Multatuli en Tine, Max Havelaar en Tine,--deze namen klinken ons in
de ooren als die van een paar belangrijke historische personen, als
van een paar figuren uit Homerus' Ilias. Er is zooveel geschreven
en gekeven over het lot en de verhouding dier twee, dat hunne
geschiedenis ons eenigszins een gedeelte der vaderlandsche historie
lijkt te zijn. Kenau Hasselaar, Tine Havelaar,--hun rol was wel zeer
verschillend maar het onderscheid in belangrijkheid niet groot,--voor
ónze ooren.
Er zijn Multatulianen (of Multatulisten), die het huiselijk leven
van Multatuli en de lotgevallen van zijn gezin tot onderwerp hunner
vrome overwegingen hebben gekozen, zooals de orthodoxe Christenen
het familieleven van Jozef, Maria en Jezus overdenken.... Was
Jozef een goed huisvader?--Voorzeker, want er staat geschreven,
dat Jozef werkte aan de schaafbank. Hij verdiende dus het geld
(of liever: de levensmiddelen) voor zijn gezin. Ieder Christelijk
huisvader moet Jozef als voorbeeld nemen. Enz.... Was Maria een
goede huismoeder?--Voorzeker, want zij verzorgde haar kind, legde
het in windselen om het tegen weer en wind te beschutten. Enz. Iedere
huismoeder moet zich styleeren op het voorbeeld van Maria.
Er is trouwens grooter verband tusschen de legende omtrent Jozef, Maria
en Jezus en het oordeel, vooral van niet-Multatulisten, over Multatuli
in zijne verhouding tot zijn gezin, dan men oppervlakkig geneigd zoude
zijn te meenen. Immers tot grondslag aan de algemeene misprijzing, die
Multatuli's gedrag tegenover de zijnen heeft ondervonden, ligt niets
anders dan die eeuwenoude Christelijke moraal van het familiebegrip,
die in de tot goddelijk type verheven legende omtrent de Heilige
Familie haar oorsprong heeft gevonden.
De menschen, die niet Multatulist zijn, keuren éene groote zaak in
hem af, waartoe al de overige in hunne waardeering afkeurenswaardige
handelingen en eigenschappen terug te brengen zijn, namelijk: dat
Multatuli de zijnen heeft verlaten en niet als zijn éerste plicht
beschouwde voor hén te werken.
De Multatulisten zeggen: hij had iets hoogers te doen, een hoogere
stem riep hem naar elders, ver van de zijnen, hij moest in de
woestijn gaan om tot God (d. i. zijne ziel in haar hoogste uiting)
te komen. De meer matige bewonderaars antwoorden: goed, maar mag men
den naastbijliggenden plicht verzaken om een hoogeren te volbrengen,
mag iemand om met het geld van zijn vader een weeshuis te bouwen,
in eene gemeente waar vele noodlijdende kinderen zijn en waar geen
gesticht is om die op te nemen,--zijn vader vermoorden?
Multatuli zelf heeft in zijn Ideën meermalen dit vraagstuk
aangeroerd en het voorgesteld als gaf Tine hem gelijk in al zijn
doen en laten. Waar hij in zijne Minnebrieven de verhouding tusschen
man en vrouw bespreekt, zooals die uiterst zelden is, maar zoo als
die altijd zoude móeten zijn, en de vrouw "officieel zelfs.... een
certificaat van onbruikbaarheid" noemt, omdat gehuwde mannen niet
tot de eerste militielichtingen behooren, welke in geval van oorlog
worden opgeroepen--brengt hij er Hector en Andromache bij te pas:
"Dat was anders in Troje.... zie maar dat afscheid van Hector en
Andromache.... 't hoeveelste boek weet ik niet.... de kleine jongen
wordt bang voor Hectors pluim.... maar Hector gaat....
--'t Staat in 't zesde boek, zei de bezoeker, die Doctor in de
Letteren was.
--Goed, maar Andromache wilde dat hij niet zou gaan....
--Dat was infaam van Andromache!... En als 't mij gebeurd was.... maar
zóó iets gebeurt mij niet! Zie hier...." En hij citeert eenige regels
uit een brief van Tine, waarin ze hem schrijft liever met hem te
sterven dan goed te vinden, dat hij zijn denkbeelden, stijl en ziel
zou "verkoopen".
Wij mogen veilig aannemen, althans uit de tot nu toe uitgegeven Brieven
blijkt nergens het tegendeel, dat Tine van het begin tot het einde, of
liever van het begin tot dicht bij het einde, Multatuli's handelingen
heeft goedgekeurd. Het moet nadrukkelijk gezegd worden, dat dit, ten
minste voor de eerste jaren na het ontslag, als volstrekt zeker mag
worden aangenomen. Want in de Brieven, waarin de geheele toestand,
tot in de minste en intiemste bijzonderheden bloot ligt, is nergens
sprake van eenig verzet van Tine tegen Multatuli's gedrag. En als
zij ook maar heel even er op gezinspeeld had, dat Multatuli niet in
alles volkomen naar haar wensch handelde, zou hij ongetwijfeld in een
stortvloed van verontwaardigde woorden daarop geantwoord hebben. Er is
alleen die eerste brief, door Tine uit 's Gravenhage naar Antwerpen
geschreven, waarin ze hem aanraadt van haar te scheiden en zich als
matroos of hofmeester op een schip te verhuren. Maar onder-aan dien
zelfden brief, schrijft zij, dat zij hem uit "politiek" zoo geschreven
heeft als zij daarin deed.
Overigens wordt Multatuli's handelwijze ook door Tine's goedkeuring
niet schoon gewasschen. De meeste predikers die een kemelsvel
gingen verslijten in de woestijn, waren niet getrouwd. Jezus, dien
Multatuli steeds als voorbeeld neemt, was niet getrouwd. Kluizenaars
en kloosterlingen hebben altijd geweten, dat de levensstaat, dien zij
wenschten, met het huwelijk niet vereenigbaar was. Zij hebben daarom
bij den aanvang van hun loopbaan gekozen, in de volle wetenschap van
wat zij deden, en dusdoende zijn zij nooit voor het dilemma gekomen,
dat Multatuli's leven heeft beheerscht.
Maar nu is het ons niet te doen om eene nadere waardeering dezer genoeg
besproken handelwijze, maar alleen om een psychologische kenschetsing
van Multatuli's verhouding tegenover Tine.
Wat blijkt hieromtrent uit de Brieven? In de Brieven leeren wij wat dit
betreft, Multatuli kennen als een hartelijk echtgenoot en vader. Uit
de hartelijkheid, waarmee hij over zijn kinderen schrijft en nooit
vergeet dat te doen, maakt ons voorstellingsvermogen als van zelve de
gevolgtrekking, dat hij zich met losse vroolijkheid en oningehouden
vriendelijkheid onder de zijnen bewoog als hij thuis was, spelend met
de kinderen als een oudere makker, schertsend met zijne vrouw als een
verknochte vriend. "Dag, pierewieten!" schrijft hij op 't eind van
veel zijner brieven aan zijn tweetal. "Dag, Nonnie en Edu-Max" (dit
laatste een verkorting der samenvoeging van "Eduard", zoo als Dekker
zelf en ook zijn zoontje heette, en "Max", zoo als Dekker's ideaal-type
Havelaar en ook diens zoontje heette); of "kus de pierewieten voor me,"
"ziet mijn kèrel zoo bleek?" "kus het menschdom." Het "menschdom"
waren de kinderen. Dekker, vroolijk en uitgelaten van natuur zijnde,
als ten minste de bitterheid van zijn lot hem niet ter neder drukte,
moet een opgewekt en onderhoudend huisgenoot zijn geweest. Men kan
hem zich voorstellen, met zijn levendig en uitdrukkingsvol gezicht,
spelend met de kinderen, hen na-zittend door kamers en portalen, hen
"krijgend" en opheffend hoog in de lucht, lachend van vadertrots en
vadervreugd, als de kleinen juichten en kraaiden. Een anderen keer ging
hij er met een op zijn schouder voor den spiegel staan en zei dan:
"kijk je vader nu eens goed aan, Edu, en dan je zelf ook. Zie je ons
alle bei? Zie je wel, dat je op me lijkt? Nu, wat ik in het leven
heb willen doen, dat moet jij ook zien te doen hoor! En dan hoop ik,
dat je beter zult slagen!"
Zijn vrouw had hij lief als een zeldzaam goede zuster, met dankbaarheid
en aanhankelijkheid, het eenige wezen op de geheele wereld, waarvan
hij wist dat zij, het gansche leven door, geluk èn leed met hem zou
willen deelen. Hij had haar lief als degene, die altijd in hem geloofd
had en zou blijven gelooven.
Multatuli was de eerste persoon in deze echtvereeniging. In de
eerste jaren van hun huwelijk beschouwde zijn vrouw hem als een halve
godheid. Gelijk hij later, naar het gerucht wil, door zijne tweede
vrouw zoo goed als ten huwelijk is gevraagd, lijdt het ook geen
twijfel, of het huwelijk met zijn eerste vrouw is tot stand gekomen
en heeft, enkele jaren althans, harmonisch geduurd door dwepende
vereering van de zijde der vrouw en hartelijke toegenegenheid van de
zijde van den man.
Multatuli heeft niet voor zijne eerste vrouw een van die overweldigende
passiën gehad, zooals de biografieën van dichters en kunstenaars er
soms vermelden, een van die passiën voor een geestelijk geheel gewone
of minder dan gewone vrouw, of voor een geestelijk zéér buitengewone
vrouw, zooals de Mathilde van Heine, die een naaistertje was, of
Mrs. Browning, die eene dichteres is. Hij heeft die ook vóór zijn
huwelijk noch in de allereerste jaren gehad, want nergens wordt in de
intiemste passages der brieven daarop gezinspeeld. Als Tine zich eens
uit gekheid beklaagt over zijn minnekoozerijen met andere vrouwen
of meisjes, dan antwoordt hij, dat zij toch wel weet, dat zij zijn
liefste engel en schat is, en daarmede is alles gezegd.
Tine schijnt tot die zeer zeldzame vrouwen behoord te hebben, in
wier inborst een groote lijdzaamheid vereenigd met moed en flinkheid
wordt aangetroffen. Tot lang na Dekker's ontslagneming bleef zij
niet alleen alles goedkeuren, ja alles bewonderenswaardig achten,
wat hij verkoos te doen of na te laten, maar door de omstandigheden,
waarmede zij dientengevolge te strijden kreeg, wist zij zich met een
zekere vastberadenheid heen te slaan, die ons niet zelden niet de
grootste waardeering voor haar vervult.
"C'est un emploi assez difficile que d'être la femme d'un poète,"
zegt de Pène, en dat "emploi" heeft Tine met zeldzame volharding en
zeldzaam geduld jaren en jaren volgehouden. Toen zij, als freule Van
Wijnbergen, den begaafden Indischen ambtenaar, die zich bevond aan
het begin van een veel voor de toekomst belovende loopbaan, haar hand
schonk, kon zij van het volgend leven allerlei lotgevallen verwachten,
behalve juist die, welke haar beschoren zouden zijn. Haar man, die als
zoo bekwaam bekend stond, zou spoedig op bevordering kunnen rekenen,
zou al hooger en hooger in rang en aanzien stijgen, zij zouden lieve
kinderen krijgen en door velen worden benijd. O, wel schoon spiegelde
zich de toekomst voor haar af. En mocht het hun al eens tegenloopen,
mocht al het leven niet de zoo hoog gespannen verwachtingen vervullen,
die Dekker zelf koesterde en door zijn beminde reeds spoedig wist te
doen deelen, als hij met zijn levendig woord de toekomst voor haar in
beeld bracht,--ook al bracht Eduard het nooit verder dan Resident,
of zelfs maar Assistent-Resident,--zou haar daaraan weinig gelegen
zijn, want ook in die omstandigheden zou zij, altijd aan de zijde van
den aangebeden man, altijd samen met hun geliefde kinderen, het leven
een hemel op aarde vinden. O, hoe vlekkeloos gelukkig moest het leven
aan het door den geestdriftigen man beminde meisje schijnen! Maar
ach, hoeveel te bitterder moet juist daarom later de vreeselijke,
geheel onvoorziene, teleurstelling voor haar geweest zijn. Er is geen
reden om te veronderstellen dat de eerste huwelijksjaren niet geheel
aan de verwachtingen zouden hebben beantwoord. Integendeel. Al de
voorspellingen en illusiën schenen werkelijkheid te zullen worden.
