Er was eens een Koning, die twee jeugdige zoontjes had, genaamd Paars
en Krip, omdat zij altijd in den rouw waren over hunne moeder, die
bij hun geboorte gestorven was. De Koning wilde geen paars dragen,
hoewel deze kleur meer gebruikelijk was dan zwart voor koninklijken
rouw. Hij was een zeer zelfzuchtig man, die zich enkel om zijn
eigen gemak en genoegen bekommerde; hij bewoonde dus zijn prachtige
vertrekken, en vermaakte zich met zijn boeken, lui en tevreden, in zijn
groen fluweelen kamerjapon, met het roode kapje op; hij sliep veel,
las en dronk wijn, ten einde het verlies van zijn schoone Koningin
te vergeten.
Hij bekommerde zich niet om zijn twee zoontjes, en liet hen over,
eerst aan de min en kindermeiden, daarna aan de meesters, toen zij
van zuigelingetjes opgegroeid waren tot knappe jongens, zoo lief,
verstandig en braaf, dat de menschen zeiden, dat de geest van hun
overleden moeder hen zeker bewaakte, wat ook misschien het geval was.
Zij waren altijd te zamen, altijd bezig, steeds zachtzinnig en
vriendelijk, maar wel wat droevig, omdat hun vader hen niet liefhad;
en al de liefde van de vele vrienden, die zij zich maakten, konden
hun het gemis van vaderliefde en moederzorg niet vergoeden.
De onderdanen van den Koning wilden hem bewegen weêr te gaan trouwen,
opdat het Hof weêr opgevroolijkt mocht worden door feesten en bals en
tooneelvertooningen, zooals voorheen; maar hij was te zelfzuchtig en
te lui, om daarvan werk te maken, totdat eindelijk zekere schoone dame
hem kwam opzoeken. Zij was een weduwe met twee dochtertjes, genaamd
Sleutelbloem en Narcis, omdat zij altijd gele jurkjes aanhadden. De
moeder dezer meisjes heette Tijloos (Jonquille) en had goudlakensche
japonnen aan. Zij was heel trotsch en wilde gaarne Koningin zijn;
zij deed dus een paars fluweelen mantel om, en liet de meisjes
paarse hoedjes dragen, om den schijn te hebben van, evenals de rest
van het volk, over de Koningin te rouwen; maar het was haar te doen
om den Koning te trouwen. Moeder en dochters waren zoo mooi, zoo
bekoorlijk, dat iedereen haar bewonderde en welkom heette; en terwijl
de Prinses schaak speelde met den Koning, en hem verzen voorlas,
om Zijne Majesteit te vermaken, speelden de kinderen met elkander,
en trachtten vriendschap te sluiten.
Maar Sleutelbloem en Narcis waren ijdel, en zelfzuchtig en grillig;
en de kleine Prinsjes bemerkten weldra, dat zij in alles haar eigen
zin wilden hebben en doordrijven, en dat zij zich onhebbelijk driftig
aanstelden, wanneer iemand het waagde haar te berispen. De knaapjes
waren dus ongelukkiger dan ooit, toen men hun vertelde, dat hun vader
met die Prinses zou gaan trouwen, en dat dus deze onaangename meisjes
hunne halfzusters zouden worden.
Het huwelijk was prachtig: de klokken werden geluid, de trompetten
werden geblazen, en iedereen vierde feest en danste. Wijn vloeide uit
de fonteinen, en op de markten werden feestmalen aangericht, zoodat
alle arme menschen, zoowel als de rijken, ruim onthaald werden. De
nieuwe Koningin beijverde zich zeer haar nieuwe onderdanen te behagen,
en maakte het leven zoo vroolijk, dat in den beginne iedereen haar
prees; en de Koning liet met blijdschap de regeering aan haar over,
als hij dan maar rustig bij zijn boeken en flesschen mocht zitten.
Nu waren die meisjes trotscher dan ooit, en pronkten zij als pauwen
in haar fraaie nieuwe kleêren. Maar de Prinsjes wilden hun rouwgewaad
niet afleggen, hoewel zij wel gouden gordels omdeden, en gele bloemen
op hun hoedjes zetten, ter eere van de Koningin. Zij deden hun best
te deelen in de algemeene pret; maar bemerkten, spoedig, dat zij door
iedereen verwaarloosd werden; want de menschen zagen weldra wie de
meeste macht kreeg aan het Hof, en liefkoosden en vleiden nu de jonge
Prinsesjes, ten einde hare moeder te winnen.
Zij toonde hoe zij van zins was te regeeren, toen zij voor de eerste
maal den troon besteeg; de Koning was er toen niet bij, en zij zat
alleen in haar goudlakensche japon, schitterend om te aanschouwen. Zij
zette hare dochters elk aan een kant, op de groen satijnen stoelen,
die klaar gezet waren voor de Prinsen, en beval den armen jongens
samen op haar voetbank te komen zitten.
Sommige lieden waren daarover heel boos, en vertelden het aan den
Koning; maar deze zeide enkel: "Valt mij nu niet lastig. Hare Majesteit
moge het doen, zooals zij het best vindt; en mijne zonen moeten haar
gehoorzamen, alsof ze hare eigen kinderen waren."
Er was dus niets tegen te doen; en de zachtzinnige knapen zaten aan
de voeten der Koningin, terwijl de ijdele meisjes zaten te ritselen
met hare zijden kleedjes, te lachen en te draaien met hare hoofden,
op de hooge zetels, waar zij niet behoorden.
