Herfst.
Het was bijna vijftien jaar geleden, dat ik Babet in die kleine kerk
van oom Lazare gehuwd had. Wij hadden ons geluk gezocht in ons dierbaar
dal. Ik was landbouwer geworden; de Durance, mijn eerste geliefde,
betoonde zich thans een goede moeder voor mij en scheen er genoegen
in te scheppen mijne velden malsch en vruchtbaar te maken. Dank zij
de nieuwe uitvindingen welke ik op den landbouw toepaste, werd ik
van lieverlede een der rijkste grondbezitters der streek.
Bij den dood der ouders mijner vrouw hadden wij de eikenlaan en de
weiden, die zich aan den oever der rivier uitstrekten, aangekocht. Op
dat terrein had ik eene nederige woning gebouwd, welke wij weldra
verplicht waren te vergrooten; dat jaar was ik in staat mijne
landerijen te vermeerderen met het een of ander nabijliggende veld,
en onze zolders waren te klein om onze oogst te bevatten.
Deze eerste vijftien jaren waren onbewolkt en gelukkig. Zij verliepen
in vreedzame vreugde en hebben mij slechts de onbestemde herinnering
achtergelaten aan een onafgebroken en rustig geluk. Oom Lazare had
zijn droom verwezenlijkt door zich bij mij terug te trekken; zijn
hooge ouderdom vergunde hem niet eens meer elken morgen zijn brevier te
lezen; van tijd tot tijd betreurde hij zijn lieve kerk, maar troostte
zich dan door een bezoek te gaan afleggen bij den jongen vicaris,
die hem vervangen had. Reeds met het aanbreken van den dageraad,
verliet hij de kleine kamer, welke hij bewoonde en vergezelde mij dan
dikwijls naar het veld, zich gelukkig gevoelende in de open lucht, en
zijne jeugd hervindende te midden van de krachtige geuren der natuur.
Er was maar een droefheid, die ons somtijds een zucht ontlokte. De
aarde mocht zoo vruchtbaar zijn als men wilde, Babet bleef kinderloos,
en ofschoon wij met zijn drieën waren om elkander lief te hebben,
waren er zekeren dagen waarop wij ons te eenzaam gevoelden; hadden
wij zoo gaarne aan onze schoot een blond kopje gehad, dat ons geplaagd
en geliefkoosd zou hebben.
Oom Lazare was doodsbang te zullen sterven aleer hij oudoom geworden
was. Hij was weder als een kind geworden, en maakte zich bedroeft,
omdat Babet hem geen makkertje schonk, dat met hem gespeeld zou
hebben. Den dag, waarop mijne vrouw mij aarzelend toevertrouwde dat
wij waarschijnlijk binnenkort met ons vieren zouden zijn, zag ik den
lieven man verbleeken en moeite aanwenden om niet in tranen uit te
barsten. Hij drukte ons aan het hart, dacht aan den doop en sprak
van het kind alsof het reeds drie of vier jaar oud ware geweest.
En de maanden verliepen onder eene plechtige teederheid. Wanneer wij
zamen zaten, praatten wij heel zacht, als wachten wij iemand af. Ik
had Babet niet langer lief, ik vergoodde haar van ganscher ziele,
ik beminde haar voor twee, voor haarzelve en voor den kleine.
De groote dag naderde. Ik had uit Grenoble eene baker laten komen, die
de boerderij niet meer verliet. Oom doorleefde de hevigste angsten;
hij had niet het minste verstand van dergelijke gebeurtenissen, en
kwam er zelfs toe mij te zeggen dat hij ongelijk had gehad priester
te worden en diep te betreuren dat hij niet voor dokter had gestudeerd.
Op een Septembermorgen trad ik, tegen zes ure de kamer binnen mijner
lieve Babet, die nog sluimerde. Haar glimlachend gelaat rustte
vreedzaam tegen het witte linnen van het oorkussen aan. Ik boog
mij met ingehouden adem tot haar over. De hemel overstelpte mij met
weldaden. Plotseling herinnerde ik mij weder dien zomerdag, waarop
ik in het stof lag te zieltogen en thans gevoelde ik mij omringd van
de vreugde van den arbeid, den vrede van het geluk. Mijne dierbare
vrouw sliep, rooskleurig op hare ruime legerstede, terwijl het gansche
vertrek mij onze vijftien jaren van teederheid herinnerden.
