INLEIDING

Ik ben een die, zoo de Liefde hem

iets inblaast, luister en op de wijze,

waarop zij binnen in mij spreekt, het

neerschrijf. (Louteringsberg XXIV).

"Het "Nieuwe Leven", het "boekske" waarin de ongeveer zeven-en-twintig

jarige Dante zijn jeugdliefde verhaalt, is een der wonderlijkste en

tevens wonderbaarste scheppingen der dichtkunst. Wonderlijk is het om

die zekere eigenaardigheden, waarvan enkele reeds Dante's tijdgenooten

hebben gehinderd en welke het meerendeel der modern-kritische

lezers zeker geneigd zal zijn als "fouten", immers als uitingen van

gekunsteldheid, valsch gevoel, ondichterlijk intellektualisme, te

veroordeelen. En werkelijk, bij een eerste, vluchtige lezing doet het

wel ietwat zonderling aan; een dertigtal van de sierlijkst bewerkte,

zoetst-vloeiende minnedichten, lof- en klaagzangen, vereenigd in een

onderling verband door een later geschreven verklarend proza, welks

stijl het midden houdt tusschen plechtige bijbeltaal, deftig-pedant

betoog en kinderlijk-naïef verhaal: een keten van fijnst-geslepen

juweelen in stijf-eenvoudige vatting. En dan elk dier gedichten

nog bovendien ontleed naar zijnen bouw en inhoud, "verdeeld"

zooals Dante het noemt, in glossen zòò dor, schoolmeesterachtig en

overbodig meestal, dat reeds Boccaccio, Dante's eerste officieele

"uitlegger", deze "divisioni" verwierp als "troppo infantile", als

een belachelijke kinderachtigheid! Moet de kritische verbazing van

den hedendaagschen lezer met "literairen" smaak, niet toenemen als

hij bemerkt dat de stof voor vele dier gedichten blijkbaar "verzonnen"

is; dat ook de droomen en visioenen waarvan Dante gewaagt, blijkbaar

"cerebrale bedenksels" zijn, althans zelden, zooals in het beroemde

koortsvisioen (§ XXIII) en in de verschijning der zalige Beatrice

als kind van negen jaar (§ XXXIX) onmiskenbaar echte droom-elementen

vertoonen? Dreigt die verbazing niet om te slaan in een medelijdende

afkeuring bij de ontdekking dat het Dante's duidelijke bedoeling is aan

zijn schijnbaar zoo spontane lyriek een symbolische, en nog wel een

theologisch-moreele duiding te geven? Kan verder deze hedendaagsche

lezer wel anders dan schouderophalend glimlachen om de zonderlinge

getallenmystiek, het kinderachtig gegoochel met de cijfers drie, negen

en tien, vertegenwoordigende de Drie-eenheid, de negen hemelen en

de volmaaktheid, welke Dante ten behoeve dier symboliseering in zijn

proza invoert; of om zijn blijkbaar streven ook in de rangschikking

en misschien zelfs in het aantal der opgenomen gedichten, de door hem

gewilde allegorische strekking uit te drukken? Tenslotte, kan hij

ooit een poëzie, een lyriek, een minnelyriek nog wel, als "echte",

"spontane", uit het "hart", wat zeg ik, uit het "Onbewuste" gewelde

"gevoelskunst" erkennen, wanneer na een gekibbel van meer dan zes

eeuwen de geleerde commentatoren het er nog steeds niet geheel over

eens zijn of de verheerlijkte geliefde nu werkelijk een levende

Florentijnsche was, dan wel eigenlijk en goed-beschouwd alleen maar

de godsdienst, of de wijsbegeerte, of de deugd, of het verstand,

de katholieke kerk, de "abstracte" ideale vrouw of zelfs.... de

keizerlijke monarchie?

Ik weet niet wat voor den smaak van een modern aesthetiseerend

lezer of kriticus mag of niet mag. Wel weet ik dat voor den dichter

alles kàn. Ik noemde Dante's boekske nu behalve wonderlijk ook

wonderbaar. Het wonderbare van het boekske is, dat, wanneer men

het leest met zuiver menschelijk medegevoel inplaats van met

kritische laatdunkendheid en philologische nieuwsgierigheid, men

heel de wonderlijkheid ervan aanvaardt als een noodzakelijke en dus

eerbiedwaardige, ja bij dieper doordringen juist zeer beminnenswaardige

uiting van Dante's oervoorbeeldigen dichtersgeest. Al het zonderlinge

en bevreemdende van het werk, en van Dante's werk in het algemeen,

bevreemdend vooral wanneer men het niet beschouwt in het kader van

zijn tijd, vindt zijn oplossing in de zielkunde van den "waren,

grooten" dichter, van dien universeelen mensch, die in eigen ziel de

synthese voltrekt van alle verscheidenheden en tegenstrijdigheden,

van alle droomverlangen en dadendrang aller menschen en tijden.

De dichter--ik bedoel hier den poëet in den oorspronkelijken zin

des woords, den schepper op welk gebied ook--kan niet anders, en hij

heeft ook geen andere behoefte, dan zichzelf te openbaren. Voor den

gewonen mensch,--ik bedoel den weinig poëtischen; alle onderscheiding

is tenslotte slechts eene naar den graad--die eigenlijk meer geleefd

wòrdt dan dat hij zelf leeft, wiens geest is als een, bij den een

wat beter, bij den ander wat slechter gepolijst spiegeltje dat niets

dan het van buiten gegevene weerkaatst, maakt die drang naar zelf

onthulling dikwijls den indruk eener lachwekkende ijdelheid; voor

den dichter is hij een natuurlijke houding. Want het zelf van den

dichter is heel het leven dat hij in zich opneemt, is het verleden

dat hij herschouwt, is de toekomst die hij doordroomt; het is het

gansche heelal dat zich in hem niet maar uiterlijk weerspiegelt,

maar innerlijk ontplooit, ontwikkelt; het is God zelf die zich in

hem bewust wordt, die hem zonder ruste drijft tot scheppen.

Het toeval plaatst den een in een kalm, den ander in een onrustig

maatschappelijk midden; laat den een stil voort droomen en

dwingt den ander deel te nemen aan den strijd der aldagelijksche

gebeurlijkheden. Wat voor des dichters kunstschepping het meest

wenschelijk is hangt af van zijn kracht, geestelijk en dikwijls ook

physiek. Velen zullen dien strijd als bij instinkt vermijden, maar

de sterke en groote dichter begeert en zoekt hem in zijn mateloozen

dadendrang en voor hèm is hij zeker goed, al vindt hij er ook even

zeker nooit de bevrediging in waarnaar hij hunkert. Want welke rol hij

in het maatschappelijke dadenleven ook spele; hoeveel beproevingen,

worstelingen en overwinningen de werkelijkheid der verschijningen hem

ook brenge; nooit vindt hij er een taak die zijn krachten waardig

is. Of hij tooneel speelt op de echte planken, zooals Shakespeare;

aan het hof van een kunstminnend vorst, zooals Goethe; of wel beide

zooals Molière; of hij zijn droom wil verwerkelijken in 't romantisch

avontuur van een vrijheidsoorlog, zooals Byron; of dat hij een rol

wil vervullen in het ijdel gekrakeel van middeleeuwsche potentaatjes,

stadsraden en pausen, zooals Dante; vroeger of later voelt hij dat

het ware leven, de groote strijd waarnaar hij hunkerde, slechts werd

gevoerd in zijn eigen eenzaam hart. Wat hij doorvoelt, doordenkt,

doorlééft, dàt is de waarheid van zijn bestaan. De droom van den

grooten dichter-daadmensch moet altijd een droom blijven. Maar

later erkent de menschheid, of de enkelen die hem verstaan kunnen,

dat zijn kunstschepping de groote daad zijns levens was, en een

daad zòò werkelijk, dat wil zeggen zoo machtig in haar werking, dat

daartegenover de geheele wereldgeschiedenis kan worden als een droom,

als een onnoozel kinderdroompje.

Naarmate de dichter zelf zich hiervan meer of minder bewust

is zullen zijn scheppingen subjektiever of objektiever lijken,

persoonlijker of algemeen-menschelijker; ofschoon zij in wezen noch

het een noch het ander zijn, maar beide tegelijk en in één. Doch de

dichter die deze synthese voltrekt, die zijn persoonlijk gevoel

omzet tot begrip-voor-allen, of tot wat het best nog ware te

noemen: Levensinzicht, Wijsheid; deze dichter moet een denker zijn

voor wien ook nog een andere bij de menigte gangbare en geliefde

schijntegenstelling, die van "gevoel" en "verstand", een inhoudlooze

frase is geworden. Er woekert in onze hedendaagsche poëzie een

verfijnde stemmings-exaltatie, een aesthetische aanbidding van

kwasi-gevoeligheid--vooral wanneer zij zich weet te sluieren met

de valsche zijde der moderne literaire onbewustheids-mystiek--welke

het inzicht in deze zeer diepe maar zeer eenvoudige waarheden toch

voor velen zeer moeilijk maakt. De geestelijk krachtlooze, maar

"impressionabele", "sensitieve", sentiments-"artiest", gewend zich

te bedwelmen aan den klinkklank eener liefst zoo vaag mogelijke

taal-muziek, pleegt--in een haast pijnlijke onkunde omtrent de

allereerste beginselen der psychologie--met een zekere laatdunkende

minachting neer te zien op al wat in kunst "cerebraal", "bedacht" is of

liever hem in zijn waanwijze kortzichtigheid en onvermogen om werkelijk

te "denken" maar als zoodanig voorkomt. Voor deze "artiesten" en vele

nog onwetender, want veelal uit de onmachtigsten hunner gerekruteerde

kritici, en eindelijk voor het groote door hen misleide publiek, zou

niets nuttiger zijn dan de aandachtige bestudeering van die enkele

waarachtig groote, volmaakte, al-menschelijke geesten als Dante,

Goethe en Hebbel, die, in hun schoonste en beste werken althans,

geheel zichzelf en geheel God waren, omdat hun sterkste en trouwste

streven, bewust en onbewust, steeds was het goddelijk leven dat in

hen, als zoogenaamd gevoel of als zoogenaamde gedachte, bewust of

onbewust, hoe dan ook lééfde, zoo volmaakt mogelijk tot uiting te

brengen. Die in alle subjectieve gebeurlijkheden niets anders zagen

dan symbolen eener objectieve waarheid en wier diepst-doorvoelde

kunst daarom steeds tevens was hun diepst-doordachte. Wier "gevoel"

niet is elk "spontaan" er uit geflapt aandoeninkje, nog minder

de vage, onvoldragen, mystiekerig verdoezelde gedachten die een

verward spraakgebruik eveneens "gevoel" noemt; maar de grondtoon,

de onderstroom van geheel hun geestelijk wezen. Wier "gedachte"

niet is een nuchtere frase, maar een levende werkelijkheid ja juist

de hoogste, schoonste verwerkelijking in hen van den eenigen levenden

Geest zelf. Die zich in hun diepste hart niet bekreunden om theorieën

over realisme, idealisme, sensitivisme, impressionisme, romantisme of

welke weinig-zeggende definitie van welke eenzijdig-dwalende richting

ook; maar die eenvoudig weg, in hun goddelijke gehoorzaamheid, gaven

wat zij in zich hadden, daarbij meestal een synthese scheppend van alle

bestaande en denkbare richtingen tegelijk. Die door de wèlbewuste,

evenwichtige ontwikkeling van al hun geestelijke vermogens God,

of de Schoonheid, of de Wijsheid, wilden dienen; die bij al hun

scheppen de vooropgezette bedoeling hadden een levens-aanschouwing

te verbeelden, welke zij in zichzelf, dag aan dag, uur aan uur,

strijdend veroverden, met "Gods hulp", zoo letterlijk mogelijk. En

tenslotte, die wat de Geest hun ingaf, trachtten te beheerschen en te

uiten virtuoselijk gedwongen in een vorm van evenwichtige schoonheid,

van gave, zorgvuldigst bewerkte kunstigheid.