Dit was het begin van treurige tijden voor de Prinsen; want de nieuwe
moeder wilde hen uit den weg ruimen, om zelve te kunnen regeeren,
wanneer de Koning stierf. Zij durfde hen niet terstond weg te zenden,
maar zij gebood hun, rustig met hunne onderwijzers in een afgelegen
gedeelte van het paleis te wonen, en zich nooit te vertoonen bij
de feesten, de jachtpartijen, of een der grootheidsvertooningen,
waarop zij het volk vergastte. Daar hun vader hier niet tegen opkwam,
gehoorzaamden de knapen, en vermaakten zich door den bloemtuin
te verzorgen, met den ouden Adam, den tuinman, die hun allerlei
wetenswaardige, aardige, nuttige dingen leerde omtrent de boomen
en planten.
Ook leerden zij spelen en zingen; en zaten dikwijls op zomeravonden
met hun kleine instrumenten liefelijker muziek te maken, dan de
nachtegalen in de rozenstruiken, of de hofconcerten, waar de slechte
Koningin en de trotsche Prinsessen in al haar luister zaten.
De knapen leerden ijverig en werden wijs onder de leiding hunner
onderwijzers, die veel van hen hielden; maar, naarmate zij ouder
werden, begonnen zij te verlangen naar meer vrijheid en genoegen,
wanneer de jachthoorns werden geblazen en al de groote lui wegreden,
om herten te gaan jagen, of hun valken te laten vliegen. Zij smeekten
de Koningin hen bij hun vader toe te laten; maar toen zij zag wat
flinke mooie knapen zij werden, was zij meer dan ooit begeerig hen
van de baan te schuiven, en des nachts, zond zij soldaten uit, om
hen naar den toren te brengen, waar zij in een hoog kamertje werden
opgesloten, met niets dan brood en water om van te leven,--geen boeken,
geen vrienden, geen vrijheid; want niemand wist waar zij waren, daar
de Koningin aan den vader wijs had gemaakt, dat zij weggeloopen waren,
en nadat hij eenige lieden uitgezonden had, om naar hen te zoeken,
bekommerde hij zich verder niet over het geval.
Zoo leefden zij een jaar lang geheel alleen in den toren; maar zij
waren toch niet heel ongelukkig, want de zonneschijn lachte hun toe,
vogels bouwden hun nestjes in den klimop, die de grijze muren bedekte,
en de wind, loeiend of suizend rondom hun hoog verblijf, zong hen
in slaap.
Zij hadden elkaar lief en vroolijkten elkander op, en hielden goeden
moed, totdat er eens op een dag geen brood en water werd gebracht door
het kleine luikje in de deur hunner gevangenis. Drie dagen lang kwam
er geen voedsel, en toen begrepen zij, dat de slechte Koningin van zins
was hen van honger te laten omkomen. De menschen dachten toch, dat zij
weg waren, en allen, behalve enkele getrouwen, vergaten de Prinsjes
en gehoorzaamden de Koningin, die als een tiran over hen heerschte,
terwijl hare dochters bij den dag trotscher en zelfzuchtiger werden,
en de oude Koning het grootste gedeelte van den tijd sliep, en om
niets gaf, dan om zijn eigen gemak.
"Broeder, nu moeten we ontvluchten; want blijkbaar komt ons niemand
te hulp, dus zullen wij ons zelven helpen," zeide Paars dapper, vast
besloten niet den hongerdood te sterven ter wille van een stiefmoeder.
"Dat willen we," riep Krip; "maar hoe kunnen wij uit dezen hoogen
toren komen zonder ladder?"
"Wij zullen er een maken. Dikwijls heb ik reeds over dit plan
nagedacht; maar ik meende, dat het onze plicht was te gehoorzamen. Nu
zijn we verplicht voor ons zelven te zorgen, en zullen we trachten
zoo mogelijk onzen vader te bereiken. Van het stroo onzer bedden, de
wollen dekens, de lakens, en zooveel van onze kleeren als we missen
kunnen, zullen we touwen vlechten.
"Toch zal dat alles nog niet lang genoeg zijn, om den grond te
bereiken; maar daarmeê kunnen we wel laag genoeg komen, om de dikke,
sterke takken onder aan den klimop te halen, en daarlangs kunnen wij
veilig verder naar beneden klimmen. Wij zullen het 's nachts doen en
dan den goeden, ouden Adam gaan opzoeken. Hij zal ons wel eten geven
en helpen, en raad geven wat ons verder te doen staat."
"Een prachtig plan! We moeten gauw aan het werk gaan, vóór onze
krachten ons geheel begeven, anders is het te laat," antwoordde Krip,
die reeds heel bleek en slap was van honger.
Hun vingers repten zich om het hardst, en weldra hadden ze reeds
een lang eind koord gedraaid en gevlochten; terwijl de arme jongens
klimopbladeren kauwden en regen dronken om in het leven te blijven. Ten
laatste hadden zij genoeg, om een heel eind naar beneden te komen; en
toen de avond gevallen was liet Paars eerst zijn broeder afdalen,--want
die was een uur jonger en geringer van gewicht, en hij wilde gaarne
zeker zijn, dat die eerst veilig beneden was, alvorens hij zelf
ontsnapte.
Krip klom dus naar beneden, terwijl de andere jongen uit het
dakvenster leunde, en de zwakke ladder, daar vastgebonden, nog met
zijne handen bevestigd hield, zijn adem inhoudende van angst, tot de
donkere gestalte uit het gezicht verdwenen was, en een zacht fluiten
hem de blijde boodschap bracht, dat de lieve jongen veilig beneden
aangeland was.
