Een slechte ruil.
De laatste, die van de "Mars" afvoer, was de boot van de "Koning van
Polen" en de daarin wachtende matrozen keken vreemd op toen Kapitein
Londenaar heel beleefd eene jonge vrouw van de neergelaten scheepstrap
in de boot bracht, en haar bij zich aan het roer een plaatsje gaf.
Wat de matrozen elkander zoo al lachend in de ooren fluisterden, willen
we liever maar niet vertellen, te meer niet, omdat er onder de roeiers
toch geen enkele van onze oude kennissen was.
Toen Kapitein Londenaar in de nabijheid van zijn schip kwam, zag hij dat
er twee jonken naast lagen en nauwelijks was hij op het dek, of Henri
Quatre trad op hem toe en zeide: "Kapitein, terwijl u den krijgsraad
bijwoonde, zagen wij twee Chineesche jonken. Ik heb toen op eigen houtje
gehandeld en ze laten nazetten."
"Wij hebben gezien, dat het gedaan werd," sprak Londenaar. "En hoe is
het afgeloopen?"
"Dolf is zoo gelukkig geweest, de beide jonken in te halen en op zijne
dreiging, dat ze hem te volgen hadden, of dat ze anders door de heele
vloot in den grond zouden geschoten worden, zijn ze hem gevolgd. Daar
liggen de jonken en het volk is beneden in het ruim. Heb ik goed
gedaan?"
"Heel goed, Stuurman, heel goed! Maar op het oogenblik heb ik andere
zaken. Een paar minuten maar."
Hij wendde zich hierop tot Joost en Kreeft en zeide: "Laat de
scheepstrap neer!"
"Goed, Kapitein," antwoordde de oude man, maar binnensmonds mompelde
hij: "Welk een voornaam personage zullen we nu aanboord krijgen?"
Onder aan het schip lag nog altijd de boot en daar er nog al zeeën
gingen, zoo had Joffer Cos zich het hoofd en het bovenlijf geheel met
een' mantel bedekt. Van het dek af had men dus niet gezien, dat er eene
vrouw in de boot was.
Zoodra de scheepstrap neergelaten was, daalde Kapitein Londenaar af en
hielp Joffer Cos uit de boot op het dek. Vol verbazing zagen de mannen
haar aan en toen ook de roeiers uit de boot op het dek waren, zeide
Kapitein Londenaar: "Mannen, deze Joffer is de Bruid van Heer van Dam,
den Landvoogd van Amboina, en tegelijk een onzer Bevelhebbers. Zij zal
voor een paar dagen de gast zijn van den Kapitein en de bemanning van de
"Koning van Polen". Ik vertrouw dat ze een' goeden dunk van ons zal
medenemen!"
"Leve de Bruid van den Landvoogd!" riep Garrit en smeet van pure
geestdrift zijne muts zóó hoog, dat de wind haar opnam en in zee woei.
Natuurlijk werd dit welkom door heel de bemanning herhaald. Alleen Oude
Joost schudde het hoofd en bromde: "De "Koning van Polen" krijgt al
vreemde ballast in."
Kapitein Londenaar bracht Joffer Cos naar zijne hut en verzocht haar,
het hem niet euvel te duiden, als hij haar een oogenblik alleen liet,
daar hij zaken in orde te brengen had, die geen uitstel konden velen.
"Ga uw' gang, Kapitein! Ik ben eene gemakkelijke gast! Maar als ge lang
wegblijft, dan mag ik, als ik mij hier begin te vervelen, mij toch wel
op het dek vertoonen?" zeide Joffer Cos met een vriendelijk lachje, en
liet daarbij twee rijen hagelwitte tanden zien, waarmede ze wel wat
scheen te willen pronken.
"Natuurlijk, Joffer! U is zoo vrij als een vogel in de lucht. Maar ik
zal zoo lang niet wegblijven," antwoordde Londenaar en verwijderde zich.