Die schoone en wijze levensaanschouwing waarvan ik hier spreek is

dezelfde voor alle menschen en alle tijden. Zij is geen bewering,

zooals het schijnschoone gepraat der literaire fraseurs van

het Onbewuste, maar zij is een daad: het bewuste, willende

zoeken en verwerkelijken van God, van het Eeuwig-scheppende,

in zichzelf; de verheffing van alle verschijning tot symbool der

Liefde. Tijdsomstandigheden en taalontwikkeling hadden wel steeds

min of meer invloed op de manier van uiting en nadere omschrijving

dezer wijsheid; maar hij voor wien de taal niet is een stelsel van

verstijfde en in hun vasten omvang algebraisch te bewerken begrippen,

doch van levende symbolen zelf, ziet al spoedig in dat hij die ééne

wereldwijsheid, welke haar aanvangs-, hoogte- en eindpunt vindt in het

zich éénvoelen met God, eenig doel en inhoud der waarachtige mystiek,

zoowel verbeeld ziet in de mystische filosofie van een Boeddha,

Meester Eckhart of Hegel, als in de dichterlijke erotiek, in de

"voortbrenging in het Schoone", van Plato of de aanbidding van het

"eeuwig-vrouwelijke" van Dante of Goethe. Voor de groote geesten der

menschheid bestaan geen tijdsverschillen, hunne scheppingen zijn de

elkaar steeds gelijkende, in wezen steeds gelijke, aanvoelingen van

het eeuwig wezen dat altijd is. Daarom spreken zij altijd, afgezien van

zekere oppervlakkige eigenaardigheden van den vorm, allen op dezelfde

wijze en even verstaanbaar of liever aanvoelbaar. Zij konden, ontdaan

van alle nationale en tijdelijke uiterlijkheden, in droom rond ons

vereenigd zijn en wij zouden den Indiër of Griek van vele eeuwen vòòr

onze jaartelling niet onderscheiden van den Italiaan of Duitscher van

nog meer eeuwen er na; wij zouden hen allen houden voor zeer geniale

en zeer wijze.... tijdgenooten.

Ik zal nu verder over Dante spreken. Ik ben begonnen met zijn

"fouten" of--werd de lezer reeds welwillender?--eigenaardigheden op

te sommen. Ik zal nu pogen te doen zien hoe deze eigenaardigheden

slechts zijn de tijdelijk-bepaalde verschijningsvormen van de ééne,

eeuwige dichterwijsheid. Ik hoop u Dante te kunnen doen zien als een

kunstenaar wiens geest in zijn diepste wezen volstrekt niet "buiten

dezen tijd" staat, maar integendeel als een dier dichters die de

groote, drievoudige synthese: van subjektiviteit en objektiviteit,

van droom en werkelijkheid, van gevoel en verstand, wist te voltrekken

en daardoor kon worden tot onzen eeuwigen tijdgenoot, in wiens hart

dezelfde Liefde sluimerde en ontwaakte die ook in het onze sluimert

en ontwaken kan als de aanschouwing der Schoonheid haar slechts wekt

Ook Dante uitte nooit iets anders dan zichzelf, schilderde nooit

iets anders dan zijn eigen innerlijke leven. Het sterkst, en ook

tevens het paradoxaalst komt dit uit in de Divina Commedia, welke

de geheele menschelijke en goddelijke wereld verbeeldt. Het zijn

Dante's eigen zonden, werkelijke of in-aanleg, die hij er verdoemt

en straft, het is zijn eigen zieleloutering die hij er verhaalt,

het is zijn zelfgewonnen wijsheid die zijn verzen doorlicht. Zijn

sombere wrok, zijn verbitterde haat, zijn vurige wetensdrang, zijn

hooge trots en zijn vrome, nederige liefde, al de eigenschappen van

zijn hevig-levenden geest; maar ook al wat werking en weerslag was

van zijn tijdsomstandigheden en opvoeding; zijn gekunsteldheid en

schoolschheid, komt er tot uiting. Maar één ding toch mist men in

de schepping van den verbitterden balling, en dat vindt men alleen

in het "Nieuwe Leven": den glimlach en de tranen, heel de overzoete

sentimentaliteit van den jongen, ridderlijken troubadour. Want Dante

was, zooals Manzoni zegt, voor de Italiaansche taal niet alleen de

meester van den toorn, maar ook die van den glimlach. Wie de Divina

Commedia las, kent den toornenden profeet en den berouwenden zondaar;

maar hij kent niet den zachtzinnigen minstreel, den weeken jongeling,

die verbleekt en beeft bij den aanblik van een jong meisje en die,

liggend in zijn eenzame kamer "als een geslagen knaapje" den "grond met

tranen baadt" omdat zij hem heur groet onthield. Alleen daarom reeds is

de bestudeering der Vita Nuova noodig voor wie Dante's karakter juist

wil beoordeelen. Maar evenzeer is zij noodig om den zin van zijn werk

dieper te leeren verstaan. Beide werken, de Commedia en de Vita Nuova,

hebben in wezen hetzelfde onderwerp: de loutering van den geest door

de Liefde. Het eerste, het wereld-epos, is in schijn objektiever;

het tweede, de eerste moderne ik-roman, in schijn subjektiever; in

werkelijkheid openbaart de Commedia evenveel van den persoonlijken

Dante als de Vita Nuova van den onpersoonlijken wereldwijze. En beide

hebben zij, in en door hun schijnbaar gekunstelde verstandelijkheid,

die hoog- en strak beheerschte doorvoeldheid, die vormelijke gaafheid,

die onomschrijfbare voornaamheid, die alleen de grootste kunstwerken

kenmerkt.

Het was in het voorjaar van 1283. Er heerschte vrede in Florence, een

zeldzame toestand, waarvan ongekende voorspoed het gevolg was. Het

was voor de rijke stad een tijd van blijde feesten, optochten en

banketten, waarbij een schaar van edele, gansch in wit gekleede

vrouwen en meisjes naar oudridderlijken trant een "hof" vormen van

een schoonen "Heer" dien men Amor noemde. Bij gelegenheid van een

dier optochten waarschijnlijk was het dat de achttienjarige Dante

de enkele maanden jongere Bice Portinari, de "allerlieflijkste",

de "jeugdige engel", die sinds zijn negende jaar de stil-aangebeden

"Vrouwe zijner gedachte" was, voor de tweede maal ontmoette en voor

't eerst haar stem hoorde. "Voorbij schrijdend door eene straat wendde

zij de oogen naar dien kant, waar ik, vol vreeze, stond: en in hare

onuitsprekelijke hoofschheid groette zij mij met een blik zòò vol van

deugden, dat het mij toescheen als zage ik de grenzen aller zaligheid"

(§ III). Voor het eerst hoorde hij haar stem en zoozeer ontroerde hem

het nieuw geluk dat hij zich "als dronken van de menigte afzonderde"

en vlood naar de eenzaamheid van zijn kamer om daar te peinzen over

"deze zeer hoofsche Vrouwe". En hier had de jonge dichter--want "reeds

had hij uit zichzelf de kunst geleerd in rijmen te spreken"--in wiens

hoofd de ridderlijke verzen van een Bertrand de Born, een Folquet de

Marseille, een Arnaud Daniël en van zoovele andere troubadours klonken,

door een "zoeten slaap" overvallen, dien eersten dichterdroom--ja,

verzonnen, of liever nagebootst naar den vorm, maar doorleefd naar

zijn gevoelsinhoud--welke het eenvoudig motief wordt voor bijkans zijn

geheele verdere lyriek. In een vuurkleurigen nevel verscheen hem Amor:

Zòò dat herinnering nòg mij beven doet.

Vol vreugde leek hij me eerst, terwijl zijn handen

Droegen mijn hart, en in zijn armen had

Hij mijn Meestres, sluimrend in lichtrood kleed;

Toen riep hij haar: en van mijn hart dat brandde,

Zag 'k hoe zij schuchter, schoon gehoorzaam, at....

En klagend vlood hij als in bitter leed.

(§ III)

Dit sonnet zond hij, naar het gebruik der dichters van dien

tijd, met verzoek om een verklaring ervan, aan eenige "vermaarde

troubadours". Zij zijn niet allen bekend, maar veilig mag men aannemen

dat de meesten behoorden tot de dichterschool van den zoogenaamden

"nieuwen stijl", van welken Guido Guinizelli de baanbreker (1220-1276)

was geweest en Guido Cavalcanti (1250-1300) ten tijde van Dante de

belangrijkste vertegenwoordiger was. De jonge dichter beoogde met de

rondzending van zijn sonnet blijkbaar niet anders dan in den kring

dier vermaarde troubadours te worden opgenomen. Wat hem gelukte,

want van toen af werd Cavalcanti zijn "grootste vriend", de man die

hem steeds aanspoorde zijn liefde hoog en rein te houden en op wiens

verzoek, en zeker voor wien, hij zijn Vita Nuova heeft geschreven.

