Vele seizoenen lang hadden de Goud-roede's over het veld geregeerd,
en dacht niemand er ooit aan, een Koning uit eenig ander geslacht te
kiezen, want dezen waren krachtig en schoon en heerschten gaarne.
Maar eens in het najaar gebeurde er iets, dat groote opschudding onder
de bloemen teweegbracht. En werd voorgesteld een Koningin te nemen,
iets ongehoords tot dusverre. Het begon bij de Asters; want eenigen
groeiden buiten den muur, langs den weg, en zagen en hoorden dus wat
er alzoo omging in de wijde wereld. Deze stevige planten vertelden
die nieuwtjes aan haar betrekkingen binnen in den tuin; en zoo waren
de Asters buitengewoon wijze en voortvarende bloemen geworden, van de
kleine witte sterretjes in het gras af, tot aan de groote struiken,
die met purperen kronen boven den bemosten muur uit kwamen kijken.
"In de wereld gaan de dingen vooruit, en het wordt tijd, dat wij
in onze kleine wereld ook verandering brengen," zeide een der
langs den weg groeiende Asters, nadat zij lang gepraat had met den
voorbijtrekkenden wind. "De zaken in onze weide gaan niet voordeelig
onder het bestuur der Goud-roede's, want--zooals hun naam reeds
aanduidt--zij geven alleen om geld en macht. Wij echter stammen van
de sterren af, en wij zijn wijs en braaf, en ons geslacht is zelfs nog
machtiger dan dat der Goud-roede's; het is dus niet meer dan eerlijk,
dat wij op onze beurt ook eens regeeren.
"Weldra breekt de tijd der verkiezing aan, en ik stel voor onze
statige nicht, Violet-Aster, dit jaar tot Koningin te benoemen. Wie
dit met mij eens is, moet Ja! roepen."
Eenparig riepen de Asters Ja! en de late Klavers en Boterbloemen
voegden hun stem daarbij, want zij waren eerlijke, verstandige bloemen,
die gaarne hun plicht deden.
Tot hun vreugde zeide ook de Vingerhoedplant Ja! en dit maakte grooten
indruk, want die familie was zeer in eere.
Maar de trotsche Cardinaal bij de beek bloosde van schaamte over het
denkbeeld van eene Koningin; de Gentiaansterretjes sloten de blauwe
oogjes, om die brutale Asters niet te zien en Clematis viel flauw in
het gras, zoozeer was zij geërgerd.
De Goud-roede's lachten smadelijk, en bespotten het denkbeeld hen
van den troon te stooten, dien ze zoolang bezet hadden.
"Laat die ontevreden Asters het gerust beproeven," zeiden zij. "Niemand
zal die dwaze Violet-Aster verkiezen, en de dingen zullen net eender
blijven voortgaan, als zij altijd geweest zijn, lieve vrienden; maakt
u dus niet ongerust, maar helpt ons, onzen fraaien neef te verkiezen,
die dit jaar in het Paleis geboren is."
Midden in het grasveld stond een prachtige Ahornboom en aan den
voet daarvan lag een Rotsblok, waarover wilde wijngaardranken zich
slingerden. Allerlei soort van bloemen schoten op daar rondom; en
dit najaar was een groote Goud-Roede [4] naast een lieve Violet-Aster
opgegroeid, met enkel een varenplant als een schutting tusschen hen
beide. Deze hoek werd het Paleis genoemd; en ziende dat de Asters dáár
door hun neef op het denkbeeld gebracht waren, zelven aan de beurt
te zijn om te regeeren, stemden verscheidene der andere bloemen ook
daarmeê in, en meenden, dat een verandering van bestuur in het belang
van het rijk moest gemaakt worden.
Toen dus op den dag der verkiezing de wind rondging om de stemmen op
te halen, was er groote opgewondenheid. De Goud-roede's, Cardinalen,
Gentianen, Clematis en Bitterzoeten [5] stemden allen op den Prins,
zooals ze den mooien Goud-roede bij het Rotsblok noemden. Al de Asters,
Boterbloempjes, Klavers en Vingerhoeden stemden voor Violet-Aster; en
tot verbazing van het geheele veld, gaf de Ahornboom ook een blaadje
en het Rotsblok een takje mos voor haar. Zij bemoeiden zich anders
zelden met de zaken van het bloemenvolk,--de boom omdat hij zoo hoog
boven hen verheven was en met zijn eigen geruisch zich bezig hield,
en het Rotsblok, omdat het zoo oud, en daarom meest in overpeinzingen
verdiept was; maar het denkbeeld van een Koningin lachte hun toe
(want de eerste was een dichter, de andere een wijsgeer), en beiden
stelden vertrouwen in de zachte Violet-Aster.