Daarop volgde hij zelf, en Krip ving hem op in zijne armen, toen ook
hij den voet van den toren bereikte langs den klimop; terwijl zelfs
de vogels stil in hunne nesten bleven zitten, en geen der dikke
klimoptakken brak onder den druk hunner handen of voeten,--want
vogels en planten hadden hen lief, en waren hun trouwe vrienden,
zooals wij verder ook zien zullen.
In de duisternis wisten de Prinsen toch den weg naar Adam's huis te
vinden in den grooten tuin, en zij werden aldaar hartelijk verwelkomd,
want de oude man had hen reeds als dood betreurd. Toen hij hun
geschiedenis hoorde zeide hij, dat het hun toch niet gelukken zou tot
hun vader door te dringen, maar dat zij hun leven in de waagschaal
stelden, wanneer ze dat beproefden; want de Koningin was heel wreed
en machtig, en zou hen niet in het leven laten, wanneer zij kans zag
het te beletten.
"Gij doet het verstandigste heen te gaan, totdat gij volwassen zijt;
en komt dan als mannen terug, om het Koninkrijk in bezit te nemen,
dat u toebehoort."
"Maar hoe moeten wij aan den kost komen? Wat kunnen wij doen, daar
wij geen geld hebben, en geen vrienden om ons te helpen?" vroegen de
jongens, toen zij na een goed maal zaten uit te rusten.
"Hier heb ik nog uw oude luiten," zei de goede Adam; "die heb ik
zorgvuldig voor u bewaard, en nu kunt gij de wereld doorgaan zingende
en spelende, en zoo den kost verdienen. Ik zal u tooverzaadjes geven,
die mijn vader mij nagelaten heeft, en die, volgens zijn zeggen,
niet zullen groeien, tenzij geplant door koninklijke handen, en die
alsdan den gelukkigen eigenaar, voor wien zij bloeien, voorspoed
zullen aanbrengen. Tuinieren hebt gij van mij geleerd; als gij dus
veilig het land uit zijt, moet gij op een eenzaam plekje uw zaad
zaaien, en zien of die voorspelling uitkomt. Verder heb ik niets om
u te geven, dan brood en wijn en mijn beste wenschen, mijn dierbare
verongelijkte Prinsen! God zij met u, en doe u in goeden welstand
tot ons terugkeeren, om lang en gelukkig over ons te regeeren."
De broeders bedankten hem recht hartelijk, en zoodra, de morgen
aanbrak, slopen zij de stad uit, met hunne luiten aan een koord op hun
rug hangend, en taschjes met voedsel onder den arm, en beiden gehuld
in bruine manteltjes, gemaakt van een ouden wijden koetsiersmantel
van Adam.
Vrijheid en frissche lucht gaven hun weldra hun oude kracht en
goeden moed terug, en toen zij op veiligen afstand van huis waren,
begonnen zij in de dorpen, waar zij doortrokken, te zingen en te
spelen. Met hun verlepte kleêren, lieve gezichten en vriendelijke
manieren, waren zij een bekoorlijk stelletje jeugdige straatzangers,
en een ieder luisterde met genot naar hun liefelijke muziek. Rijke
menschen wierpen zilverstukjes in de mutsjes, die zij ophielden, als
de liedjes uit waren, en armere lieden, die geen geld konden geven,
gaven hun met vreugde nachtverblijf en voedsel.
Op die wijze kwamen zij genoegelijk den winter door; want sneeuw
was er niet in dat land; en de knapen werden sterk en dapper, door
die voetreizen over bergen en door dalen, zonder andere vijanden om
te vreezen, dan wind en regen; en op vele plaatsen goede vrienden
achterlatende.
Zij vonden dat vrije leven prettig, al was het niet gemakkelijk;
maar nooit verloren zij uit het oog, dat zij Prinsen waren, zelfs
toen hun paarse pakjes tot rafels versleten waren en de bruine mantels
niet veel beter. Niets laags, zelfzuchtigs, wreeds of onrechtvaardigs
verstoorde ooit den vrede hunner eerlijke harten en goede gewetens;
en vele edelmoedige daden, zachte woorden en goede gedachten maakten
deze bedeljongens ten laatste tot koningen over zich zelf, en zeer
rijk door de zegenbeden van al degenen, die zij zoo vriendelijk hadden
geholpen en vertroost.
Toen de lente kwam waren zij heel ver van huis, en gevoelden zij,
dat het nu tijd was de tooverzaden te gaan beproeven. Zij kozen dus
een zonnig plekje uit op een afgelegen heide, waar de grond vruchtbaar
was, en een beekje in de nabijheid vloeide, en waar niemand woonde,
die het hun kon beletten, en dáár plantten zij hunne zaadjes, en
verpleegden die zorgvuldig.
Terwijl zij wachtten op de bloemen, bouwden zij van groene takken
een hutje, en leefden van wilde bessen, van konijnen, die zij in
strikken vingen, visschen die zij bemachtigden, en roggebrood, dat zij
kochten van een oude vrouw, die daar kwam om kruiden te zoeken. Zij
hadden nog wat opgespaard geld, en als dat op was, zoude een van hen
een paar dagen op reis gaan en door muziek hun knapzak weêr vullen,
terwijl de ander de wacht bleef houden bij het bedje teedere plantjes,
die welig en sterk opgroeiden.
Zij waren nieuwsgierig wat voor bloemen het zijn zouden, en vreesden
soms, dat ze nooit bloeien zouden, daar het zoo lang duurde, eer er
knopjes aan kwamen.
