Diep onder in de zee leefde Kabbeltje, een gelukkig, klein
Waternimfje. Zij bewoonde een paleis van rood koraal, met tuinen van
zeebloemen er rondom, de golven als een blauwe hemel er boven en wit
zand vol edelgesteenten als vloer.
Kabbeltje en haar kameraadjes hadden een vroolijk leventje, ze
speelden met de zeejongentjes, jaagden de vliegende visschen achterna,
schommelden in schelpjes en vlochten fijne kleertjes om te dragen,
van zeegras van allerlei kleuren.
Maar het tijdverdrijf, waarvan Kabbeltje het meest hield, was naar
boven in licht en lucht te komen, en daar te drijven op de golfjes,
die haar zachtkens wiegden in den zonneschijn, terwijl de zeemeeuwen
neêrdaalden, om haar allerlei nieuws te vertellen van de groote
wijde wereld, die zij op hun lange tochten zagen. Zij keek graag
naar kinderen, die aan het strand speelden, en als zij een eindje
de zee inliepen, nam zij ze in hare armen, droeg ze en kuste ze,
hoewel die kinderen alleen het koude water en het witte schuim voelden.
Kabbeltje had maar één verdriet; want als er stormen kwamen, en de
golven als zwarte wolken boven haar rolden, leden dikwijls vaartuigen
schipbreuk, en degenen die de woeste zee dan deed verdrinken, kwamen
naar beneden zinken, bleek en koud, naar het rijk der Waternimfen,
die hen beweenden en hen neêrlegden in graven van wit zand, waarin
juweelen als bloemen blonken.
Eens op een dag deed de storm boven een kindje neêrzinken in de diepte
en in de stilte, die nog nooit verbroken werd. Zijn lieve oogjes
waren gesloten, alsof hij sliep, zijn lange haren hingen glad langs
zijn bleeke wangen, als nat zeegras, en de kleine handjes omklemden
nog de schelpjes, die het knaapje bezig was geweest te verzamelen,
toen de wreede golven het wegrukten.
Zilte tranen weenden de teerhartige nimfjes over dat kindje, ze
rolden het in hun zachtste lakentjes en vonden het zoo lief en zoo
droevig, dat ze er tegen opzagen, het uit het gezicht te brengen
en te begraven. Terwijl zij slaapdeuntjes zongen, hoorde Kabbeltje,
midden tusschen het geraas van wind en water, een droeven kreet, die
haar scheen te roepen. Door schuim en golven zwom zij naar boven,
en zag eene vrouw aan het strand staan, met uitgespreide armen,
die de wreede zee smeekte, haar haar kindje weerom te geven.
Kabbeltje verlangde zoo vurig, die arme moeder te troosten, dat zij
het vermogen kreeg, zich te vertoonen en haar zachte taal verstaanbaar
te maken. Een slanke gestalte in een kleedje zoo wit als schuim,
met oogen zoo blauw als de zee, en een zacht murmelend stemmetje,
als vallende waterdruppels, boog zich over de schreiende vrouw, en
vertelde haar, dat haar kind goed verzorgd werd beneden alle stormen,
en beloofde haar, het kleine grafje steeds fraai te versieren met
zeebloemen, en het te beschutten tegen alle kwaad. Maar de moeder
wilde zich niet laten vertroosten, en weende nog bitterlijk, zeggende:
"Geef mij mijn knaapje weer, levend en lachend, of ik besterf
het. Lieve nimf, hebt gij geen toovermiddel om mijn lieveling weer
in 't leven te roepen? O! zoek mij dat middel of laat mij naast hem
slapen in de gulzige zee."
"Ik zal heinde en ver zoeken, of ik iets tot uwe hulp kan vinden. Blijf
maar de wacht houden bij het strand, en als er op aarde of in de zee
een macht is, om hem weer levend te maken, dan zal ik tot u weêrkomen,"
riep Kabbeltje, zoo vol ijver om dit heerlijke werk te doen, dat zij
in den oceaan sprong en verdween als een waterbel.
Zij ging haastig naar de Koningin, in haar paleis van paarlen, en
vertelde haar de geheele droevige geschiedenis.
