In de warme dagen van Mei was het ruime atelier, op het Noorden
gelegen, koel, terwijl de stad, buiten, blaakte. Duco en Cornélie
gingen niet uit voor de avond viel en zij er aan dachten ergens te
dineeren. Rome was stil: de Romeinsche wereld was weg, de touristen
waren weg. Zij zagen niemand en hunne dagen vloeiden weg. Hij werkte
met ijver; de "Banieren" waren voltooid: beiden, hunne armen om
elkaârs middel, haar hoofd op zijn schouder, zaten zij er voor, in
een fier glimlachenden trots gedurende die laatste dagen nog vóór de
aquarel verzonden zoû worden naar de Internationale Tentoonstelling te
Knightsbridge, Londen. In hun gevoel voor elkaâr was nog nooit geweest
zoo een reine harmonie, zoo een eenheid van samenstemming, als nu zijn
groote arbeid klaar was. Hij voelde, dat hij nog nooit zoo edel had
gearbeid, zoo vast en zonder weifeling, met zooveel zelfde kracht en
toch zoo teêr en hij was er haar dankbaar voor. Hij bekende haar, dat
hij nooit zoo had kunnen werken, als zij niet met hem had meêgedacht,
had meêgevoeld, in hun ure-lange zitten peinzen, in hun ure-lange
zitten staren op den optocht, de vrouwentheorie, die zich ontwikkelde
uit den in zuilen neêrbrokkelenden nacht naar de Stad van louter nieuwe
blankheid en òplichtenden glasbouw. Een rust was in zijn ziel, nu
hij zoo groot en edel had gearbeid. Een fierheid was in beiden: een
trots om hun leven, om hunne onafhankelijkheid, dat werk van hooge
en voorname kunst. In hun geluk was veel eigendunk en neêrzien op de
menschen, de menigte, de wereld. Vooral in het zijne. In het hare was
iets stillers en iets nederigs, hoewel zij uiterlijk zich fier toonde
als hij Haar artikel over den Maatschappelijken Toestand der Gescheiden
Vrouw was als brochure verschenen en had succes. Haar naam werd met lof
genoemd onder de vooruitstrevende vrouwen. Maar haar eigen daad maakte
haar niet fier, als Duco's kunst haar fier maakte en trotsch op hem,
en trotsch op hun leven en op hun geluk.
Terwijl zij las in Hollandsche couranten en tijdschriften de
beschouwingen over haar brochure--bestrijdingen dikwijls, maar nooit
kleinachtingen, en steeds erkennende hare autoriteit het woord in deze
zaak te voeren--; terwijl zij haar brochure overlas, rees een twijfel
in haar aan haar eigen overtuiging. Zij voelde hoe moeilijk het is
zuiver te strijden voor een zaak, zooals die symboolvrouwen, daar op
de aquarel, ten strijde togen. Zij voelde, dat zij geschreven had na
eigen leed, na eigen ondervinding, en na eigen leed en ondervinding
alléen; zij zag in, dat zij gegeneralizeerd had haar eigen levens- en
leedgevoel, maar zonder dieperen blik in het wezen dier dingen; niet
uit zuivere overtuiging, maar wel uit bitterheid en boosheid; niet uit
nadenken, maar wel na treurig droomen over eigen lot; niet uit liefde
voor de vrouwen, maar wel uit kleine haat tegen de maatschappij. En zij
herinnerde zich het zwijgen destijds van Duco; zijn stille afkeuring,
zijn intuïtief gevoelen, dat de bron van hare opwelling niet zuiver
was, maar het bittere en troebele van haar eigen ondervinding. Nu had
zij eerbied voor die intuïtie; nu zag zij in het waarlijk zuivere
van hemzelven; nu voelde zij hem--om zijn kunst--hoog, edel, zonder
bijbedoeling in zijn daad, scheppende de schoonheid om haarzelve. Maar
ook voelde zij, dat zij hem hiertoe had gewekt. Dat was haar trots
en haar geluk en inniger had zij hem lief. Maar om haarzelve was zij
nederig. Zij voelde hare vrouwelijkheid, al het complexe van hare ziel,
dat haar verhinderde voort te strijden voor het doel der Vrouwen. En
zij dacht weêr aan hare educatie, aan haar man, haar kort maar treurig
huwelijksleven.... en zij dacht aan den prins. Zij voelde zich zoo
véel, en zij was gaarne éen geweest. Zij wiegelde in tegenstrijdigheid
bij tegenstrijdigheid en zij bekende zich: zij kende niet zichzelve.
Het gaf een schemering van weemoed in haar dagen van geluk....
Den prins.... Had zij hem niet maar schijnbaar fier verzocht Urania
niet te zeggen, dat zij bij Duco woonde, omdat zijzelve dat wel zeggen
zoû? In waarheid vreesde zij Urania's opinie... Haar hinderden de
oneerlijkheden van het kleine leven: zij noemde de kruispunten van
haar lijn met andere kleine-menschen-lijnen: het kleine leven. Waarom,
zoodra zij kruiste zulk een punt, voelde zij als bij instinct, dat
eerlijkheid niet altijd was verstandig? Waar was haar fierheid en haar
trotschheid--niet schijnbaar, maar in werkelijkheid--zoodra zij vreesde
voor Urania's kritiek, zoodra zij vreesde, dat die kritiek haar in het
een of ander opzicht kon nadeel zijn? En waarom sprak zij Duco niet
over Virgilio's armband? Zij sprak hem van de duizend lire niet, omdat
zij wist, dat geldzaken hem drukten, en dat hij van den prins niet
leenen wilde. Want zoo hij hiervan wist, zoû hij niet werken kunnen met
zijn gewone kracht en lust en ijver.... Nu had hij onbezorgd gearbeid
en haar verzwijgen was voor edel doel geweest. Maar waarom sprak zij
niet van Gilio's bracelet....
Zij wist het niet. Zij had een paar keer, heel natuurlijk weg willen
zeggen: zie, dat heb ik van den prins, omdat ik dien eenen armband heb
verkocht.... Maar zij vermocht het niet te zeggen. Waarom, zij wist
het niet. Was het om Duco's jalouzie? Zij wist het niet, zij wist het
niet. Zij vond het rustiger den armband te verzwijgen, ook niet te
dragen. Zij had hem eigenlijk gaarne willen terug zenden aan den prins.
Maar zij vond dat onheusch na al zijn vriendelijkheid, na al zijn
bereidwilligheid haar bij te staan.
En Duco.... hij dacht, dat zij de braceletten goed verkocht had, hij
wist, dat zij van haar uitgever geld ontvangen had, voor haar brochure.
Hij vroeg niet verder, en dacht verder niet over geld. Zij leefden heel
eenvoudig.... Maar toch hinderde het haar, dat hij niet wist, al was
het voor zijn arbeid goed geweest, dat hij niet had geweten.
Het waren kleine dingen. Het waren kleine wolkjes over de gouden
luchten van hun groot en edel leven: hun leven, waar zij trotsch op
waren. En zij zag ze alleen. En als zij zag zijn oogen, waaruit zijn
levensfierheid straalde, als zij hoorde zijn stem, zoo zeker klinkend
van zijn nieuwe werkkracht en levenstrots, en als zij voelde zijn
omhelzing, waarin zij trillen voelde heel zijn geluk om haar ... zag
zij de wolkjes niet meer, voelde ze in zich trillen heel haar geluk om
hem, en had zij hem zoo lief, dat zij had kunnen sterven in zijn armen.