De graaf de Verteuil is vijftig jaar. Hij behoort tot een der
aanzienlijkste families van Frankrijk en is schatrijk. Verstoord op
het gouvernement heeft hij zijn tijd zoek gebracht op zijn wijze
en eenige artikelen geschreven in hoogst ernstige tijdschriften,
welke hem een plaats bezorgd hebben in de Academie van zedekundige en
politieke wetenschappen. Daarna heeft hij zich in den handel begeven,
zich toegelegd op den landbouw, op schoone kunsten enz.
Eéns zelfs is hij afgevaardigde geweest en heeft hij zich onderscheiden
door de hevigheid zijner oppositie.
Gravin Mathilde de Verteuil is zes en veertig jaar. Nog wordt zij de
beminnenswaardigste blondine van Parijs genoemd. De ouderdom schijnt
haar huid nog blanker te maken.
Vroeger was zij wat mager; tegenwoordig hebben haar schouders de
ronding van een sappige vrucht aangenomen.
Nooit is zij wat men noemt schoon geweest. Als zij een salon
binnentreedt met haar gouden haren en satijnen hals, lijkt zij een
opgaande ster; meisjes van twintig jaar zijn zelfs jaloersch op haar.
Het huishouden van den graaf en de gravin is een van die, waar niets
van te zeggen valt. Zij zijn getrouwd, zooals men meestal in hun stand
trouwt. Zelfs beweert men dat zij zes jaar in de beste harmonie samen
geleefd hebben.
Toen kreeg zij een zoon, Roger, die luitenant is en een dochter,
Blanche, die verleden jaar getrouwd is met den heer de Bussac. In die
twee kinderen vinden zij zichzelf terug. De jaren, dat zij feitelijk
met elkaar gebroken hebben, zijn zij niettemin goede vrienden gebleven,
het egoïsme op den voorgrond stellende. Zij vragen elkaar om raad en
zijn voor 't oog van de wereld op den besten voet. Komen zij thuis,
dan gaan zij naar hunne afzonderlijke vertrekken en ontvangen hun
intieme kennissen ieder op eigen wijs.
Eens op een nacht kwam Mathilde om twee uur 's morgens van een bal
thuis. Haar kamenier ontkleedde haar en zei, op 't oogenblik dat zij
heen zou gaan:
"Mijnheer de graaf was wat ongesteld vanavond."
De gravin, half slapende, wendde loom het hoofd om, zeggende:
"Zoo!"
Zich daarna in haar bed uitstrekkende, voegde zij er bij:
"Wek mij morgen om tien uur; ik verwacht de modiste".
Toen den volgenden morgen de graaf niet aan het dejeuner verscheen,
liet de gravin naar zijn toestand informeeren en besloot tenlaatste
hem persoonlijk op te zoeken. Zij vindt hem zeer bleek te bed
liggen. Drie geneesheeren zijn er reeds geweest, hebben zacht met
elkaar gesproken en hun bevelen achter gelaten; tegen den avond zullen
zij terugkomen. De zieke wordt door twee bedienden verzorgd, die
ernstig en stil om hem dwalen, het geluid hunner voetstappen doovende.
De groote kamer dommelt in benauwende rust; geen stuk linnengoed is
achteloos ergens neer geworpen, ieder meubel staat op zijn plaats. 't
Is de kalme, bezadigde, ceremonieuse zieke, die bezoek verwacht.
"Hebt gij pijn, mijn vriend?" vroeg de gravin binnentredend.
De graaf doet een poging, om te glimlachen.
"Och, een beetje moe, zonder dat ik rusten kan," antwoordde de
zieke. "Ik dank u voor uw attentie."
Twee dagen verliepen. De kamer bleef even waardig; ieder voorwerp
bleef op zijn plaats, de fleschjes en potjes verdwenen zonder een
spoor achter te laten.
De glad geschoren gezichten der bedienden durfden zelfs geen gevoel
van verveling uitdrukken. De graaf weet evenwel dat hij in doodsgevaar
verkeert; hij heeft den geneesheeren de waarheid afgedwongen en laat
hen handelen zonder een klacht te uiten. Meest ligt hij met gesloten
oogen, ofwel staart hij voor zich heen als dacht hij na over zijn
eenzaamheid.