"Lief Kabbeltje, gij kunt uw belofte niet houden, want er is geen macht
in mijn koningrijk, om dit tooverwerk te verrichten. Het eenige middel,
dat hier iets zou baten, zou zijn een vlam van de zon, om het lijkje
weer ten leven te verwarmen, maar gij zoudt de woning der Vuurgeesten
heel in de verte niet kunnen bereiken."
"Maar ik wil het beproeven!" riep Kabbeltje, dapper. "Als gij, zooals
ik, de tranen van de arme moeder gezien hadt en haar jammerklachten
gehoord hadt, dat zoudt gij gevoelen evenals ik en haar niet vergeefs
laten wachten. Zeg mij, waarheen ik moet gaan, en ik zal voor niets
bevreesd zijn, als ik het kind maar weer levend kan maken."
"Heel ver weg, bij de zon, leven de Vuurgeesten, maar den weg kan ik
u niet wijzen, want die is door de lucht en een Waternimf zou dien
niet levend kunnen bereiken. Lief Kabbeltje, ga maar niet, want als
u iets kwaads overkomt, zou ik mijn dierbaarste onderdaan verliezen,"
zeide de Koningin--en al de andere Waternimfen smeekten haar insgelijks
veilig thuis te blijven.
Maar Kabbeltje wilde haar belofte niet verbreken, en zij moesten
haar wel laten trekken. De nimfen bouwden dus een grafje van fijne
bonte schelpjes, waarin het kindje kon blijven liggen, totdat zij
neêrkwam om het weêr levend te maken, en met een dapper vaarwel
zweefde Kabbeltje weg, op haar lange reis naar het hemelgewelf.
"Ik zal de wereld doorreizen, totdat ik een weg naar de zon vind. De
eene of andere vriendelijke geest zal mij, hoop ik, wel helpen, want
ik heb geen vleugels en kan niet vliegen door de blauwe lucht als
door de zee," zeide zij, toen zij aan den anderen oever van de zee
kwam en daar een schoon land voor zich zag. Frisch groen gras bedekte
alle heuvels, bloemen ontloken overal, jonge blaadjes ontsproten op
alle boomen en overal zongen vogels.
"Waarom zijt gij allen zoo vroolijk?" vroeg Kabbeltje verwonderd.
"De Lente komt! de Lente is in aantocht! en heel de aarde is blij,"
zong de leeuwerik, en zijn stem kwam als muziek uit zijn kleine
keeltje.
"Zal ik ook de Lente zien?" vroeg Kabbeltje, vol vuur.
"Weldra zult gij haar ontmoeten. De zonneschijn heeft ons verteld,
dat zij in aantocht is, en wij haasten ons om op en gekleed te zijn,
om haar te verwelkomen bij hare terugkomst," antwoordde een blauw
viooltje, en danste op haar stengeltje van vreugde.
"Aan haar zal ik vragen, hoe ik de Vuurgeesten kan bereiken. Zij reist
elk jaar de wereld door, en kan mij misschien den weg wel wijzen,"
zeide Kabbeltje onder het voortgaan.
Weldra kwam een mooi kind over de heuvels aandansen; zij had een
kleur als het morgenrood, haar als zonnestralen, een stem als een
zacht koeltje, en haar kleed vol zaden, blaadjes, dauwdroppels en
bloemknoppen, die zij naar alle kanten heenstrooide, totdat de aarde
en de hemel elkaar vriendelijk toelachten.
"Lieve Lente, wilt gij een arm nimfje voorthelpen, dat de woonplaats
der Vuurgeesten zoekt?" riep Kabbeltje, en vertelde haar geschiedenis,
met zooveel vuur, dat Lente even stilstond, om haar aan te hooren.
"Helaas, ik kan het u niet zeggen," antwoordde Lente, "maar mijn oudere
zuster, Zomer, komt achter mij aan, en zij weet het misschien. Ik
wil u zeer gaarne helpen, daarom zal ik u dit lentekoeltje geven,
dat u onvermoeid over land en zee zal voortdragen. Ik zou graag meer
voor u willen doen, maar ik kan niet, ik moet verder gaan, daar de
wereld mij roept."
"Dank u zeer, vriendelijke Lente," riep Kabbeltje, terwijl zij op
den wind wegvloog. "Zeg nog een goed woordje tot die arme moeder, die
aan het strand zit te wachten, en zeg haar, dat ik haar niet vergeet."