Zachtkens kustte ik Babet op de lippen. Zij sloeg de oogen op, en
lachte mij spraakloos toe. Ik voelde een brandend verlangen in mij
opwellen haar in de armen te nemen en aan het hart te sluiten; maar,
sedert eenigen tijd, was het ter nauwenood dat ik hare hand durfde
vastklemmen, zoo teêr en heilig scheen zij mij toe.
Ik ging op den rand van het bed zitten en vroeg bijna fluisterend:
"Zou het voor heden zijn?"
"Neen, dat geloof ik niet", gaf zij ten antwoord: "Ik droomde dat
het een jongen was: hij was reeds heel groot en droeg allerliefste
zwarte kneveltjes...... Oom Lazare zeide mij gisteren dat hij hem
ook in zijn droom had gezien".
Ik beging eene groote onhandigheid.
"Ik ken het kind beter dan gij", hernam ik: "Elken nacht zie ik het,
en het is een meisje......"
Maar ziende dat Babet zich naar den muur keerde, op het punt in tranen
uit te barsten, begreep ik mijne domheid en haastte ik mij er bij
te voegen:
"Ik zeg wel een meisje, maar ik ben er daarom niet heel zeker van. Ik
zie het kind nog heel klein, met een lange witte jurk aan...... Het
is zeker een jongen."
Babet omhelsde mij, ter wille van die troostwoorden.
"Ga naar het binnenhalen van de druiven kijken", hernam zij: "Ik voel
mij van morgen heel wel".
"Zult gij mij laten waarschuwen als er iets gebeurde?"
"Ja, zeker. Ik ben heel afgemat ik ga nog wat slapen. Zijt gij niet
boos op mij om mijne luiheid?"
En Babet sloot, kwijnend en verteederd, de oogen. Ik bleef over haar
heengebogen staan, terwijl de warme ademtocht van hare lippen naar
mijn gelaat opsteeg. Langzaam aan viel zij in slaap, zonder dat
haar glimlach daarom verdween. Daarop wikkelde ik met de grootste
behoedzaamheid mijne hand uit de hare los, wel vijf minuten noodig
hebbend om die moeielijke taak te volbrengen. Ik drukte nog een kus
op haar voorhoofd, zonder dat zij het voelen kon, en ging tegen wil
en dank weg, met een hart vervuld van liefde.
Beneden op de binnenplaats, vond ik oom Lazare, die met bezorgdheid
naar het venster van Babet's kamer opkeek. Zoodra hij mij aan zag
komen, vroeg hij:
"Welnu! Zou het voor heden zijn?"
Sedert een maand richtte hij elken morgen geregeld dezelfde vraag
tot mij.
"Het schijnt van neen", gaf ik ten antwoord: "Gaat gij mede naar den
wijnoogst kijken?"
Hij ging zijn wandelstok halen, en wij liepen den eikenlaan door. Toen
wij aan het eind daarvan gekomen waren, op dat terras dat de Durance
overzag, bleven wij stilstaan en blikten op het dal.
Kleine witte wolkjes trilden aan de bleeke lucht. De zon had blonde
stralen, die als het ware goudstof over het landschap strooiden; het
landschap dat zijn gele vlakte in al hare rijpheid uitspreidde, en
niet langer de krachtige tinten en schaduwen van den zomer bezat. De
bladeren kleurden allerwegen den zwarten grond tot goud. De rivier
stroomde langzamer voort, vermoeid als zij was, nu zij zoolang weder
de velden bevrucht had. En het dal bleef rustig en krachtig. Het
droeg reeds de eerste winterrimpels, maar zijne ingewanden behielden
de warmte zijner laatste voortbrengselen. Het behield zijne breede
omtrekken, beroofd van de weelderige grashalmen der lente, door zijne
tweede jeugd slechts met nog trotscher schoonheid, evenals de vrouw
die het leven heeft geschonken aan bezielde wezens.
Oom Lazare was sprakeloos gebleven, maar zich tot mij keerende,
zeide hij plotseling:
"Herinnert gij u, Jean, hoe ik u, meer dan twintig jaar geleden,
op een vroegen Mei-morgen hierheen bracht? Dien dag toonde ik u het
dal aan, dat ten prooi was van een koortsachtige bedrijvigheid en
de vruchten voor den herfst toebereidde. Zie thans, het dal heeft
nogmaals zijn arbeid voleindigd."