Zij behaalden de overwinning, en onder luid gejuich van haar vrienden
werd zij tot Koningin van de weide uitgeroepen en welkom geheeten op
den troon.
"Wij zullen nooit aan het Hof komen, of haar eenige aandacht schenken,"
zeiden de fiere Cardinalen, rood van woede.
"Wij ook niet! Zoo'n vreeselijk onvrouwelijk schepsel! Wij willen
haar den rug toekeeren en dankbaar zijn, dat de beek tusschen ons en
haar vloeit," voegden de Gentianen er bij, even verontwaardigd.
Clematis verborg haar gelaat onder de wijngaardbladeren en zag in,
dat het Paleis niet langer een geschikte woning was voor zoo'n
fijne, hooggeboren bloem als zij. Al de Goud-roede's raasden over
deze vreeselijke teleurstelling, en zeiden veel leelijks en onwaars
over Violet-Aster. De Prins stak zijn hoofd achter het schutje, de
varenplant, en lachte alsof het hem niet schelen kon, onverschillig
zeggende:
"Laat zij 't maar beproeven; zij kan toch niet regeeren, en zal
weldra blij zijn, het op te geven, en mij mijn eigen plaats weêr te
laten innemen."
Zoo was er verdeeldheid in het veld; de eene helft keerde der
nieuwe Koningin den rug toe; de andere helft beminde, bewonderde,
en vertrouwde haar; en allen wachtten af, om te zien hoe die
proefneming zou afloopen. De wijze Asters hielpen haar met goeden
raad, de Vingerhoed verkwikte haar met de geschiedenis van de dappere
Puriteinen, die de vrijheid en het recht liefhadden en alles er voor
over hadden om die te winnen; de brave Klavers verzoetten haar het
leven, door hun vriendschap, en de vroolijke Boterbloempjes verheugden
haar, door vriendelijke daden en woorden. Maar de beste hulp kreeg zij
van het Rotsblok en den Ahornboom,--want als zij kracht noodig had,
leunde zij haar teêre hoofdje tegen de ruwe borst van het Rotsblok,
en haar moed werd verlevendigd door de aanraking van dien ouden steen,
die de stormen van eeuwen reeds getart had; als haar hart bezwaard was
door zorg, of gewond door onvriendelijke bejegening, zag zij opwaarts
naar den mooien boom, die steeds welluidend ruischte en steeds ten
hemel wees; en die kijkjes in een wereld boven haar vertroostten haar.
Het eerste wat zij deed, was de vergiftige Adders uit haar koningrijk
te verbannen, want zij verlokten de onschuldige vogeltjes en doodden
ze, zoodat zij menig gelukkig nest met droefheid vervulden. Toen
belette zij de bijen, zich langer dronken te drinken aan wilde
wijngaardbloesems, omdat zij daardoor dof, lui en knorrig werden,
ten schande hunner familie en tot schrik van de bloemen. Zij beval
aan de veldmuizen, al de stammetjes door te knagen vóór ze rijp waren,
zoodat ze afvielen en verlepten en geen kwaad deden. De Wijngaard was
heel boos, en de bijen en wespen bromden en staken; maar de Koningin
was niet bang, en al haar goede onderdanen waren haar dankbaar. De
Vingerhoed zamelde zuiver water in zijne kelkjes voor de nijvere
diertjes en de verstandige bijen verheugden zich hartelijk, dat de
wijngaardkroeg voor hen gesloten was.
Haar volgende taak was een eind te maken aan den eindeloozen strijd
tusschen de roode en de zwarte mieren; want zij vochten altijd, tot
groot verdriet van vreedzamer insekten. Zij beval, dat elke soort
van mieren in haar eigen land zou blijven en als zich een twistvraag
opdeed, dat ze die dan aan haar zouden voorleggen, dan zou zij als
rechtvaardige scheidsrechter uitspraak doen in 't geval. Dit was geen
gemakkelijke taak, want de mieren waren heel strijdlustig en vochten
nog, als hun koppen reeds van hun lichamen gescheiden waren. Maar zij
bewerkte ten laatste, dat deze vijanden vrienden werden, en iedereen
was er ten slotte blij om.