Heerlijke uren, onvergetelijke tijden moeten dat geweest zijn--later
vooral onvergetelijk helaas--als, na volbrachte dagtaak, het jeugdige
gezin in de galerij hunner woning van den schoonen avond zat te
genieten, Eduard zijn schoone gedachten en groote droomen aan zijne
gretig luisterende vrouw mededeelend, Tine hem, met een enkel zacht
gesproken woord, altijd gelijk gevend, altijd bewonderend, en ook,
als vrucht der opvoeding door haar man zelf haar gegeven, toonend hem
beter te begrijpen dan wie anders ook daartoe in staat zoude zijn:
en de kleine spring-in-'t-velden, hun schat en hun hoop, spelend aan
hun voeten. Welk een blijde gewaarwording, welk een welkome storing,
als de vader den hoogen ernst zijner woorden onderbroken hoorde door
een lachend, juichend, kraaiend kinderstemmetje.
Terwijl de onmetelijke hemel zich, als met zoovele flonkerende
edelsteenen, met sterrenmyriaden bezette, terwijl een warme wind,
die de hooge donkere boomen deed wuiven en deinen in de nachtelijke
atmosfeer, de weemoedige klanken van den gamelan uit de dessa's
helderder in hun ooren deed klinken, zag Tine daar haren man bij zich,
het hoofd een weinig naar achteren geleund, en hoorde met juichend
hart de schoone woorden aan, waarin hij zijne droomen voor haar
vertolkte. Zij was meestal met hem alleen, zij zagen weinig menschen
en wat zij van de andere menschen zag en hoorde, hoe werd zij dáardoor
juist het groote onderscheid tusschen die anderen en háar grooten man
gewaar! Hare liefde maakte natuurlijk het onderscheid veel grooter dan
het in werkelijkheid was. De gewoonheid der anderen maakte nu op haar
den indruk van laagheid te zijn, in vergelijking met de buitengewone
hoogheid van haar eenigen beminde. Wat waren die anderen meer dan
kooplieden, schacheraars, zwendelaars, roovers, ja,--had hij zelf het
haar niet geleerd?--die om voor zich een, dikwijls zoo gewonnen zoo
geronnen, rijkdom te verwerven, de arme inlandsche bevolking onrecht
aandeden, verdrukten en aan haar ellendig lot overlieten! Wat waren
zij meer dan spelers en drinkers, die na zoo snel fortuin te hebben
gemaakt, Indië Indië lieten, hun rug toekeerden aan de donkerkleurige
loonslaven, die zij valschelijk door hun godsdienst-leeraars als
broeders deden begroeten, om in hun vaderland van de door afpersing
verworven schatten een weelderig leventje te gaan leiden? En haar man,
haar aangebeden echtgenoot?--Als die zich eens te buiten ging, dan
was 't om zijn door geestdrift en overmatigen arbeid geschokt gemoed
afleiding te geven, dan was 't om zooveel als een veiligheidsklep te
openen voor de overvloedige krachten van zijn buitensporig ontwikkeld
zenuwgestel. Hoe gelukkig moest zij zich niet gevoelen de vrouw te zijn
van een dichter, van een man, van een zóo zeldzaam mensch, die niet
slechts een dichterlijke ziel had, maar die van zijn loopbaan, van
zijn praktisch beheer, een poëem van rechtvaardige wijsheid bedoelde
te maken. Wat de jonge meisjes droomen als zij op haar balkon staan
en de eerste lentegeuren bespeuren in de lucht, wat de jonge meisjes
mijmeren als zij in den zomernacht, op haar vensterkozijn geleund,
de schuchtere verlangens bespieden, die rijzen in hare ziel,--was voor
haar, zeldzaam gelukkige vrouw, werkelijkheid geworden. Zij behoefde
hem niet als eene onwezenlijke gestalte, als een geheimzinnigen,
alleen in de verbeelding bestaanden, minnaar, in stilte te begeeren,
met de zekerheid hem nooit in haar armen te zullen sluiten,--neen, zij
was vereenigd, zij was voor altijd vereenigd, zij was voor het geheele
leven één, met den dichter, met den held, met den koning harer droomen.
Deze overtuiging, deze gelukkige zekerheid, was zoo vast geworden in
Tine's ziel, was dermate tot een gedeelte van haar zieleleven, tot
een gedeelte van haar bestaan geworden, dat die niet wankelde bij haar
man's ontslagneming en de daaropvolgende jaren van bitteren kommer. Men
kan zeggen, dat het hoogere bestanddeel van hun huwelijk, het huwelijk
in zijn geestelijke beteekenis, voor de hoofdzaak juist hierin bestond,
dat Tine deelde in den grootheidsdroom van haar man. Als Multatuli
later verhaalt hoe hij met woeker oogst hetgeen hij gezaaid had in
de ziel zijner vrouw, moet dat beduiden, dat hij wist hoe eindeloos
trouw Tine hem was toegedaan--in het gelooven, in het steeds blijven
gelooven, aan de glorierijke toekomst, die hen wachtte. Dáardoor had
hij haar in de hoogste beteekenis tot zíjne vrouw gemaakt, dat ook
in háar de schoone dwaasheid had wortel geschoten, even vast als in
hem zelf, die hen het ideaal met de werkelijkheid deed verwarren.
Zij hadden zoo lang gewacht, nietwaar, op het groote geluk, dat in
aantocht was, zoo vele uren en uren hadden zij het in hun eenzame
woningen in stilte verbeid, dat, toen Multatuli, ten toppunt van
exaltatie, de groote daad deed die hem buiten de werkelijkheid in het
rijk der idealen verplaatste, het ook háar niet anders kon schijnen
of nú was de groote slag geslagen, de tooverslag, die hen tot de
glorie zou brengen, door haar dichter-echtgenoot altijd voorspeld en
voorzien. Zij kende het leven betrekkelijk zoo weinig! Was zij niet
als argeloos jong meisje, in de netten van zijn schoone minnetaal
gevangen, hem in de Indische eenzaamheid gevolgd, toen hij haar
gevraagd had zijne levensgezellin te worden? Had zij niet jaren
lang schier dag aan dag hem de groote, de wondervolle toekomst hooren
prijzen, waarheen het leven hen zonder twijfel voerde?... Men ziet haar
van hier, toen er van Lebak weg verhuisd moest worden, in opgewonden
drukte de toebereidselen tot de afreis makend, het hoofd gebukt over
de open koffers en kisten, de oogen schitterend, de wangen gloeiend,
in de angstig-verheugde zekerheid, dat nú het oogenblik gekomen was
voor de groote reis, die hen brengen zou... ja, waarheen?, waar anders
heen dan in het levenstijdperk van macht en roem, dat haar man op de
plaats zou brengen, die hem toekwam, krachtens zijn hooge gaven en
zeldzamen geest?
Langzamerhand, zeer langzaam aan, ontwaakte zij uit hare droomen, door
de nawerkingen van de groote botsing waarin zij met de werkelijkheid
waren gekomen; toen zij van haar heer en haar God, ver van haar
aangebeden man, alleen in kommer en verdriet moest leven met de
kinderen, die tevergeefs om hun vader riepen, toen kwam zij zachtjesaan
tot het bittere besef, dat zij in ijdelen waan had verkeerd, dat zij nu
onverbiddelijk de slachtoffers werden van de edele dwaling, waaraan zij
zich hadden overgegeven, dat zij het leven verkéerd hadden begrepen.
Voorzeker is het hier de plaats de nagedachtenis te eeren van
eene vrouw, die martelares werd door het te ver gedreven schoonste
gevoel, dat eene gehuwde vrouw kan bezielen: het onbeperkte geloof en
vertrouwen in de verwezenlijking van het ideaal, dat haar man zich in
het leven heeft gesteld. Want wat moest Tine nu ondervinden, nu haar
man tot de eenige voor hem mogelijke grootheid inderdaad scheen te
komen! Ziet, nu geschiedde het, nu erkende ieder het buitengewone,
dat zij altijd in hem had gezien, nu was de schat, waarvan zij zoo
lang alléen geweten had, de schat, dien zij alleen zoo lang had
bemind en vereerd, openbaar eigendom geworden. Nu kon een ieder vrij
de bloemen plukken, die zoo lang voor haar alleen hadden gebloeid in
de verborgenheid van haars geliefden ziele-rijkdom. Maar had zíj nu,
in den oogst van erkenning en roem, het aandeel, waarvan hij haar
altijd gesproken had en voorzegd, dat het bijna niet geringer dan het
zijne wezen zou? Al viel de oogst geheel anders en in hun schatting
schraler uit, dan zij hadden verwacht, deelde hij dien nu dan toch ten
minste met haar, opdat hun huwelijk, zij 't op deze onvoorziene wijze,
de bekroning zou geworden, aan wier verschijning zij nimmer hadden
gewanhoopt?... Neen, het tegendeel geschiedde. Nu de tijd dáár was,
nu was hij altijd verre van haar, nu kreeg zij van den schitterenden
maaltijd niets dan de bittere brokken te eten, nu moest zij telkens
in zijne brieven lezen, dat hij niet bij haar kon komen, dat hij
nog wat toeven moest, verre van haar, dat hij alleen zijnde beter
werken kon, dat hij haar aan dit niet kon helpen en aan dát niet,
dat zij zich maar alleen moest zien te behelpen en tevreden te stellen.
Groot moet het leed van deze vrouw geweest zijn, toen zij langzamerhand
tot de ontdekking kwam, dat haar ziel zich al de huwelijksjaren lang
gevoed had met eene illuzie. Niet in hare waardeering van haren
man was de illuzie gelegen, want al had zijne buitengewoonheid
ook andere uitkomsten dan zij beiden er van hadden verondersteld,
die buitengewoonheid bléek dan toch nu voor de oogen der geheele
wereld. Maar hare illuzie was geweest dat zij in die buitengewoonheid
deelen zou op de dubbele wijze; niet alleen zou zij er met hem de
vruchten van plukken en de blijdschap van hebben, neen, er was nog
een inniger aandeel, dat zij altijd gehoopt had het hare te zullen
kunnen noemen; al durfde zij het zich zelve ternauwernood bekennen,
tóch bewaarde zij die hoop in hare ziel als haar kostbaarst kleinood:
het was de gedachte, dat hij, om buitengewoon te zijn, om met zijne
buitengewoonheid te werken, háar aanwezigheid en hare medewerking
behoefde. Had hij het haar niet dikwijls ingefluisterd, had hij het
haar niet honderd maal verzekerd, dat hij aan haar lieve oogen zijn
beste inspiratiën dankte, dat hij aan haar moedvol woord de volharding
verschuldigd was, die hem in zijn loopbaan zou doen slagen? Hoe
verlangde zij, nu hij het werk, het groote werk, dat werk, waarin
alleen hij toch eigenlijk bleek uit te schitteren, begonnen was,
hoe verlangde zij nu bij hem te zijn. Hoe vurig begeerde zij met
hem te bespreken de bladzijden, die hij dìen dag schrijven zou,
zijne tevredenheid te vernemen over de taak, die was volbracht,
zijne bitterheid te verzachten, als hij eens mocht meenen dat zijn
genius hem minder goed dan gewoonlijk had ter zijde gestaan.