"Als er geen bloemen aan komen, zijn wij zeker geen goede tuiniers,
al zijn we wel koninklijk," zeide Paars eens, terwijl hij zijn plantjes
water gaf.
"Dan zullen wij verder de wereld rondreizen, met ons gezang en onze
luiten, broeder. Tegen dien tijd zullen wij wel tot mannen opgegroeid
zijn, zoodat wij strijden kunnen, om ons koninkrijk terug te krijgen,"
antwoordde Krip, en wiedde ijverig het onkruid uit van tusschen de lage
planten, die een groote oppervlakte bedekten, en aan wier menigvuldige
takken een menigte groote, stijf toegevouwen knoppen zaten.
"Onze oude buurvrouw, de kruidenzoekster, is heel nieuwsgierig omtrent
ons tuintje en zou gaarne willen weten, wat wij hier verbouwen. Ik
heb haar gezegd, dat wij het zelven niet weten, maar als de bloemen
komen, dat zij ze dan mag zien; want zij heeft er veel verstand van,
en het zou kunnen zijn, dat dit een nieuw kruid voor haar was, om de
zieken meê te genezen. Dat zou een heerlijk loon voor onze moeite zijn,
al maakten wij er dan ook nooit fortuin meê."
"Dat zou het! Ik zou nog liever menschen gelukkig maken, dan een
Koning te zijn; gij ook zeker, broeder!"
Terwijl de broeders spraken vervulde een liefelijke geur de lucht,
en begonnen al de blaadjes zacht te ruischen, als werden ze door
een zuidewindje bewogen. Toen werd alles weêr stil en begonnen de
leeuweriken hoog boven hunne hoofden te zingen, als vertelden ze een
blijde tijding aan de schoone blauwe wereld ver boven de wolken.
Den volgenden morgen, toen de Prinsen naar hun tuintje gingen,
zie! toen was alles in bloei, en zag het er uit als een prachtig
tapijt van goud, purper en paars en wit en groen, geschikt voor eens
koningspaleis. De bloemen waren violen, maar zoo mooi, als er nooit
te voren gezien waren, want deze waren zeer groot en zagen er uit als
echte gezichten, half droevig, half vroolijk van uitdrukking, naarmate
de gele en de donkere blaadjes ze omlijstten. Zij zagen er allerliefst
uit, geurden heerlijk, en toen ze door den wind op en neêr bewogen
werden, schenen zij elkaar iets zoo gewichtigs toe te fluisteren,
dat de jongens heel gaarne die mooie vertelling zouden verstaan hebben.
"Wat kunnen wij met die violen doen en hoe kunnen zij ons geluk
aanbrengen?" zeide de oudste broeder, terwijl hij met een ernstig
gezicht naar de lieve bloemen aan zijn voeten stond te kijken.
"Wel, eerst ervan genieten, en er dan kleine ruikertjes van verkoopen,
om geld te verdienen; want zulke mooie ziet men maar zelden; de
menschen zullen ze gaarne koopen," antwoordde de jongere broeder,
en begon terstond er eenige te plukken.
"Daar hebt gij gelijk in, en dan kunnen wij ook zaad verzamelen,
en net zoolang violen kweeken en verkoopen, tot wij rijk zijn. Het
zal lang duren; maar geduld hebben wij in den toren geleerd, en wij
zullen wachten, en zien wat voor geluk de violen ons aanbrengen," zeide
Prins Paars, en knielde neêr bij een groepje van de lieve bloemen,
die hem toeknikten, als verheugden ze zich, door zulke vriendelijke
handen geplukt te worden.
"Ei, ei! Wat zie ik! Voorzeker, mijn jongens, zijt gij toovertuiniers,
dat gij aan dezen wilden heîgrond zulke prachtige bloemen weet
te ontlokken," zeide een beverige stem achter hen, toen de oude
kruidenzoekster kwam aanstrompelen, met een boezelaar vol paddestoelen
en een mandje vol geurige wortels en bladeren.
"Het zijn slechts violen, om naar de markt te brengen, Moedertje,"
antwoordde Krip, en zag haar glimlachend aan.
"Zie eens, hoe mooi ze zijn! Gij krijgt de eerste, daar gij zoo
vriendelijk voor ons zijt," voegde Paars er bij, en bood haar een
ruikertje aan, even hoffelijk als knielde hij voor een Koningin,
in plaats van voor een oud vrouwtje, zoo bruin en gerimpeld als een
verdord blad.
"Goede jongens! Ik zal nog vriendelijker voor u zijn en de geschiedenis
voor u lezen, die deze fraaie bloemen wenschen te vertellen," zeide
zij, terwijl haar oogen glinsterden, en zij de violen in hare magere
handen ronddraaide. "Ik kan alle planten lezen en leer daardoor
vele vreemde zaken. Zie maar, of ge dit droevig verhaal begrijpt,
want dit staat geschreven op deze bloemen, en het moet waar zijn,
want zij kunnen niet liegen."
De Prinsen kwamen dichter bij haar staan en keken nieuwsgierig
toe, hoe een bevende vinger de verschillende deelen van de bloem
achtereenvolgens aanwees, terwijl de oude vrouw sprak, en hen daarbij
nu en dan aankeek met beteekenisvollen blik, daar hun gezichten ook
veel zeiden.