Zoodra hij weer op het dek gekomen was, begaf hij zich naar Meester
Pruymius, die al vast bezig was pluksel te maken en verbanddoeken in
gereedheid te brengen. Geholpen door Dirk en Garrit zat hij voor een'
hoop linnen tusschen twee groote kisten en een paar bamboe-manden. Hij
zelf was gewapend met eene schaar en knipte lange reepen, waaraan Dirk
met zeilmakers-garen, omdat men geen fijner bij de hand had, zoomen
naaide en bandjes vastmaakte. Uit de overgebleven stukken maakte Garrit
pluksel en hij ging hiermede zoo vlug te werk, dat hij al eene
bamboe-mand tot het randje vol had. Onder deze bezigheid werden de
beide knapen "opgevroolijkt" door de vertellingen van Meester Troost
der Armen, die eigenlijk van niets anders sprak dan van allerlei akelige
verwondingen.
Op het laatst maakte hij het evenwel zóó erg, dat Garrit uitriep:
"Meester, ik wilde wel dat ge met uw akelige vertellingen twintig
zeemijlen van me af waart!"
"Nog liever vijftig!" verbeterde Dirk.
"Uw wensch zal vervuld worden, jongens," sprak op dit oogenblik de
Kapitein, die lachend al die verbanddoeken en die mand vol pluksel
bekeek.
Meester Troost der Armen keek verwonderd op.
"Ja, Meester! De wensch dezer jonge borsten zal letterlijk vervuld
worden. Beneden licht de boot te wachten, welke u overbrengen zal naar
het Admiraalsschip waarop de barbier gestorven is! Dolf, wilt ge zoo
goed zijn hem er heen te brengen en dan aan den Admiraal of Heer van Dam
te vragen, wat we met de Chineezen moeten aanvangen. Deel hun dan meteen
mede op welke manier gij die twee jonken nagezet en genomen hebt, dan
weten ze althans, dat die Chineezen de nadering der Hollandsche vloot
niet aan de vijanden verraden hebben. Wij allen hadden er vrees voor."
"Goed, Kapitein," sprak Dolf. "Ik zal alles mededeelen, zooals het
gegaan is. En nu, ik ben klaar! Kom, Meester, mee!"
"Maar ik heb mijne medicamenten-kist hier nog niet!"
"Er is eene beste aanboord van de "Mars", goede vriend," zeide de
Kapitein. "De barbier daar had er ook eene."
"Jawel, maar mijn pluksel en mijne verbanddoeken!"
"Die kunnen mede! Hier, Hoepel, deze manden en kisten in de boot. Ze
zullen misschien wel noodig zijn."
"Maar mijne potten met troost der armen!"
"Garrit, hier is eene ledige mand! Haal hierin vijf of zes potten
"troost", zei Londenaar lachend.
"En dan het wonderwater van Serbiette, en de potten met die Chineesche
zalf, die, die, die borreborrie!"
"Maar, Meester, je zult daar tusschen al die potten, pannen, manden,
kisten en flesschen zitten, als een Nassauer op de Pottenmarkt te
Middelburg," riep Hoepel en schaterde van het lachen, alleen bij de
gedachte dat hij den barbier daar zou zien zitten.
Meester Pruymius zette eene hooge borst en zeide: "De lijfarts van de
Bevelhebbers der vloot moet toonen, dat hij geen kwâjongen is, die alles
op een koopje doet!"
Ondertusschen had de eene matroos na den anderen een' pot, eene kruik,
eene flesch of eene mand gehaald, en één zelfs kwam met een' versleten
zwabber aan, gaf dien aan Meester Troost over en zeide; "Een
wonderwasschertje, Meester!"
"Nu, nu, spels genoeg! Brengt dien rommel, waar ge hem gehaald hebt! De
Heeren zouden anders wel denken, dat we hen voor den gek hielden. En,
vlug in de boot! De "Mars" wacht op onzen Meester om te vertrekken,"
beval Londenaar.
Hoe Meester Troost ook tegenpruttelde, hij kreeg slechts eene flesch
wonderwater, ééne mand "troost" benevens één' pot met borreborrie mede.
Hij wilde ook nog een welsprekend afscheid van de bemanning nemen, doch
de Kapitein maakte er een einde aan door hem in het oor te fluisteren:
"Wees verstandig, Meester, en zwijg liever! Het volk is te dom om uwe
geleerdheid te begrijpen! Gij zoudt niet veel meer doen dan paarlen
voor de zwijnen werpen. Ga maar gauw in de boot. Men wacht u."
Hierdoor gevleid daalde Meester Pruymius den valreep af en kort daarop
was hij aanboord van het Admiraalsschip, waar hij door de bemanning met
een: "Hoezee! Meester Troost! Hoezee!" ontvangen werd.