Hoezeer wenschte zij met hem te wonen onder één dak, met hem de
maaltijden te deelen, met hem gezien te worden ook vooral, op de
wandeling, op de plaatsen van openbaar vermaak! Welk een tintelende
gloed van fierheid zou haar doorstroomd hebben, als zij overal had
mogen hooren fluisteren: kijk, daar loopt de schitterende schrijver
Multatuli met zijn vrouw. En nu, nu zag zij in, dat deze vurige hoop
nooit verwezenlijkt zoude worden... Was het dan niet waar geweest, als
hij haar zijn tweede ik noemde, was het dan maar leugen of vleierij of
zelfbedrog geweest, als hij zoo menigmaal gezegd had, dat zíj alleen
in zijne ziel kon lezen, dat zíj alleen hem begreep! En als zij er
ooit iets toe mocht hebben bijgedragen om hem dat vast geloof in zich
zelf te geven, waaraan hij voor een groot gedeelte te danken had,
dat zijne verve hem nooit in den steek liet, ja, als zij de éenige
was, die daartoe ooit iets bijgedragen had, was zij dan niet als van
zelve de aangewezen persoon om, door voortdurende en onmiddellijke
tegenwoordigheid, te zien wat dat geloof uitwerkte en hoe die verve
hem de meest schitterende resultaten opleverde!
Tine kwam tot het besef dat haar man haar niet noodig had. Wat de
stoffelijke zijden van het bestaan aanging, was zij hem tot last,
en zij kon dien last niet kompenseeren door hem in het geestelijke
behulpzaam te zijn, want zijn geest bleek juist beter te kunnen werken
buiten haar aanwezigheid.
Hoe wreed moet het leven haar toegeschenen hebben, als zij haren
kinderen de afwezigheid van hun vader te verklaren had, als de
kleinen, die haar telkens hoorden spreken van vader die dit deed of
vader daar dát meê gebeurd was, haar ietwat angstig de vraag stelden,
waarom vader niet bij hen was, waarom zij vader nimmer zagen!
Aan deze wetenschap, die zij thans omtrent haren man opdeed, sloot die
andere, wellicht nog pijnlijker, zich onmiddellijk aan, dat haar man
ook nooit den grooten hartstocht voor haar gehad had, waarvan zij zich
altijd gevleid had het voorwerp te zijn. Nu begreep zij het ten volle
en besefte het met groot verdriet, dat hij alleen zich zelf steeds
gezocht had, niet in grof zelfzuchtige beteekenis, maar in zich zelf
zijn Muze, zijne godheid, die hem meer waard was dan alle aardsche
dingen. Zij begreep, dat hij haar had liefgehad, dat hij haar liefhad,
met hartelijke genegenheid, maar geenszins met de onbevredigde passie,
waarvan eene vrouw droomt in den geheimsten schuilhoek harer ziel.
Ja, hij schreef wel telkenmale aan het einde zijner brieven aan haar:
"Ik verlang dol, ik verlang dol [om bij u te zijn]," maar als dat
verlangen werkelijk zoo onstuimig in zijn binnenste had gewoed,
zou hij, die zich zelf zoo weinig meester was, zich niet hebben
kunnen dwingen van haar gescheiden te leven. Hij zou haar geschreven
hebben: kom Tine, kom bij mij, ik heb het wel niet breed, ik ben
wel klein behuisd, en met de kinderen zal het wel wat lastig zijn,
maar buiten ù kan ik niet! Ik hoop en vertrouw, dat we het met de
kinderen zullen weten te schikken, maar mócht het niet lukken, nu,
dan zullen wij ze ergens uitbesteden of iets dergelijks; liever dàt,
dan uwe tegenwoordigheid te missen. Als ik zoo veel meesterschap over
mij zelf heb, dat ik mij maanden en maanden heb kunnen weêrhouden
naar u toe te snellen niettegenstaande mijn groot verlangen,--nu,
dan zal ik ook, als het moet, mijn neiging om mij tegenover u zóo uit
te storten, dat er niets meer voor mijn pen en inkt te doen blijft,
wel weten te beteugelen. (Immers, dàt was zijn bijzondere reden om
zich niet met zijne vrouw te vereenigen.)
Dit is een der leelijke zaken in Multatuli's loopbaan, dat hij eenmaal
het huwelijk als levensstaat gekozen hebbende, zich niet verplicht
heeft gevoeld, van die keuze de onvermijdelijke konsequenties te
dragen.
Heeft Multatuli al niet de groote passie voor de vrouw, voor ééne
vrouw, gekend,--toch had hij in zijn persoon iets dat de vrouwen
sterk aantrok en ook eene onmiskenbare behoefte aan omgang met vrouwen.
Tot de opvoeding, welke hij zijne eigene vrouw gegeven had, tot
hetgene, wat hij in hare ziel had "gezaaid", behoorden onder andere
de denkbeelden over liefde en godsdienst, tegenovergesteld aan die,
welke zij van huis uit had medegebracht. Want Tine was van huis
uit vroom, in den ouderwetschen, kerkschen zin van het woord. Wij
weten dat niet alleen omdat zij tot eene familie van ouden adel
behoorde, maar van hare zuster Henriëtte van Heeckeren vinden wij
herhaaldelijk vermeld dat zij zoo erg godvruchtig was en steeds maar
riep van Heere! Heere! Nu, zooals de éene zuster, met een kerkschen
man gehuwd zijnde, haar geheele leven gebleven is, zoo zal de andere
natuurlijk ook geweest zijn, vóor zij met een onkerkschen man in het
huwelijk trad.
Dekker nu veranderde de denkbeelden zijner vrouw over godsdienst en
liefde. Van den godsdienst, zooals hare familieleden die opvatten,
maakte hij haar afkeerig op velerlei manier. Gedurende de eerste jaren
van hun huwelijk was dit zeker vaak het onderwerp van hun gesprek;
maar na de ontslagneming, gedurende zijn lijdensperiode te Brussel
vooral, was meer dan ooit deze zaak aan de orde van den dag in zijn
brieven. Dubbel ergerde hem nu, dat menschen, die altijd van God
en Gods liefde spraken, naar zijn indruk zoo weinig liefde voor hun
evenmensch bleken te hebben. Uitlatingen als de volgende zijn daarom
niet zeldzaam:
"Geloof me, lieve beste, waar een zeker soort van godsdienst in 't spel
is, is het altijd zoo. 't Is phariseesche huichelarij die altijd een
sabbath bij de hand heeft om 't schaap niet te helpen dat in de groeve
ligt. Ook zij zouden den Christus kruisigen, mits 't maar geschieden
kon onder beschutting van vreemd gezag. Ook zij zouden de handen vies
terugtrekken van tollenaren, slagters en mijn arme Eugénie."
Toen Tine te Brummen vertoefde, op het buitengoed van den heer Jan
Dekker, had deze haar naar haar geloof gevraagd. Zij schijnt niet
goed geweten te hebben wat daarop te antwoorden, en geantwoord,
dat zij 't zelfde geloofde wat haar man geloofde, maar dat díe
het beter uit kon leggen. Toen moet de heer Jan geantwoord hebben,
dat zij haar man dan maar eens moest verzoeken zich daarover uit
te spreken. En in een zijner brieven uit dien tijd geeft Dekker dan
een geloofsbelijdenis. Hij, die door het minste en geringste hevig
geraakt werd in die maanden vooral, begint echter met te zeggen dat
hij 't een schande vindt dat zijn broeder Jan daarnaar nú juist heeft
gevraagd. De aanleiding voor dat vragen moet geweest zijn dat de
kleine Eduard Dekker, Multatuli's zoon, al spelend gezegd had: "die
stok is onze lieve Heer." Als hij (de kleine Eduard) weêr onder ons
dak is, schrijft Dekker, mag hij zeggen: onze lieve Heer is Grietje
of pierewiet. En op Jan's vragen had Tine moeten antwoorden: "Jan,
mijn plicht is te gelooven wat de man gelooft, die de macht heeft
mijn arme kinderen op straat te zetten. De arme heeft geen recht
op een eigen geloof." Want stond Jan, in deze omstandigheden die
vraag doende, niet gelijk met een Algerijnschen zeeroover, die een
christengevangene vraagt wat hij van Mahomed denkt? Niettegenstaande
dat alles, wilde Multatuli toch wel antwoorden. Zijn vrouw moet
daarover een "opstelletje" hebben, en zij zàl het hebben, ofschoon hij
het liever niet gaf omdat Tine's en zijn geloof zoo negatief is. Hij
vervolgt met te zeggen, dat hun geloof is niet te weten wat zij te
gelooven hebben. Zij zijn nog altijd aan het zoeken, en het eenige,
waarvan zij nagenoeg zeker zijn, is: nooit te zullen vinden. Niet omdat
zij minder goed dan een ander zouden gezocht hebben, maar omdat zij
minder spoedig tevreden zijn met het gevondene. Vervolgens schrijft
hij, dat veel hem zegt dat er een God is, omdat alles niet uit niets
kan voortgekomen zijn; maar daartegenover zegt ook veel hem, dat er
geen God is. Voornamelijk: de volmaaktheid van de natuurwetten, die
aan het heelal iets machinaals geven, dat de gedachte aan Almacht
buitensluit. Vervolgens zoude, indien er een God was, die zich wel
aan hem geopenbaard hebben. Noch onderzoek noch de ingevingen van
zijn hart hebben hem een God geopenbaard. De slotsom is, dat hij niet
weet of er een God is, dat, als hij er is, hij goed moet zijn, dat hij
Multatuli's diensten niet behoeft, dat hij hem dient door te trachten
goed te zijn, en dat hij als eenig richtsnoer daarvoor zijn hart heeft.
Ziedaar de gedachten, die de lektuur der in dien tijd populaire wijze
van oplossing van het wereldraadsel in Dekkers geest had achtergelaten,
en die hij in zijne vrouw had overgeplant. Met wijsbegeerte of
natuurkunde heeft dat al heel weinig te maken. Het is ongeveer de
formuleering van een atheïsme, zooals elke onkerksche die min of meer
bewust in zich omdraagt.
Nu rijst de vraag: was het goed van Multatuli gehandeld, hoorde het bij
de nog al kalme liefde, bij de eenvoudig hartelijke toegenegenheid,
welke hij zijne vrouw toedroeg, om haar godsdienst-gevoel te fnuiken
zonder er iets anders voor in de plaats te kunnen geven, dan de vage
redeneeringen eener praktische wijsbegeerte, die nauwelijks een man
tevreden kan stellen?
Men kan zich tegenwoordig schier niet meer indenken in den toestand der
gemoederen van dien tijd, toen menschen, die tot de meest ontwikkelden
en besten van hun geslacht behoorden, er hun edelste bezigheid in
vonden bij alle mogelijke gelegenheden hartstochtelijk tegen den
godsdienst te ageeren. Er is iets griezeligs, iets al te kouds en
buitensporigs in den spot van een vader, die zijn zoontje leert
spreken met hoonwoorden gericht tot een wezen, dat zooveel honderden
jaren door geheele geslachten, ook van kunstenaars en denkers, als
het meest eerbiedwaardige is beschouwd en behandeld.