Aan de wereld vertelt de gravin dat haar echtgenoot ziek is. Zij
heeft evenwel geen enkele harer gewoonte afgelegd, zij slaapt en eet
en wandelt op haar gewone uren. Iederen avond en iederen morgen gaat
zij zelf den graaf vragen hoe 't hem gaat.
"Wel, is het wat beter, mijn vriend?"
"Zeker, veel beter, dankje wel, lieve Mathilde."
"Als ge 't wenscht, zal ik bij u blijven."
"Welneen, dat is niet noodig. Julien en François zijn
voldoende........ Waarom zoudt gij u vermoeien?"
Zij zelf begrepen elkaar volkomen. Zij hadden gescheiden geleefd, zij
wenschten ook gescheiden te sterven. De graaf wenschte dat bittere
egoïstische genot van heen te gaan geheel alleen, zonder om zich
het blijspel der smart te zien. Hij wenschte voor zich zelf en voor
de gravin de onaangenaamheid van het laatste tête-à-tête zoo kort
mogelijk te maken.
Zijn laatste verlangen was zoo stil mogelijk te verdwijnen, als een
man van de wereld, die er niet van houdt anderen overlast aan te doen.
Op een avond echter voelde hij dat de adem hem begaf en dat hij den
nacht niet zou doorkomen.
Toen de gravin hem haar gewoon bezoek bracht, trachtte hij nog te
glimlachen en zei:
"Neen, ga niet heen...... ik voel mij zoo vreemd".
Hij wenschte te vermijden dat de wereld praatjes omtrent haar
onachtzaamheid uit zou strooien en zij, hem begrijpende, verwachtte
deze vingerwijzing.
Zij installeerde zich in zijn kamer. De geneesheeren verlieten den
stervende niet meer.
De beide bedienden gingen met hun gewone werkzaamheden voort, even
stil en even ijverig.
Men had de kinderen laten roepen. Roger en Blanche stonden bij het
bed, naast hun moeder. Andere familieleden bevonden zich in het naaste
vertrek. Op deze wijze gaat de nacht voorbij, in angstige afwachting.
Tegen den morgen worden de heilige sacrementen toegediend, de graaf
vond deze laatste godsdienstige ceremonie noodzakelijk. Thans kan
hij in vrede sterven.
Hij haast zich echter niet en schijnt zijn krachten te herwinnen,
teneinde een benauwden doodstrijd te verhinderen. Zijn ademhaling is
als het geluid van een horloge dat afloopt.
't Is een man van de wereld, die hier gaat.
Als hij zijn vrouw en kinderen vaarwel gekust heeft, wendt hij zich
van hen af, keert zijn gelaat naar den muur en sterft alleen.
Een der geneesheeren buigt zich over hem heen en sluit de oogen van
den doode. Daarop zegt hij op zachten toon:
"Het is gedaan."
Snikken en zuchten klinken in stilte. De gravin, Roger en Blanche
zijn neergeknield. Zij weenen in hun gevouwen handen; hun gezichten
ziet men niet. De kinderen nemen daarop hun moeder meê, die bij de
deur, nog eens haar droefheid willende toonen, een laatste zucht
slaakt. Sinds dit oogenblik behoort de doode aan de treurige pracht
en weelde, waarmede men hem gaat omringen.
De geneesheeren zijn vertrokken, met gebogen rug loopende, een quasi
bedroefd gezicht trekkend. Men heeft bij de parochie een priester
verzocht om bij het lijk te waken.
De twee bedienden blijven bij den priester, op hun stoelen gezeten,
recht en onbeweeglijk dit is het einde van hun diensttijd. Een van hen
bemerkt een lepel, welken men op een meubel heeft laten liggen; hij
staat op en laat hem vlug in zijn zak glijden, opdat de ordelijkheid
in de kamer niet gestoord worde.