Nog een verbetering was de zuivering van de nieuwtjes die de weide
bereikten. De wind was telegraafbode; maar de vogels brachten de
tijdingen aan, en sommigen van hen waren zeer bedorven. De Leeuweriken
brachten berichten uit de wolken, en waren altijd welkom; de Lijsters
uit het bosch, en allen hoorden gaarne hun mooie romannetjes; de
Roodborstjes hadden huiselijk nieuws en de levendige Winterkoningjes
hadden praatjes en geestige grappen te vertellen. Maar de Eksters deden
veel kwaad met hun booze tongen en leelijke verhalen, en de Kraaien
veroordeelden en berispten iedereen, die niet geloofde en handelde
geheel zooals zij; den Eksters werd dus verboden door het veld te
loopen babbelen, en de sombere zwarte Kraaien mochten niet langer op
de heining uren lang zitten krassen, zooals hun liefhebberij was.
Iedereen gevoelde zich veilig en genoegelijk gestemd, toen die
maatregelen genomen waren, behalve de Cardinalen, die het prettig
vonden, als hun fraaie kleêren en schitterende feesten besproken
werden, en de Goud-roede's, die zoo gewoon waren aan het leven in
't publiek, dat zij de opwinding misten, en de lasterpraatjes van de
Eksters, zoowel als de politieke en godsdienstige vertogen en twisten
van de Kraaien.
Er werd een hospitaal voor zieke en havelooze schepselen geopend
onder de groote bladen van een Rabarberplant; en daar werden vele late
kapellen in zijden hangmatjes te slapen gelegd tot de lente; daar vond
een bedroefde bladluis, die al haar kinderen verloren had, troost in
hare eenzaamheid en vele verminkte mieren zaten in den zonneschijn
na te praten over hun vroegere gevechten, als echte veteranen.
Er was veel tijd noodig, om al die zaken in orde te brengen, en het
was een moeilijke taak, want de rijke en machtige bloemen gaven geen
hulp. Maar de Asters werkten dapper, ook de Klavers en Boterbloemen;
en de Vingerhoed hield open tafel, met de ouderwetsche gastvrijheid,
die men zoo zelden ziet tegenwoordig.
Alles ging even voordeelig, en het veld werd met den dag mooier. Thans
bevrijd van hun vijanden, de Adders, kwamen de vogels nesten bouwen
in alle boomen en struiken, en zongen zoo liefelijk, uit dankbaarheid,
dat de lucht altijddoor vervuld was van muziek.
De zonneschijn en de regenbuien verfrischten de dorstige bloemen en
hielden het gras groen, totdat alle planten even sterk en mooi waren en
de voorbijgangers stilstonden om te kijken, met een glimlach zeggende:
"Wat is dit een heerlijk plekje!"
De wind bracht het bericht van dezen toestand aan andere volkplantingen
en bracht boodschappen van lof en welwillendheid mede van andere
vorsten, blijde, dat deze proefneming zoo goed gelukt was.
Dit maakte diepen indruk op de Goud-roede's en hun vrienden, want
zij konden niet loochenen, dat Violet-Aster beter geslaagd was dan
iemand had durven hopen; en de trotsche bloemen begonnen in te zien,
dat zij genoodzaakt zouden zijn de minsten te zijn, te bekennen dat
zij ongelijk hadden gehad, en trouwe onderdanen te worden van deze
wijze en zachte Koningin.
"Wij zullen aan het Hof moeten verschijnen, als er zooveel gezanten
blijven komen met geschenken en eerbewijzen voor Hare Majesteit;
want zij zijn verwonderd ons daar niet aan te treffen, en zullen
nog uitstrooien, dat wij in huis zitten te kniezen, in plaats van
te schitteren, zooals wij alleen dat kunnen," zeiden de Cardinalen,
verlangend om hun rood fluweelen kleederen ten toon te spreiden op
de feesten, die Violet-Aster verplicht was te geven in het Paleis,
wanneer Koningen haar kwamen bezoeken.
"Onze tijd zal spoedig voorbij zijn, en ik vrees, dat wij ons wel
dienen te vernederen, als we niet alle genoegens van het jaargetijde
willen verliezen."
"Het valt wel hard, om alle goede, oude gebruiken veranderd te zien;
maar als het toch zoo zijn moet, kunnen wij niet beter doen, dan ons
goedschiks te onderwerpen," antwoordden de Gentianen en streken haar
fijne blauwe franjes glad, begeerig weêr de schoonen van het bal
te zijn.