"Kom, Eduardje, zeg nu: die stok is onze lieve Heer"--waarom dat,
zouden wij geneigd zijn te vragen. Wilt gij uw kind buiten den
godsdienst opvoeden, begin dan met er hem in 't geheel niet over
te spreken, doe hem dien naderhand kennen als een historisch
verschijnsel, dat, als oorzaak van honderden daden, waarbij de
ontslagneming te Lebak nog maar kinderspel lijkt, reeds daarom eenigen
eerbied schijnt te verdienen; maar erger niet de geloovige menschen
en daarbij de ongeloovigen van goeden smaak, door kinderlippen te
gewennen godslasteringen te stamelen. Er is iets kinderachtigs en iets
verdachts, iets zwaks eigenlijk gezegd, in dezen hevigen haat tegen een
wezen, dat niet bestaat. Het doet denken aan de grenzenlooze gevoelens
van haat en wrok, die de boerenfamiliën tegen elkander kunnen hebben,
zoodat als de buurman-vijand b.v. een ongelukkige krankzinnige zuster
in huis heeft, de andere buurman zijn kinderen reeds zoo jong mogelijk
leert haar na te roepen: de malle, kijk, daar loopt de malle.
Doch, wij herhalen, wij die al deze verschijnselen historisch hebben
leeren waardeeren, die ons niet meer van afkeer tegen de bestaande
godsdienstvormen bewust zijn, eenvoudig omdat ze ons op zich zelf
onverschillig zijn geworden, terwijl buitendien hun aspekt ons door
zijn pittoresque eigenschappen artistiek doet genieten,--wij kunnen ons
in den toestand nauwelijks meer denken van iemand, die om zoo te zeggen
pas aan den godsdienst is ontgroeid en nu uit kwaadheid hierover,
dat hij zijn eerste twintig levensjaren zoo onnoozel heeft gedwaald,
aan het voorwerp dier dwaling zooveel als haat heeft gezworen. Het
waren niet alleen de algemeene tijdsomstandigheden, de atheïstische
gedachtenstrooming die over de wereld was gekomen, het waren ook
waarschijnlijk Dekker's bijzondere levensomstandigheden, die, als
een toestand van reaktie, den God-haat in hem hadden doen geboren
geworden. In zijn jeugd was hij vermoedelijk langdurig in aanraking
geweest met menschen, in wier zeden en gewoonten het "Geloof" zich van
zijn minst beminnelijke zijde openbaarde. Men had hem, de wilde natuur,
het opbruisende karakter, wellicht jaren en jaren in bedwang gehouden
door verwijzingen naar allerlei harde leerstukken en onvermurwbare
zedenwetten. Wie weet welke strenge gezichten, welke droge zielen van
in der tijd geduchte katechizeermeesters en schoolvossen nog in zijne
herinnering leefden, die hij of hij wilde of niet naar hartelust moest
verachten en bespotten toen hij eenmaal aan den band ontsprongen was.
Bedenkelijker dan de spot met den godsdienst, die aan de kinderen
werd geleerd, was het uitroeien van het godsdienstige gevoel uit het
hart van de vrouw. Op zich zelf reeds bedenkelijk, werd het bepaald
huiveringwekkend, toen Dekker aan de vrouw, die hij ontnomen had
wat tot zekeren tijd wellicht haar kostbaarste schat was geweest,
ten slotte niets in de plaats kon geven dan verdriet en ellende.
Zeker, kunt gij, gehuwd man, als gij ontdekt dat uw vrouw zonderlinge
en voor hare rust en gezondheid gevaarlijke eigenaardigheden heeft,
b.v. een groote vrees voor spoken, voor voorteekenen, of andere
gemeenlijk met den naam van "bijgeloof" aangeduide affekties,--zeker
kunt gij niet beter doen, dan zooveel mogelijk trachten haar die dingen
uit het hoofd te praten. Als uw vrouw dus een nerveus persoontje is,
die het godsdienstig gevoel als een schrik-aanjagende fataliteit in
hare ziel heeft, die het u den heelen dag lastig maakt met allerlei
scrupules en naargeestige gemoedsbezwaren omtrent de eenvoudigste
zaken en voorvallen des levens, die aanhoudend voorstellingen van
"de hel" ontwaart in haar ontstelde verbeelding en weigert u naar
den schouwburg te vergezellen omdat zij den vorigen avond Gods
waarschuwende stem heeft vernomen, die haar dat verboden heeft,--dan
zult gij haar een weldaad bewijzen met het licht der waarheid voor haar
te doen opgaan, en haar, door het ongeloof, de gerustheid des gemoeds
te schenken. Vooral indien gij er zeker van meent te zijn dat er maar
een heel klein of in 't geheel geen lichthoekje zich naast de groote
schaduwen bevindt, die de godsdienst geworpen heeft in de ziel uwer
vrouw; en indien gij 't hoogst waarschijnlijk acht, dat gij steeds,
het geheele leven door, met uwe liefde daar aan hare zijde aanwezig
zult zijn om te voldoen aan de behoefte aan troost en verlichting,
die uw levensgezellin wellicht menigmaal zal gevoelen.
Maar indien de godsdienst zich meest van hare lichtzijden aan uw
vrouw heeft vertoond, indien zij de gerustheid en de blijdschap haars
levens juist dáaruit voor een groot gedeelte put,--dan zult gij,
al dwaalt zij naar uw meening, u toch twee keer moeten bedenken voor
gij de hand aan die, voor haar schoone, dwaling slaat.
Multatuli had meer dan één reden, meer redenen dan gewone ongeloovigen
kunnen hebben, om den godsdienst in den boezem zijner vrouw te smoren,
want hij wilde dat daarin geen andere god dan hij zelf zou wonen. Men
vatte dit niet op als dolzinnigen hoogmoed. Hij vond zich zelf, dat
wil zeggen, de groote, nieuwe waarheden in zich zelf en den schoonen,
bezielden vorm, dien hij daaraan wist te geven, een beter, grooter
en meer levende god, dan dien der oude voorstellingen, waarbij zijn
vrouw was opgevoed.
Hij stond zoo veel boven haar, dat zij zich de wijziging, welke
hij hare denkbeelden wilde doen ondergaan, met gretigheid liet
wèlgevallen. Zooveel hechtte zij niet aan haar godsgevoel en
godsdienstbegrip of zij wilde die wel vaarwel zeggen voor de nieuwe
leer door haar man haar verkondigd. En als zij zich bedrukt voelde
of neerslachtig door ziekte of ander levensleed, zou hij daar dan
niet altijd wezen om haar op te beuren en moed in te spreken; was
zijn trouwe borst niet voor het geheele leven onder haar bereik,
om er haar hoofd tegen te laten rusten als zij moede was?
Toen Dekker later zijne vrouw aan haar zelve alleen overliet in
allesbehalve heuglijke omstandigheden, zullen er misschien wel
oogenblikken zijn geweest, dat hij er berouw over voelde eertijds den
geloofsboom in haar binnenste te hebben geveld, waaraan zij zich nu in
haar nood had kunnen vastklemmen. Wat moet die vrouw zich ongelukkig
hebben gevoeld! Met hoeveel angst en wanhoop moet zij zich nu het
geloof harer jonge jaren en de vertroostende kracht, die dit in der
tijd voor haar bezat, te binnen hebben gebracht! Daar stond zij nu,
zooveel als met ledige armen! Maar moest zij nu heen, waaraan zich
steunen? De sterke man, in wien alleen zij al haar vertrouwen had
gesteld, had haar verlaten, die steun was onherroepelijk voor haar
verloren gegaan, en tot God kon zij zich niet meer wenden, omdat
hij 't geloof aan dien God uitgeroeid had uit hare ziel. Hoe moet
zij verzucht hebben: ach, kón ik nog maar gelooven, bezat ik het
vertrouwen nog maar in God als in een liefderijk vader, dan was ten
minste de toekomst nu niet voor mij zoo geheel grijs, donker en ledig!
Had Multatuli het huwelijk en zijne betrekking tot zijn vrouw anders
opgevat, had hij, zij 't met opoffering van de grootere innigheid
in den band, die noodzakelijk moest ontstaan waar ook de innigste
en hoogste gedachten van man en vrouw hun gemeenschappelijk goed
worden,--had hij haar godsdienstige gevoelens ontzien, zoodat die
als een verborgen schat in haar binnenste konden blijven bestaan,
hij zoude later de grievende verwijten nimmer hebben vernomen, die
ongetwijfeld zijn geweten hem op sommige oogenblikken deed.
In verband met zijne godsdienstige, of liever ongodsdienstige,
begrippen, had Dekker ook zijne opvatting van het huwelijk en de liefde
gewijzigd. Hij had polygamische neigingen; en niet alleen had hij die
"zoo maar" gelijk zoovele gehuwde mannen, maar hij bezat daar allerlei
theorieën en redeneeringen over, die het oude, van het christendom
afkomstige, gevoel daarover in hem moesten dood-praten. Evenals hij
met het godsdienstige had gedaan, wordt het uit verscheidene passages
in de brieven duidelijk, dat hij ook op dit punt de hoogere opvoeding
zijner vrouw op zich had genomen.
Van de vier relaties, waarvan wij in de brieven hooren: die met
Pauline, die met Eugénie, die met Sietske Abrahamsz, die met het
ongenoemde meisje, dat later een soort oplichtster bleek te zijn,--vier
relaties, waaronder slechts twee, of wellicht maar één, van anders
dan oppervlakkigen aard,--hield hij getrouwelijk zijn vrouw op de
hoogte; zoodat, indien men in aanmerking neemt dat Multatuli bijna
niets deed of hij had een stel redeneeringen ter rechtvaardiging
zijner daden bij de hand, indien men er op let dat hij in 't algemeen
theoretisch zeer ontwikkeld was en alles vastknoopte aan eene theorie,
het meer dan waarschijnlijk wordt, dat hij zijne vrouw had beduid,
dat zij op grond hiervan en op grond dáarvan, het behoorde goed te
keuren indien haar man nog met andere vrouwen intiemen omgang had,
nog andere vrouwen liefhad, dan met haar, en haar alleen.
Hiermede bevinden wij ons in aanraking met het onderdeel der
korrespondentie, dat vele lezers vermoedelijk minder aangenaam zal
hebben getroffen. Want al hebt ge vrij uw vrouw overreed, dat God niet
bestaat, en dat de verschillende godsdiensten ouderwetsche larie zijn,
waarmede verstandige menschen, die de negentiende-eeuwsche beschaving
mede maken, zich niet meer behooren op te houden, dat dus ook zij van
den godsdienst, waarin zij geboren is en opgegroeid, afstand behoort
te doen,--daarom zoudt gij toch tevergeefs trachten haar ook aan 't
verstand te brengen, dat uit de stelling, dat wij geen God kennen,
die ons een leer- en zedenwet zou hebben geopenbaard, eene andere
stelling afgeleid moet worden, inhoudende dat aan den man een zekere
vrijheid van liefde of keus moet gelaten worden, geheel in strijd met
het oude huwelijksbegrip, waarbij de vrouw een éénig recht op haar
man had, of waarbij ten minste het den man als een eerste plicht was
opgelegd de trouw ongeschonden te handhaven, die hij zijner vrouw
bij den aanvang hunner verbintenis had gezworen of beloofd.
Het is mogelijk dat menschen, die gevoelen gelijk wij, als
laat-negentiende-eeuwers min of meer een mal figuur maken; het is
mogelijk dat wij, om konsequent te zijn, nu wij het oude geloof aan
één God hebben verlaten, met de geheele levensbeschouwing, die daarvan
afhankelijk was, ook ons begrip omtrent den echt zouden dienen te
wijzigen, en, in samenhang met dat begrip, de sentimenten die er de
uitvloeiselen of de basis van zijn; maar wij kúnnen dat niet, en,
konsequentie of geen konsequentie, daarmede is alles gezegd. Ons
begrip kunnen wij wel wijzigen, met genoegen zelfs indien het iemand
aangenaam kan zijn, maar ons gevóel, zie, dat is een heele andere
zaak, dat kan veel minder gemakkelijk gewijzigd worden. Bewijst
ons nu maar met a plus b, dat het christendom heeft uitgediend, en
dat men dientengevolge, het eene logisch afleidend uit het andere,
tot het besluit moet komen, dat wij de oude christelijke sentimenten
omtrent de heiligheid van het huwelijk en de schoonheid der smettelooze
trouw tusschen man en vrouw moeten laten varen, om vervolgens ook
onze praktijk naar de nieuwe begrippen te regelen, gij zult met de
meest spitsvondige bewijsvoeringen ons gevoel, dat wij als de erfenis
van achttien eeuwen in ons bloed dragen, niet omverpraten. En tot dat
gevoel behoort, dat wij het bepaald wreed, afschuwelijk wreed vinden,
de hand van het koele moderne gezond-verstand te slaan aan de schoone
en teedere bloemen van christelijke huwelijkstrouw, die daar bloeien
op die verborgen plekjes in het hart der vrouw, waar het woord van
den man niet ontwijdend mag binnendringen.