"Er zijn vijf bladen. Dit groote gouden zit alleen op een dubbelen
groenen zetel. Deze twee kleinere gele blaadjes, met een klein
randje paars, zitten aan beide zijden; maar deze twee paarse bladen
hebben slechts één groenen zetel, hoewel zij mooier zijn dan een der
anderen. En kijk nu hier in het midden, dat kleine mannetje in het
groen, met een rood kapje op, op het warmste, veiligste plekje, met een
zakje zaden, die mettertijd rijp zullen worden, als hij de zon toegang
tot zijn hart wil geven. Komt nu, mijn zonen, ziet gij hierin eenige
beteekenis?" vroeg de oude ziel met een scherpen blik op de knapen,
die bloosden en glimlachten en zuchtten, maar niet spreken konden,
want hun eigen droevige geschiedenis stond in de tooverbloem naar
waarheid beschreven.
De kruidenvrouw knikte veelbeteekenend, maar zeide enkel op
vriendelijken toon, terwijl zij het ruikertje op hare borst stak:
"Heart's-ease [2] wil niet voor iedereen groeien; maar de heele
wereld heeft er behoefte aan en zal die goed betalen; verkoopt dus uw
violen, mijn jongens, en verdient er een fortuin meê. Ik zal ook op
de markt zijn, als gij er komt, en een goed woord voor u doen, hoewel
gij eigenlijk niemands voorspraak noodig hebt, met uw vriendelijke
gezichten en zachte manieren."
Toen ging zij heen, en de verbaasde Prinsen haastten zich al de
bloeiende takjes af te plukken, en er met geurig gras ruikertjes van
te maken, en die in mandjes te leggen, die zij zelven reeds vroeger
van groene biezen gevlochten hadden. Het zag er lief uit; want de
violengezichtjes schenen iedereen toe te lachen, en de zachte geur riep
duidelijk: "Komt, koopt ons!" en de dauw schitterde op de blaadjes,
als diamanten op de gouden en purperen kleederen eener Koningin.
Toen de Prinsen in de naastbijgelegen stad kwamen, gingen zij op de
markt staan en prezen hunne waar aan, evenals andere lieden hunne
vruchten en groenten; maar hun voorkomen was zoo edel, hun stem klonk
zoo helder, hun bloemen waren zoo groot en prachtig, dat, ondanks hun
armoedige kleeding en nederig werk, iedereen, die hen zagen hoorde,
terstond gevoelde dat die knapen iets bizonders moesten zijn, met hun
geroep van: "Violen! hier zijn versch geplukte violen te krijgen! Wie
koopt ze? Wie koopt onze violen?"
Elkeen, die langs de markt kwam, was bekoord door die groote "pensées",
zooals de Franschen deze bloem noemen, want iets dergelijks had men in
dat land nog nooit gezien. De mandjes waren dus weldra leêgverkocht,
en zelfs een paar goudstukjes schitterden tusschen de koperen en
zilveren muntstukjes, die zij in hun zakken lieten glijden, daar
rijken zoowel als armen zich haastten deze edele waar te koopen. Zeer
tevreden over hun dagwerk, gingen de jongens vroolijk naar huis,
om de bloembedjes te begieten, en zich te verheugen over de knopjes,
die zich weêr in grooten getale vertoonden.
Daarna verkochten zij gedurende den geheelen zomer bloemen; want
de tooverviolen bloeiden voort totdat de vorst kwam, en een ieder
die ze kocht ontdekte, dat zij wezenlijk hun Engelschen naam eer
aandeden, en gelukkige gedachten en troost aanbrachten, en arm en
rijk werden daardoor des te begeeriger ze te koopen. Dokters zonden
om die bloemen voor hunne zieken; bedroefden bestelden ze, om er door
opgevroolijkt te worden; ja zelfs slechte menschen hielden van die
bloemen, omdat de aardige gezichtjes, half ernstig, half vroolijk,
hun nooit een verwijt deden, maar zoo prettig tegen hen glimlachten,
dat daardoor betere gevoelens in hun slechte harten opgewekt werden.
Heinde en verre werd de mare omtrent deze nieuwe plant, zooals men
ze noemde, verspreid; vorsten en vorstinnen smeekten om het zaad
te mogen hebben, daar Heart'sease (gemoedsrust) juist hun dikwijls
ontbrak. Verscheidene plantjes bereikten zelfs den luien Koning,
terwijl hij in zijn weelderig vertrek zijn wijn zat te drinken, zat
te lezen en te slapen; en het zien dier bloemen maakte hem wakker,
want de naam zijner overleden vrouw was Viola geweest, en hij begon
nieuwsgierig te worden, waar zijne zonen wel zijn mochten, en naar
hen te vragen.
De Koningin had ook het wonderkruid noodig; want zij werd zeer
verontrust door de wanorde in haar rijk. Hare onderdanen hielden niet
van haar, en het begon hen te vervelen, hooge belastingen te betalen,
om hare pracht te bekostigen. Zij begonnen oproerig te worden, vooral
de armen, voor wie zij volstrekt niet zorgde, maar die zij honger en
ontbering liet lijden, terwijl zij voor vermaak en genot leefde.
Zelfs de rijken en hooggeplaatsten werden ontevreden, en wenschten
nog rijker en hooger geplaatst te zijn, en twistten onder elkander
en maakten duidelijke toespelingen, dat zij de Prinsen vermoord of
verbannen had, die nu eigenlijk behoorden te regeeren, en het zeker
beter zouden doen dan zij.