"Ja gij zijt den herfst genaderd, gij hebt gearbeid en nu oogst
gij in. De mensch, mijn kind, is geschapen naar het evenbeeld der
aarde. En even als onze aller moeder, zijn wij onsterfelijk; de groene
blaadjes staan ieder jaar uit de dorre bladeren op; ik herleef in u,
en gij zult wederom in uwe kinderen herleven. Ik zeg u dit, opdat de
ouderdom u geen schrik zal inboezemen, opdat gij in vrede zoudt weten
te sterven, zooals dat groen sterft, dat de volgende lente weder uit
zijne eigen kiemen zal oprijzen".
Ik luisterde naar mijn oom, en dacht daarbij aan Babet, die in het
groote bed, tusschen het wit linnen, sluimerde. Het dierbare wezen
zou een kind ter wereld brengen en daarin gelijken op dien krachtigen
bodem, die ons onzen rijkdom geschonken had. Zij had ook den herfst
bereikt: zij bezat den vreedzamen glimlach, den kalmen vollen wasdom
van het dal. Ik meende haar in den blonden zonneschijn te zien,
afgemat en gelukkig, er eene edelmoedige weelde in scheppende moeder
te zijn. En ik wist niet meer te zeggen of mijn oom, mij sprak van
mijn dierbaar dal of wel van mijne lieve vrouw.
Langzaam beklommen wij de berghellingen. Daar omlaag, langs de
Durance, strekten zich de weilanden uit, als reusachtige helgroene
tapijten; vervolgens zag men gele gronden, hier en daar in ver
uiteenloopende lanen verdeeld door de grijsachtige olijfboomen en
magere amandelstruiken; boven op de hoogten verrezen de wijnranken,
stevige planten, wier trossen op de aarde afhingen.
In het Zuiden van Frankrijk behandelt men den wijnrank als een flinke
huismoeder, niet als een teer juffertje, gelijk dat in het Noorden
het geval is. Hij groeit een weinig op goed geluk af, al naar dit
aan regen of zon mag behagen. De struiken, die aan lange reeksen
op twee rijen geplant zijn, werpen een donkergroenen gloed om zich
heen. Daartusschen zaait men koren of haver. Een wijnberg gelijkt op
een onmetelijk stuk gestreepte stof, vervaardigd van de groene randen
der druivenranken en het gele lint der korenhalmen.
Tal van mannen en vrouwen, die op de wijnbergen zaten neêrgehurkt,
sneden de druiventrossen af, om ze daarna in groote korven te
werpen. Mijn oom en ik liepen langzaam voort door de laantjes tusschen
de ranken. Op onzen doortocht, wendden de werklieden het hoofd om
ten einde ons te groeten. Nu en dan bleef mijn oom stilstaan om de
oudsten onder de arbeiders toe te spreken.
"Wel! vader André," zeide hij: "zijn de druiven goed rijp, zal de
wijn van het jaar goed zijn?"
En, onder het opheffen hunner ontbloote armen hielden de boeren lange,
inktzwarte trossen omhoog, wier groote druiven van kracht en volheid
schenen te moeten barsten.
"Zie slechts, mijnheer de pastoor", riepen zij: "dit zijn nog de
kleinsten. Er zijn er die verscheidene ponden wegen. In geen tien
jaren hebben wij zooveel werk gehad".
Daarop kropen zij weder tusschen de bladeren terug. Hunne bruine vesten
wierpen vlekken op het groen. En de vrouwen die blootshoofds waren en
een smal blauw dasje om den hals droegen, bukten zich al zingende. Er
waren ook kinderen, die in de zon tusschen de planten rolden, onder het
slaken van een schel lachen, en met hunne wilde spelen die werkplaats
in de open lucht opvroolijkten. Niet ver van daar wachtten groote
roerlooze karren de druiven op. Men zag die wagens tegen den helderen
hemel uitkomen, terwijl de mannen voortdurend op en neêr liepen om
de volle manden weg te dragen en de ledige karren terug te brengen.