Wij kunnen niet aannemen, dat Tine in haar hart toegejuicht zou
hebben, dat haar man zich met andere vrouwen afgaf; wij kunnen ons
wel voorstellen, dat zij eene zoo onbegrensde vereering koesterde
voor Multatuli's inzichten, dat zij trachtte, wijl hij het goedvond,
het zelve ook goed te vinden, indien hij haar ontrouw was, maar
ongetwijfeld is haar dit nooit gelukt en deden zijne mededeelingen
over zijn avonturen haar grievend leed, hoezeer ze dit ook voor hem
geheim poogde te houden.
Indien Multatuli dit zelf niet inzag, moet zulks aan gebrek aan
menschenkennis geweten worden; zag hij het wèl in, dan komt ons zijn
gedrag in dezen geheel en al onverschoonbaar voor. En, alles in
aanmerking genomen, vreezen wij, dat hij 't half en half begreep,
zonder zich volledig van den toestand rekenschap te geven; en nu,
uit een soort van goedig-plagerige dwingelandij, haar geen enkel der
berichten spaarde, die haar wellicht hinderden, maar die haar dan
hinderden tengevolge van eene opvatting, welke zij, om zijnentwil,
reeds lang had behooren prijs te geven. Zoo denken wij ons zijn
standpunt.
Stelt u voor een man, een echtgenoot, die zijne vrouw in de
kommervolste omstandigheden van hem gescheiden moet doen leven, eerst
in een zeer ver afgelegen land, later nog steeds in een ander land,
op eene dagreize van hem verwijderd, en dat die echtgenoot dan aan zijn
vrouw, die hem liefheeft en aanbidt, onophoudelijk dingen schrijft als
(van vreemde of haar nauwelijks bekende jonge vrouwen schrijvend):
Lieve Tine, beste trouwe Tine, ik heb Pauline weêr gezien, zij had haar
onecht kind op haar schoot... lieve Tine, ik heb vruchteloos gepoogd
Eugénie hier weêr te ontmoeten, je herinnert je, dat is dat meisje dat
ik in der tijd uit een publiek huis heb medegenomen,... lieve Tine,
ik ben verliefd op Sietske Abrahamsz, je weet wel, dat mooie lieve
nichtje van ons... lieve Tine, elken ochtend komt er een meisje bij
mij ontbijten... lieve Tine, ik heb allerlei amourettes, te veel om
te vertellen... Enz. Enz.
... Je wordt nu wel een opwelling van wrevel daarover gewaar,
lieve Tine, maar herinner je maar, dat wij afgesproken hebben,
dat ik je duidelijk heb gemaakt, dat ik je heb doen inzien: je moet
dat goedvinden, je moet daarin berusten... ik blijf altijd van jóu
het méest houden, dat weet je wel... op die Sietske ben ik puur
verliefd,... die arme Eugénie, je moest haar kennen... neen, neen,
kind, bedwing nu je afkeer; ik, weet je wel, ik, die zoo ontzettend
veel wijzer, rechtvaardiger en beter ben dan jij, die zooveel als je
opvoeder in alles ben geweest, ik zeg je: je moet je meester blijven,
je moet je niet door je gevoel laten medeslepen, maar je verstand
raadplegen; ...ik vertel je opzettelijk zooveel van mijn relatiën met
andere vrouwen om je op de proef te stellen, om te zien of het goede
inzicht niet bij je zal zegevieren,... wees dus nu verstandig en trek
het je niet aan... je zult nog wel meer hooren, gisteren ontmoette
ik nog een dame, die...
Dit zijn in 't geheel geen citaten, wij bedoelen alleen, dat men dien
geest en dien toon bespeurt in de brieven. En wij willen de vrouw
beklagen, die daaraan blootstond. Ach, met hoeveel bitterheid moet zij
zich later deze korrespondentie herinnerd hebben, toen zij merkte,
dat haar man voor altijd van haar scheiden zou. Dáarvoor had zij
zich dan deze gruwelijke plagerijen getroost, dáarvoor had zij een
vriendelijk gezicht gezet als zij leed gevoelde van binnen, dáarvoor
had zij de stem van haar gevoel gesmoord, wijl zij het hooge verstand
van haar man over haar vrouwelijk gevoel wilde doen zegevieren--om
nu te zien dat hij ten slotte geheel van haar vervreemdde... Wie had
gelijk gehad? Zijn verstand of háar gevoel? O, die stille stem van
binnen had het haar wel altijd gezegd... Zij had altijd, wel flauw, een
wanhopig vermoeden gehad, dat het onvermijdelijk eens zóó worden zou...
Beschouwen wij thans Multatuli in zijne verhouding tot de opeenvolgende
minnaressen, die een plaats konden innemen in zijn hart, dat niet
geheel alleen door Tine ingenomen bleek te zijn.
Vóór de genegenheid, welke Multatuli opvatte voor mejuffrouw
Hamminck Schepel, die later zijn tweede echtgenoote werd, treffen
wij de meergemelde Eugénie aan, als de eerste en voornaamste
vertegenwoordigster dergenen, die Tine's deelgenooten werden in zijn
omgang en liefde.
De betrekking van Multatuli met Eugénie hebben wij bekeken: vooreerst
wat aangaat den indruk, dien Multatuli's verwanten en in 't algemeen
de maatschappij daarvan moest ontvangen; vervolgens wat aangaat het
gevoel dat de mededeelingen daaromtrent bij Tine moesten gaande maken;
thans geldt onze overweging het geval op zich zelf, de verklaring van
dezen toestand zooals die zijn aanleiding vond en zich weêrspiegelde
in Multatuli's gemoed zelf.
Het is ons niet te doen een absoluut en leerstellig standpunt in
te nemen ter beoordeeling van het gedrag van een gehuwd man, die
publieke vrouwen frequenteert of op andere wijze buiten het huwelijk
liefdesbetrekkingen onderhoudt. Dit standpunt zij overgelaten aan
moralisten en staathuishoudkundigen. Wij willen vooropstellen, dat wij
het laakbare in Multatuli's handelwijze thans slechts hierin vinden,
dat hij zijne vrouw van zijn faits et gestes op de hoogte hield,
en haar onzes inziens daardoor ten diepste moest grieven.
Het is een bekende stelling van den hertog De Richelieu, dat men met
het grootste gemak en zonder gevaar voor onze gemoedsrust meer dan
éene vrouw tegelijk kan beminnen. Maar eene dergelijke stelling kan
alleen ontstaan in het brein van en als psychologische kuriositeit
geformuleerd worden door lieden, die van de liefde eene opvatting
hebben, zooals aan de Bourbonhoven van vóór Lodewijk den XVIden in
zwang was en een paar eeuwen in zwang is gebleven. Zij bedoelden met
het woord liefde, noch de groote passie, die de werkelijkheid voor
hem die haar ondervindt als 't ware van gedaante doet veranderen en
aan het voorwerp der liefde zooveel als een bovennatuurlijken glans
en ook macht verleent, zoodat hij letterlijk door het voorwerp dier
liefde "betooverd" lijkt en dus dat veel gebruikte woord nu tot
eene wezenlijke waarheid maakt; evenmin hadden zij er de innige,
in haar eenvoud groote, trouwe, genegenheid meê voor, zooals het
christendom ons die heeft doen koncipiëeren en die het eigenaardig
huwelijkssentiment is van ons, westersche, monogamische volken;
maar zij bedoelden er meê eene liefde, die wel eenige oppervlakkige
overeenkomst vertoont met de oostersche liefde, maar toch het
eigenaardig beestachtig wilde van den haremwellust mist, en van een
kleiner, een wel fijner, wel beschaafder, maar tegelijk nietiger
opvatting getuigt; zij beschouwden de liefde als een gril, een
caprice, eene toquade, een aangename tijdelijke manie, meer niet;
en inderdaad, indien men haar aldus opvat, is er een reden om, zich
in een tijdverdrijvend spel van intrigue en coquetterie werpend,
meer dan éene vrouw tegelijk te courtiseeren. Of men dan met een dier
verschillende vrouwen toevallig gehuwd is, doet er niet toe; dat is
in zulk een geval een bijkomende omstandigheid zonder beteekenis of
waarde, want van het huwelijk eigenlijk gezegd en de gevoelens van
eerbied, trouw en bescherming, die het in onze ziel onderhoudt, is
daarbij in 't geheel geen sprake meer. Dit is geen werkelijk beminnen,
en meer dan éene vrouw te gelijk waarlijk lief te hebben, past niet
in onze westersche psychologie en is een onmogelijkheid.
Niet alleen dus, dat Dekker de groote verterende passie niet kende,
maar uit het feit, dat hij, alleen op zijn gemak door Europa reizende,
bordeelen bezocht en langdurige betrekkingen aanknoopte, is op te
maken, dat de hartelijke genegenheid, welke hij koesterde voor zijn
vrouw, er in alle opzichten een was van de allergewoonste soort,
en dat die genegenheid volstrekt geen poëtisch teeder en religieus
karakter in zijn gemoed had aangenomen.
Als een getrouwd man en garçon uit is met vrienden van vroeger,
en men is wat gemonteerd doordat men den kelder een weinig te veel
heeft aangesproken, en men sukkelt, om het feest voort te zetten,
zulk een huis binnen en vermaakt zich daar tot het krieken van
den ochtend--nu, dát wordt door eenigen als eene vrij vergeeflijke
gebeurtenis beschouwd. De bewoonsters blijven bij haar beroep, men
vermaakt haar en zichzelf, en laat ze wat verdienen.
Dekker vond het buitendien in beginsel goed: Wat zou het? Genot
is deugd, vermaak is gezond, ieder man, gescheiden van zijn vrouw
levende, heeft daar behoefte aan, het is een hygiënische gymnastiek,
en, de alles beheerschende rechtvaardiging: niemand lijdt er immers
schade door, niemand immers wordt er ook maar een greintje leed door
berokkend. Hij vond het, voor personen zooals hij, zelfs bijzonder
aanbevelenswaardig: omdat het goed is voor publieke vrouwen, die arme,
medelijden-wekkende schepselen, die zoo algemeen veracht worden door
vromen en schijnheiligen, die zoo weinig het voorwerp zijn der elders
dikwijls zoo ruimschoots bestede naastenliefde, die meestal slechts
met gemeene, liederlijke mannen in aanraking komen,--omdat het voor
dezulken heel goed is eens een man te ontmoeten, die haar ten minste
nog als menschen beschouwt, die het oprecht goed met haar meent, haar
een vriendelijk woord zal toespreken en op beschaafde, edele wijze met
haar zal verkeeren. Ja, dus redeneerde hij, geholpen door zijn steeds
dadelijk bij de hand zijnde fantasie, waarschijnlijk door: het was
een weldaad, die hij haar bewees, het was een hoogere plicht, dien hij
vervulde, hij dacht aan vele groote namen uit de wereldgeschiedenis,
wier dragers met courtisanes omgang hadden gehad, hij vergeleek zich,
ook nu weder, met Christus, die immers Maria Magdalena toeliet zijn
voeten te wasschen en vergaf aan de overspelige vrouw. En zoo voorts,
en zoo voorts.