Sleutelbloem en Narcis hadden de tooverbloemen laten komen, daar
zij alles, waarvan zij hoorden dat het nieuw en mooi was, wilden
hebben, hoeveel het ook mocht kosten. Toen de lieve plantjes kwamen,
in prachtige porceleinen bloempotjes, waren de jeugdige Prinsessen er
zóó meê ingenomen, dat zij niemand anders in hare nabijhêid vergunden
ze te hebben.
"Dit zijn onze kleuren, en deze bloemen moeten het kenteeken onzer
koninklijke waardigheid zijn, en op straffe des doods mag niemand
anders ze dragen," zeiden zij; en zij lieten voor zichzelven prachtige
nieuwe costumes maken van goud met paars fluweel, overal bezet met
violen, en gaven ook aan hare lakeien livrei van die kleuren; op
hare rijtuigen, meubelen en alles werd dit sierlijke nieuwe wapen,
waarop zij heel trotsch waren, aangebracht.
Maar zij werden, evenals hare moeder, weldra gewaar, dat die naam
meer beteekende, dan alleen een fraaie bloem. "Pensée" is het
Fransch voor "viool" en "gedachte", en in hare zorgelooze zielen
kwamen gedachten oprijzen over al het kwaad, dat zij gedaan hadden,
alsof de geur van het nieuwerwetsche viooltje haar verwijten
deed, terwijl de vriendelijke gezichtjes haar herinnerden aan de
droevige gelaatstrekken van de verbannen zonen, wier plaatsen zij
wederrechtelijk hadden ingenomen.
Allen waren dus verontrust, en de toovermacht der bloemen begon in
huis zoowel als daarbuiten te werken, en zoo behulpzaam te zijn om
de zaken voor te bereiden, tegen dat de reizigers zouden terugkomen.
Intusschen reisden de Prinsen de wereld rond, leerden zij veel en
werden zij wijs en braaf, zoowel als groot en dapper, en zeer schoon
en mannelijk van gestalte. Des Winters zongen en speelden zij, en werd
geen Kerstfeest vroolijk geacht zonder medewerking van de luitspelers,
geen boerenbruiloft zonder hunne medewerking gevierd, en moesten
zij ook dikwijls in paleizen voor adellijke heeren en dames muziek
maken, om bij te dansen, en werden dan zeer ruim beloond. Maar wat
zij het liefste deden, was in gevangenissen, ziekenhuizen, of arme
buurten zingen, waar ze niet enkel vermaak en troost brachten, maar
ook dikwijls geld, waarna ze dan stil wegslopen, zonder te wachten
op een bedankje, gelukkig in staat te zijn, de droeven en zieken en
lijdenden te helpen.
In den zomer rustten zij uit, op een of ander mooi plekje, en plantten
er tooverzaad, dat op elken grond groeien wilde, en overal evenzeer
bewonderd werd.
Zoo vervolgden zij hun weg, bezig en gelukkig, overal een spoor
van muziek en bloemen achterlatende, en de wereld verhelderend en
verbeterend, door schoone geluiden en blijde gedachten, totdat zij
den naam kregen van de "Gezegende Knapen", en men in het Oosten en
het Westen, het Noorden en het Zuiden hen opwachtte, verwelkomde
en liefhad.
Vele zomers en winters verstreken en zij waren volwassen jongelingen,
toen zij op hunne reis rondom de wereld weêr in huns vaders koningrijk
aanlandden. Maar hoewel thans oud en wijs genoeg om te regeeren,
en verzekerd, dat zij door het ontevreden volk met blijdschap zouden
begroet worden, gevoelden zij, dat ze niet langer toornig of bitter
waren tegen degenen, die hen verongelijkt hadden. De tijd had hun
geleerd te vergeven en te vergeten; hun gelukkig, vreedzaam leven
had hen een afkeer ingeboezemd van strijd en oorlog; en zij hadden
zelven de vrijheid zoo lief, dat ze het hart niet hadden anderen tot
gehoorzaamheid te dwingen.
"Wij heerschen over een grooter, heerlijker rijk, dan dat van onzen
vader; onze onderdanen hebben ons innig lief, en wij zijn aan geen
troon gebonden, maar zoo vrij als de wind; laat ons daarmede tevreden
zijn, en niet meer verlangen," zeide Prins Paars tot zijn broeder,
terwijl zij, zittende op een heuvel, buiten de poort, neêrzagen op
de oude bekende stad.
"Ik zou geen lust hebben, in een paleis opgesloten te zitten, en
verplicht te zijn mij aan allerlei regelen te onderwerpen. Maar als
hetgeen wij gehoord hebben waar is, dan is er hier overvloed van
werk te doen voor de armen, en wij hebben zooveel overgespaard,
dat wij althans beginnen kunnen met hen die het meest lijden te
helpen. Niemand behoeft vooralsnog te weten wie wij zijn; en wij
kunnen stil voortwerken, terwijl wij wachten, totdat onze vader onzer
gedenkt, en ons terugroept," antwoordde Krip, die even fijn en teêr,
maar ook even zacht was, als de stof waarnaar hij genoemd was, en
die hij gaarne op zijn kleêren droeg.
Zij vermomden zich dus als jeugdige Barmhartige Broeders, met zwarte
kappen en lange tabberden, en gingen de stad in, om een woning
te zoeken.
De oude Adam leefde nog, maar was thans heel arm; want de Koningin
had hem weggezonden, nadat de Prinsen ontvlucht waren, en de Koning
had hem volkomen vergeten. De knapen spoorden hem op, en vertelden
hem wie zij waren, en kwamen bij hem wonen, hetgeen den ouden man
zeer verheugde en waarop hij trotsch was, en dat niet weinig tot zijn
geluk en welvaart toebracht.