Onder de dichters van dien tijd, ook in Florence, was het mode

dat elk van hen een eigen "donna", mits maar niet zijn eigen vrouw,

aanbad en in zijn liederen verheerlijkte. Wanneer men hen mag gelooven

waren al deze "donna's" even lieftallig, schoon en deugdzaam, even

"hoofsch". Dichterlijke idealiseering, wensch-fantasieën; zeker, maar

nogthans waren deze vrouwen volstrekt niet geheel en al hersenschimmig,

maar verbeeld naar het levend model, evenals die vrouwen wier portret

sommige schilders vereeuwigden in de engelengestalten hunner fresco's

en schilderijen, en verscheidene van hen zijn met naam en toenaam

bekend. Ware het voor "abstracte ideale vrouwen" wel noodig geweest hen

toe te dichten in de volkstaal, omdat zij het Latijn niet behoorlijk

konden verstaan? (§ XXV)

Deze buitenechtelijke vrouwenvereering was een mode, overgenomen

van de Provençaalsche troubadours. Ik laat hier buiten bespreking

het moeilijke vraagstuk uit welke ideëel-maatschappelijke oorzaken

de ridderlijke minnedienst ontstond; maar eenmaal mode onder de

troubadours, kon hij gemakkelijk worden aanvaard door de dichters

dier jonge Italiaansche stadstaten, waar aan het echtelijk leven

gewoonlijk alle poëzie ontbrak, omdat de huwelijken er werden

gesloten uit commercieele overwegingen der ouders of zelfs met

politieke bedoelingen op aandrang der regeeringen. De troubadours,

die, sinds hun land door de gruwelijke vervolging der Albigenzen

en Waldenzen, elders hun fantastische romans voordroegen of van hun

minne zongen en ook in Italië als welkome gasten werden ontvangen,

vonden hier gretige navolging in hun hoofschen minnedienst en poëzie

en gaven zoodoende den stoot tot de ontwikkeling van een eigen

Italiaansche dichtkunst. Aanvankelijk schreven ook hun navolgers in

het Provençaalsch, de langue d'oc; tot op Sicilië, aan het hof van

keizer Frederik II, den grooten kunstvriend, de eerste Italiaansche

poëzie ontstond. De keizer zelf, zijn zoon Enzo, koning van Sardinië,

zijn kanselier Piero della Vigna, magistraten als de notaris Jacopo

da Lentino en Guido delle Colonne, wedijverden er in het kunstig

nabootsen der Provençaalsche voorbeelden. Maar ofschoon bij dezen

of genen de echte volkspoëzie wel een frisscher toon gaf aan de

geijkte uitingswijze, bleef de kunst dezer Sicilianen toch over

het algemeen slechts nabootsing zonder meer, en met de heerschappij

der Hohenstaufen in Italië ging ook zij te gronde. Bij een deel der

dichters uit de Siciliaansche school kwam de naieve zinnelijkheid der

oude ridderpoëzie, waarin de vereering der "Vrouwe" nagenoeg geheel en

al op de bewonderende aanschouwing harer uiterlijke schoonheid berust,

waarin de algemeen gebruikelijke weg dien de Liefde kiest om het hart

binnen te dringen is "door de oogen", tot onverbloemde uiting.

Liefde is Begeerte, door het groot vermogen

Van welgevallen in het hart gewekt....

Maar schoonheid die we aanschouwen met onze oogen

Is 't toch die sterkste en hechtste liefde wekt [1].

betoogt de bovengenoemde notaris Jacopo da Lentino; anderen maakten,

evenals ook reeds de latere Provençaalsche zangers gedaan hadden,

scheiding tusschen "edele" en "onedele" liefde, ofschoon zij dan toch

ook de eerste nog min of meer zinnelijk opvatten.

e per amor es hom guays e cortes,

franc e gentils, humils et orgulhos

(de liefde maakt den man blij en hoofsch,

frank en edel, ootmoedig en fier)

zeide Pons de Capdueil, en Adam de la Halle had gezongen:

car ma Dame est tant douche a resgarder

que mauvestés ne porroit demorer

en cuer d'ome qui la voie....

(want mijn Vrouwe is zoo zoet te aanschouwen

dat geen slechtheid zou kunnen wonen

in het hart van den man die haar ziet).

en Guilhem de Montanhagol was zelfs zoo ver gegaan dat hij de liefde

prees als sporende tot kuischheid en als bron van alle deugden:

quar amors non es peccatz,

anz es vertutz....

e met om' en via

de ben far tot dia;

e d'amor mou castitatz....

(want de liefde is geen zonde

maar een deugd....

en stelt den man in staat

wèl te doen den ganschen dag;

en uit de liefde ontspringt kuischheid....)

Maar deze verfijning, welke de Siciliaansche dichters uitwerkten tot

een filosofisch-getinte leer van zuivere ontzegging, een soort van

esoterische, slechts voor de hoogere geesten bestemde theorie der

liefde, maar welke vooral door Sordello van Mantua werd gepropageerd,

was toch eigenlijk niet veel meer dan wat zij ook bij de Provençalen

geweest was: een dekadente methode tot prikkeling der zinnelijkheid

juist door haar zooveel mogelijk belemmeringen in den weg te

leggen: jalouzie, verheimlijking, trots, schaamte enz., kortom zij

was tenslotte slechts een kunstmatige ontlading van onbevredigde,

onderdrukte sensualiteit. Zoo heeft ook de Siciliaansche school de

kuischheid niet kunnen verheffen tot algemeen erkend beginsel der

"edele" liefde.

Inmiddels was ook in andere deelen van het land, vooral in Toscana,

een volkspoëzie ontstaan, kennelijk nog onder sterken invloed

der Siciliaansche school en dier Provençaalsche voorgangers, maar

ook tevens op eigenaardige wijze doordrongen van den geest eener

wetenschappelijke ontwaking, een hartstochtelijk uitslaand verlangen

naar weten en begrijpen, naar doordenken eenerzijds en verterend

mystiek smachten anderzijds. De gedachten van Thomas van Aquino, van

Bonaventura, van Franciscus van Assisi vervulden de atmosfeer. En deze

laatste, nationale invloeden waren het welke ook een nieuw element

brachten in de overgeleverde poëzie; een element dat, onbeholpen en

stroef nog geuit door een Guittone d'Arezzo, door diens leerling,

den Bolognees Guido Guinizelli werd ontwikkeld tot dien "dolce stil

nuovo" dien zoeten nieuwen stijl, welken Dante later tot schoonsten

bloei zou brengen.

Ook een toenemende demokratiseering van het geestelijk leven droeg

hiertoe bij. Waren de Fransche troubadours, die, zelf veelal niet of

slechts tot den lageren adel behoorend, nogthans de aanzienlijkste

edelvrouwen tot de Dame huns harten verhieven en die bovendien op hun

zwerftochten met alle maatschappelijke klassen in aanraking kwamen,

meestal reeds min of meer demokratisch gezind, zoodat zij naast den

adel der geboorte het goed recht van den adel des gemoeds bepleitten;

in Italië, waar de dichters niet meer als rondzwervende zangers voor

de leden van een ondergaanden adel zongen, moest de nieuwe moraal

van den adel des gemoeds, wortelend in een "natuurlijken" aanleg tot

het goede en zich openbarend door de genade Gods, nog veel gereeder

ingang vinden.

Moog' heel den dag de zon het slijk bestralen:

't Blijft vuil; de zon haar zuivren glans behoudt.

"'k Ben edel van geboort!" wie dus kan pralen

Is als dit slijk; de Deugd is 't zonnegoud.

Geloove niemand ooit

Dat adel buiten 't edel hart kan leven;

Wien 's konings hoogheid tooit

Blijft laag zelfs zoo niet Deugd zijn hart doordringt,

Dat kaatse als water 't beven

Van sterrenglans die uit den hemel blinkt.

Zoo zingt Guinizelli, de eerste meester van den nieuwen stijl in

zijn beroemde canzone over het wezen der liefde. De liefde kweekt den

adel des gemoeds, maakt het hart ontvankelijk voor deugd en omgekeerd

kan de liefde alleen in het edel hart leven. De laat-Provençaalsche

troubadour Lanfranco Cigala wist het ook wel:

ques amors pren en lejal cor naissenza,

(de liefde wordt geboren in het edel hart)

maar voor Guinizelli en zijn school is het verband tusschen liefde

en deugd wezenlijk; zij behooren onafscheidelijk bij elkaar:

Het edel hart is liefde's wijk en wapen,

Gelijk voor 't vogelken het dicht geblaart;

Niet heeft Natuur de liefde 't eerst geschapen,

Noch eer dan liefde 't hart van eedlen aard.

Want zooals met de zon

Van aanvang af het licht de ruimte kliefde,

Doch éér niet stralen kon,

Zoo woont in al wat edel is en puur

Vanzelf de zoete liefde,

Gelijk de gloed in 't glanzen van het vuur.

Tusschen liefde en deugd was het verband gelegd, de nieuwe stijl,

onder invloed van de opbloeiende christelijke scholastiek en de

innig-hartstochtelijke Maria-vereering in de "lyrische lofzangen" der

volgelingen van Frans van Assisi, vereenzelvigde haar nu bovendien met

de vroomheid. En zoo kon het gebeuren dat de naieve, gedachtelooze

gratie van het oude, zinnelijke troubadourslied en de hoofsche

traditie van den wereldlijken minnedienst voorbeeld en grondslag

werden voor de diepstzinnigst bespiegelende poëzie. De donna, de

schoone, maar bovenal deugdzame vrouw, wordt verheven tot de beata

beatrix, de engel in menschelijke gedaante, die de ware godsliefde

doet ontwaken in het hart van den minnaar. Zeker, ook van deze,

platonische en eeuwig-menschelijke gedachte, biedt de vroegere

poëzie voorbeelden, maar men vindt ze er slechts sporadisch. De

vergelijking der geliefde met een engel is bij de oudere troubadours

zelden meer dan een nu eenmaal geijkte dichterlijke frase; geen werkt

haar uit tot een navoelbare symboliek, want bij geen is zij uiting

van een werkelijk ook diepgevoelde godsliefde. De nieuwe christelijke

filosofie echter, met haar Maria-kultus en haar voorstelling van de

engelen als bemiddelaars tusschen God en mensch, als "afgescheiden

Intelligenties" die Gods gedachte moeten verwerkelijken door de in

den mensch als "potentie", als vermogen sluimerende deugd te wekken

tot "actie", tot daad, was als geroepen om aan den voormaligen en tot

een geëxalteerden schijn ontaarden minnedienst een nieuwe beteekenis,

een hoogere wijding te geven; hoe hoogst-bevreemdend en paradoxaal

op het eerste gezicht ook een verbinding van dichterlijke erotiek

met aristotelisch-middeleeuwsche wijsbegeerte, mystiek en asketisme

ook moge schijnen. De hoofsche vorm, de traditie van het ridderschap,

bleef behouden, de Liefde blijft de "Heer en Meester", dien de minnaar

"dient" als "trouw vasal", maar die liefde is niet langer de naieve,

overwegend sensueele begeerte der twaalfde-eeuwsche poëzie, noch hare

asketisch-dekadente verfijning, maar haar volkomen vergeestelijking

tot eene onzinnelijke vroomheid, waarin echter alle zoetheid en

teederheid der schoone zinnelijkheid wordt overgedragen. Natuurlijk

zijn de dichters dier geestelijke richting niet in al hun werk hun

beginsel trouw gebleven--zij waren dichters!--en hebben zij naast

hun hoogste, hemelsche liefde zeer goed den aardschen hartstocht

gekend en gekoesterd. Den meester Guinizelli zelf ontwaart Dante

op den Louteringsberg achter den vlammenboog waar zij die zich

aan zingenot te buiten gingen worden gelouterd; Cavalcanti betoont

zich zeer wispelturig in zijn aanbidding en het groote in Dante's

eigen liefde is niet hare standvastigheid, maar Dante's worsteling

ervoor. Maar dit neemt niet weg dat bij hen de vergoddelijking der

vrouw bewust tot de hoogste bedoeling hunner kunst wordt gemaakt. De

verfijnde aanstellerigheid van den traditioneelen minnedienst wordt

weder door een echt en diep gevoel vervangen. En dit juist is het

wat die kunst tot een nieuwen stijl verheft.