Dit is alles goed en wel. Wij herhalen, dat wij niet partij wenschen te
kiezen in de beoordeeling van het geval in 't algemeen van een gehuwd
man, die en garçon uitgaat. Er komt altijd belofte-breuk bij te pas,
de breuk namelijk van de belofte, die men zijn vrouw heeft gedaan van
háar alléen tot den dood toe getrouw te zullen zijn. Maar er zijn tal
van argumenten beschikbaar om in zekere gevallen een belofte-breuk
te wettigen, en wij zullen ons niet in eene moralistische uitpluizing
van deze zaken verdiepen. De hoofdzaak is ongetwijfeld, dat er niemand
leed worde gedaan.
Maar,--hierop willen wij neêrkomen--Dekker wás niet op een
dronkemanspartij en met vrienden uit; hij reisde geheel alleen, en
ging, in koelen bloede, dat zelf in alle opzichten goedvindend,
daarheen. En nu zeggen wij alléén, dat dáaruit blijkt, dat
zijne genegenheid voor zijn vrouw niet van ongemeen teederen aard
was. Immers al deed hij hier geen leed (op dat oogenblik ten minste
niet, later deed hij haar dat wel door zijne op theorie berustende
zonderlinge opvatting van het echtgenootschap, welke hem haar van al
zijn avonturen op de hoogte deed houden), al deed hij háar dus geen
leed, noch Eugénie, en al deed hij zich zelf een genoegen, dus het
tegendeel van leed, en al schijnen dus al de bij het geval betrokken
personen veilig voor leed,--tóch zou hij, ware zijn genegenheid voor
Tine van hoogeren aard geweest, het edelste gevoel in eigen borst
door zoo eene handeling een kwetsuur hebben toegebracht, waarvan de
schrijnende pijn het genoegen dat hij er op andere wijze van had,
ten zeerste beperken moest, zoo al niet geheel vernietigen.
Want, indien de gehuwde man, die zijn vrouw met vrome trouw bemint,
op de purperen sofa heeft plaats genomen, en daar in eene weelderige
afzondering zich opsluit met eene vreemde, kleurrijk uitgedoste, vrouw,
wier mond met den beroepsglimlach hem tegenlacht, wier oogen, boven de
half weggeblankette vale kringen schel schitteren van de nachtelijke
vreugden, wier adem riekt naar den professioneelen feestwijn van elken
dag--en hij moet dan liefkoozingen ontvangen, en hij moet liefkoozingen
geven, dezelfde, ja werktuiglijk dezelfde liefkoozingen, welke hij
anders in een stillere, meer zedige eenzaamheid alleen voor zijn
eenige vrouw overheeft,--dan komt er een groot, pijnigend, wanhopig
verdriet, en een spijt vol wrok en wrevel in hem op, die hem al het
hier aanwezige ruwe en bonte genot zal vergallen.
Vooreerst is het de ontwijding der liefde, die een niet onderdrukbaar
gevoel van groote neerslachtigheid over hem zal brengen, waar de
stralen van de schitterende lichtkroon noch het gefonkel van het
door den wijn goud gekleurd kristal iets tegen vermogen. Niet de
ontwijding der liefde, omdat hij leerstellig het huwelijk voor eene
vereening der zielen zou houden, en de vereeniging zonder liefde,
zonder ziel, dus voor eene profanatie van dat huwelijksbegrip; veel
minder eene ontwijding der liefde omdat hij het in beginsel iets
slechts zou vinden, er aan toe te geven zonder dat een geestelijk of
burgerlijk ambtenaar van te voren daartoe een brevet van bevoegdheid
heeft uitgereikt; want wij spreken van een modern gewoon menschelijk
gevoelend man; maar eene ontwijding der liefde omdat hetzelfde wat
alleen waarde en beteekenis scheen te hebben in het verkeer met de
eenige, ziels-vertrouwde, voor het geheele leven uitverkoren éénige
vrouw, hetzelfde, wat een onmisbaar schijnend teeder mysterieus
karakter verkreeg, als de verwezenlijking van lang gekoesterde slechts
half bewuste verlangens, waar het, niet nader ontleed, zich in zoo een
dronkenschap van reine zaligheid voltrok, dat men alleen den indruk
kreeg dat het wezen op zijn innigst met het éénig geliefde wezen één
werd, waarbij het lichaam werd vergeten en het scheen als hoorde men
nu alleen duidelijker elkanders harteklop, als waren de harten nu
slechts op een bijzonder innige wijze tot elkaar genaderd; omdat dit
zelfde, anders een mysterie dat een langzaam gegroeide vervoering
bekroonde, nu zijn hooge charme verliest door de brutaliteit,
waarmede het eenvoudig als pikant tijdverdrijf aangewend blijkt te
kunnen worden. Eene ontwijding der liefde, omdat zij ontnuchtert
van de edelste aller dronkenschappen. Omdat zij van een poëem eene
machinerie maakt, van een visioen een fysiologisch experiment.
Ten tweede zal het genot van den bovenomschreven echtgenoot
verbitterd worden, omdat zijn verbeelding hem zal beginnen te plagen;
onophoudelijk zal de figuur zijner kuische vrouw zich in zijne
gedachten dringen, als eene die hem zacht droevig zijn schennis
van hun vertrouwelijken omgang verwijt. Hij zal zich het diepe
verdriet voorstellen, dat haar zou vervullen indien zij hem hier
eens zag. Hij zal vergelijkingen gaan maken, hij zal dat móeten,
hoe weinig gaarne hij 't ook doet, zijn geweten zal er hem toe
dwingen,--tusschen zijne vrouw en degene, die thans naast hem is. In
de geheele afschuwelijkheid harer grimeering, van haren weelderigen
verleidingstooi, harer geveinsde lachjes en gespeelde minzaamheid zal
zijn tijdelijke gezellin hem plotseling voor oogen komen; zijn blik zal
zich verscherpen, hij zal achter haar masker van cold-cream en rouge
impérial de sporen van het vroegtijdig jeugd-verlies en der aanhoudend
walgelijke vermoeienissen zien, en hij zal zich verwenschen, dat hij
tot deze sjacheraarster van genoegens gelijkluidende liefde-woorden
sprak als anders slechts de intieme stilte binnen de zedige wanden
van zijn huiselijk geluk van zijn lippen hoorde komen. Hij zal daar,
als een aangeleerde manoeuvre, gebaren zien maken, en ze herkennen
als de zelfde, welke hij als eene argelooze, spontane, naïeve,
kinderlijke beweging heeft gezien. En als hij dan zijn hoed niet
neemt en wegsnelt, is hij een man zonder ziel en zonder smaak, of
liever,--wat wij hier van Multatuli betoogen--bemint hij zijne vrouw
met eene vulgaire koele genegenheid.
Zien wij nu, hoe Dekker, eenmaal er aan gewend die huizen te
bezoeken, zijne langdurige betrekking met Eugénie tegenover zich zelf
verontschuldigde en tot iets zoo moois maakte, dat bij de overdenking
dier betrekking de edelste neigingen zijner ziel niet uitgesloten
behoefden te blijven.
't Moge zijn dat Dekker in lang geen publiek huis bezocht had, toen hij
Eugénie leerde kennen, en dus niet goed besefte, dat hare mededeelingen
overeenkwamen met de gewone praatjes dier zeer tijdelijke geliefden,
die haar bezoeker bijna altijd een in hoofdzaak gelijkluidend verhaal
doen, waarin steeds dezelfde episoden voorkomen: 1o. zijn zij dochters
van boeren of arme werklieden en verleid en ongelukkig gemaakt door
een vrijer, die beloofd had haar te trouwen en aan wiens woorden zij
geloof hadden geslagen; 2o. hebben zij éens, toen zij figurante in
den een of anderen kleinen schouwburg waren, of ook, toen zij het
wilde leven reeds waren begonnen, eene schitterende relatie gehad
met een schatrijk of hoogst voornaam jongmensch, die haar gedurende
eenige maanden als eene prinses heeft doen leven, welke relatie voor
altijd eene glansrijke herinnering bij haar heeft achtergelaten;
3o. zijn zij daarna van het eene huis in het andere gekomen en hebben
nu hetzij de flauwe hoop dat een zéér jonge man nog eens de een of
andere dwaasheid om harentwil zal begaan door haar als maîtresse te
nemen, hetzij de ambitie met een flinken kellner of kappersbediende een
"net" huwelijk aan te gaan, hetzij de hoogere eerzucht zelf eens aan
't hoofd van een dergelijk etablissement te staan als waaraan zij nu
ondergeschikt zijn verbonden en op hare beurt te kommandeeren;--òf 't
moge zijn, dat Eugénie tot de niet zoo frequent voorkomende vrouwen
van dat slag behoorde, die gouvernante, kamenier of juffrouw van
gezelschap geweest zijn, dat hare konversatie dientengevolge iets
meer gesoigneerd was en zij een weinig betere manieren had, dat bij
haar sterker dan bij hare beroepsgenooten het verlangen sprak om
van het leven aldaar verlost te worden;--zéker is, dat Dekker zich
tot haar aangetrokken gevoelde door de verwantschap die hij tusschen
haar toestand en den zijnen bespeurde. De geheimzinnige sympathie,
die tusschen de rassen van paria's bestaat en door De Goncourt ter
sprake wordt gebracht, waar hij het intieme verkeer van soldaten en
dergelijke vrouwen behandelt in La fille Elisa,--die zelfde sympathie
was het, welke Dekker er toe dreef, zich in een ongewoon intiem kontakt
met Eugénie te begeven. Hij bevond zich daar tegenover eene vrouw van
oorspronkelijk goeden en fatsoenlijken aanleg, die, eigenlijk buiten
hare schuld, en niet alleen buiten hare schuld maar tengevolge van het
uit goedheid, uit edelmoedigheid, toegeven aan eischen, door een man,
dien zij het meest vertrouwde, haar gesteld,--door de maatschappij was
uitgestooten en genoodzaakt met het uitoefenen van een ellendig beroep,
op een niet te avouëeren wijze, in haar onderhoud te voorzien. Nu, was
er dan niet een treffende overeenkomst tusschen haar lotgeval en het
zijne? Was ook hij niet ongelukkig geworden en door de maatschappij
uitgestooten, omdat hij een te goedgeloovig vertrouwen in de leden
dier maatschappij had gesteld? Hij óok had, zonder voorzichtigheid,
zonder om te zien, geluisterd naar de stem van zijn hart, denkend
dat de maatschappij hem daarvoor zou loven en beloonen.
Hij dacht nu van zich zelf: ik ben goed, de maatschappij is slecht;
ik heb de ware liefde, den waren harteadel; en nu wilde hij samengaan
met die andere verstootene, wijl ook zij de ware liefde, den waren
harteadel had, of althans gehad had, hoezeer die nu ook schuil was
gegaan in hare verworpenheid.
Dekker vond het in alle opzichten iets schoons en edels om deze vrouw
te beschermen en bij te staan; in die handeling was een protest,
een protest van menschenliefde en zielegrootheid tegen al het laffe,
lauwe en kleinzielige der maatschappelijke opvattingen.
Behalve eenige zinnelijke liefde, waarvan overigens weinig blijkt,
maar die toch zeer waarschijnlijk met het andere gevoel vermengd was,
was het dus een algemeen, half en half theoretisch, gevoelen, een
revolutionair gevoelen, gericht tegen maatschappelijke denkbeelden,
èn een bijzonder gevoel van medelijden, dat Dekker zich het lot van
Eugénie dermate deed aantrekken.