Beneden in 't salon hoort men een geluid van hamers; 't zijn de
behangers, die dat vertrek in lijk-kapel veranderen. De gansche dag
gaat voorbij met het balsemen; de deuren zijn gesloten, de persoon
die balsemt is alleen met zijn helpers. Als men den volgenden dag
den graaf afdraagt en op het rustbed legt, is hij geheel gekleed,
een jeugdige frischheid op 't gelaat.
Om negen uur vult zich op den dag der uitvaart, het gebouw met
stemmen. De zoon en schoonzoon van den overledene, wachten in een salon
op de eerste étage de bezoekers af; zij buigen en zijn stom beleefd
als bedroefde menschen. De aanzienlijksten uit den lande zijn daar:
de adel, het leger, de wettelijke macht; zelfs senatoren en leden
van het Instituut.
Om tien uur eindelijk zet de stoet zich in beweging om naar de kerk te
gaan. De lijkwagen is een eerste klasse voertuig, met pluimen versierd,
gedrapeerd met zwarte kleeden met zilveren franjes. De slippen worden
gedragen door een maarschalk van Frankrijk, een hertog, oud vriend
van den overledene, een oud-minister en een lid van de Academie.
Roger en mijnheer de Bussac begeleiden de kist. Dan komt de stoet,
een stroom van gewichtige personages, die fluisterend praten en met
gemaakt-eentoonige stappen loopen, gehandschoend en zwart-gedast.
Voor alle vensters staan kijkers; de menschen staan aaneengesloten op
de trottoirs, nemen de hoeden af en zien hoofdschuddend den versierden
lijkwagen voorbijgaan. Het verkeer is gestremd door de onafzienbare
rij van bijna ledige rouw-rijtuigen; de omnibussen, de huur-rijtuigen
hoopen zich in de dwarsstraten op; men hoort het gevloek der koetsiers
en het geklap der zweepen. Gedurende dezen tijd houdt de gravin de
Verteuil haar kamer, zeggende dat zij van smart gebroken is.
In een luien stoel uitgestrekt, speelt zij met de uiteinden van haar
ceintuur, droomerig het plafond aanstarende. In de kerk duurt de
plechtigheid bijna twee volle uren. Van den morgen af ziet men niets
dan ijverig in den weer zijnde priesters, bevelen gevende, zich het
voorhoofd afdroogende en den neus snuitende op luidruchtige wijze.
In het midden van 't gebouw schittert in een zee van licht de zwarte
catafalk. Eindelijk heeft zich de stoet geschaard, de vrouwen links,
de mannen rechts; en de orgeltonen dreunen klagelijk, de koorzangers
zingen fluisterend, temidden van het groene schijnsel der lichten,
die een droeve bleekheid werpen over den doodenpraal.
"Moet Faure niet zingen?" vraagt een afgevaardigde aan zijn buurman.
"Ja, dat geloof ik wel", zegt deze, een oud prefect, die in de verte
glimlacht tegen de dames.
En wanneer de stem van den zanger hoog opklinkt met zacht gesidder:
"Wat een methode, wat een volheid!" en hij schudt van verrukking
het hoofd.
Het gansche gezelschap is aangedaan. De dames hebben een glimlach om
de lippen en denken aan haar opera-avonden. Die Faure heeft waarlijk
talent!
Een vriend van den doode fluistert:
"Hij heeft nog nooit zoo mooi gezongen! ........ 't Is jammer dat
die arme Verteuil hem niet hooren kan; hij hield zooveel van hem!"
De priesters in hun zwarte gewaden, bewegen zich rondom den catafalk
en prevelen latijnsche gebeden, met de wijkwasten sprenkelend. Na de
familieleden de handen gedrukt te hebben, gaat men uiteen. Daarbuiten
worden zij verblind door het volle licht.