God straalt Zijn licht onverzwakt uit over de engelen; daarom

verrichten zij hun taak ook van aanvang af goed, zegt Guinizelli in

zijn reeds aangehaalde canzone. En dan verzucht hij:

Dat zòò mijn Vrouwe ook gaf

De waarheid harer eedle deugd, die straalt

Uit hare zuivre blikken,

Aan mij, die nimmer haar te minnen faalt.

En dat bij hèm de vergelijking met een engel niet maar een ondoordachte

frase is, bewijst de slot-stanza, waarin hij in een, later ook voor

Dante voorbeeldig hemelvisioen, haar voor het aangezicht van God-zelf

verdedigt:

Mijn Vrouwe! "Wat vermat ge u?" zal God spreken

Wanneer mijn ziel ten laatste voor hem staat.

"Kwaamt ge alle heemlen door tot mij geweken,

Te plaatsen mij naast minne die vergaat?

Uw lof zij slechts gericht

Tot mij alleen en die genaderijke

Voor wie àl logen zwicht."

Maar 'k antwoord: "Met een engel die gij zond,

Moest ik haar wel gelijken,

Zoo laak het niet dat mij haar liefde bond."

Hier is het zinnelijk realisme der ridderlyriek inderdaad tot

diepzinnige symboliek gestegen. En dezen toon van nederige devotie

voeren voortaan de beste dichters van den nieuwen stijl. Wanneer zij

zich althans richten tot de "ware" Vrouwe hunner ziel.

Que'son del vero amore inamorati,

Ch'a Dio son servir dati

(Zij alleen zijn vervuld van ware liefde,

Die zich gewijd hebben aan den dienst van God).

zegt Chiaro Davanzati. Het zijn nu niet langer de kleur van oogen

en haren, de blankheid der huid, de roode lippen, de zachtgeronde

leden; het zijn niet langer de uiterlijke bekoorlijkheden hunner

Vrouwe alléén of in de eerste plaats die zij bezingen; maar het is

hun zachtheid, hun nederigheid, hun vrome deugd bovenal welke zij

prijzen en waarvan zij de louterende afstraling in hun eigen hart

verwachten. Niet de begeerte om de geliefde, nu eerst waarlijk de

"aangebedene", te bezitten beheerscht deze dichters, maar in haar

glimlach of groet alleen bestaat hun gelukzaligheid en hun eenige

vrees en droefenis is de gedachte haar niet waardig te zijn. In de

beroemde canzone: "Gij vrouwen edel, die de liefde kent" laat Dante,

na eerst de schoonheid van Beatrice's ziel bezongen te hebben, Amor

zelf de grootste schoonheden van haar lichaam prijzen. Amor prijst

haar oogen en mond, volgens de oude troubadours-overlevering "begin

en einde der liefde":

En geen kan haren mond, teeder omtogen

Van liefde's lach, bewondren onbewogen.

"Maar," zoo zegt Dante in de "verdeeling" dezer stanza, "opdat hier

iedere lage gedachte worde opgeheven, herinnere zich wie dit leest

dat hierboven geschreven werd hoe de groet mijner Vrouwe, welke eene

werking van haren mond is, het doel mijner wenschen was."

Tot een edel, geestelijk leven moesten deze dichters de vereering

hunner Vrouwe opvoeren, tot liefde voor de wijsheid en vrome

overpeinzing moest hun hartstocht worden omgesmolten in zijn eigen

gloed. En zoo is voor hen de minnepoëzie tenslotte niet langer slechts

een middel om te bekoren door schoone bevalligheid, maar bovenal om te

stichten, te onderrichten: de kunst wordt opzettelijk didactisch. Een

hoogste stijging, waardoor zij het dichtst nadert tot haar goddelijk

oerwezen en tot.... zijn parodie. Want stichten en onderrichten willen

allen die iets weten en die godsliefde en wijsheid in zich voelen. En

"woorden spreken op rijm" kan ten slotte vrijwel iedereen even

gemakkelijk leeren als de achttienjarige Dante. Maar weinigen zijn de

uitverkorenen die ook kunnen dichten. Vandaar het koude, ongevoelige,

bedachte in slèchten zin, dat men bij deze dichters aantreft, wìj

vooral wien het op zichzelf reeds eenigszins moeilijk valt ons in den

middeleeuwschen geestestoestand te verplaatsen en die maar al te zeer

neiging hebben beelden of zinswendingen "koude, dorre scholastiek" te

noemen die in dien tijd en voor die dichters toch een warme, innige

gevoelswaarde bezaten. Evenwel, veel van deze poëzie zal terecht

als het doode rijmwerk van echte of wouldbe geleerden, theologen

en moralisten beschouwd mogen worden en het valt niet te loochenen

dat zelfs bij een Cavalcanti vele van zijn luchtiger en wereldscher

sonnetten en balladen in den volkstoon hooger dichterlijke waarde

bezitten dan b.v. zijn vermaarde, doch door duistere gekunsteldheid

ongenietbare metaphysische canzone over den aard der liefde.

Toen kwam Dante. Hij ook had zijn "Vrouwe", wettige echtgenoote

van een ander, naar de mode des tijds; hij bezong haar lieflijke en

zaligmakende deugdzaamheid zooals zijn voorgangers en vrienden de

"gentilezza" hunner eigen donna's bezongen, dikwijls zelfs in de

gebruikelijke woorden en geijkte beelden. Hij aanvaardt en huldigt

zonder voorbehoud de "theorie" van meester Guinizelli. "Liefde en

een edel hart", zoo dicht hij dien Saggio, dien "wijzen dichter" na:

Liefde en een edel hart zijn ganschlijk een,

Gelijk de wijze dichter heeft geschreven....

Natuur bestemde ons hart tot Amor's leen

En heeft het hem tot vaste woon gegeven;

En sluimrend beidt hij daar, kort bij den een,

Bij d' ander lang, den dag van 't nieuwe leven,

Wen Schoonheid als een vrouw vol deugd verschijnt....

(§ XX)

Hij verheerlijkt zijn Beatrice als de engel, door God op aarde gezonden

om alles door haren glans te heiligen:

De Hemel zond tot de aarde een engel zoet,

Dat ze op een vlekloos wonder konde bogen.... (§ XXVI)

Mijn Vrouwe straalt zoo zoete liefde uit de oogen

Dat zij verlieflijkt al wat zij aanschouwt.... (§ XXI)

Dit alles zijn bekende klanken. Maar er is iets in Dante's gedichten,

althans in die welke volgen na de canzone: "Gij vrouwen edel, die

de liefde kent", dat hen toch wezenlijk van die zijner voorgangers

onderscheidt. En dat is de volkomen synthese van doorleden gevoel

en reflekteerende gedachte tot ééne ongescheiden doorlééfdheid. Na

deze canzone maakt Dante met volle bewustheid zijn kunst dienstbaar

aan zijn hoogste gedachteleven. Ik zeg gedachteléven en niet

gedachte-napraterij, waartoe de niet-denkende rijmer zoo heel

gemakkelijk kan vervallen. Wat bij anderen geworden was of dreigde

te worden woord-abstractie zonder meer, bleef bij hèm een levende

werkelijkheid. Voor hem, evengoed als voor Guinizelli en anderen,

waren liefde en deugd begrippen, maar hij sprak ze niet uit wanneer ze

niet gloeiend in hem leefden. Dante had lief zooals alleen een echt

dichter liefheeft, met die zoete verdwazing die zoo wonderlieflijk

vermengd is met hoogste wijsheid en daarom alleen straalt zijn geheele

liefdessymboliek in zulk een warmen, innigen glans. En Dante had ook

de werkelijkheid lief, de concrete, tastbare werkelijkheid der schoone

dingen en menschen. Hij had die lief met de diepte van den dichter en

de vurigheid van den Italiaan bovendien. Daarom geen abstractie, geen

symbool bij Dante, dat niet op een doorleefde werkelijkheid berust,

geen hemelsche zaligheid die niet uit aardsche wanhoop is opgestegen,

geen goddelijk-stille liefde die niet in de hel der wilde hartstochten

werd geboren.

Dante vermocht de groote synthese te voltrekken. Hij was, of hij wilde

tenminste zijn, een geleerde, dat wil zeggen--het was de dertiende

Eeuw--een godgeleerde. En heel de intellektueele hartstocht van

den jongen autodidakt trok zich samen in dit ééne verlangen tot

ontleden, doorgronden, begrijpen. Zijn wetensdorst was hartstocht,

levend gevoel. Hij was ook een hartstochtelijk minnaar van de natuur,

wier zoete mystiek hij zeker even diep doorvoelde als een Frans

van Assisi, de dichter van het Lied der Zon. Een minnaar van het

echt-menschelijke was hij, even fel als zijn jongere tijdgenoot de

schilder Giotto. En hij was een aanzienlijk Florentijn, ridderlijk,

trotsch, onstuimig, zacht en zeer verliefd. Hij had alles in zich

wat sterk en machtig-levend was in zijn tijd en dat alles doorleefde

hij zèlf in een eigen innerlijke wereld die hij uit eigen kracht

beheerschte. Is het dan wonder dat hij in de vereering zijner Vrouwe

den gloed der aardsche liefde verbond met de zuiverheid der hemelsche

en dat Beatrice, trots de voorzichtige twijfelingen van zeergeleerde

commentatoren, voor den dichterlijken en minnenden geest nooit als een

"alleen maar bedachte allegorie", als een kunstmatige "draagster" van

"verstandelijke symboliek" verschijnt, maar steeds als een levende,

diepgeliefde en zonder twijfel afwisselend even smartelijk-begeerde

als platonisch-aanbeden jonge vrouw?