Zonder dat hij 't zich ten volle bewust was, werd, zoo stellen wij het
ons voor, het gevoel medelijden in Dekker één met de zinnelijke liefde,
evenals dit bij vele vrouwen het geval is. Vele vrouwen toch, die zich
overgeven aan een man, doen dat veeleer uit goedheid, uit medelijden,
uit zucht om hulp te bieden, dan uit zinnelijke aandrift. Zij willen
dien armen minnaar tevreden stellen, zij willen hem gelukkig maken,
en het besef der voldoening harer eigen zinnen gaat te loor in haar
wetenschap van een groote weldaad te bewijzen, van het hoogste weg
te schenken, van het kostbaarste afstand te doen, waarover zij te
beschikken hebben. Hier neemt de liefde het karakter aan van hoogste
menschlievendheid.
Dekker vond het geval buitendien interessant. Hij had behoefte,
een koortsige behoefte, aan interessante ontmoetingen en
lotgevallen. Daarom drong hij zich op, dat Eugénie een veel
buitengewoner persoon was, dan zij in werkelijkheid zal geweest zijn,
daarom verfantazeerde hij haar tot een soort heldin, aan wier zijde het
hem voegde te treden. Zij gaf hem eene soortgelijke gewaarwording als
iemand, die voor het eerst in een ver van zijn geboortegrond gelegen
centraalwereldverkeerstation komt, van de zich daar bevindende in
vreemde engelsche reisdracht gestoken gebasaneerde medereizigers
ontvangt. Hij ziet een man met vaste trekken, donkere gelaatskleur,
groote, strenge, zwarte oogen, die zich met een beteuterende kalmte
door wachtzalen en perrons beweegt. Dit moet wel een zeer gewichtig en
belangrijk personage zijn, denkt hij dan. Later blijkt het te wezen
de gewoonste aller scheepskapiteins, die wel zijn beroep goed kent,
maar overigens in niets uitmunt en het heen- en wedervaren tusschen
Europa en Amerika met dezelfde werktuiglijkheid jaar aan jaar verricht,
als een vaderlandsche schoolmeester dagelijks zijn klassen bestuurt.
Dekker achtte de ontmoeting van Eugénie bepaald een uitnemende
vondst. Hij had nu gezelschap, een in alle opzichten aantrekkelijk
gezelschap, op reis. Wat was daar niet een delicieuze afleiding voor
zijn kommer en zorg in, om met die belang inboezemende fransche dame
op reis te zijn, steeds in vriendschappelijke gesprekken met haar
gewikkeld, haar begeleidend in hotels en stations, haar steunend bij
het instijgen van rijtuigen, bespied, in stilte gelukgewenscht en
benijd door die omstanders, welke iets van de verhouding begrepen!
Toen Dekker later Tine met Eugénie in kennis bracht, zoodat er, indien
wij onze oogen en de mededeelingen van de uitgeefster der Brieven mogen
gelooven, eenige vriendschap tusschen de vrouwen ontstond en Tine jaren
lang met Eugénie eene briefwisseling onderhield,--toen volvoerde hij
alleen tot de alleruiterste konsequentie, wat zijne theorie hem dwong
in deze dingen goed te vinden. Ons is dit te machtig, wij zouden er
schier benauwd van worden; ons kan dit volkomen ten ondergaan van
het gevoel van waardigheid in de eene der vrouwen niet anders dan
pijnlijk aandoen.
Uit het feit dier briefwisseling blijkt voorts ten overvloede nog eens
verrassend duidelijk, welk een alles beheerschenden invloed Dekker op
zijne vrouw oefende. Niet dat zij zich tegen haar zin met Eugénie in
verkeer zou hebben begeven, maar dat zij, tegen alle modern Europeesch
vrouwelijk gevoel in, er behagen in vond met de gewezen maîtresse van
haar man om te gaan, bewijst dat haar gevoel zich, door het voortdurend
aanhooren der denkbeelden van haar man, verbazend vervormd had.
Over Pauline, Dekker's tweede beschermeling, waarvan in de brieven
sprake is, vernemen wij weinig meer dan het volgende (dl. I, blz. 50):
"En toen ik bij die Pauline kwam, die zich verstout een kind te
hebben vóór 't huwelijk, en toen zij mij zeide dat zij altijd eten
kreeg van de Prince Belge zonder te betalen, omdat "le vieux n'osait
pas refuser, car, voyez vous, il savait bien que vous reviendriez"
en dat dit zoo gelukkig was, want zij zoogde haar kind en had dus
eten noodig... Kijk, dat deed mij toch pleizier dat men eene zoogende
moeder eten had gegeven om mijnentwille."
Uit deze regelen valt niet rechtstreeks op te maken, dat Dekker met
Pauline intiemen omgang heeft gehad. Wij meenen ook dat hij elders als
iets zots verhaalt, dat iemand gevraagd had of Pauline zijne maîtresse
was. Maar wellicht vond hij alleen het woord maîtresse ten opzichte
van Pauline gebruikt, dwaas of spotte hij om een andere, dergelijke
reden, met die vraag. In aanmerking genomen Dekker's denkwijze over
dit onderwerp en daarbij de eigenaardigheden van Pauline, zooals wij
die uit bovenstaande beschrijving leeren kennen, wint het vermoeden
aan waarschijnlijkheid, dat er tusschen hen meer is voorgevallen
dan de wisseling van een enkelen dankbaarheidshanddruk. Immers, dat
men aan Pauline kosteloos voeding verstrekte, wijl men wel wist, dat
Dekker eens terug zou komen, toont dat er eene innige verstandhouding
tusschen die twee bestond, waarvan de herbergiers-familie wist.
Pauline behoorde blijkbaar tot de laagste volksklasse. Indien wij dus
mogen veronderstellen, dat er eene relatie tusschen haar en Dekker
bestaan heeft, vinden wij daarin zooveel als een vervolg op en eene
konsequentie van zijne betrekking met Eugénie. In den tijd toch, dat
Dekker met Pauline zou geleefd hebben, in den tijd ook dat hij haar
later weder ontmoette, had hij 't zelf veel armoediger dan gedurende
zijne minnarij met Eugénie. Hij was dus in alle opzichten een trede
lager gegaan. En zeker was hier het medelijden nog meer versmolten
met het andere gevoel.
Pauline, een geheel onbeschaafde vrouw waarschijnlijk, en die dus
b.v. ook aan haar toilet slechts uiterst geringe zorg besteedde, was
het meest geschikte schepsel, in wier omarming Multatuli zijn groot
verdriet en zijn hevig protest tegen de maatschappij kon uitsnikken.
De derde vriendin van Dekker, die ons weder een trede opwaarts voert
naar een geheel andere schakeering van het verkeer met vrouwen,
is degene, die men niet beter kan aanduiden dan met den naam van
"het stomme ontbijtstertje."
In een brief van 17 September 1860, schrijft Dekker: "Alle morgen
om negen uur komt er een meisje bij mij ontbijten. Zij mag een uur
blijven, maar niet praten, dat is een komieke geschiedenis."
Van deze geschiedenis vernemen wij (dl. 1. blz. 151) het volgende:
Dekker liep eens door Amsterdam te kuieren, toen hij op het Damrak
werd aangesproken door een jong, als dame gekleed, meisje, dat hem
vertelde dat zij zoo'n honger had. Zij voegde er bij, dat zij deze
mededeeling aan niemand anders dan aan hem alleen zou durven doen. Hij
gaf er zich op dat oogenblik geen rekenschap van of zij bedoelde, dat
zijn uiterlijk haar zooveel vertrouwen inboezemde of dat zij zijn naam
en reputatie kende. Het was precies iets voor zijn royale, genereuse
natuur, het paste daarbij uitnemend in zijn lust tot weêrstreving
van maatschappelijke gewoonten, om het meisje niet af te schepen met
een zwijgende weigering noch haar het adres van Liefdadigheid naar
Vermogen op te geven, maar om haar welwillend te woord te staan. Hij
had in dat geval ook kunnen volstaan met haar eenig geld in de hand
te stoppen; maar hij vond er al weder eene belangrijke ontmoeting in;
hij wilde wel eens kennis maken met deze ongelukkige, vermoedelijk,
naar hem docht, weder een slachtoffer van de wanverhoudingen der
maatschappij, en, waarschijnlijk om tevens zeker te zijn dat zij hem
niet bedroog, besloot hij haar te vergezellen om haar in de een of
andere gelegenheid naar haar genoegen zich te laten verzadigen. Hij
stak daarom het IJ met haar over en liet haar aan het Tolhuis zich te
goed doen aan broodjes met vleesch. Zij vertelde hem hare geschiedenis:
dat zij, in 's-Gravenhage te huis hoorend, hier tijdelijk een kamer
had gehuurd om zaken voor haar vader te doen, maar dat al haar
geld op was, enz. Het gevolg was, dat hij, die ook op dat oogenblik
geen geld had om dagelijks een middagmaal voor haar te bekostigen,
voor haar wenschte te doen al wat in zijn vermogen was en haar
daarom uitnoodigde elken ochtend op zijn kamer op de Botermarkt te
komen ontbijten. Zij nam dit gretig en dankbaar aan. Nu was echter
het grappige van den toestand, dat Dekker in het begin van den dag
liever geen gesprekken hield (waarschijnlijk wijl hij vreesde zich
dan te veel te epancheeren, zoodat zijn aandacht zich niet genoeg
meer koncentreerde op het schrijfwerk, dat hij wilde verrichten en
hij vreesde zijn kracht te verpraten in plaats van haar alleen voor
zijne schrifturen aan te wenden). Zij kreeg dus verlof bij hem te
komen en een uur te blijven, maar zij mocht geen woord zeggen. Deze
zonderlinge omgang duurde eenige weken. Eindelijk kon Dekker haar het
benoodigde geld verschaffen om naar 's-Gravenhage terug te keeren,
en zij bewees hem hare dankbaarheid, door hem van daar uit een paar
door haar geborduurde pantoffels ten geschenke te zenden.
Eenige maanden later ontving Multatuli het bezoek van dien zekeren
dokter in de Letteren, waarvan wij in de Minnebrieven lezen. Om het
in nood verkeerende gezin, waarvoor de dokter zich interesseerde,
te helpen, stond Multatuli toen het voor de Minnebrieven bedongen
honorarium af. Na dien tijd vernam hij dat de dokter in de Letteren
verloofd was met eene dochter uit het gezin, dat hem zooveel belang
inboezemde, en dat hij hem met zijne aanstaande zou komen bezoeken. En
toen Multatuli dat bezoek ontving, toevallig geschoeid met de gemelde
pantoffels, herkende hij in de bruid van den dokter zijn zwijgend
ontbijtstertje. Zij deed, alsof zij hem nog niet kende, bedankte hem
ten zeerste voor wat hij voor hare familie had gedaan en vroeg hem
of zij hem niet eens eene kleine oplettendheid zou mogen bewijzen,
door b.v. 't een of ander voor hem te borduren. "Pantoffels heeft
u al, zie ik" voegde zij er bij. Nu werd Dekker, die op eens het
stellige vermoeden kreeg, dat het meisje zelf, ontevreden met wat zij
persoonlijk van hem had kunnen halen, den dokter op hem had afgestuurd,
boos en dreef zijne bezoekers met zachten dwang de deur uit. Hij wist
zich echter genoeg in te houden om niet te doen merken, dat hij haar
herkende en daarmede eene onaangenaamheid tusschen de twee verloofden
te weeg te brengen, indien de dokter soms van het ontbijten niets
afwist. Ons komt het evenwel waarschijnlijker voor, dat de dokter,
die zich professioneel met de letterkunde bezighield en dus eerder
dan het burgermeisje met Dekker's, uit zijn geschriften blijkend,
medelijdend karakter bekend geweest zal zijn, reeds met het meisje zoo
goed als verloofd was ten tijde dat zij Dekker het eerst aansprak en
dat de dokter haar op Dekker af zal hebben gestuurd, meenende dat een
bede om hulp uit den mond eener vrouw nog zekerder onweêrstaanbaar
voor Multatuli zou wezen dan het verzoek van een litterator. Toen
nu echter de verleende hulp niet aan de verwachtingen beantwoordde,
trok de dokter toch zelf maar de stoute schoenen aan, en slaagde ook
werkelijk, gelijk wij gezien hebben, beter.