Clematis verbaasde iedereen, door te beginnen op te klimmen tegen
den Ahornboom, en haar zilveren kwastjes boven het hoofd der Koningin
ten toon te spreiden.
"Ik kan niet zoo dicht bij haar leven, zonder er grooter door
te worden. Daar ik mij altijd aan iets moest vastklemmen, kies
ik het edelste dat ik vinden kan, en zie liever altijd opwaarts
dan nederwaarts," zeide zij; want, evenals vele zwakke bedeesde
schepseltjes, werd zij gemakkelijk geleid, en was het heilzaam voor
haar, dat Violet-Aster haar een goed voorbeeld had gegeven.
Prins Goud-roede had het onmogelijk bevonden geheel afkeerig te blijven
van Hare Majesteit, want hij had een waarlijk edel hart onder zijn
gelen mantel; hij was dus onder de eersten, die de nederige, trouwe
bloem, zoo nabij hem groeiend, zagen, bewonderden en liefhadden. Hij
kon niet nalaten haar woorden van troost of vermaning te hooren
tegen degenen, die tot haar kwamen om raad. Hij zag haar dagelijksche
liefdedaden, die niemand anders ontdekte; hij wist hoeveel beproevingen
zij uit te staan had, en hoe dapper zij die verdroeg; hoe nederig zij
zelve om raad vroeg, of haar tekortkomingen bekende aan de wijze Rots
en den statigen Ahornboom.
"Zij heeft meer gedaan, dan een onzer ooit deed, om het koningrijk
mooi en veilig en gelukkig te maken, en ik wil de eerste zijn, om dat
te bekennen, haar te danken en mijn steun haar aan te bieden," zeide
hij bij zichzelf en wachtte slechts een goede gelegenheid daarvoor af.
Eens op een mooien Septemberavond, terwijl de maan de weide helder
bescheen, en de laatste zonnewarmte nog in de lucht hing, waagde
de Prins het met zijn windharp een serenade te brengen aan de
Koningin. Hij wist, dat zij wakker was, want hij had door reten van
de varenplanten gekeken, en gezien, dat zij naar de sterren stond
te kijken, met haar violetkleurige oogen vol dauwtranen, alsof er
iets was, dat haar hinderde. Hij zong dus zijn mooiste liedje en
Hare Majesteit boog zich naar hem toe, om er naar te luisteren; want
zij verlangde vurig goede vrienden te zijn met den galanten Prins, en
wachtte slechts tot hij 't eerst sprak, om hem te bekennen hoe dierbaar
hij haar was, omdat zij beide in het Paleis waren geboren en heel
gelukkig samen opgegroeid, totdat de tijd van de kroning was gekomen.
Toen hij ophield met zingen, zuchtte zij, en was nieuwsgierig, hoe
lang het nog duren zou, eer hij haar vertelde wat zij wist, dat in
zijn hart was.
Goud-roede hoorde dien zwakken zucht, en daar hij in een aandoenlijke
stemming was, vergat hij zijn trots, schoof het schutje weg, en
fluisterde, terwijl zijn gezicht straalde, en zijn stem aantoonde
hoe vol gevoel hij was:
"Wat deert u, lieve buurvrouw? Vergeet en vergeef mijn
onvriendelijkheid, en laat mij toe u te helpen, als ik kan,--ik durf
niet zeggen: als Prins-Gemaal, hoewel ik u teeder bemin; maar als
vriend en trouw onderdaan, want ik beken, dat gij geschikter zijt om
te regeeren dan ik."
Terwijl hij sprak gingen de blaadjes, die Violet-Aster's gouden hart
bedekten, wijd open, en toonden hem hoe verheugd zij was, terwijl
zij haar fiere hoofd boog en zachtkens antwoordde:
"Er is wel plaats voor twee op den troon: deel dien met mij als Koning,
en laat ons te zamen regeeren; want zonder liefde is het eenzaam,
en de een heeft den ander noodig."
Wat de Prins toen antwoordde, weet alleen de maan, maar toen de
morgen aanbrak was het geheele veld verwonderd en blijde te zien,
dat de gouden en de purperen bloem naast elkaar stonden, terwijl
de Ahornboom hen met rooskleurige bladeren bestrooide en het oude
Rotsblok met zijn kroon van wijngaardranken wuifde, terwijl hij zeide:
"Nu is het, zooals het behoort: als liefde en kracht gepaard zijn,
zal gerechtigheid de aarde verheugen."