Zonder twijfel heeft Dante zijn Vita Nuova bedoeld tot een allegorie

te maken, althans achteraf aan de gestalte van Beatrice en aan

alle gebeurlijkheden in zijn boekske een allegorische beteekenis

te geven. Pasqualigo heeft in een zeer scherpzinnig en geleerd werk

trachten te bewijzen dat Beatrice niets anders is dan de allegorie der

christelijke liefde, welke door hare vereeniging met de wetenschap

tenslotte tot goddelijke wijsheid wordt. Het is, zegt hij, niet aan

te nemen dat Dante als knaapje van negen jaar reeds alle kenteekenen

van een volwassen hartstocht vertoonde, laat staan zich daarvan

bewust was op een zoo gedetailleerde wijze als uit het gedrag zijner

"levensgeesten" bij Beatrice's eerste aanschouwen blijkt. Maar

dat kinderen van dien leeftijd reeds op hun manier van een diepe,

ernstige vroomheid, een dwepend godsverlangen vervuld zijn, is niet

zoo heel zeldzaam. Welnu, die eerste verschijning van Beatrice op

Dante's negende jaar beteekent Dante's.... eerste communie! En

de tweede verschijning, negen jaar later, was de neerdaling der

goddelijke genade in Dante's hart. Het "zuiver wit" waarin hij

haar zag is de kleur des Vredes; de twee oudere matrones die haar

vergezellen zijn "Geloof" en "Onschuld"; haar groet is "het Heil,

de Heiland, Christus"; de menigte van welke Dante zich afzondert

verbeeldt zijn eigen zinnelijke begeerten; de eenzame kamer waarin

hij zich terugtrekt zijn eigen innerlijk; de zoete slaap welke hem

daar overvalt den vrede des gemoeds die op hem neerdaalt, etc. etc.

Men kan nu van andere zijde de "echte" liefde van den negenjarigen

knaap op psychologische gronden verdedigen, of het er voor houden dat

Dante terwille van zijn negen-symboliek een paar jaar smokkelde; men

kan ook wijzen op de talrijke zoo levensechte trekjes in het verhaal;

zonder dat dit nogthans de allegorische bedoeling uitsluit. Het

komt mij zelfs vrij waarschijnlijk voor dat Dante in zijn verhaal

inderdaad de boven aangeduide of andere dergelijke "beteekenissen"

heeft willen verstoppen, maar het lijkt mij van weinig belang ze even

zorgvuldig weer alle te ontdekken. Bovendien zal er, als bij iedere

symboliek, zeker veel meer "uit te halen" zijn dan de schrijver zelf

er in legde. Ik laat het dus gaarne aan den intelligenten lezer over

zelf naar eigen smaak en willekeur de détails van Dante's symboliek na

te pluizen en verwijs alleen hier en daar in de aanteekeningen naar

hare algemeene hoofdlijnen. De meer naar theologische duisterheden

dan naar psychologische werkelijkheid speurende lezer houde maar

steeds in het oog dat Beatrice voor Dante inderdaad het symbool is

of zijn kan van deugd, goedheid, nederigheid, waarheid, vroomheid,

Liefde, Genade, Christus, Maria en zelfs God. Met dezen sleutel en

bijgelicht door de kennis der Thomistische filosofie zal hij tot

heel wat Danteske duisterheden den toegang vinden. Maar hij vergete

bij zijn verklaringen ook niet, dat tenslotte ieder willekeurig

verhaaltje, hoe eenvoudig ook, zooveel aanknoopingspunten biedt voor

allerlei gedachten-associaties, dat het zeer weinig moeite kost

er een diepzinnige allegorie achter te verbergen, afgezien van de

misschien ontzagwekkende geleerdheid die er toe noodig is om zulk

eene erin-verbeelde beteekenis ook te "bewijzen".

Maar behalve als symbool heeft Beatrice ook in werkelijkheid

bestaan. Veel is er niet van haar bekend. Het 15 Januari 1287

gedagteekende testament van Folco dei Portinari noemt haar als diens

dochter Bice, kinderlooze echtgenoote van den bankier Simone dei

Bardi. Dit is het eenige wat men documenteel van haar weet. Maar meer

dan waarschijnlijk is het dat deze Bice Portinari inderdaad Dante's

Vrouwe was, de moderne kritiek is het hierover vrijwel eens.

Wanneer niet reeds tal van plaatsen in de Vita Nuova en de Commedia

dwongen de lichamelijke realiteit van Beatrice aan te nemen, zou

ééne plaats in het eerste werk, waar Dante op ontroerende wijze de

volkomen bewustwording van zijn jong dichterschap openbaart, ons het

psychologisch bewijs ervan leveren (§ XVIII). Eenige "edele vrouwen",

zonder twijfel zelf veelbezongen "dames" van den Florentijnschen

dichterkring, hadden, wetende hoezeer de aanblik van Beatrice hem

in verwarring placht te brengen, Dante gevraagd waarin dan toch wel

zijn gelukzaligheid bestond. "In woorden welke mijne Vrouwe prijzen"

had hij geantwoord. En peinzende over de diepe beteekenis van dit

antwoord, waarin hij ook voor zichzelf voor het eerst de volkomen

vergeestelijking zijner liefde uitsprak, nam hij zich voor: "tot

stof voor zijn dichten (voortaan) nooit iets anders dan den lof dier

Allerlieflijkste te kiezen". En dan volgt die in haar oprechten eenvoud

zoo treffende beschrijving van den gemoedstoestand eens dichters: de

twijfel of de gestelde taak niet boven zijn kracht zal gaan, de angst

om het werk te beginnen, het dagenlange rondloopen in onrust en vaag

verlangen, het voortdurend vervuld zijn van zijn stof; en dan opeens,

onverwacht, de inspiratie, de influistering van dien regel waarop

of waaromheen het geheele gedicht zal worden opgebouwd. Broedend

wandelde Dante langs de heldere, snelstroomende Arno en.... "toen,

zegge ik, sprak mijn tong als van zelf bewogen: Gij vrouwen edel,

die de liefde kent". Het was de aanvangsregel der canzone welke

voor het eerst volkomen de geliefde vergoddelijkt, en tevens het

gedicht dat Dante later zelf het begin zijner nieuwe, geheel echte,

levensware poëzie zal noemen.

Op den Louteringsberg spreekt de oude Toskaansche dichter Buonagiunta

aldus Dante aan:

"Maar zeg of ik hier zie dengene, die tevoren bracht de nieuwe

rijmen, beginnende: Vrouwen, die begrip hebt van liefde."

En ik tot hem: "Ik ben er één die, wanneer de Liefde iet mij

inblaast, het opmerk en op die wijze waarop zij het binnen in

mij dicteert, voortga het opteekenende."

"O broeder, nu zie ik" zeide hij, "de knoop die den notaris [2]

en Guittone [3] en mij weerhield aan deze zijde van den zoeten

nieuwen stijl, welken ik hoor" (L. B. XXIV. 49-57).

Levende liefde dus is het die volgens Dante den dichters van den

dolce stil nuovo inspireert, en zéker hemzelf. Moge de nog zoo jonge,

schoolsche troubadour-geleerde vòòr die wandeling langs de Arno,

in de eerste tien gedichten der Vita Nuova dus, al eens bewust of

onbewust de geijkte frasen hebben nagepraat, in deze canzone en in de

gedichten er nà, zingt alleen Dante zelf en zingt hij alleen "wat het

hart hem vóórzeide met de stem der liefde" (§ XXIV), zelfs dààr nog,

waar woorden en zinnen ons aandoen als herinneringen, ja plagiaten

uit oudere dichters. Maar ieder dichter weet wel dat het geen dorre,

doode abstracties zijn die de groote, in ons hart verborgen sluimerende

liefde doen ontwaken en spreken, maar dat alleen levende schoonheid

daartoe in staat is en vòòr alles "de Schoonheid die als een vrouw vol

deugd verschijnt". Zulk eene reëel-symbolische vrouw was voor Dante

Beatrice. Of zij ook voor anderen die schoone, edele lieftalligheid

bezat die Dante verhemelt? Lieden, die haar niet kennen, raden,

wanneer zij haar maar zien, dat zij "Beatrice" dat is "Zaligmaakster"

moet heeten. (§ I). Wanneer zij zich op straat vertoont loopt de

bevolking uit om haar te zien. (§ XXVI) "Deze is geene vrouw, maar

eene der schoonste engelen uit den hemel", zeiden sommigen. En anderen:

"Deze is een wonder; gezegend zij de Heer die iets zoo wonderbaarlijks

weet te scheppen." Haar zachte nederigheid deelt zich mede aan elk wien

zij een groet waardig acht; het is niet mogelijk in haar nabijheid iets

slechts ook maar te denken. Wahrheit of Dichtung? Bij haren dood wijdt

Cino da Pistoia eene troostcanzone aan haar nagedachtenis die alles

te bevestigen schijnt wat Dante ter verheerlijking van zijn Beatrice

zeide. Maar bevriende dichters komen elkaar gaarne in het gevlei,

vooral in een dergelijke omstandigheid. Bovendien, wat Cino van haar

zegt zijn grootendeels toespelingen op, ja aanhalingen van verzen

van Dante zelf. En verheerlijken niet tenslotte ook andere dichters

hunne geliefden op precies dezelfde wijze? Zingt niet Cavalcanti van

zijne Vanna:

Onzeggelijk is harer schoonheid glans,

Wijl alle edele deugden voor haar knielen

En Schoonheid zelf haar eert als een godin.

en in een ander sonnet:

Ze is zòòveel meer dan alles om haar heen

Als heel de hemel grooter is dan de aarde....

Beweert niet de zoo even genoemde Cino da Pistoia van zijne Selvaggia:

De Vrouwe, om wie ge peinzend mij ziet schrijden,

Toont een gelaat zòò lieflijk dat zij doet

Ontwaken in een iegelijks gemoed

Dien eedlen geest die daar verborgen beidde....

Getuigt niet Lapo di Gianni van zijne Lagia:

Een engel lijkt zij die op aard kwam dalen;

Ze is als der Liefde zuster in haar spreken,

Een wonder is van haar ieder gebaar....

Deze drie dichters waren Dante's tijdgenooten en vrienden, zij

kunnen hem hebben nagevolgd, ofschoon bij Cavalcanti, zijn ouderen

vriend en raadsman en als lyrisch dichter geenszins zijn mindere,

eer het omgekeerde mag worden aangenomen. Maar zegt niet Guinizelli

van zijne Lucia:

Zij gaat getooid van zooveel lieflijkheden,

Dat ze ieders hoogmoed breekt door haren groet

En elken heiden 't waar geloof zou schenken.

Nooit kan een laag man voor haar aanschijn treden.

Maar grooter nog is 't wonder dat zij doet:

Wie haar aanschouwt kan niets wat slecht is denken.