De vierde vrouwenfiguur, tot wie Dekker zich, in deze periode
zijns levens, bijzonder aangetrokken gevoelde, was Sietske
Abrahamsz. Wij voegen hier aanstonds bij, dat wij met de bespreking
der genegenheidsbetrekking, welke eenigen tijd tusschen Sietske en
Multatuli bestond, een totaal van de vorige verschillende sfeer van
maatschappelijk verkeer en gemoedsaandoeningen betreden. Daarover
mag geen misverstand mogelijk zijn. Een muur scheidt deze in alle
opzichten reine, ideale, relatie van de zooeven behandelde drie andere.
Wij keuren er niettemin even sterk, ja nog sterker, om af, dat Dekker
zijne vrouw zoo voortdurend berichten zond over zijne liefde voor
Sietske en Sietske's verliefdheid op hem. Nog sterker keuren wij het
af, omdat, mocht Tine al van Dekker's andere relaties kunnen denken,
dat zij te hoog stond om daarover jaloersch te kunnen worden, dat die
van een soort waren zonder eenige overeenkomst met de liefde welke
haar man aan háar verbond, van een aard, die 't haar onmogelijk maakte
zich zelve te bekennen, dat zij er zich iets van aantrok,--zij over
de betrekking met Sietske onmogelijk zoo kon denken. Sietske was een
allerliefst jong meisje, van den zelfden stand als zij, ja veel wat
Dekker in Tine vóór hun huwelijk gecharmeerd moet hebben, vond hij
nu in Sietske terug.
Tine had dus dubbel reden om zich door deze genegenheid, juist wijl zij
rein was en volkomen vrij van alle minder edele bedoelingen, juist wijl
het 't bijzondere in Dekker's persoon was, dat Sietske in hem beminde,
gegriefd te gevoelen. Als Dekker's herinnering opleefde, herinnering
aan den lang vervlogen, en nog lánger vervlogen schíjnenden,
zaligen engagementstijd, en hij maakte vergelijkingen, dan moesten
die wel, zonder dat hij zelf misschien zich bewust werd wat daarvan
de oorzaak was, ten voordeele van Sietske uitvallen. Immers Tine
had, de gewone menschelijke liefde, welke van die andere slechts de
grondslag was, daargelaten, in Dekker vereerd den man, die uitmuntend,
die buitengewoon beloofde te wórden, terwijl Sietske in hem liefhad
den man die buitengewoon gebleken was te zíjn. Het kon niet anders
of Dekker moest in Sietske's fysionomie eene wolkelooze bewondering
lezen, die hij bij Tine nimmer had kúnnen waarnemen, omdat de reden
er toe toen nog niet aanwezig was. In der daad zijn er weinig dingen
zoo pijnlijk voor de vrouw, die in eendrachtig huwelijk met haar man
de middaghoogte des levens heeft bereikt, dan te bemerken hoe er zich
eene genegenheid tusschen dien man en een hem vereerend jong meisje
begint te openbaren. Zij toch, zijne vrouw, heeft hem bemind alleen
om zijns zelfs wille, toen hij nog geheel onbekend en onberoemd was;
zij is het leven met hem ingegaan vol moed, hoop en vertrouwen, met
het zeer geprononceerde verlangen alle vreugd, maar ook alle leed met
hem te deelen. En nu de boom zijns levens tot vollen wasdom is gekomen
en vruchten draagt, is 't een jong meisje zooals zij vroeger was,
die, met den blos en den glimlach der jeugd op het gelaat, de hand
uitstrekt om die vruchten te plukken.
Indien wij voor een oogenblik Multatuli's vrouw en de kinderen
willen vergeten,--het is echter juist de eigenaardigheid van ons
westersch huwelijksbegrip, dat dit zoo ontzettend moeilijk is,
zoo bij uitstek moeilijk ons den man te denken zonder de vrouw,
den vader zonder de kinderen, daar wij gewend zijn den gehuwden man
niet meer als een geheel op zichzelf te beschouwen maar alleen als
een deel van het familiegeheel;--indien wij ons Multatuli denken
als veertigjarig ongehuwd man of als weduwnaar, dan rijst zijne
vriendschapsbetrekking met Sietske voor ons oog als een der teederst
genuanceerde verhoudingen, die tusschen een man en een vrouw kunnen
bestaan, een der schoonste, der fijnste banden, die tusschen die twee
zielen gelegd kunnen worden.
Deze betrekking staat hoegenaamd niet eenigszins uitvoerig in de
Brieven beschreven, met enkele woorden wordt zij slechts nu en dan
aangeduid: het is als Multatuli aan Tine schrijft, dat Sietske toch
zoo lief is, dat hij "puur verliefd" op haar is, dat zij hem gezegd
heeft om harentwille toch vooral geen greintje minder van Tine te
houden, en aan Tine verlof te vragen háar, Sietske, een weinig te
mogen beminnen; het is als Multatuli aan Tine bericht van het verlof
dat hij, in Tine's naam, aan Sietske gegeven heeft om hem een beetje
lief te hebben; maar door die weinige woorden heen, is het hem, die
nu in den toestand is ingeleefd, mogelijk een kijkje te doen in deze
charmante betrekking.
Sietske was de dochter van Kees Abrahamsz., de zuster, meenen wij,
van den zelfden Theodoor, die na Dekker's dood een goed gemeend,
weinig letterkundig en zeer geruchtmakend artikel over Dekker zou
schrijven. Zij moet een buitengewoon bekoorlijk meisje geweest zijn,
want bijna iedereen, dus lezen wij, was op haar verliefd. Zij moet
niet zoozeer eene buitengewone schoonheid als wel in de hoogste
mate innemend geweest zijn: bijzonder zachtzinnig, vriendelijk,
vlug, en bovenal begaafd met die echt vrouwelijke en taktvolle
hoffelijkheid, die de wenschen weet te voorkomen der menschen met
wie zij in gezelschap is en een gesprek weet te voeren zóo, dat de
overeenstemming der meeningen geen vervelende eentonigheid wordt en het
verschil in meening geen enkel minder aangenaam oogenblik veroorzaakt.
Voor Dekker moeten die uren, welke hij in de woning van Sietske's
familie en in haar gezelschap ging doorbrengen, een genot bevat hebben,
waarop hij uren en dagen lang vlaste.
Zoo eene verhouding, die meer dan vriendschap is en die geen liefde mag
worden, had al het weemoedig aantrekkelijke eener schemering van licht
en donker. Het meisje en de man onderscheiden niet nauwkeurig meer
wat er in hun binnenste omgaat, zij bemerken alleen met zekerheid,
dat het iets heel moois en voor hen heel gelukkigs is. Allerlei
tweestrijd doet zich voor in hun gemoed. Zij durven de liefde niet
aan, zij zijn er bang voor als voor de duisternis, en het heldere,
maar koele, licht van de vriendschap zien zij toch tanen voor hun
innerlijken blik. Dan sluiten zij de oogen om aan de weifeling en aan
de smart van den tweestrijd te ontkomen; maar als zij ze weer openen
zijn de donkere wolken verdwenen en zien zij klaar en stil de sterren
blinken, als de teedere seinlichten der sentimenten tusschen liefde
en vriendschap, in wier glans zij hun omgang mogen koesteren...
In dezen tijd van dagelijksche onrust en koortsige levenshaast, moeten
de bezoeken aan de woning, waarvan Sietske het bloeiend middelpunt
was, de bekoring als van eene oase op Dekker hebben uitgeoefend. Als
hij de trap opkwam, in eene stemming nog verhit door de moeitevol
ten einde gebrachte dagtaak, hoorde hij reeds hare welluidende
stem, wier klank als eene verfrissching in zijn koortsig binnenste
viel. Een minuut later was hij in hare tegenwoordigheid en had hij
bij de begroeting haar hand, als een bemind vogeltje, in de zijne
gevangen. Hun blikken ontmoetten elkaâr en lazen er weder de blijde
boodschap der innige, der teedere, maar reine verstandhouding. En
dan begonnen de gesprekken. Zij vroeg hem naar zijn werk, met warme
belangstelling, met eene belangstelling welke zich zoo uitte, dat
hij aan ieder woord en aan haar geheelen toon bemerken kon, dat er
niets in voorgewend of overdreven was.
Sietske's genegenheid voor Dekker was oorspronkelijk ontstaan uit
een zelfden door haar van hem ontvangen indruk, als dien vele vrouwen
van hem hadden ontvangen. Zij was in hem gaan vereeren den zeldzamen,
den éénigen vaderlander met een hartstochtelijke kunstenaarsnatuur,
den man die, voor één groote edelmoedige gedachte, zijn leven en zijn
loopbaan aan volslagen ondergang blootstelde, den man, die zijn geluk
prijsgaf, die al zijn tijd, kracht, moed en werk dienstbaar maakte aan
de najaging van het ideaal, dat hij zich had gesteld. Zij bewonderde
hem als een held, strevend naar het groote, als de figuur, die, meer
dan wie zijner tijdgenooten ook, geschikt was om de rol van Koning
te vervullen in de liefelijke feërieën der schuchtere meisjesdroomen.
Maar daarna had zich, als een kostbare edelsteen op een gouden sieraad,
de genegenheid, die het gevolg was van hun vertrouwelijk verkeer,
in die nog vage vereering gevoegd. En waar in zulke gevallen de
toenadering van beide kanten komt, bewaarheidt het spreekwoord "nul
n'est grand homme pour son valet de chambre" zich niet. Sietske was
wel niet Dekker's kamermeisje, maar het gezegde beduidt, meenen wij,
dat de aureool, die eene vereering uit de verte om de slapen van
den vereerden heeft gekranst, meest verbleekt door de prozaïsche
ontdekkingen, die de werkelijkheid eener persoonlijke kennismaking
medebrengt. En dit geschiedde hier niet. De bewondering verloor wat er
nog koel en op-een-afstand in was. De vrees, de bedeesdheid verdween,
en eene bewondering vol warme genegenheid stelde zich in de plaats.
Want Dekker was iemand, wiens persoon de indrukken bevestigde, die
de lezing zijner werken had doen geboren worden. Zijne ziel stond op
zijn gelaat te lezen, zijn hooge natuur wachtte niet op pen en papier
om zich te doen gelden, maar schitterde ook in het gesproken woord,
in de aanhoudende improvisatie van vernuftige gedachten, die zijn
gesprekken waren.
De genegenheid van Multatuli en Sietske Abrahamsz is in deze drukke
en bonte periode het fijnst gekleurde en liefelijkste lotgeval. En
als wij niet gedwongen waren steeds het droeve beeld van Tine op den
achtergrond van Dekker's leven te zien, zouden wij met nog langduriger
aandacht en meer onvermengde appreciatie in de beschouwing dezer hooge,
mooie betrekking blijven verwijlen.
In 't algemeen kan men zeggen, dat van de vijf zeer uiteenloopende
betrekkingen met vrouwen, (Tine, Eugénie, Pauline, het ontbijtstertje
en Sietske,) waarin wij Multatuli hebben beschouwd, die met Sietske
de meest ongemeene en meest typische was, omdat hoofdzakelijk
den kunstenaar in Multatuli hare genegenheid gold en omdat hij
in haar eene vertegenwoordigster aantrof van de sympathieën, die
Nederlandsche lezeressen meer nog dan Nederlandsche lezers voor zijn
werken gevoelden.