Een uur voor zons-ondergang was Dolf op de "Koning van Polen" terug.
"Kapitein," zei hij, "Admiraal Truytman en Heer van Dam hebben
gezegd, dat ge de jonken op sleeptouw medenemen moet en het volk wel
behandelen. Wanneer we over een paar dagen bij het eiland Tanah-kéké de
boodschap ontvangen, dat het tusschen ons en den Koning van Makassar
botertje tot op den boôm is, dan kunt ge ze vrij laten."
"En als het eens andersom is?"
"Dan zal men u een nader bericht zenden. Maar vooral moest ik u op het
gemoed drukken de mannen goed en vriendelijk te behandelen en niet op te
sluiten. Men moest hen evenwel scherp in het oog houden en zorgen, dat
ze des nachts niet in alle stilte de wacht overrompelen en het schip
ontvluchten. Hij, Admiraal Truytman namelijk, zeide, dat ze er best toe
in staat zijn om zoo iets te doen."
"Ook zonder dat me dit bevolen werd, zou ik het gedaan hebben. Maar wat
beteekenen toch al die kisten, die ze daar op dek hijschen?"
"Dat zijn reiskoffers van Joffer Cos, Kapitein! Er zijn ook kisten met
Chineesche lekkernijen bij en die zijn ook voor de Joffer. Maar ééne
mand is voor u en het volk. Heer van Dam wilde, dat we van avond op de
gezondheid zijner Bruid een extra-oorlam drinken zouden!"
"Goed, goed! Laat al die pakken en kisten maar in de hut bij de Joffer
brengen. Ze zal zeker.... Wacht, daar komt ze zelve reeds aan!"
"Wat noemt u toch lang, Kapitein," dus begon ze met een lachje en liet
weer hare tanden zien, "als u een klein uur niet lang noemt? Ik begon
mij te vervelen, en daar ik door het venster der kajuit eene boot met
mijne kisten zag naderen, dacht ik de vrijheid te mogen nemen eens op
het dek te komen!"
Dolf naderde haar en haar een briefken overreikend, zeide hij: "Met de
groeten van Heer van Dam, Joffer!"
Joffer Cos opende het briefje en in dien tijd namen de matrozen en
Officieren de gelegenheid waar, de jonge weduwe eens goed op te nemen.
Na het lezen ging ze naar den Kapitein en zeide: "Ik zal u wel niet lang
van uwe kajuit berooven, Kapitein! Heer van Dam meldt me, dat ik over
een' dag of drie wel weer aanboord van de "Mars" zal kunnen
terugkeeren. Doch wil u zoo goed zijn, deze pakkage in de kajuit te
laten brengen? Zooals ik lees, heeft Heer van Dam ook voor eene
versnapering voor u en uw volk gezorgd. Dat is goed. Ik heb vanavond
niets meer noodig en zou gaarne alleen met mijne gedachten zijn. U
begrijpt wel dat eene arme weduwe, als ik ben, die alweer op het punt
staat met een wakker dienaar der Compagnie in het huwelijk te treden,
gaarne eens even stil droomen wil van hetgeen haar in de toekomst
mogelijk wachten zal."
Alweer lachte ze vriendelijk en begaf zich naar de kajuit, doch toen ze
Joost voorbijliep en deze bij ongeluk met zijne ruwe, beteerde
matrozen-hand haar' blanken arm aanraakte toen hij eene kist oplichtte,
keek ze hem zóó nijdig en zóó uit de hoogte aan, dat de man er heelemaal
verslagen van was.
"Kan jij niet beter uit jouw oogen kijken, oude lomperd?" snauwde zij
hem toe. "Of hebt jij jouw oogen soms ook in den zak zitten?"
Joost zette de kist terstond neer en wilde heengaan.
"Nou, pak op!" beet ze hem toe, en ook nu kwamen de hagelwitte
tanden te voorschijn.
Henri Quatre was de eenige, die er iets van gehoord en gezien had. Hij
ging naar die twee en zeide: "Die kist is u te zwaar, brave kerel! Er
wordt te veel boven op gelegd! Ik zal ze wel in de kajuit brengen!"
Joost verwijderde zich en scheen met de grove vuist wat uit de oogen te
boenen, dat uit het waterland afkomstig was. Hij zeide evenwel niets.