't Is een heerlijke Juni-dag. Op het kleine plein vóór de kerk
sloot men elkander aan. 't Is een heele stoet en 't kost vrij wat
moeite er weer orde in te brengen. Zij, die niet verder meê gaan,
verdwijnen. Op twee honderd meter afstands bespeurt men reeds aan
het einde der straat de wuivende pluimen van den lijkkoets. En nog
aldoor staat het pleintje vol rijtuigen. Men hoort het dichtslaan der
portieren en het haastig getrappel der paarden op het plaveisel. De
koetsiers rijden achter elkaar en voort gaat het naar het kerkhof.
In de rijtuigen voelt men zich weer op zijn gemak; men kan zich
voorstellen langzaam een ritje naar het Bosch te maken op een schoonen
lentedag.
Als men de lijkkoets niet meer ziet, vergeet men dat men een
begrafenisplechtigheid bijwoont en de gesprekken worden opnieuw
aangeknoopt; de dames spreken over het zomer-seizoen, de heeren over
hun zaken.
"Zeg eens, mijn waarde, gaat gij van 't jaar nog naar Dieppe?"
"Ja misschien. Maar dan toch niet vroeger dan Augustus........ Zaterdag
gaan wij naar ons buiten aan de Loire."
"Ja, en toen heeft hij dien brief weten machtig te worden en hebben
zij geduelleerd. Och, een schrampje, meer heeft hij niet opgeloopen".
"'s Avonds heb ik nog met hem in de club gedineerd en heeft hij mij
zelfs nog vijf en twintig louis afgewonnen".
"Nietwaar? De vergadering van aandeelhouders is overmorgen?...... Men
wil mij lid van het Comité maken, doch ik ben zoo geweldig druk,
dat ik het niet weet of ik het aan zal nemen."
Een oogenblik ging de stoet door een kleine laan.
Een frissche schaduw viel uit de boomen en een zonnige vroolijkheid
zong in het groen.
Plotseling buigt zich een dame uit het portier en roept uit:
"Och, wat is het hier mooi!"
Op dit oogenblik rijdt de stoet het kerkhof Montparnasse in. De
stemmen zwijgen, men hoort slechts het geknars der wielen op het
zand der paden. Men steekt het kerkhof dwars over; het familiegraf
der Verteuils is heel achteraan links: een groot grafgesteente van
wit marmer, een soort van kapel, rijk met beeldhouwwerk versierd. Men
plaatst de kist voor de deur dezer kapel en de lijkredenen beginnen.
Er worden vier gehouden. De oud-minister herdenkt het politieke leven
van den gestorvene, dien hij voorstelt als een bescheiden genie,
welke zeker Frankrijk zou hebben gered, als hij niet zoo'n afkeer
had gehad van intrigues.
Een vriend spreekt vervolgens over de burger-deugden van den doode,
welken allen beweenen. Daarop neemt een onbekend heer het woord als
afgevaardigde van een industrieel genootschap, waarvan de graaf de
Verteuil eere-voorzitter was geweest. Een klein mannetje, met een
grijzig uiterlijk, vertelt ten slotte hoe bedroefd de Academie van
zedelijke en politieke wetenschappen is over het heengaan van dezen
voorbeeldigsten harer leden.
Gedurende dezen tijd nemen de toehoorders de naburige graven in
oogenschouw en lezen de opschriften op de marmeren steenen. Zij,
die schijnbaar toeluisteren, vangen slechts enkele klanken op. Een
grijsaard, met opeengeklemde lippen, schudt het hoofd nadat hij heeft
hooren spreken van: "zijn grootheid van hart, zijn edelmoedigheid en
zijn goed en edel karakter...." en zegt:
"Ja, ja, ik heb hem gekend; 't was een hond van een kerel."
Het laatste vaarwel vervliegt in de lucht. Als de priesters het lijk
gezegend hebben, trekt de menigte zich terug en blijven er op deze
stille plaats geen anderen over, dan de doodgravers, die de kist laten
zakken. De touwen schuren met een dof geraas langs de kist, die kraakt.
De gravin de Verteuil is thuis.
In haar luien stoel heeft de gravin zich niet bewogen. Nog aldoor
speelt zij met den slip van haar ceintuur, de oogen naar het plafond
gericht, in droomen verzonken, die langzamerhand weer een blos tooveren
op haar schoon gelaat.