Ik erken, dat ik, te midden van de velden, door een gevoel van
hoogmoed aangegrepen werd. Ik hoorde de aarde onder mijne voeten
haar werk van vruchtbaarheid volbrengen; het rijpe, machtige leven
stroomde door de aderen van den wijnberg en vervulde de lucht van
een breeden ademtocht. Het bloed vloeide mij warm door het lichaam,
ik werd als opgeheven door de voortbrengingskracht van den bodem,
die tot mij opklom. De arbeid van deze gansche bevolking daglooners
was mijn werk, die wijnranken waren mijne kinderen; dat gansche
landschap werd mijn bloeiend en gehoorzaam gezin. Ik vond er behagen
in te voelen hoe mijn voeten in dien weelderigen grond wegzonken.
Daarop liet ik den blik dwalen over de landerijen, welke zich tot
aan de Durance uitstrekten, en ik bezat die wijnbergen, die weiden,
die velden, die olijfboomen. Het huis stak wit af bij den eikenlaan;
de rivier scheen een zilveren franje om den grooten groenen mantel
mijner bouwakkers heengelegd. Het kwam mij een oogenblik voor dat
mijne gestalte zich uitzette, dat ik slechts de armen zou behoeven
uit te breiden om mijne gansche bezitting, de boomen en de velden,
de woning en de bebouwde landen aan de borst te klemmen.
En terwijl ik daar toekeek zag ik, op het smalle pad, dat zich
langs den heuvel opslingerde, een onzer dienstboden buiten adem
komen aanloopen. Zij haastte zich zoo, dat zij tegen de keisteenen
aanstootte, en zwaaide met de beide armen, ons met hare verschrikte
gebaren tot zich wenkende. Eene onbeschrijfelijke ontroering greep
mij bij den keel.
"Oom, oom!" riep ik uit: "Zie Marguerite toch eens aan komen
snellen...... Ik geloof dat het voor heden zal zijn".
Oom Lazare werd doodsbleek. De dienstbode had eindelijk de hoogte
bereikt. Zij sprong over de wijnstruiken heen om ons te naderen. Toen
zij ten laatste vóór mij stond, had zij geen stem meer; zij stikte
bijna, en klemde de handen tegen de borst.
"Spreek dan toch!" zeide ik: "Wat is er gebeurd?"
Zij slaakte een diepen zucht, liet de handen zinken en was ten slotte
in staat dit eene woord uit te brengen:
"Mevrouw......"
Ik luisterde al niet meer.
"Kom mede, oom Lazare, kom gauw! Och mijn arme, lieve Babet!"
En zulk een spoed makende, dat ik dreigde mijn hals te breken,
rende ik het pad af. De arbeiders, die overeind waren gaan staan,
staarden mij glimlachend na. Oom Lazare kon mij onmogelijk bijhouden
en zwaaide wanhopig met zijn stok.
"Heidaar! Jean, wat drommel!" riep hij: "wacht op mij. Ik wil de
laatste niet zijn om aan te komen".
Maar ik hoorde oom Lazare niet meer, ik holde nog altoos voort.
Hijgend en vervuld van hoop en vrees, kwam ik op de hoeve aan. Haastig
beklom ik de trap en klopte met de vuisten op Babet's deur aan,
lachende en weenende, niet meer wetende wat ik deed. De baker opende
de deur op een kier, om mij heel knorrig te zeggen dat ik zooveel
leven niet mocht maken. Ik bleef wanhopig en beschaamd staan.
"Gij moogt niet binnen komen," voegde zij er bij. "Ga op de
binnenplaats wachten".
En ziende dat ik geen stap verzette, ging de oude ziel voort:
"Alles gaat goed. Ik zal u roepen".
De deur werd voor mijn neus gesloten. Ik bleef er stokstijf voor
staan, zonder tot het besluit te kunnen komen naar beneden te gaan. Ik
hoorde Babet met gebroken stem weeklagen. En, terwijl ik daar nog was,
slaakte zij een hartverscheurende kreet, die mij trof als hadde ik
een kogel in de volle borst ontvangen. Er welde een onweerstaanbaar
verlangen in mij om de deur met mijn schouder te verbrijzelen. Om
daaraan niet toe te geven, stopte ik mijne ooren dicht en snelde ik
als een waanzinnige de trappen af.
Op de binnenplaats vond ik oom Lazare, die juist buiten adem
aankwam. De goede man was verplicht zich op den rand der put neêr
te zetten.
"Welnu!" vroeg hij, "waar is het kind?"
"Dat weet ik niet," gaf ik ten antwoord, "men heeft mij aan de deur
gezet...... Babet weent en kermt".