Henri Quatre zette de kist in de kajuit neer en wilde ook heengaan, doch
Joffer Cos hield hem tegen en vroeg: "Is u hier Eerste Stuurman
aanboord?"
"Jawel, Joffer," antwoordde Henri Quatre met eene buiging, alsof hij
als student voor eene schoone burgemeesters-dochter stond, gereed haar
ten dans te vragen.
[Illustratie]
Joffer Cos zag hieraan dadelijk, dat hij een man van beschaafde vormen
was, en meende al een heel wit voetje bij hem te krijgen door hem weer
lachend hare tanden te laten zien, en beleefd toe te voegen: "Wat
bedoelde u toch om tegen dien lompen kerel te zeggen, dat er te veel op
de kist gelegd werd? Er ligt toch niets op?"
"Joffer, onverdiende scheldwoorden uit een' schoonen mond zijn
onzichtbaar, maar wegen zwaarder dan lood! Gij hebt den braafsten man en
misschien den dappersten kerel van de "Koning van Polen" bitter
gegriefd. En als dat uw wil niet geweest is, maak het dan bij hem met
een hartelijk en vriendelijk woord weer goed! Nu weet u, wat die kist
voor den braven oude zoo zwaar maakte."
"De Bruid van den Landvoogd van Amboina is de gelijke niet van een'
zeebonk! Gij kunt gaan, Stuurman," antwoordde de Joffer geraakt en
keerde hem den rug toe.
Henri Quatre verwijderde zich, haalde minachtend de schouders op en
bevond zich spoedig op het dek.
"Een aangenaam onderhoud gehad, Willem?" vroeg Dolf.
"Ik gun je er zoo een van ganscher harte, Dolf, maar dan moet je eerst
mijn vijand worden. Zij is begonnen met onzen goeden Joost een lomperd
te noemen en geëindigd met mij de deur te wijzen, omdat ik haar durfde
zeggen, dat ze den braafsten kerel van heel de vloot beleedigd had. Hoe
eer we die trotsche dame kwijt zijn, hoe liever!"
"Trotsch, het is mogelijk," zeide Dolf, "maar wanneer men hier in de
Oost niets anders ziet dan bruine mannen aanboord en leikleurige mannen
en vrouwen aan den wal, dan is het een heel verzetje om eens zulk eene
jonge en schoone Hollandsche vrouw te zien. Zag je wel haar mooi mondje
met prachtige tanden? Mensen, men zou er immers de oogen op uitkijken?"
"Kijk je oogen dan nog liever op eene oude Javaansche vrouw uit," zeide
Henri Quatre. "En mooie tanden? Zeker! Poes is ook poezel en heeft ook
mooie tanden! Noem haar Joffer Poes en beklaag hem, die haar tot vrouw
krijgt."
"Stuurman," sprak Kapitein Londenaar, "wapen eenige mannen en laat
dan de Chineezen boven komen. Ik wil er inspectie over houden en hun
zeggen, wat ze weten moeten."
Dolf, tot wien dit bevel gericht was, wapende eenigen der manschappen en
toen dit geschied was, begaf hij zich met een viertal naar het ruim,
deed het luik open en trachtte den Chineezen door teekenen duidelijk te
maken, dat ze op het dek moesten komen.
De Chineezen begrepen hem zeer goed, en het was voor de arme kerels, die
inderdaad zonder opzet met hunne jonken temidden van de Hollandsche
vloot verzeild waren, een welkom bevel.
De een na den ander verliet het dompige hol en op het dek gekomen,
werden ze door Henri Quatre in twee rijen geschaard, en toen dat
geschied was, verscheen de Kapitein door gewapend volk omringd.
De Chineezen vielen dadelijk, met hunne aangezichten over de gevouwen
handen gebogen, op de knieën, ten bewijze van hulde en onderdanigheid.
IJzeren Neptunus, gekleed in de waardigheid van Scheeps-bevelhebber, met
de sjerp om het lijf, schreed langzaam tusschen de geknielde Chineezen
voort en toen hij de einden der twee rijen bereikt had, stond hij stil
en had hun gaarne wat gezegd, als hij de Chineesche taal slechts machtig
ware geweest.
De Kapitein der Amboinneezen, die ook op het dek stond, scheen te
begrijpen, wat er aan haperde. Hij ging nu naar Kapitein Londenaar en
zeide, dat hij wel met die lieden spreken kon, zoodat hij gaarne, als
tolk zou optreden.