Toen vloog het liefelijke jaargetijde verder, met haar zonneschijn
en gezang, en het nimfje spoedde zich voort over berg en dal, totdat
zij kwam aan de plaats, waar Zomer woonde. Hier scheen de Zon warm op
vroege vruchten en rijpend graan; de wind blies frisch over geurige
hooivelden, en deed de dikke takken van de boomen ritselen. Zware
dauw en zachte regenbuien verfrischten al wat er groeide, en lange
heldere dagen maakten de wereld hoe langer hoe mooier.
"Nu moet ik naar Zomer uitkijken," zeide Kabbeltje, onder het
voortzweven.
"Hier ben ik," zeide een stem, en zij zag een schoone vrouw aankomen,
in een groen kleed, met een gouden kroon op haar lokken, en haar
armen vol prachtige bloemen.
Kabbeltje vertelde weêr haar geschiedenis, maar Zomer zeide, met een
zucht van medelijden:
"Ik kan u den weg niet wijzen, maar misschien weet mijn broeder Herfst
het wel. Ik wil u ook een gave schenken, om u voort te helpen op uwen
weg, goed schepseltje! Deze zonnestraal zal u tot een lamp zijn,
om uw weg te verlichten, want gij kunt nog wel een sombere reis te
doen hebben."
Toen ging Zomer verder, en liet alles, waarlangs zij gekomen
was, groen en goud achter, en Kabbeltje vloog weg, om Herfst te
zoeken. Weldra waren de velden geel van koren en granen; blauwe en
witte druiven hingen aan de wijnstokken, noten ritselden naar beneden
in de gele bladeren, en nachtvorst tooverde allerlei bonte kleuren op
de boomen. Een koene jager, keurig uitgedost, kwam over een heuvel
aanstappen, met zijn honden rondom hem, terwijl hij blies op een
zilveren hoorn en al de echo's het geluid weerkaatsten.
Dit was nu Herfst; maar hij was ook al niet wijzer dan zijn zusters,
en ziende hoe teleurgesteld het nimfje was, zeide hij vriendelijk:
"Vraag het aan Winter; hij kent de Vuurgeesten zeer goed, want als hij
komt, vliegen zij naar beneden, om vuren aan te steken in de haarden,
waar rondom zich dan de menschen verzamelen, om warm te blijven. Neem
dit roode blaadje en als gij 's winters kille winden ontmoet, hul u
dan daarin, anders vriest ge nog dood. Ik wensch u een voorspoedige
reis en een zalig uiteinde," en met een schellen toon uit zijn hoorn
en al zijn honden achter hem aanspringend, spoedde Herfst zich weg.
"Zal ik ooit die Vuurgeesten bereiken?" zuchtte ons arme Kabbeltje,
terwijl het onvermoeide lentekoeltje voortvloog, totdat de hemel donker
werd en koude winden begonnen te waaien. Toen hulde zij zich in het
warme roode blad, als in een mantel, en zag neêr op de doode bloemen
en bevroren velden, niet wetend, dat Winter hen met een zachte wollen
deken van sneeuw toedekte, zoodat zij veilig konden liggen slapen,
totdat Lente hen weêr wakker zou maken.
Weldra kwam Winter op den Noordenwind aanrijden, met een schitterende
kroon van ijs op zijn grijze haren, en een mantel van ijsborduursel,
waarvan hij naar alle kanten sneeuwvlokken rondstrooide.
"Wat wilt gij van mij, mooi schepseltje? Wees maar niet bang voor mij;
ik heb een warm hart, al schijn ik van buiten ruw en koud," zeide
Winter, met een glimlach, die zijn prettig gezicht deed stralen in
de koude lucht.
Toen Kabbeltje vertelde wat zij zocht, knikte hij en wees naar den
donkeren hemel.
"Daarboven heel in de verte is het paleis, en de eenige weg er heen is
door wolken, mist en vreemdsoortige plaatsen vol gevaren. Het is een
veel te zware taak voor u, en de Vuurgeesten zijn wilde, ontembare
wezens, die u wel vermoorden kunnen. Ga met mij terug en beproef het
maar niet."