Een lof welke zin voor zin bedenkelijk gelijkt op wat Dante in

verschillende gedichten schrijft over Beatrice, en hier is het toch

kennelijk Dante die zijn vòòrganger naspreekt.

Doch wat doet het er ten slotte toe dat wij van Beatrice's

verschijning niet meer weten dan het vage beeld dat Dante zelf van

haar geeft. Niet wat zij wàs, maar wat zij in Dante's geest wakker

riep is het belangrijke van haar bestaan, dat toch tenslotte maar

een van die kleine, onbeteekenende feitjes was waarvan dichters

dikwijls hun meest grootsche concepties ontvangen. Misschien wàs

zij inderdaad onvergelijkelijk schoon van lichaam en edel van ziel,

maar zeker zag Dante haar, lichamelijk en geestelijk nòg schooner en

edeler, doordat hij haar omhing met het weefsel zijner eigen hoogste

verlangens. Want zoo immers doet ieder dichter, ja ieder mensch wien

de liefde het "nieuwe leven" ontsluit. Omweeft niet elke minnaar

de geliefde vrouw met een teederen, mystieken glans, die voor zijn

verbeelding--al naar den vorm waarin hij leerde denken--straalt als de

aureool eener heilige of als de diadeem eener droomkoningin, maar die,

hoe dan ook, steeds de hoogste schoonheid kroont welke in zijn eigen

hart leeft? Dante zag in Beatrice zijn hoogsten droom van schoonheid,

reinheid en deugd verwerkelijkt, en zooals iedere werkelijkheid voor

wie bewondert en liefheeft tot symbool wordt, werd ook zij voor

hem symbool van zijn eigen innerlijkste, dichtst-bij-God levende

verlangen. Zoo is zijn werk--als elk kunstwerk in liefde geschapen,

als elke liefdedaad--zoowel uitvloeisel en weerslag van een doorleefde

realiteit als min of meer bewuste symboliseering van innerlijken

droom. Misschien is de religieus-mystieke vorm van Dante's exaltatie

"uit den tijd" en althans voor niet-katholieken moeilijk juist te

waardeeren; haar geest is begrijpelijk en navoelbaar, en zal dit

eeuwig blijven, voor elken minnaar.

Hoezeer allengs, na Beatrice's dood, deze symboliseering, die

vergeestelijking overhand kreeg en de reëele, zinnelijke grondmotieven

zijner liefde verdrong, blijkt het duidelijkst wel uit het feit

dat Dante zijn herhaalde en diep-berouwde ontrouw aan de gestorven

geliefde gevoelt als een vergrijp tegen.... de Rede. Ook de zalige

Beatrice trouwens, die hem zijnen afval van haar verwijt, verstaat

onder die ontrouw nog iets anders en meer dan amoureuse avonturen,

al veroordeelt zij natuurlijk ook deze.

In de Vita Nuova beschrijft Dante zelf hoe, kort reeds na Beatrice's

dood, de aanblik eener "deernisvolle vrouwe" hem tot een tijdelijke

ontrouw verlokte. Maar nà deze "Vrouwe aan het Venster" hebben hem,

behalve de vrouw waarmede hij huwde, nog menige andere van den rechten

weg doen afdwalen. Witte, de vermaarde Dante-kenner, somt er een

zevental op, terwijl anderen ook een verhouding aannemen tusschen

Dante en de vrouw van zijn broeder. En de ontzetting die den dichter

op zijn helletocht aangrijpt over het lot van de echtbrekers Paolo

en Francisca (Hel V. 139), een ontzetting zoo geweldig dat zij hem

bewusteloos doet neerstorten, schijnt wel op eenig schuldbesef te

wijzen. Ik houd het zelfs voor waarschijnlijk dat ook nog tijdens het

leven van Beatrice Dante's gedachten niet voortdurend en zeker niet

onverdeeld aan haar behoorden. Zou Dante de twee "edele dames" die hij

tot "scherm der waarheid" gebruikte, dat wil zeggen die hij openlijk

het hof maakte kwasi om zijn liefde voor Beatrice te verbergen, niet

eene iets meer dan geveinsde liefde hebben toegedragen? Waarom schreef

hij in dien tijd, toch een paar jaren, niets voor Beatrice en kan hij

de enkele gedichten dier periode welke in de Vita Nuova zijn opgenomen

(§ VII, VIII en IX) slechts op een zeer gedwongen wijze met Beatrice

in verband brengen? Het zou mij niets verwonderen als Dante het oude

troubadourstrucje slechts achteraf had toegepast om twee werkelijke,

voorbijgaande en later berouwde liefden te verontschuldigen. Zegt hij

niet zelf dat het vertrek van zijn eerste "schermo" hem "meer bedroefde

dan hij tevoren voor mogelijk zou hebben gehouden"? (§ VII) En huldigt

hij het tweede niet zoo ondubbelzinnig dat "maar al te vele lieden er

over spraken op eene wijze welke de hoofschheid te buiten ging"? (§ X)

Mij dunkt, zelfs de in zijn gevoel het meest verkunstelde troubadour

zou zich niet zoo aanstellen zonder er althans iets van te meenen. Het

waren "schoone en lieflijke" vrouwen en geen ongracelijke coquettes als

b.v. de juffer achter wie Goethe zijn liefde voor Kätchen Schönkopf

verborg! Doch hoe dit zij, zéker mag men aannemen dat Dante's latere

liefden--voor een man van zijn temperament spreekt het vanzelf--niet

alle even platonisch geweest zullen zijn. In het begin der Vita

Nuova moge hij al verklaren: "dat de Liefde hem nooit beheerschte

zonder den trouwen raad der Rede", deze verklaring slaat slechts op

de levensperiode vòòr zijn achttiende jaar. Làter, in verschillende

gedichten--en een dichter is in zijn Dichting altijd méér waar dan in

zijn voor Waarheid gegeven proza--spreekt hij wel anders. Bijvoorbeeld

in het sonnet: "Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren":

..En 'k weet hoe hij (Amor) ons ment en zweept en spoort....

Want altijd in den kring van Amor's krijt,

Is vrije wil dùs door zijn macht gebonden,

Dat gansch vergeefs der Rede raad er strijdt;

Steeds kan een nieuwe spoor de flank hem wonden:

Wat lust hem ook op 't oogenblik berijdt,

De nieuwe volgt hij wen hààr krachten zwonden.

Zijn dit niet woorden van een man die "het klappen van de zweep

kent"? En wie, die niet behalve den zegen ook den vloek der liefde

gekend heeft bij ondervinding, zou een sonnet kunnen schrijven als dat,

hetwelk Dante richtte aan Vrouwe Pietra degli Scrovigni, aan wie hij

ook eenige groote canzonen gewijd had en die, als ook zij "symbool"

is, toch zeker het best dit gansche ras van nietige, maar wreede en

"steen"-harde wezentjes verbeeldt, wier ijdelheid het goed geloof en

den gullen hartstocht des dichters pleegt te misbruiken.

Ik vloek den dag dat mij voor 't eerst verblijd

Het licht heeft dier verraderlijke oogen;

En 't uur dat ge in mijn hart gekomen zijt

En hebt mijn ziel er ganschlijk aan onttogen.... etc.

Ik leg opzettelijk eenigszins den nadruk op Dante's "afdwalingen",

omdat vele commentatoren en lezers in hunne teleurstelling over het

feit dat het karakter van den door hen bewonderden dichter niet precies

beantwoordt aan hun eigen moreele overtuigingen, die zoo gaarne zouden

willen weg-"verklaren" met een gekunstelde geleerdheid, welke zonder

twijfel zelfs Dante te kras zou zijn geweest. Deze lieden bedoelen

het goed, maar zij bewijzen de nagedachtenis van den dichter zeker

geen dienst met hun pogingen om ook Dante's "zondige" liefden te

versymboliseeren. Want juist in het zoogenaamd zwak-menschelijke van

zijn liefdeleven vond Dante toch tenslotte die aanleiding tot strijd

tegen zichzelf, tot opvoeding door zelftucht, die de dichter--evenals

trouwens elk werkelijk karakter--behoeft om waarlijk groot te kunnen

worden.

Ik zeide reeds dat overigens Dante, en ook Beatrice, deze afdwalingen

op eene andere wijze veroordeelen dan de onthutste commentatoren.

Vòòrdat Dante, aan het aardsche paradijs gekomen, het gelaat der

zalige Beatrice mag aanschouwen, spreekt zij hem aldus toe:

"Dante, omdat Virgilius weggaat, ween niet meer, ween nog

niet, daar het om een ander zwaard (berouw) u voegt te

weenen. (L. B. XXX. 55-57).

Aanschouw mij wel, wel ben, wel ben ik Beatrice; hoe verwaardigdet

gij u tot den berg toe te komen? Wist ge niet dat hier de mensch

gelukkig is?" (73-75).

En de dichter verhaalt:

Mijne oogen vielen omlaag in de heldere bron, maar mij daarin

ziende, trok ik ze terug tot het gras: zoo groote schaamte

bezwaarde mij het voorhoofd. (76-78).

Later spreekt Beatrice tot de Engelen, die medelijden betoonen met

den door hare verwijten geheel verslagen dichter:

"Eenigen tijd hield ik hem òp met mijn gelaat: de jeugdige oogen

hem vertoonende, leidde ik hem, zoodat hij was met mij op het

goede doel gericht.

Zoodra ik op den dorpel was van mijn tweeden leeftijd en van

leven verwisselde, pakte hij zich weg van mij en gaf hij zich

aan een ander.

Wanneer ik van vleesch tot geest was opgerezen, en schoonheid en

deugd mij waren gegroeid, was ik hem minder dierbaar en gevallig;

en hij lichtte de schreden langs den niet waren weg, valsche

schijnbeelden des goeds volgende, die niet gaaf wedergeven wat

zij beloofden". (121-132).

In den volgenden zang bekent Dante:

Weenende zeide ik: "De tegenwoordige zaken met hun valsche behagen,

keerden mijne schreden, zoodra uw aanblik was schuilgegaan". (XXXI

34-36).

Waarna Beatrice antwoordt:

"Toen u het eerst de schichten der begeerte der bedriegelijke

zaken troffen, had ge u moeten opheffen, om mij, die niet meer

zoodanig was, te volgen.

Gij moest niet meer uw vleugelen omlaag laten drukken om meer

slagen te verwachten, hetzij door een meisje, of eenige andere

ijdelheid met zoo korte bate." (55-60).