Met vreugde nam de Kapitein dit voorstel aan en zeide nu door middel van
zijn' tolk tot de Chineezen:
"Mannen, wij gaan den valschen Koning van Makassar beoorlogen om hem te
dwingen de Compagnie voortaan niet meer door verraderlijke listen en
streken te benadeelen."
De Chineezen knikten, alsof ze zeggen wilden: "We begrijpen u, ga maar
voort!"
"En opdat de Makassaren niet, ons ten nadeele, van het hun dreigende
gevaar zouden verwittigd worden, zoo hebben we ons genoodzaakt gezien u
met uwe jonken aan te houden. Gij zijt evenwel geene gevangenen en ge
kunt u hier aanboord vrij bewegen. Maar de eerste de beste, die pogingen
aanwendt, te ontvluchten, wordt zonder genade op staanden voet
doodgeschoten. Na verloop van twee of drie dagen zult ge denkelijk uwe
vrijheid terugkrijgen en de jonken, met alles, wat er op, in en aan is,
nemen we op sleeptouw. Gij kunt er dan mede heengaan, waar het u
belieft. Den kost deelt ge met de manschap hier aanboord, tenzij uw
godsdienst zulks verbiedt. In dit geval geef ik u de vergunning te eten,
wat ge in de jonken in voorraad hebt. Onder goed geleide moogt ge dat
halen, doch hier aanboord moet gij het eten. Uwe slaapplaats zal zoo
goed zijn, als die van één onzer. Dat was het, wat ik u te zeggen had.
Stuurman, wijs hun de matten, waarin ze den nacht zullen doorbrengen."
De aangezichten der gevangenen zagen er na de toespraak vrij wat
opgeruimder uit dan er voor, en toen ze een poosje later weer op het dek
kwamen, had het al den schijn, dat er bij geen van allen plan bestond,
te ontvluchten. Zij maakten op hunne manier praatjes met onze matrozen
en hier en daar waren er zelfs, die zich met enkelen van het volk
vermaakten met het leelijke gezicht, dat Joost voortdurend trok.
Even voor het ondergaan der zon ging de heele vloot weer in zee en
deelde de Kapitein van de "Koning van Polen" een extra-oorlam uit om
dat te drinken op de gast van het schip, de Bruid van den Landvoogd van
Amboina.
Het was een kostelijke drank, doch Henri Quatre en Joost weigerden van
den wijn te proeven.
"Nu, nu," zei Hoepel, "zet maar niet zoo'n gezicht, Joostje,
alsof er honderd oorwormen in den beker rondzwommen! Lust jij 'm niet,
goed, geef dan je portie mij maar. Dat is nog een ander kostje dan het
water, dat we onder de Linie dronken. Nu, hoor, je gezondheid en de
gezondheid van de mooie Bruid!"
Op dien krachtigen dronk volgde een oogenblik van dolle vreugde, doch
weldra werd er bevel gegeven ter kooi te gaan en de wacht te betrekken.
"Zeg, Dirk, wat zou er toch aan den Ouwen Joost haperen?" vroeg Garrit,
toen ze zich gereed maakten om de wacht te betrekken. "Hij keek zoo echt
verdrietig, maar toen de bottelier hem het extra-oorlam wilde geven,
scheelde het maar weinig of hij sloeg het hem uit de handen. Hij was
echt nijdig, dat zeg ik."
"Och, eene oudemans-bui, jongen," luidde het antwoord.
"Wat scheelt er toch aan, Joost?" vroeg nog een oogenblik later Dolf,
die mede de wacht had. "Is er soms wat gebeurd? Zeg het dan, je weet
wel, dat ik het goed met je meen!"
"Ja, Stuurman, ja!"
"Heeft die dame met die mooie tanden u soms van streek gebracht? Joost,
Joost, ik dacht dat je die malle jaren te boven waart!"
"Wat doen we met zulk een katvisch en zulk een hutspot aanboord van de
"Koning van Polen," dat vraag ik," bromde de oude man.
Dolf en Garrit barstten in lachen uit en de eerste riep: "Maar, Joost,
jongen, die Joffer behoort dan toch niet tot dat, wat men katvisch of
hutspot noemt?"
