Het jaar 1890 is wel een rijk jaar geweest voor boekhandel en
letterkunde; rijk aan voor den boekhandel veelbelovende en te
gelijk--wat maar al te zelden het geval is--voor de letterkunde
interessante uitgaven. Van de in dat jaar verschenen werken,
welke betrekking hebben op de geschiedenis der letterkunde, kan er
ongetwijfeld geen in beteekenis wedijveren met de deelen Brieven [1],
waaraan het ons een genoegen is eene bespreking te kunnen wijden.
Er zijn drie hoofdsoorten van auteursbrieven. Vooreerst die, waarvan
de schrijvers er naar streven de minste met hun naam geteekende
schrifturen tot vlekkeloos grammatikaal-korrekte stukjes te
fatsoeneeren, waarvan de schrijvers geen onderscheid maken tusschen
hun voor de drukpers en het publiek en hun voor een post-couvert en
een enkelen persoon bestemde bladzijden. Hun eenvoudigste briefjes
zullen glad, netjes en "mooi" zijn als de steeds "aan kant" gehouden
zitkamer eener Hollandsche vrouw, maar zullen ook geen spoor van
de charme eener huiselijk-intieme, ongewild-oprechte en pittoresque
wanorde vertoonen. Het echte intérieur van hun gemoedsleven, bevroren
in keurige spraakkunstvormen,--zij 't ook met de koude pracht van
een ijspaleis,--getoiletteerd met eene onberispelijke punktuatie,
zal voor hun lezers nooit gemakkelijk te betreden en geheel te leeren
kennen zijn.
De tweede soort auteursbrieven zijn die, wier schrijvers een radikaal
onderscheid maken tusschen gedrukt en ongedrukt. Als deze de pen ter
hand nemen om haar gedurende eenige uren in dienst te stellen van
de drukpers, doen zij hunner gedachte en de uitdrukking daarvan iets
als een officiëel, konventioneel tuig aan, gebruiken alleen algemeen
aangenomen en vaststaande zins- en stijlwendingen, die hun overigens
even gemeenzaam zijn als aan ambtenaren van den Burgerlijken Stand
en aan Geestelijken de formule der huwelijksplechtigheden. Maar,
als ware daar toch iets minder aangenaams in, hoe wreken zij zich op
hunne eigene, in hun schatting verplichte, deftigheid, als, in een
ander gedeelte van den dag, het uur der gemeenzame korrespondentie
heeft geslagen! Dan vermeien zij er zich in, zoo gemakkelijk mogelijk,
ja, meer dan gemakkelijk, achteloos, slordig, zich in hemdsmouwen te
bewegen. Daardoor ontstaat zulk een buitensporig verschil tusschen
hun publieke en hun private geschriften, dat eene vergelijking van
die twee soorten voortbrengselen zou doen wanen, dat men met twee
menschen te doen heeft in plaats van met een en denzelfden.
De derde soort auteursbrieven gelijken den eerstgenoemden, doch op
omgekeerde wijze. Het zijn de brieven dier schrijvers, die denken,
spreken, boeken schrijven, en brieven schrijven, alles op de zelfde
manier, en wel niet op een vooraf door hen bedachte of aangenomene,
maar alleen zóo, als hun gemoed en geest het hun op 't oogenblik van
't schrijven zelf ingeeft. Van hen kan men met alle recht zeggen,
dat zij schrijven in den meest ongebonden aller stijlen. Zij bemoeien
zich niet met stijl, zij laten de kompositie van hun stijl geheel
aan de spontane werking hunner stemming over.
Multatuli behoorde tot deze laatste schrijvers. Behalve dat de toon in
zijn publieke werken hier en daar iets hooger is aangezet, heeft hij
al die werken geschreven alsof het intieme brieven waren. Dát althans
kunnen wij nu met de meeste stelligheid weten. Wij zijn nu in staat
de brieven, de huishoudelijkste en innigste brieven naast de openbare
werken te leggen en te konstateeren: Multatuli heeft nooit kunnen
vermoeden, dat deze brieven eens openbaar zouden worden, hij schreef,
zooals hij dacht, en: zijn ander werk is precies als deze brieven. Ook
in dat andere werk schreef hij dus zooals hij dacht. Deze man heeft
de o. a. door Zola in Musset als zeldzaam geprezen verdienste van
nooit te hebben gelogen.
Laat ons dus herhalen: nu wij deze brieven bezitten, nu wij dus
zonder zweem van twijfel weten, dat Multatuli zich steeds gaf,
zooals hij was, nú kunnen wij pas degelijk aan de karakteristiek van
zijn persoon arbeiden, zonder vrees dat later eventueel te ontdekken
gegevens onze waardeeringen zouden kunnen beschamen. En daarom zijn
deze Brieven zulk een belangrijke uitgaaf te achten, en daarom behoort
het Nederlandsch publiek mevr. Dekker dankbaar te zijn, dat zij deze
uitgave heeft ondernomen.
Er is een belangrijk verschil in opvatting van hunne taak als
uitgeefster der Brieven hunner echtgenooten tusschen mevr. Dekker
en mevr. Huet, belangrijk en zeer eigenaardig. De koele en effen
brieven van onzen scherpen en kalmen officiëelen kritikus heeft
zijne vrouw ons gegeven, zoo maar, zooals zij daar lagen, zonder
eenig kommentaar, zonder emendaties, als archiefstukken ten behoeve
der letterkundige geschiedenis. De ongedurige, woelige, nooit eens
even bedaarde maar altijd hartstochtelijke epistolaire uitingen van
onzen niet-officiëelen philosoof, romanschrijver en prozadichter,
worden ons voorgelegd als heftige pleidooien in een polemiek, die nog
maar niet wil uitsterven, en mevr. Dekker omgeeft ze van, wikkelt
ze als 't ware in, kommentaren, in even intiemen toon gesteld als
de brieven zelf, en waar zij onophoudelijk zoo nadrukkelijk mogelijk
partij kiest voor haar beminden en vereerden man. Multatuli's vurige
ziel werkt na zijn dood nog na, er komt nog vuur uit zijn graf, deze
brieven zijn als de laatste brandende opwellingen van een vulkaan,
dien men ten onrechte reeds voor geheel uitgeput hield.