"Ik kan niet terugkeeren, nu ik eenmaal den weg gevonden heb; stellig
zullen die geesten mij geen kwaad doen, als ik hun vertel, waarvoor
ik gekomen ben; en als ze mij die vlam geven, zal ik de gelukkigste
nimf in de heele zee zijn. Zeg aan de arme moeder, dat ik mijn woord
gestand zal doen; en wees lief voor haar, zij is zoo bedroefd."
"Dapper schepseltje! Ik denk dat het u gelukken zal. Hier, neem dit
sneeuwvlokje, dat zal nooit smelten, en goede reis," riep Winter,
terwijl de Noordenwind hem wegvoerde en de lucht vol sneeuw achterliet.
"En nu, lief Lentekoeltje, vlieg rechtuit naar boven, totdat wij het
doel van onzen tocht bereiken. Zonnestraal zal den weg verlichten;
Roodblaadje zal mij warm houden en Sneeuwvlokje hier naast mij liggen,
totdat ik 't noodig heb. Vaarwel, land en zee; voorwaarts nu, opwaarts
naar de Zon!"
Toen Kabbeltje eerst haar luchtreis begon, lagen zware wolken
opgestapeld rondom haar, en vulde een koude mist geheel de
lucht. Steeds hooger vlogen zij, en de lucht werd al donkerder,
terwijl een stormachtige wind de kleine reizigster heen en weêr rukte,
als ware zij op de veelbewogen zee.
"Zal ik ooit de schoone wereld weêrzien?" zuchtte Kabbeltje. "Het
is wezenlijk een vreeselijke weg, en indien ik niet de gaven der
jaargetijden had, zou ik zeker bezwijken. Vlieg ras, lief windje,
en breng mij weêr bij den zonneschijn."
Weldra had zij de wolken achter zich gelaten, was de mist weggetrokken,
en kwam zij boven bij de sterren.
Met verbaasde blikken bezag ze die lichte werelden, die vroeger,
toen zij ze van uit de zee zag, dof en zoo ver verwijderd schenen. Nu
bewogen zij zich rondom haar, sommigen met een zachten glans stralend,
sommigen omgeven van veelkleurige ringen, enkelen bleek en koud,
terwijl anderen met rooden gloed brandden.
Het nimfje zou gaarne wat gebleven zijn, om naar hen te kijken,
want ze verbeeldde zich zelfs, dat stemmen haar riepen, gezichten
glimlachten tegen haar en elke ster maakte muziek, bij het stralen
in het luchtruim.
Maar nog hooger op, en dichter bij de zon, zag zij in de verte een
licht, flonkerend als een gouden vlam en vurig gloeiend. "Hier zijn
zeker de Vuurgeesten," zeide zij en spoedde zich voort, vol verlangen
het einde harer reis te bereiken.
Zij vloog altijd hooger, totdat zij vlak vóór zich een breed pad zag,
voerende naar een gouden boog, waarachter zij liefelijke wezentjes
zag heen en weêr zweven. Toen zij nader kwam, werd de lucht zoo heet,
dat het roode blaadje verschrompelde en Kabbeltje zou gestorven zijn,
indien ze niet snel het vlokje sneeuw uit elkaar geplukt en zich in
dat koele manteltje gehuld had.
Toen was zij in staat ongedeerd, onder dien grooten boog door, in een
vreemde plaats te komen, waar de muren bestonden uit roode, blauwe en
paarsche vlammen, die de prachtigste gedaanten aannamen bij het heen
en weêr flikkeren. Hier woonden de Vuurgeesten en Kabbeltje zag vol
bewondering hun vlammenkronen, hun schitterende oogen, de vonken,
die uit hun lippen sprongen bij het spreken, en hoe in elks boezem
een vlammetje brandde, dat nooit verflauwde of uitdoofde.
Zij had geen tijd om meer te zien, want de wilde wezentjes kwamen
rondom haar dansen, en hun heete adem zou haar stellig verteerd hebben,
als ze niet haar sneeuwmanteltje over haar hoofd getrokken had en
hen gesmeekt, haar niet aan te raken, maar haar naar de Koningin
te geleiden.
Door gangen van veelkleurige vlammen brachten zij haar bij een
Vuurgeest, nog schitterender dan de overigen; want een kroon van gele
vlammen tooide het hoofd der Vorstin, en onder haar doorschijnenden
purperen mantel scheen het licht in haar borst als een groote ster.