"Ze behoort er niet bij en is er toch bij gedaan; de hutspot wordt er te
slechter door. Een hoop Chineezen en eene Joffer, die de deur toedoet.
Heeft een schip ooit zulk een zoodje als bemanning gehad?"
Op dat oogenblik werd de deur van de kajuit geopend en trad de vrouw,
over wie men het zoo even nog gehad had, naar de kampanje waar de
Kapitein stond.
"Er zijn ratten aanboord, Kapitein," zeide ze op vrij luiden toon.
"Hoort u wel, er zijn ratten!"
"Dat weet ik, Joffer! En dat is lastig gezelschap; maar er is al weinig
aan te doen!"
"Wat zegt u," riep de ontevreden dame op schellen toon, "is er weinig
aan te doen? U heeft toch volk genoeg aanboord!"
"Volk genoeg, maar katten te kort. Een matroos is een slecht
rattenvanger, Joffer! Intusschen doet het me leed, dat ze u in den slaap
gestoord hebben! Maar zou u niet naar binnen gaan? Het wordt koel op het
dek!"
"En de ratten dan, Kapitein?"
Thans was het geduld van den goedigen Londenaar teneinde, en eenigszins
boos, en zonder aan hare gewoonte te denken, zeide hij driftig: "Dan
laat u dien beesten de tanden maar zien en roept ge: koest!"
Henri Quatre, die altijd goedlachsch was, schoot in een' helderen lach,
en dat maakte de Joffer zóó boos, dat ze uitriep: "Het volk is lomp;
maar de Kapitein is de lompste van allen!"
"Een gast kon wel anders spreken, Joffer! Thans verzoek ik u
oogenblikkelijk heen te gaan. Als u op de "Mars" is, kan u doen en
zeggen, wat u begeert; maar op de "Koning van Polen" ben ik Koning en u
behoort tot mijn gevolg. Dat gevolg heeft te gehoorzamen." Hij daalde nu
de trap van de kampanje af en vroeg: "Mag ik de Joffer ook naar binnen
brengen?"
Kapitein Londenaar bood haar zijn' arm aan, doch zij stiet hem terzijde,
liep naar de kajuit en sloeg de deur zoo hard dicht, als ze kon.
"Nu maar, ik gun Heer van Dam dat presentje," zeide Henri Quatre.
"Als hij haar krijgt...."[30]
"Dan koopt hij eene kat in den zak," vulde Joost aan, die door dit
voorval weer geheel in zijn humeur gekomen was. "Maar met dat al heeft
de "Koning van Polen" dan toch een vreemd gevolg, zou ik zoo zeggen."
Hiermede liep het gesprek over Juffer Cos ten einde, doch den volgenden
dag wist iedereen, wat er des avonds laat nog voorgevallen was. De
matrozen staken er braaf den gek mede en algemeen kreeg de weduwe den
bijnaam van Joffer Poes. Eenigen hadden zelfs afgesproken, als zij op
het dek kwam, om dan te gaan mauwen. Zij scheen evenwel niets met het
dek te hebben uitstaan en liet zich al den tijd, dat ze in volle zee
waren, niet zien.
Op den bepaalden dag, den tienden Juni, kwam de vloot bij het eiland
Tanah-kéké en terstond begon men overal zich slagvaardig te maken. Al
spoedig zagen ze eene prauw, en in het eerst dacht men, dat het volk,
dat er in zat, de boodschap kwam brengen, dat de vrede gesloten was,
doch toen zij zich schielijk verwijderde, begreep men, dat de zaak niet
in den haak was. Ze stonden juist op het punt haar te achtervolgen toen
de "Mars" en de "Breukelen" in het gezicht kwamen. De heele vloot
zeilde deze twee schepen te gemoet en van het Admiraalsschip werd weer
geseind om krijgsraad te houden. De boot van de "Koning van Polen"
werd neergelaten en toen men wilde afsteken, kwam, onder het gemauw van
al het scheepsvolk, Joffer Cos bij den valreep, klom naar beneden,
sprong in de boot en zette, zonder een woord te spreken, maar rood van
kwaadheid zich bij de voorplecht neer. Op hetzelfde oogenblik kwam van
het Admiraalsschip eene andere boot en in deze zat Meester Troost der
Armen.
"Hoezee!" riep Oude Joost vroolijk uit. "Hoezee! De ruil was al te
slecht! Hoezee!"