Wij zagen elkander aan, zonder een woord te durven uiten. Wij
luisterden vol zielsangst toe, onze oogen waren niet afgewend van
Babet's venster en poogden door de kleine witte gordijnen heen te
dringen. Over al zijn leden bevend, bleef mijn oom roerloos zitten,
met de beide handen zwaar op zijn stok steunende; ik voor mij was
ten prooi aan een ware koorts en liep met groote schreden voor hem
op en neer. Bij oogenblikken wisselden wij een bezorgden glimlach.
Een voor een kwamen de karren der arbeiders aan. De manden met
druiven werden tegen een der muren van de binnenplaats geplaatst en
in houten bakken stonden mannen met bloote beenen de trossen onder
hunne voeten fijn te drukken. De muildieren hinnikten, de voerlieden
vloekten, terwijl de wijn onder dof gedruisch in het groote vat
neerviel. Doordringende geuren stegen op in de zoele lucht.
En als werd ik bedwelmd door die geuren, liep ik nog altijd op en
neer. Mijn arm hoofd dreigde te splijten, terwijl ik het bloed der
druiven zag, dacht ik aan Babet. Met eene geheel lichamelijke vreugde,
zeide ik tot mijzelven dat mijn kind geboren werd op het vruchtbare
tijdstip van den wijnoogst, onder de uitwasemingen van den nieuwen
wijn.
Ik werd door zulk een ongeduld verteerd, dat ik andermaal naar
boven ging. Maar ik durfde niet meer aankloppen, ik drukte het oor
tegen het hout der deur aan en hoorde het gekreun van Babet, die
zachtjes snikte. Op dat oogenblik begaf mij de moed en vloekte ik het
lijden. Oom Lazare, die mij onhoorbaar had gevolgd, was verplicht mij
weder naar de binnenplaats mee te voeren. Hij wilde mijne gedachten
verstrooien en zeide dat de wijn uitstekend zou zijn; maar hij sprak
zonder acht te geven op zijne woorden. En nu en dan, bewaarden wij
beiden het stilzwijgen, om vervuld van angst, het oor te leenen aan
eene langere weeklacht van Babet.
Van lieverlede werden de kreten zachter, vernam men nog slechts
een smartelijk gemurmel, als de stem van een kind, dat weenend
inslaapt. Daarop volgde een diepe stilte. Het duurde niet lang of
dat zwijgen joeg mij een onbeschrijfelijke ontzetting aan. De woning
scheen mij uitgestorven, nadat Babet niet meer snikte. Ik was op het
punt naar boven te gaan, toen de baker, zonder eenig gerucht te maken,
het venster ontsloot. Zij boog zich voorover, en zeide, terwijl zij
mij met de hand tot zich riep:
"Kom".
Ik ging langzaam de trappen op, bij elke trede dieper vreugde
smakende. Oom Lazare klopte reeds aan de deur aan, toen ik nog
halverwege de trap was, er een soort raadselachtig genoegen in vindende
het oogenblik te vertragen, waarop ik mijne vrouw omhelzen zou.
Op den drempel bleef ik stilstaan, terwijl mijn hart luid bonsde. Mijn
oom stond over de wieg heengebogen. Doodsbleek en met gesloten
oogen, scheen Babet te slapen. Ik vergat het kind, en regelrecht op
haar toeloopende, nam ik haar dierbaar hoofd tusschen de handen. De
tranen waren nog niet op hare wangen gedroogd, en hare nog sidderende
lippen glimlachten onder die vochtige paarlen door. Met moede beweging
sloeg zij de oogleden op. Zij sprak niet, maar zij scheen te zeggen:
"Ik heb veel geleden, mijn beste Jean, maar ik was zoo gelukkig met
die pijn; het was alsof ik u bij mij gevoelde".
Toen bukte ik, en Babet's oogen kussende, dronk ik hare tranen. Zij
glimlachte zacht en liet zich met kwijnende teederheid liefkoozen. De
afmatting had haar als verdoofd. Langzaam wikkelde zij hare handen
uit het beddelaken los, en de armen om mijne hals strengelende,
haar mond brengende aan mijn oor, fluisterde zij met zwakke stem,
maar met een uitdrukking van zegepraal:
"Het is een jongen".