Toen vertelde Kabbeltje, hoe zij, de geheele wereld door, naar hen
gezocht had, en, geholpen door de gaven der jaargetijden, eindelijk
in staat was de toovervlam te komen vragen, die het kindje weêr in
het leven moest terugroepen.
"Neen, die kunnen wij u niet geven," zeide de Koningin; "want
elk onzer zou een deel van den gloed in zijn borst moeten nemen,
om deze vlam samen te stellen, en dit doen wij niet gaarne, omdat,
hoe helderder deze onze zielen branden, wij er des te liever uitzien."
"Lieve Geesten, met uw warme harten, zend mij niet ongetroost weg, na
deze lange bange reis," riep Kabbeltje met smeekende gebaren. "Ik ben
overtuigd, dat uw inwendige vuren des te helderder schitteren zullen,
als gij deze goede daad verricht; want iedere daad van liefde maakt
ons schooner. Geef mij die vlam, en al wat ik kan, zal ik voor u doen."
Terwijl zij sprak, viel haar mantel een weinig naar achteren en zag
de Koningin de diamanten ketting, die Kabbeltje droeg.
"Als gij mij die prachtige blauwe steenen wilt geven, die schitteren
als helder water, zal ik een weinig van mijn boezemvuur geven ten
behoeve van het kind, omdat gij een dapper nimfje zijt, en het zwaar
valt tegen u wreed te zijn."
Met blijdschap gaf Kabbeltje haar halsketen; maar helaas! zoodra de
hand van de Koningin die aanraakte, smolten de juweelen als ijs, en
vielen ze als heldere druppels op den grond. Toen schoten de oogen der
Koningin vuur, en al de Vuurgeesten verzamelden zich woedend rondom
Kabbeltje, en vonken vielen van hun lippen, terwijl zij booze woorden
tot de nimf spraken.
"Ik heb thuis nog een boel fijner juweelen, en als gij mij de vlam
wilt geven, zal ik u zooveel paarlen brengen, als ik in de zee kan
vinden, en aan elk uwer een halsketting geven, ter herinnering aan de
vriendelijkheid mij bewezen," zeide zij zachtmoedig, terwijl zij rondom
haar knetterden, en bereid schenen, om in hun woede haar te verteren.
"Wij zullen het doen," zei de Koningin, "maar als de juweelen,
die gij ons brengt, smelten zooals deze, dan houden wij u hier
gevangen. Beloof, dat gij weêrom zult komen, anders zullen we
bliksemschichten zenden om u op te zoeken en te dooden, al waart ge
ook op den bodem der zee."
De nimf beloofde het, en ieder der geesten gaf een vonk, totdat de
vlam samengesteld was, en geborgen in een kristallen vaas, waarin
zij schitterde als een prachtige ster.
"Onthoud goed uw belofte! Niet vergeten!" riepen om strijd de woeste
kabouters, terwijl ze haar geleidden naar den boog, en haar naar
buiten lieten, om door mist en wolken terug te reizen, totdat zij
ver weg in de diepte de blauwe zee weêr aanschouwde.
Recht verheugd dook zij onder in de koele baren, en zonk neder in haar
oude woning, waar al hare oude vriendinnen en vrienden zich haastten
om haar van harte te verwelkomen.
"Kom nu, lief, dapper meisje, en voleindig het goede werk, dat gij
hebt begonnen."
Zij verzamelden zich rondom het grafje, waarin het kindje lag,
als een marmer beeldje. Kabbeltje plaatste het de vlam op de borst,
en keek toe, hoe die daar schitterde, terwijl langzamerhand de kleur
terugkwam in het bleeke gezichtje, licht in de doffe oogjes en adem
door de koude lipjes, totdat het kindje ontwaakte uit zijn langen
slaap, glimlachend opkeek en om zijne moeder riep.
Toen zongen al de waternimfen van vreugde en kleedden hem in fraaie
kleêrtjes van geweven zeegras, deden kettingen van schelpjes om zijn
hals en armen, en zetten hem een krans van waterbloemen op de slapen.
"Nu zult gij uwe moeder weêrzien, die zoo lang op u gewacht heeft,
lief kind," zeide Kabbeltje, terwijl zij hem in hare armen sloot en
gevoelde, dat al hare moeite niet vergeefs was geweest.
