DE GESCHIEDENIS VAN DE BLOEM.

Kleine Marianne was ziek geweest, en nog zoo zwak, dat zij nog alle

dagen verscheidene uren op haar bed moest liggen rusten en slapen.

Eens op een winternamiddag, toen buiten de sneeuw langzaam neêrdaalde,

en het in de kamer heel stil was, daar de kindermeid in haar stoel

zat te dommelen, de poes op het haardkleedje lag te spinnen, en er

niets nieuws of aardigs in de kamer was om naar te kijken, dan een

bosje violen in een vaasje naast het bed, zeide Marianne bij zichzelf

met een zucht:

"Had ik maar iemand, om mij een vertelling te doen, dan zou ik nog

kans zien, dezen langen dag zonder klagen door te komen. Maar Mama

is uit, Daatje is moê, en al mijn boekjes ken ik al uit mijn hoofd;

wat kan ik dus doen, daar ik te moê ben om met mijn poppen te spelen?"

Niemand beantwoordde deze gewichtige vraag; en Marianne zuchtte weer,

toen zij zich omkeerde om den anderen kant uit te kijken, hopende in

die richting hulp of vermaak te vinden.

De zonderlinge dames op den grooten Japanschen waaier boven den spiegel

keken haar aan met haar smalle schuine oogjes, maar schenen het te druk

te hebben met thee drinken uit rood en gele trekpotjes, om eenig belang

te stellen in het bleeke meisje dáár in bed. De spelden zaten even

wijsneuzig als altijd op het blauw satijnen kussen; maar noch die met

den paarlemoeren vlieg er op, noch het gouden roosje, noch het grappige

ochtendspeldje, met haar erin, en van achteren een portretje van een

dik kindje,--van welke broche Daatje zooveel hield,--waren thans in

staat haar te vermaken. De poppen lagen opgestapeld in de wieg, met

hunne ongelukkige armen en beenen naar alle kanten uitstekend, droevig

verwaarloosd door hun kleine mama; terwijl de geliefkoosde boeken

op de plankjes in den laatsten tijd zoo dikwijls doorgelezen waren,

dat zij thans niets nieuws of prettigs meer aan te bieden hadden.

"O wee! Ik wou, dat de vogels op het behangsel, of de kinderen op

de platen, die rondom aan de muren hangen, tot mij konden spreken,

of voor mij zingen. Ik ben toch heusch zoo zoet en geduldig geweest,

dat er dunkt mij wel iemand medelijden moet hebben met het arme, zieke

meisje en iets verzinnen om haar plezier te doen," zeide Marianne,

met een derden zucht, nog dieper dan de vorige.

Deze zucht blies zooveel adem uit, dat een van de bloempjes erdoor uit

het vaasje werd geblazen. Marianne nam het bloempje op en bekeek het,

bereid voor elk speelmakkertje, al was het maar een eenvoudig viooltje.

Dit was bizonder mooi geteekend, en had zoo'n lachend gezicht in zijn

lichte en donkere blaadjes, dat het kind een gevoel had, alsof zij

nu een vriendinnetje gevonden had, en de viool begon te kussen; want

zij was niet alleen eenzaam, maar ook door zwakte aandoenlijk gestemd.

Tot haar groote verrassing knikte de bloem tegen haar, en toen

ze die nog dichter tegen haar gezicht aandrukte, zeide een lief,

zacht stemmetje:

"Nu kan ik spreken en vind het heel prettig u wat te komen

opvroolijken, want wij hebben veel medelijden met u gehad, omdat wij

zelven ons eenzaam en verlaten gevoelen, zoo ver van onze familie

verwijderd."

"Wel, aardig bloempje, wat vind ik dat prettig, u te hooren praten en

u te zien glimlachen tegen mij! Ik bid u, vertel mij alles omtrent u

zelf. Ik houd dol veel van bloemen, en was heel blij, toen een van

mijn schoolmakkertjes mij dit mooie ruikertje violen zond," zeide

Marianne, zeer verheugd over deze verrassing.

"Ik heb geen geschiedenis, want ik ben geboren in een oranjerie,

en heb mijn heele leven in een bloempotje doorgebracht, met vele

zusters, die zoodra zij bloeien weggedragen worden, en nooit weêrom

komen. Slechts een paar uur heb ik in een winkel doorgebracht, en werd

toen in een papier gespeld, en door een vreeselijken jongen hierheen

gebracht, die ons aan de deur afgaf. Wij waren heel blijde, dat wij

in dit mooie vaasje, met frisch water gevuld, werden neêrgezet, in

deze rustige, warme kamer, met een vriendelijke meesteres, om naar

ons te kijken. Maar als gij een geschiedenis van onze nabestaanden

wilt hooren, zal ik u een oud verhaal doen, dat onze heele familie

goed kent en waarvan zij ook veel houden."

"Doe dat, als 't u blieft!" riep Marianne; en toen lag zij, met haar

poesje slapend op haar arm, vol belangstelling te luisteren naar het

verhaal van:

Bloemensprookjes van Tante Jo · 第 10 / 22 题