[1] Brieven van Multatuli. Bijdragen tot de kennis van zijn
leven. Gerangschikt en toegelicht door Mevr. Douwes Dekker,
geb. Hamminck Schepel. Het ontstaan van den Havelaar, 1859. Amsterdam,
W. Versluys. 1890. Brieven van Multatuli, enz. De Havelaar verschenen,
1860. Amsterdam, W. Versluys, 1890.
[2] Op zijne aanbieding van den Eerlooze.
[3] De uitgeefster teekent hierbij aan, dat dit onjuist is.
[4] Daar alle oude jaargangen van dit blad eenige jaren geleden
verbrand zijn, is het onmogelijk den juisten datum en titel van dit
"ingezonden stuk" (?) op te sporen.
[5] 30 exemplaren; niet in den handel geweest.
[6] 550 exemplaren.
[7] 100 exemplaren.
[8] Ingezonden stuk.
[9] "Dont la vente aura lieu les 13e, 14e et 15e mai, 1902".
[10] Uebersetzt von Fr. Gundolf.
[11] Polemiek. Van Deventer wordt aangevallen door A. de Graaf
(De Kroniek II, pag. 12). Ook Diepenbrock treedt in het strijdperk
(pag. 19). De Graaf antwoordt (pag. 29). Van Deyssel schrijft "Een
woord van verklaring" (pag. 35). Van Deventer neemt de pen op tegen
Diepenbrock (pag. 36). Ten slotte De Graaf tegen Diepenbrock (pag. 46).
[12] Naar aanleiding van Van der Goes' vertaling van Bellamy's "In het
jaar 2000" schrijft Van Deyssel "Gedachte, Kunst, Socialisme" (Nieuwe
Gids, Jaarg. VI, I, pag. 249, en Verzamelde Opstellen, Bund. III,
pag. 41). Van der Goes antwoordt met "Over Socialistische Aesthetiek
I", (Nieuwe Gids, l. c. pag. 369). Van Deyssel publiceert daarop
"Socialisme" (Nieuwe Gids, Jaarg. VII, I, pag. 365, en Verzamelde
Opstellen, Bund. III, pag. 275). Ten slotte Van der Goes met
"Socialistische Aesthetiek II" (Nieuwe Gids, Jaarg. VII, II, pag. 113).
[13] Dit polemiekje tusschen Heyermans en Van Deyssel betreffende den
roman "Diamantstad" is later in het voorbericht tot dat boek opgenomen.
[14] Naar aanleiding van een anoniem stuk, zie hierna.
[15] C. van Nievelt.
[16] Antwoordend ingezonden stuk door Van Deyssel (onder opschrift
"Een Liefde") en repliek door J. H. Rössing: De Lantaarn, 1 Maart 1888.
[17] cf. Ingezonden stuk, Weekblad De Amsterdammer, 15 Jan. 1888.
[18] Slechts eenige der meer onbekende, doch belangwekkende, niet
speciaal over Alberdingk Thijm geschreven, maar toch hem behandelende
beschouwingen, zijn hier genoemd.