Aan het strand zat de arme moeder nog geduldig te wachten en uit te
kijken, evenals ze dat het geheele jaar lang gedaan had. Plotseling
kwam een groote golf naar haar toe rollen, en daarop, gedragen door
armen zoo wit als schuim, zat haar kindje en wuifde haar toe met
zijne handjes, terwijl hij haar toeriep: "Ik kom al, Moesje! en ik
heb zulke mooie dingen uit de diepte van de zee, om u te laten zien!"
Toen brak de golf zachtjes op het strand en liet het kind veilig en
wel in de armen zijner gelukkige moeder achter.
"O trouwe nimf, wat kan ik doen, om u mijn dankbaarheid te toonen? Ik
zou u gaarne iets prachtigs geven, maar ik heb niets anders dan dit
kleine paarlenkettingje. Het zijn de tranen, die ik geschreid heb,
en de zee heeft die in paarlen omgezet, opdat ik iets zou hebben,
om u aan te bieden," zeide de vrouw, zoodra de vreugde haar niet meer
belette te spreken.
Kabbeltje nam het fraaie snoer paarlen en zwom weg, bereid voor haar
nieuwe taak, terwijl het kindje vroolijk rondtrippelde op het zand,
en de moeder glimlachte als zonneschijn tegen het goede nimfje,
dat zooveel voor haar gedaan had.
In alle schuilhoeken, diep onder in de zee, zocht Kabbeltje naar de
prachtigste juweelen, en toen zij er verscheidene fraaie kettingen
van geregen had, vloog zij weêr weg op het onvermoeide Lentekoeltje,
naar het Vuurpaleis in den hemel.
De Vuurgeesten verwelkomden haar hartelijk, toen zij haar schatten
voor de voeten der Koningin uitstortte. Maar toen hun gloeiende
vingers de juweelen aanraakten, smolten zij ook en vielen neder als
dauwdruppels. Kabbeltje vreesde zeer, want zij kon niet blijven leven
op die vurige plaats en zij verzocht dringend, of zij met iets anders
haar leven mocht redden.
"Neen, neen," riepen de Vuurgeesten zeer beslist. "Gij hebt uwe belofte
niet gehouden en nu moet gij hier blijven. Doe dezen kouden mantel
af en zwem in de vuurfonteinen, totdat gij ook een ziel krijgt, als
de onze, en ons kunt helpen de vonken in onzen boezem weêr helderder
te maken."
Kabbeltje zonk wanhopig neêr, en gevoelde, dat nu haar laatste uurtje
geslagen was; maar toch was zij nog blijde, dat zij het leven van
het kind gered had, al was het ten koste van haar eigen leven. De
Vuurgeesten omringden haar, maar toen zij begonnen haar den mantel
af te trekken, zagen zij daaronder het snoer paarlen, met zachten
glans prijkend, die nog verhelderde, toen zij hun handen eraan sloegen.
"O, geef ons deze!" riepen zij; "die zijn schooner dan de vorige,
en smelten niet. Geef ons dit en dan moogt gij vrij heengaan."
Kabbeltje gaf ze met vreugde en weêr veilig in haar mantel kruipend,
vertelde zij hun, dat de paarlen, die zij zoo trotsch onder elkander
verdeelden, tranen waren, die nog zouden zijn blijven vloeien, indien
zij niet die vlam afgestaan hadden. Dit beviel de kabouters, want hun
hart was even warm, als hun inborst vurig, en glimlachend zeiden zij:
"Daar wij u niet mogen kussen, en gij bij ons niet leven kunt,
willen wij onze liefde voor u toonen, door u een aangename terugreis
te bezorgen. Kom maar naar buiten en zie welk een helder verlichten
weg wij voor u gebaand hebben."
Zij brachten haar naar de poort, en daar zag zij een prachtigen
regenboog, die zich welfde van den hemel naar de zee, en welks
liefelijke kleuren in de zon schitterden.
Na hartelijke dankbetuiging en afscheidswoorden, vloog het gelukkige
nimfje naar huis terug, langs dien heerlijken weg, en al de golven
in de groote zee dansten van vreugde, om haar welkom te heeten.