen neêrbrokkelenden nacht naar de Stad van louter nieuwe

blankheid en òplichtenden glasbouw. Een rust was in zijn ziel, nu

hij zoo groot en edel had gearbeid. Een fierheid was in beiden: een

trots om hun leven, om hunne onafhankelijkheid, dat werk van hooge

en voorname kunst. In hun geluk was veel eigendunk en neêrzien op de

menschen, de menigte, de wereld. Vooral in het zijne. In het hare was

iets stillers en iets nederigs, hoewel zij uiterlijk zich fier toonde

als hij Haar artikel over den Maatschappelijken Toestand der Gescheiden

Vrouw was als brochure verschenen en had succes. Haar naam werd met lof

genoemd onder de vooruitstrevende vrouwen. Maar haar eigen daad maakte

haar niet fier, als Duco's kunst haar fier maakte en trotsch op hem,

en trotsch op hun leven en op hun geluk.

Terwijl zij las in Hollandsche couranten en tijdschriften de

beschouwingen over haar brochure--bestrijdingen dikwijls, maar nooit

kleinachtingen, en steeds erkennende hare autoriteit het woord in deze

zaak te voeren--; terwijl zij haar brochure overlas, rees een twijfel

in haar aan haar eigen overtuiging. Zij voelde hoe moeilijk het is

zuiver te strijden voor een zaak, zooals die symboolvrouwen, daar op

de aquarel, ten strijde togen. Zij voelde, dat zij geschreven had na

eigen leed, na eigen ondervinding, en na eigen leed en ondervinding

alléen; zij zag in, dat zij gegeneralizeerd had haar eigen levens- en

leedgevoel, maar zonder dieperen blik in het wezen dier dingen; niet

uit zuivere overtuiging, maar wel uit bitterheid en boosheid; niet uit

nadenken, maar wel na treurig droomen over eigen lot; niet uit liefde

voor de vrouwen, maar wel uit kleine haat tegen de maatschappij. En zij

herinnerde zich het zwijgen destijds van Duco; zijn stille afkeuring,

zijn intuïtief gevoelen, dat de bron van hare opwelling niet zuiver

was, maar het bittere en troebele van haar eigen ondervinding. Nu had

zij eerbied voor die intuïtie; nu zag zij in het waarlijk zuivere

van hemzelven; nu voelde zij hem--om zijn kunst--hoog, edel, zonder

bijbedoeling in zijn daad, scheppende de schoonheid om haarzelve. Maar

ook voelde zij, dat zij hem hiertoe had gewekt. Dat was haar trots

en haar geluk en inniger had zij hem lief. Maar om haarzelve was zij

nederig. Zij voelde hare vrouwelijkheid, al het complexe van hare ziel,

dat haar verhinderde voort te strijden voor het doel der Vrouwen. En

zij dacht weêr aan hare educatie, aan haar man, haar kort maar treurig

huwelijksleven.... en zij dacht aan den prins. Zij voelde zich zoo

véel, en zij was gaarne éen geweest. Zij wiegelde in tegenstrijdigheid

bij tegenstrijdigheid en zij bekende zich: zij kende niet zichzelve.

Het gaf een schemering van weemoed in haar dagen van geluk....

Den prins.... Had zij hem niet maar schijnbaar fier verzocht Urania

niet te zeggen, dat zij bij Duco woonde, omdat zijzelve dat wel zeggen

zoû? In waarheid vreesde zij Urania's opinie... Haar hinderden de

oneerlijkheden van het kleine leven: zij noemde de kruispunten van

haar lijn met andere kleine-menschen-lijnen: het kleine leven. Waarom,

zoodra zij kruiste zulk een punt, voelde zij als bij instinct, dat

eerlijkheid niet altijd was verstandig? Waar was haar fierheid en haar

trotschheid--niet schijnbaar, maar in werkelijkheid--zoodra zij vreesde

voor Urania's kritiek, zoodra zij vreesde, dat die kritiek haar in het

een of ander opzicht kon nadeel zijn? En waarom sprak zij Duco niet

over Virgilio's armband? Zij sprak hem van de duizend lire niet, omdat

zij wist, dat geldzaken hem drukten, en dat hij van den prins niet

leenen wilde. Want zoo hij hiervan wist, zoû hij niet werken kunnen met

zijn gewone kracht en lust en ijver.... Nu had hij onbezorgd gearbeid

en haar verzwijgen was voor edel doel geweest. Maar waarom sprak zij

niet van Gilio's bracelet....

Zij wist het niet. Zij had een paar keer, heel natuurlijk weg willen

zeggen: zie, dat heb ik van den prins, omdat ik dien eenen armband heb

verkocht.... Maar zij vermocht het niet te zeggen. Waarom, zij wist

het niet. Was het om Duco's jalouzie? Zij wist het niet, zij wist het

niet. Zij vond het rustiger den armband te verzwijgen, ook niet te

dragen. Zij had hem eigenlijk gaarne willen terug zenden aan den prins.

Maar zij vond dat onheusch na al zijn vriendelijkheid, na al zijn

bereidwilligheid haar bij te staan.

En Duco.... hij dacht, dat zij de braceletten goed verkocht had, hij

wist, dat zij van haar uitgever geld ontvangen had, voor haar brochure.

Hij vroeg niet verder, en dacht verder niet over geld. Zij leefden heel

eenvoudig.... Maar toch hinderde het haar, dat hij niet wist, al was

het voor zijn arbeid goed geweest, dat hij niet had geweten.

Het waren kleine dingen. Het waren kleine wolkjes over de gouden

luchten van hun groot en edel leven: hun leven, waar zij trotsch op

waren. En zij zag ze alleen. En als zij zag zijn oogen, waaruit zijn

levensfierheid straalde, als zij hoorde zijn stem, zoo zeker klinkend

van zijn nieuwe werkkracht en levenstrots, en als zij voelde zijn

omhelzing, waarin zij trillen voelde heel zijn geluk om haar ... zag

zij de wolkjes niet meer, voelde ze in zich trillen heel haar geluk om

hem, en had zij hem zoo lief, dat zij had kunnen sterven in zijn armen.

Langs lijnen van geleidelijkheid · 第 37 / 67 题