Het waren de eerste woorden, die zij uitte na de hevige worsteling,
welke zij doorstaan had.
"Ik wist wel dat het een jongen zou zijn", ging zij voort.
"Elken nacht zag ik het kind...... Geef hem mij aan, leg hem aan
mijne zijde".
Ik wende mij om en zag de baker en mijn oom staan kibbelen. De goede
vrouw had alle mogelijke moeite oom Lazare te beletten den kleine in
zijne armen te nemen. Hij wilde hem daarin wiegen.
Ik keek het kind aan, dat ik om de moeder had vergeten.
Hij was geheel rooskleurig. Babet verzekerde met volle overtuiging
dat hij op mij geleek; de baker was van oordeel dat hij de oogen
bezat zijner moeder; ik wist het niet te zeggen, ik was tot tranen
toe geroerd en omhelsde het lieve wicht met innigheid, meenende dat
ik zoo nog Babet kuste.
Daarna legde ik het kind op het bed neder. Hij slaakte onophoudelijk
kreten, die ons voorkwamen als eene hemelsche muziek. Ik ging op
den rand der legerstede zitten, mijn oom nam plaats in een grooten
leuningstoel, en vermoeid en gelukkig, tot den kin toe ingestopt,
bleef Babet met gesloten oogen en glimlachenden blik liggen.
Het venster stond wagenwijd open. De geur drong met de zoele lucht
van dien zoeten herfstmiddag naar binnen. Men hoorde het getrappel der
arbeiders, de schokken der wagens, het zweepgeklap; bij oogenblikken
steeg het schrille lied naar boven, van eene over de binnenplaats
heenloopende dienstbode. Al die geruchten klonken verzacht in die
vreedzame rust dier kamer, waarin nog die snikken van Babet schenen
te trillen. En het venster zag uit op den vollen hemel en het volle
landschap met zijn heerlijk natuurtafereel. Wij konden de eikenlaan
in hare volle lengte bespeuren, en verderop de Durance, die als een
witsatijnen lint te midden van het goud en purper van het gebladerte
heengleed; terwijl boven dat deel der aarde een hier blauw, daar
rooskleurig luchtgewelf zijn doorschijnende diepte uitbreidde.
Het was in de kalmte van dien horizon, onder de uitdampingen van
het wijnvat, bij de vreugde van den arbeid en van die geboorte, dat
wij alle drie begonnen te praten, Babet, oom Lazare en ik, met onze
blikken naar den lieven kleinen zuigeling gericht.
"Oom Lazare", zeide Babet: "welken naam zult gij aan het kind geven?"
"De moeder van Jean heette Jacqueline", gaf mijn oom ten antwoord:
"Ik zal het kind Jacques noemen".
"Jacques, Jacques," herhaalde Babet: "Ja, dat is een lieve
naam...... En zeg eens, wat zullen wij van dat ventje maken; een
pastoor of een krijgsman, een heer of een boer?"
Ik begon te lachen.
"Wij hebben nog allen tijd daarover te denken", sprak ik.
"Volstrekt niet," verklaarde Babet, bijna verstoord. "Hij zal gauw
opgroeien. Kijk eens hoe groot hij is. Zijne oogen schijnen al te
spreken".
Oom Lazare was het geheel met mijne vrouw eens. Hij hernam op
ernstigen toon:
"Maak er noch een priester, noch een krijgsman van, tenzij de jongen
daarvoor eene onweerstaanbare roeping aan den dag legt. Een heer van
hem te laten worden is een bedenkelijke zaak......"
Babet zag mij bekommerd aan. De lieve vrouw bezat voor zichzelven geen
zweem van hoogmoed; maar zooals alle moeders had zij zich nederig
willen maken voor haar zoon en trotsch op hem zijn. Ik zou gezworen
hebben dat zij hem reeds notaris of dokter zag, en haar omhelzende,
zeide ik heel zacht:
"Ik wensch dat het kind ons dierbaar dal zal bewonen. Eenmaal zal hij,
aan den oever der Durance, een zestienjarige Babet vinden, wien hij
te drinken geven zal. Herinnert gij u nog, liefste? Het buitenleven
heeft ons vrede geschonken; onze zoon zal boer zijn als wij en als
wij gelukkig wezen".