Dit zijn Beatrice's verwijten, naar aanleiding waarvan Dante zegt:

"Zulk een zelfkennis beet mij het hart, dat ik verwonnen viel

(88)". Men ziet het, ook andere dingen dan het naloopen van een meisje

gelden der hemelsche Beatrice voor afval van haar. Niet echter zijn

huwelijk met Gemma Donati, de vrouw bij wie Dante vier, volgens

anderen zelfs negen kinderen verwekte. En ook de toch zeer reëele

ontrouw in den gewonen zin des woords aan deze zijne echtgenoote

zelf wordt hem nergens verweten. Dante's ontrouw, wat althans door

hemzelf als zoodanig gevoeld wordt, is inderdaad een andere dan de

gewone en in zooverre hebben de redders zijner moraliteit gelijk,

die meenen dat Beatrice's verwijten op geestelijke afdwalingen, op

verslapping van Dante's geloofsijver of studie betrekking hebben. Het

zware zelfberouw dat Dante kwelt is niet het gewone zondegevoel van een

man die een gestorven geliefde--en bovendien in dubbel opzicht zijn

eigen vrouw--ontrouw is; maar bovenal het besef dat telkens elkeen

pijnigt die een levenstaak te vervullen heeft: tijd en geestkracht

verspild, verknoeid te hebben aan iets anders dan zijn hoogsten droom,

zich van zijn weg te hebben laten afleiden door "ijdelheden van korte

bate", door nietige alledaagschheden en gebeurtenissen en onder andere

òòk door een lichtzinnig leven, zooals Dante gedurende eenigen tijd

in gezelschap van zijn zwager Forese Donati, den gulzigaard, geleid

schijnt te hebben. Cavalcanti, die--schoon volgens zijn tijdgenooten

zelf niet zeer standvastig in zijn minnedienst--in een merkwaardig

sonnet de rol van "vriend die mij mijn feilen toont" op zich neemt,

verwijt Dante diens "verwerpelijk" leven na den dood van Beatrice

scherp genoeg en vooral smartelijk genoeg om aan een reëele reden voor

zijn verwijt te mogen gelooven, al mag men anderzijds ook aannemen dat

Dante, evenals de meeste zelf-aanklagers, zichzelf zwarter afschildert

dan hij eigenlijk was. Wanneer Dante op den Louteringsberg in den tuin

waar de gulzigaards hun Tantaluskwelling ondergaan, Forese ontmoet,

voegt hij hem toe:

"Zoo ge u wederom in den geest haalt hoedanig gij met mij waart en

ik met u, dan zal nog de herinnering u bezwaren" (XXIII 115-117).

En dat in dit "schandelijk" leven de pargoletta's, de meisjes waarvan

Beatrice gewaagt, een rol gespeeld zullen hebben, lijdt ook voor Dante,

die bovendien volstrekt geen gulzigaard was, geen twijfel. Ook het

afschuwelijk-drastische droomgezicht der Wellust als Sirene wijst er

op. (L. B. XIX. 7.) Maar ik herhaal: zoozeer was Beatrice voor Dante

tot een symbool geworden dat hij zijn ontrouw slechts in zooverre

als zondig voelde als zij hem werkelijk afhield van dien levensdroom

dien Beatrice in zijnen geest verbeeldde. En men betreure niet,

en verdoezele nog minder, de afdwalingen van een man, wiens deugd

en grootheid juist daarin bestaan dat hij tròts den strijd zijner

hartstochten telkens den stillen vrede zijner geestelijke hoogheid

hervindt.

De gedichten in het Nieuwe Leven opgenomen, werden geschreven tusschen

1283 en 1292, den tijd waarin Dante's dichterschap nog in zijn

eerste ontwikkeling was. Maar ofschoon er hierdoor een zeer merkbaar

verschil bestaat tusschen de vroegere en latere, hebben zij toch alle

onmiskenbaar dien zekeren gevoelstoon van innerlijke doorleefdheid,

die hen tot zuivere lyriek maakt, trots sommige gekunsteldheden welke

een oppervlakkig beoordeelaar zouden kunnen misleiden. Ook dat het,

overigens zoo simpele verhaal, nog tal van niet eens oorspronkelijk

verzonnen, maar direkt uit de provençaalsch-siciliaansch-toskaansche

poëzie overgenomen elementen bevat, vooral in het eerste gedeelte:

het epitheton "gentilissima" voor de geliefde Vrouwe, het beven bij

haren aanblik, de geheimhouding van zijn liefde voor de onbescheiden

nieuwsgierigen en het zich verstoppen achter een "schermo", de

bespotting door de aangebedene, de voorstelling der Liefde als

Leenheer en der minnaars als diens Getrouwen, het eten van het

hart des minnaars, en tal van andere reminiscenzen, ja plagiaten,

waarop in de aanteekeningen nog hier en daar zal worden gewezen of

van welke men in de gedichten in het Aanhangsel parallelplaatsen

zal kunnen vinden--dit alles, dat soms den indruk geeft alsof Dante

opzettelijk in één werk alle kenmerken der oude minnepoëzie heeft

willen bijeenbrengen; dit alles behoeft tòch den lezer in het minst

niet te doen twijfelen aan de "echtheid" van het gevoel dat Dante

bezielde toen hij het in dien half-traditioneelen vorm uitte. Evenmin

het feit dat deze lyriek achteraf zoo gemakkelijk tot één allegorisch

geheel te vereenigen bleek. Want--en hier raak ik aan het kenmerk van

alle waarlijk groote lyriek--Dante's poëzie was geen stemmingskunst,

wisselend als spelende golfjes, maar al zijn poëzie werd gedragen

door éénzelfden, standvastigen onderstroom van innerlijkst gevoel,

dat wil zeggen door éénen levensdrang, éénzelfde stuwing naar het

innerlijk aanschouwde ideaal van hun schepper. Hierdoor komt het

dat het meerendeel van deze lyrische gedichten van aanvang af en

niettegenstaande de toevalligheid van hun ontstaan, voorbeschikt was

later deel uit te maken van een grooter werk, dat in zijn geheel dien

innerlijksten levensdrang zou versymboliseeren.

Er zijn duidelijk drie fasen in Dante's liefde tot Beatrice te

onderscheiden; fasen waarin zich in het kort de geheele ontwikkeling

der minnepoëzie zooals die in het voorgaande werd geschetst,

herhaalt. Ten eerste de nog bijkans geheel traditioneel-chevalereske

vereering van het lieflijke meisje, waarbij men eigenlijk niet

goed weet of haar uiterlijke schoonheid dan wel haar innerlijke

deugd er het werkelijke motief van is, of begeerte dan wel zuivere

bewondering den grondtoon er van vormt. Verwarring, verbijstering is

het overheerschende gevoel dat Beatrice in Dante teweeg brengt. Wanhoop

om de onthouding van haar groet en om haar bespotting van zijn

hulpelooze onthutstheid bij haar aanblik, vervult hem veel sterker

dan elke andere aandoening. Die aanblik vermoordt hem en toch is de

gedachte alléén aan haar hem niet voldoende, hij moet haar zien,

hij begeert haar schoonheid. Als "Amor hem bespringt" vergeet hij

hoe haar nabijheid hem eigenlijk martelt,

En dan, wijl ik voor eigen zwakheid zwicht,

Kom 'k bleek, ontdaan, van alle kracht begeven,

Tot u, of me ook ùw blik genezing biedt.

Haar zoo ik opzie tot uw zoet gezicht,

Begint nog smartlijker mijn hart te beven,

En 'k voel hoe 't leven uit mijn adren vliedt. (§ XVI)

Maar nu volgt, na een psychischen schok, welken ik, met Rossetti,

alleen kan toeschrijven aan Beatrice's huwelijk, een tijdperk van

verpuring, van een volkomen kuische vereering, waarin "woorden die

zijn Vrouwe prijzen" Dante's eenige gelukzaligheid uitmaken. Het

is de periode die opent met de reeds genoemde groote canzone "Gij

Vrouwen edel, die de liefde kent" en het sonnet waarin hij spreekt

van de ontwaking der liefde in het "edel hart". Dante's taal is nu

oorspronkelijker en machtiger, zijn hart rustiger; hij begeert niet

meer haar schoonheid, maar prijst alleen haar deugd en als Amor thans

weer al zijn zinnen uitdrijft en hem geheel met de gedachte aan haar

vervult, is hij niet langer verbijsterd, maar gelukkig.

Zoolang nu heeft mij Amor in zijn macht

En mij gewend aan zijne heerschappij,

Dat even hard als eerst mijn slavernij

Mij scheen, zij thans mij lieflijk lijkt en zacht. (§ XXVII).

In de derde fase, wanneer door Beatrice's dood het toch altijd min

of meer onnatuurlijk geëxalteerde van zijn onzinnelijk verlangen

is opgeheven, stijgt Dante's vereering tot een zuiver geestelijke

aanbidding, welke hij wel, misleid door het medelijden der "Vrouwe

aan het Venster" voorbijgaand zal kunnen verzaken, maar welke hij ten

laatste "door het leed gelouterd" toch weer terugvindt in een volkomen,

maar woordelooze, innerlijke aanschouwing der "uit zichzelf stralende"

zalige Beatrice.

Boven die sfeer die 't allerwijdste kringt

Vermag mijn geest als stille zucht te stijgen;

Een nieuw begrip, dat Liefde in leed verkrijgen

Mij deed, heeft hem tot zulk een vlucht bezwingt.

En daar, waarheen heel zijn verlangen dringt,

Ziet hij een Vrouwe voor wie de englen neigen;

Zòò stralend dat mijn pelgrim-geest in d' eigen

Lichtgloed haar schouwt, die uit haar wezen blinkt. (§ XLI).

De gedichten geven dus een doorloopende ontwikkeling weer en het

verklarend proza behoeft slechts weinig uit te weiden om deze

ontwikkeling duidelijk in het licht te stellen. Toch geeft het

op enkele plaatsen méér dan een noodzakelijke uiteenzetting van

omstandigheden. En op deze plaatsen blijkt het sterkst Dante's bewuste

opzet om met behulp van zijn later-geschreven, rustig, min of meer

stijf en doctrinair proza, zijne van leven sidderende liefdeslyriek

voor te stellen als de theologisch-moreele allegorie der ziel die God

zoekt. Zoo is bijvoorbeeld alléén in het proza sprake van het mystieke

getal negen en zijn klaarblijkelijk verband met de Drie-eenheid en

Beatrice; zoo wordt alléén in het proza het woord "salute" opzettelijk

gebezigd op een wijze waarop het zoowel Beatrice's "groet" als "Genade,

Heil, Verlossing" beteekent. Ook uit het schiften van zijn gedichten

blijkt dat Dante slechts die opnam die zich voor een symbolische

uitlegging het best leenden. Van sommige weggelaten gedichten kan

misschien gezegd worden dat zij òf te veel herhalingen bevatten van

wat in de wel-opgenomene beter en schooner gezegd is, òf zelfs dat deze

latere omwerkingen ervan zijn. Maar waarom het geheel oorspronkelijke

"Sinds 't negende van mijner jonkheid jaren", waarvan hierboven reeds

iets werd aangehaald, weggelaten? Niet toch wijl het geen volkomen

zuivere uiting van Dante's gevoel zou zijn. Integendeel! Juist

omdat er méér dan Dante wenschte uit bleek, hoezeer hij ontvankelijk

was voor andere liefde dan platonische vereering en middeleeuwsche

aanbidding. Het sonnet harmonieerde niet met den grondtoon der Vita

Nuova. En hetzelfde geldt voor het sonnet aan Lisette (zie aanhangsel),

wanneer deze althans werkelijk de Vrouwe aan het Venster is. Het valt

uit den toon, het doet deze Vrouwe wereldscher, ik zou haast zeggen

koketter zien, dan de sonnetten die alleen haar deernis prijzen.