Den geheelen dag lang gingen de Broeders rond onder de armen, en
hielpen hen op verscheidene wijzen. Bloemen ontloken waar zij den voet
gezet hadden, alsof de tooverzaadjes onzichtbaar uit hunne zakken
vielen; en weldra lieten zij door de geheele stad een spoor achter
zich van gelukkige gezichten, en potjes violen voor de vensters in
nederige hutjes, waar vroeger nooit bloemen groeien wilden.
Niemand kende hen bij een anderen naam dan dien van "de Broeders,"
en menige zieke en treurende ziel zegende hen, om al het goede,
dat zij zoo in alle stilte deden.
Weldra bereikte het gerucht van deze verwonderlijke jonge mannen
het paleis, waar de oude Koning thans ziek lag en de Koningin in
doodsangst verkeerde; want het volk haatte haar, en elk oogenblik
kon er een oproer losbarsten. Zij zond om de Broeders, en zij kwamen
oogenblikkelijk, in de hoop eenig goed te kunnen doen.
Niemand herkende de aardige Prinsjes in die twee volwassen monniken,
half verscholen in hunne kappen en tabberden; maar het scheen wel,
als waren troost en moed met hen binnengekomen, want de zieke Koning
gevoelde zich sterker, als zij aan zijne legerstede baden of zongen,
en de beangste Koningin vatte nieuwen moed, beleed voor hen hare
zonden en smeekte hen haar te zeggen wat zij doen moest, daar zij
had leeren inzien, dat zelfzucht, pracht en weelde noch geluk, noch
liefde en eerbied aanbrachten.
"Indien ge oprecht berouw hebt, tracht dan het kwaad, dat gij gedaan
hebt, weêr goed te maken," antwoordde een der Broeders stoutmoedig.
"Maar de Prinsen zijn weg of dood, en mijn volk haat mij," zuchtte
de arme Koningin.
"God heeft beter gezorgd voor de moederlooze knapen, dan gij
deedt, en zij zullen terugkomen, wanneer de rechte tijd daartoe
aangebroken is. Zorg gij maar, dat ge met uw volk medelijden hebt,
en hen helpt. Maak, dat ze u leeren liefhebben en vertrouwen; dan
zult gij veilig zijn en gelukkig, en uw rijk zal bloeien," zeide de
andere Broeder met zijn zachte stem.
"Dat wil ik, dat zal ik!" riep de Koningin, terwijl tranen van berouw
op haar goudlakenschen mantel vielen, die door die zilte droppelen
niet dof werd, maar des te helderder schitterde.
Toen raadpleegde zij de Broeders; en terwijl Krip den ouden vader
verpleegde en opvroolijkte, hielp Paars zijne stiefmoeder het
vertrouwen van haar volk te winnen, door met ruime hand brood en
geld uit te deelen, betere huizen voor hen te doen bouwen, betere
wetten te maken, en met meer rechtvaardigheid en barmhartigheid
te regeeren, totdat de vrede terugkeerde en het gevaar voor oproer
geweken was;--want vriendelijkheid verovert de harten.
De Prinsessen wilden eerst van al die veranderingen niets weten,
en waren boos op die nieuwaangekomenen, omdat zij zelfverloochening,
nederigheid en eenvoud predikten; maar de monniken wisten haar deze
zoo smakelijk en aanlokkelijk te maken, door hun overredende woorden
en door hun eigen heerlijk voorbeeld, dat weldra deze Koningsdochters
evenzeer als al hare hofdames begonnen in te zien, hoe zelfzuchtig
en ijdel haar bestaan was geweest, en verlangden naar verbetering.
Het kostte veel tijd, haar aan het verstand te brengen, hoe noodig
het was, al die gewoonten van dwaze weelde af te schaffen, haar
fraaie kleêren vrijwillig prijs te geven, en smaak te krijgen voor
goede boeken, degelijk gezelschap, wezenlijke weldadigheid, en al de
lieve eenvoudige genoegens, plichten en lessen, die het leven gelukkig
maken en den dood rustig doen afwachten, als die komt tot koningen,
zoowel als tot bedelaars.
Deze schoone taak vorderde veel tijd en geduld. De oude vader scheen
als uit den slaap te ontwaken, en verwonderde zich zelf er over, dat
hij zooveel tijd met droomen verkwist had. Thans was het te laat voor
hem om nog te regeeren; hij had er nu niet genoeg kracht meer toe,
en tevergeefs reikhalsde hij thans naar zijn flinke jongens.
De Koningin zat alleen op den troon, thans niet meer een voorwerp
van haat, maar vergeven en bemind, en zij had gelukkig kunnen zijn,
indien niet de gedachte aan de verloren Prinsjes haar nacht en dag,
als een spooksel, vervolgd had, totdat zij ten laatste zoozeer van
berouw en verdriet vervuld was, dat zij besloot, tot boetedoening
voor hare zonden, in een klooster te gaan. Maar wie zou er dan in
hare plaats regeeren? De Koning was te oud en te zwak, de Prinsessen
waren te jong, en de rechtmatige erfgenamen waren weg of dood.
"Nu is de rechte tijd aangebroken," zeide Paars. "Nu heeft men ons
noodig, en moeten wij ons koningrijk in bezit nemen, vóór een vreemde
indringer het soms overweldigt."
"Broeder, ik ben bereid, en wij zijn beide des te meer geschikt om
te regeeren als Prinsen, doordat wij geleerd hebben, als armen te
arbeiden, te wachten en ons gelukkig te gevoelen," antwoordde Krip.