Diep geroerd, omhelsde Babet mij op hare beurt. Zij keek door het
venster op het gebladerte en de rivier, de weiden en den hemel,
en zeide toen glimlachend:
"Gij hebt gelijk, Jean. Deze streek is goed voor ons geweest en zal
het ook zijn voor onzen kleinen Jacques.... Oom Lazare, gij zult tot
peter dienen aan een pachter".
Oom Lazare stemde, met afgemat en teeder gebaar, door een hoofdknikje
hier in toe. Sedert een oogenblik sloeg ik hem gade en zag ik hoe
zijne oogen beneveld raakten, hoe zijne lippen verbleekten. Achterover
in zijn stoel geleund, voor het openstaande venster, had hij zijne
witte handen op de knieën gelegd en tuurde hij strak op den hemel,
met eene uitdrukking van plechtige verrukking.
Ik begon mij ongerust te maken.
"Oom Lazare, hebt gij pijn?" vroeg ik. "Wat deert u? Antwoord mij,
ik bid u".
Langzaam hief hij een zijner handen op, als wilde hij mij verzoeken
zachter te spreken; daarop liet hij haar weer zinken en zeide met
zwakke stem:
"Ik ben verbrijzeld. Op mijn leeftijd is geluk doodelijk...... Maak
geen gedruisch...... Het is mij alsof mijn lichaam heel licht ware
geworden; ik voel mijne armen of beenen niet meer".
Ontsteld hief Babet zich overeind, om oom Lazare te zien. Ik knielde
naast hem neer, hem vol bezorgdheid aanstarende.
Hijzelf glimlachte en hernam:
"Maak u niet ongerust. Ik gevoel nergens pijn; iets heel zoets maakt
zich van mij meester; ik geloof dat de slaap der rechtvaardigen over
mij nederdaalt...... Dat heeft mij plotseling overmeesterd en ik dank
er God voor. Helaas mijn arme Jean, ik heb te hard geloopen langs
het heuvelpad en het kind heeft mij te veel vreugde geschonken".
En terwijl wij hem verstonden en in snikken losbarstten, ging oom
Lazare voort, zonder den blik van den hemel af te wenden:
"Ik smeek u mijne vreugde niet te vergallen.... Gij moest eens
weten hoe gelukkig ik ben voor altijd in dezen leuningstoel in te
sluimeren! Nooit heb ik durven droomen dat mijn dood zoo troostrijk
zou zijn. Ik heb hier al mijne geliefden aan mijne zijde.... En ziet
eens welk een blauwe lucht! God zendt mij een schoonen avond toe".
De zon ging achter de eikenlaan onder. De schuine stralen
wierpen gulden tapijten onder de boomen, die de tinten van oud
koper aannamen. In de verte strekte het groene landschap zich
in onbestemden vrede uit. Oom Lazare verzwakte al meer en meer,
tegenover die teedere stilte, dien ondergang der zon, welke rustig
het open venster binnendrong. Hij stierf langzaam weg, evenals de
lichte stralen, die op de hooge takken verbleekten.
"Och! mijn dierbaar dal", prevelde hij, "gij brengt mij een liefdevol
afscheid toe...... Ik was zoo bang te zullen heengaan in den winter,
als gij geheel en al zwart ziet".
Wij bedwongen onze tranen, dien heiligen dood niet willende
bederven. Babet bad fluisterend. Het kind slaakte nog altijd zachte
kreten.
In den droom van zijn zieltogen ving oom Lazare die kreten op. Hij
poogde zich tot Babet te keeren, en zeide met een laatsten glimlach:
"Ik heb het kind gezien, ik sterf heel tevreden".
Daarop keek hij naar den bleeken hemel, het blonde landschap, en
het hoofd achterover werpende, slaakte hij een lichten zucht. Het
lichaam van oom Lazare werd door geen enkele siddering geschokt;
hij stierf zooals men in slaap verzinkt.
Wij waren vervuld geraakt van zulk een vrede, dat wij sprakeloos
bleven, zonder een enkelen traan. Wij gevoelden slechts een rustige
droefheid tegenover zooveel eenvoud in den dood. De schemering
daalde neêr, de afscheidswoorden van oom Lazare hadden ons vertrouwen
geschonken, evenals het vaarwel van de zon, die des avonds sterft,
om den volgenden morgen weer geboren te worden.
Aldus verliep mijn herfstdag, die mij een zoon gaf en mijn oom Lazare
in den vrede van het schemerduister medenam.