Het sonnet (§ XXIV) waarin Dante de nadering achter elkaar van Monna

Vanna (Cavalcanti's geliefde), bijgenaamd Primavera, en Monna Bice

beschrijft, eindigt:

En Amor sprak--wel heeft mijn geest 't vernomen--

Déze is de Lente en Liefde noem ik hààr

Die op haar volgt, zoozeer gelijkt ze mij.

Maar eerst later, onder het schrijven van het proza, valt hem de

gedachte in deze Primavera te beschouwen als vòòrloopster van Bice

en haar waren naam Giovanna af te leiden van Johannes den Dooper,

om op deze wijze gelegenheid te hebben Bice zelf te vergelijken met

den Zaligmaker.

Het is hier de plaats om even de veelbesproken vraag te behandelen

welke de eigenlijke beteekenis van den titel "Vita Nuova" is. Sommige

commentatoren meenen dat met het woord "nuovo" (novo, novello) dat

in het oud-italiaansch behalve voor "nieuw" ook wel wordt gebezigd

voor "jong, jeugdig, lentelijk", gedoeld wordt op de intrede van

een nieuw levenstijdperk, zoodat de titel ware te vertalen met

"Jeugdleven". Zelfs al was deze opvatting in overeenstemming te brengen

met Dante's eigen schoolsche indeeling der menschelijke leeftijden,

later door hem in het Convitto gegeven, waar de adoleszenza duurt

van het 1ste tot het 25ste, de gioventu van het 26ste tot 45ste jaar

(Conv. I. 1 en IV 24), dan nog zou ik mij aansluiten bij hen die,

evenals het geheele werk ook den titel symbolisch duiden in den zin

van ontwaking, wedergeboorte, liefdelente. Dante had van zijn eenzame

kindsheid vòòr het negende jaar waarschijnlijk geen aangename, althans

geen bijzondere herinneringen. Hij begon eerst werkelijk te leven toen

de verschijning van Beatrice hem uit dit onbeduidende voorbestaan deed

ontwaken, het nieuwe in zijn leven is niet het begin van een nieuwen

levenstijd, maar van een nieuwen zielstoestand. Dat dit overigens ook

reeds de opvatting was van Dante's voorgangers bewijst dit gedicht

van Raimbaut d'Aurenga:

Ab nou cor et ab nou talen,

ab nou saben et ab nou sen,

et ab nou belh captenemen,

vuelh un bon nou vers comensar;

e qui mos bons nous motz enten,

ben er plus nous a son viven,

qu'om vielhs s'en deu renovelar

(Met een nieuw hart en nieuw verlangen,

Met nieuw begrip en nieuwe bedoeling

Op een nieuwe en schoone wijze,

Wil ik een schoon nieuw lied beginnen;

En wie mijn schoone nieuwe woorden verstaat,

Zal zekerlijk vernieuwd worden in zijn leven,

Zoodat zelfs een oud man zich zal verjongen).

De driedeeling waarvan ik hierboven sprak is niet willekeurig. Zij

wordt door Dante zelf aangegeven. Twee malen toch spreekt hij in

het proza over een "materia nuova", een nieuwe stof die hij zal

gaan behandelen en beide malen juist op de plek waar de door mij

gekenschetste verandering in zijn gemoedstoestand plaats grijpt. Ik

heb daarom mijne vertaling in drie "gedeelten" gesplitst, die elk

eindigen met de hierboven aangehaalde gedichten. Dat deze indeeling,

de meest logische, ook werkelijk de juiste is, wordt naar mijn meening

nog aannemelijk gemaakt door eene eigenaardigheid der compositie, welke

voor zoover ik weet nog door niemand werd opgemerkt. Reeds sedert lang

werd er op gewezen dat de volgorde der gedichten zoo symmetrisch is dat

zij onmogelijk toevallig kan zijn. De cyclus bestaat namelijk uit 26

sonnetten of althans kleinere gedichten van ééne strophe en 5 canzones,

elk van 2 tot 6 strophen, welke gedichten aldus gegroepeerd zijn:

(9s + c). c. 4s. c. 4s. c. (9s + c).

Of de symmetrie dezer reeks werkelijk een verborgen bedoeling heeft

laat ik in het midden; gegeven Dante's zin voor formalisme lijkt

het mij wel waarschijnlijk. Ik wijs er nu echter op dat bij mijn

driedeeling de afscheidingen zoodanig vallen dat de eerste beide

hoofdstukken elk omvatten 10 en het derde 11 gedichten. Beschouwt

men nu het laatste sonnet als een soort van epiloog--en inderdaad

bevat het het resultaat van de geheele voorgaande ontwikkeling--dan

is deze indeeling in drie (drie-eenheid) hoofdstukken, van elk tien

(volmaakte getal) gedichten geheel in overeenstemming met diezelfde

getallenmystiek die ook de indeeling der Commedia beheerscht. (Drie

boeken, waarvan twee bestaande uit 33 (3 × 10 + 3) zangen en een uit

33 zangen + Proloog).

Over het proza nog een paar opmerkingen. Het verhalend gedeelte ervan,

dat tot begrip van het verband der gedichten dient, is niet geheel

en al een vinding van Dante. Reeds de provençaalsche troubadours

plachten zulke uitleggingen, razo's, als biografische aanteekeningen

aan de losse gedichten hunner collega's toe te voegen, o.a. bij

de liederen van Bertrand de Born, en ook in oudere Italiaansche

canzoniere's of liederenbundels treft men ze aan. Maar wel is

Dante de eerste, en hij bleef ook de eenige, die zélf, een gehééle

reeks van gedichten door zulk verklarend proza--ook hij noemde het

"ragione"--in een onderling logisch verband bracht. Behalve dezen

verband-leggenden tekst evenwel bevat het boekje ook nog korte

glossen over bouw en indeeling der gedichten elk afzonderlijk. Dante

noemt ze "divisioni". Sommige commentatoren, onder anderen reeds

dadelijk Boccaccio, hebben deze divisioni geschrapt of als latere

kantteekeningen van anderen beschouwd. Maar zij behooren niettemin

wezenlijk tot het werk. Zij laten ons Dante zien in heel zijne, voor

ons modern gevoel soms bijna lachwekkende schoolschheid. Maar zòò

was de 27-jarige autodidakt, die zich, zonder universitaire opleiding

en waarschijnlijk ook zonder geregeld onderwijs, alle wetenschappen

van zijn tijd, alle christelijk-schoolsche wijsheid en waanwijsheid,

moest eigen maken. Wie zich vermag in te denken in dien onstilbaren

dorst naar weten en overzien die dezen tijd beheerschte en de behoefte

aan systematiek die hiervan een gevolg is, zal het niet langer zoo

héél absurd vinden dat de dichter Dante, maar toch die dichter die,

zooals zijn eerste biograaf, Villani († 1336) zeide: "eenigszins

trotsch was op zijn weten en minachtend-verwaten", met een soms

pijnlijke dorheid zijn eigen schoonste lyrische uitingen beredeneert,

zelfs nog daar, waar de structuur zoo eenvoudig en doorzichtig is,

dat iedere nadere verklaring ervan niet anders kan schijnen dan

een overbodige pedanterie. En toch is zelfs in deze divisioni wel

hier en daar een gevoeliger toon te hooren. Is de overweging waarom

de divisioni tijdens het leven van Beatrice achter de gedichten,

maar na haar dood er vòòr geplaatst worden: namelijk dat door ze

aldus te plaatsen, de gedichten zonder gevolg of geleide optreden

en daardoor "meer verweduwd zullen schijnen", is deze skrupule

belachelijk-sentimenteel of kinderlijk-beminnelijk? Zéker is zij niet

de dorre overweging van een kwasi-wetenschappelijk glossateur. En

voorts vergete men niet, dat het ook niet de volgroeide geleerde is

die het proza der Vita Nuova schreef, maar juist de nog ongeleerde en

daardoor tot geleerdheidsvertoon geneigde beginneling; de jonge man,

die wel graag Latijnsche auteurs aanhaalt en ook zelfs wel een brief

in die taal weet te schrijven, maar wien het toch veel moeite kostte

Boëtius en Cicero te lezen; die over Ptolomaeus spreekt zonder diens

stelsel goed te kennen en die aan het slot van zijn boekje zelf zòò

diep gevoelt dat hij eerst nog "veel studeeren" moet alvorens hij

zijn liefde waardiglijk zal kunnen opvoeren tot de verheerlijking

en dienst van haar, zijn Beata Beatrix, zijn ideaal van Schoonheid

en Deugd en ook ons aller goddelijke troosteres en leidster, hoe wij

haar ook noemen.

Beatrice dus werkelijkheid en symbool, de Vita Nuova spontane lyriek

en bedachte allegorie. Zoo is ook de Divina Commedia een schepping

waarin zuiverst gevoel versmolt met hoogste gedachte. En dezelfde

gedachte als die welke de Vita Nuova beheerscht: de loutering van den

geest door begeerte, afdwaling, leed, berouw en terugkeer heen tot

de hoogste Liefde. In beide werken dezelfde drievoudige synthese:

subjektiviteit en objektiviteit, realisme en idealisme, gevoel en

verstand; een synthese, jong en lieflijk in de Vita Nuova, mannelijk

en grootsch in de Commedia. Het is zooals Rossetti zegt in zijn

"Early Italian poets": "Door de geheele Vita Nuova heen zingt een

geluid als het eerste zachte murmelen dat wij hooren ergens op een

verre weide en dat ons voorbereidt op den aanblik der zee."

Literatuur. Van de ontzaglijk uitgebreide Dante-literatuur noem ik

hier alleen die werken die mij bij de samenstelling dezer inleiding

en van de aanteekeningen van het meeste nut waren.

Giovanni Melodia: La Vita Nuova. 1905, tekst met zeer uitgebreid

commentaar.

Michele Scherillo: La Vita Nuova. 1911, eveneens met uitvoerig

commentaar.

Het Nieuwe Leven (La Vita Nuova) · 第 6 / 48 题