Er werd eene groote raadsvergadering belegd, van al de wijzen en
grooten en braven in den lande, om een nieuwen Koning te verkiezen,
want de Koningin wenschte afstand te doen van den troon, dewijl zij
genoeg had van hare grootheid. Toen allen bijeenvergaderd waren,
en de fraai gekleede dames van uit de gaanderij zaten neêr te kijken
op die ridders in volle wapenrusting, die grijsharige Ministers en
die flinke burgers, verheugde iedereen zich, de geliefde Broeders te
zien binnenkomen, en nederig aan het lager eind van de raadstafel
plaats nemen. Waar zij ook kwamen, waren zij altijd welkom; want
hoewel nog zóó jong, schenen zij toch de harten der menschen beter
te begrijpen, dan de oude lieden, die hun leven lang boekenwijsheid
opgedaan hadden. Na veel redeneeringen, zeide de Koningin, terwijl
zij van den grooten gouden zetel afdaalde:
"Laat ons aan onze goede vrienden, die ons zoo trouw geholpen hebben,
en ons aangetoond, wat er op een troon noodig is, verzoeken onze
leêge plaats te bezetten. Waarde Broeders, komt nader en zegt ons,
wie thans den troon beklimmen moet, want ik ben het niet waardig."
Zonder een woord te spreken kwamen de twee jeugdige monniken naar
den verheven zetel toe, gingen elk aan een zijde der Koningin staan,
en lieten hunne vermomming afzakken van hunne schouders. En dáár
stonden ze toen, in Paars fluweelen kleedij, met de goudblonde lokken
en schoone gelaatstrekken van de Koningszonen, wel ouder en ernstiger
geworden, maar toch dezelfde van vroeger,--dáár waren de verloren
Prinsen, die ten laatste tot de hunnen terugkeerden.
Alle omstanders waren zoo verbaasd, dat in het eerste oogenblik
niemand sprak of zich bewoog; allen stonden op van hunne plaatsen en
keken zwijgend toe, terwijl Paars, met een glimlach en een gebaar,
die hunne harten stalen, zeide:
"Wij zijn bereid onze rechtmatige plaatsen in te nemen, indien gij
ons noodig hebt, en wij zullen met blijdschap het verledene vergeten,
vergeven wie ons verongelijkt hebben, en trachten voor allen de
toekomst gelukkig te maken. Wij zijn gevangenen geweest, bedelaars,
tuiniers, liedjeszangers en monniken, op onze lange tochten. Thans
zijn wij weêr Prinsen, des te beter geschikt om te regeeren, door
de harde lessen, die wij geleerd hebben; terwijl tijd, armoede,
moeite en ellende ons de waarde hebben leeren beseffen van geduld,
rechtvaardigheid, moed en barmhartigheid."
Toen hij uitgesproken had, brak er een algemeene juichkreet los, om
hen welkom te heeten, en de Koningin viel hun te voet, en smeekte om
vergiffenis; terwijl Sleutelbloem en Narcis haar gelaat bedekten, daar
ze zich herinnerden, wat wreede dingen zij gezegd en gedaan hadden. Er
viel niet aan te twijfelen, of de Prinsen waren hartelijk welkom en
zeer bemind in hun rijk; en weldra verspreidde zich de blijde tijding
door de geheele stad. De klokken werden geluid, er werden vreugdevuren
ontstoken, de menschen dansten en zongen, en er werd overal feest
gevierd, in paleizen en hutten, ter eere van de "Gezegende Knapen."
De oude Koning werd van den schrik klaar wakker, en was zoo opgetogen,
dat hij op stel en sprong zijn bed uit stapte, als door een tooverslag
genezen van al zijne kwalen, behalve zijn ouderdom.
De Koningin kon weêr glimlachen, en gevoelde nu, dat zij vergiffenis
ontvangen had op haar bede; Sleutelbloem en Narcis werden even lief
en aardig als de bloemen, waarnaar zij genoemd waren, en de Prinsen
werden verliefd op hunne halfzusjes, op de goede, oude wijze van
alle tooversprookjes.
Thans was alles in orde, en het koningrijk zag er weldra uit, als
een groote violentuin; want de geliefkoosde bloem bloeide overal,
en armen en rijken hielden die evenzeer in eere.
Het duurde niet lang, of er werden aan het Hof met groote pracht twee
huwelijken voltrokken, en er werd een nieuwe troon gemaakt,--een
dubbele; want daarop zaten de Tweeling-Koningen, met hunne jonge
vrouwen naast zich. De oude Koning had eerst vrijwillig afstand
gedaan van de regeering; en de Koningin was het heerschen zoozeer
moede, dat zij zich met blijdschap thans geheel wijdde aan haar
echtgenoot. Beiden genoten van het geluk hunner kinderen, die lang en
voorbeeldig regeerden in Violenland; want dien naam gaven zij aan hun
land, uit dankbaarheid jegens de bloem, die hun vrienden, rijkdom,
wijsheid en gemoedsrust aangebracht had.
"Dat is een mooie geschiedenis, en ik zal die goed onthouden," zeide
Marianne, toen de vertelster zich bukte, om zich te verfrisschen met
een slokje water, na die lange vertelling.
"Vergeet vooral niet, wat er uit te leeren valt, liefje," zeide de
bloem met haar lieve stem. "Leer u zelve te beheerschen; maak uw
eigen klein rijk vreedzaam en gelukkig, en acht nooit iets te gering,
om er wat van te leeren,--al ware het slechts een Viooltje."