EEN ONVERWACHTE GEBEURTENIS.

Beide mannen waren bleek geworden.

Zij wisten maar al te goed wat het beteekende, als de politie hen op de

hielen zat.

„Verraad,” knarsetandde Warren.

Woedend vloog hij op Raffles af, en dreigend hief hij een

papiersnijder, die hij van de schrijftafel had afgenomen, in de hoogte.

Raffles had al heel spoedig zijn tegenwoordigheid van geest

teruggekregen.

„Wees toch verstandig, Warren. Mijn eerewoord, dat ik je niet verraden

heb. En de papieren zijn veilig. Dat verzeker ik je.”

Deze woorden, met nadruk gesproken, misten hun uitwerking niet.

„Ik geloof je, Raffles,” sprak hij, „en ik vertrouw ook, dat je me nu

zult helpen en redden.”

„Als de politie tegen ons is, dan vechten we samen.”

„Dat is goed! Beveel jij—ik zal gehoorzamen!”

De oogen van den meester-dief straalden.

„Vooruit dan, klim vlug in de kast,” beval hij.

Warren keek hem een oogenblik met wantrouwen aan.

Daar werd weer op de deur gebeukt.

„Vooruit,” drong Raffles nog eens aan.

Warren deed nu, wat hem gezegd werd.

Raffles sloot de kastdeur, en ging naar de huisdeur.

Daar stonden vier politie-agenten onder leiding van een inspecteur van

de recherche, en zij waren niet weinig verbaasd, den Italiaanschen

politie-beambte hier aan te treffen.

„Ik zie,” sprak hij, „dat ik onverwachte hulp krijg. Goeden morgen,

heeren! Wien zoekt ge?”

„Waarschijnlijk denzelfde als gij. Namelijk John Raffles, den beruchten

inbreker.”

„Ja, inderdaad, dien zoek ik ook.”

„Mag ik weten, met wien ik het genoegen heb?” vroeg de Fransche

inspecteur.

„Zeker, mijn naam is Bassignole, uit San Remo. Ik ben zoo juist te

Cannes aangekomen, want wij kregen bericht, dat Raffles zich verscholen

hield in de villa van vorst Alex Grigoriew in de Avenue Gambetta. Maar

kom toch binnen, heeren!”

De Fransche politiemannen gingen binnen, en Raffles sloot de deur,

waarna hij de sleutels bij zich stak.

Thans vervolgde hij:

„Ik ben per automobiel haar hier gegaan, om den vogel te knippen. Maar

hij is, helaas, reeds gevlogen.”

De Franschen keken teleurgesteld.

„Hebt ge den eigenaar van de villa reeds gesproken?”

„Vorst Grigoriew?”

„O zeker, hij is een kwartier geleden de deur uitgegaan, om eenige

zaken af te wikkelen.”

Op fluistertoon vroeg de inspecteur den meester-dief: „Zoudt gij

denken, dat vorst Grigoriew met dien Raffles onder één hoedje speelt?”

„Geen kwestie van,” antwoordde John met volle overtuiging.

„Er zijn lieden, die dergelijke vermoedens uitspreken.”

„Dat zijn praatjes, louter praatjes. De vorst is een speler, maar dat

zijn alle Russen.”

„Ge hebt gelijk, dat dacht ik ook al.”

„Maar hebt ge al eens rondgekeken in huis, of de inbreker zich ergens

verborgen heeft?”

„Ja, ik heb al wat rondgekeken, en de dienstboden op een kamer

opgesloten.”

„Waarom dat?”

„Opdat die lieden Raffles niet in zijn vlucht zouden kunnen helpen. Die

meester-dief verstaat namelijk uitstekend de kunst om de

ondergeschikten altijd op zijn hand te krijgen.”

„Ge hebt heel verstandig gehandeld, meneer Bassignole.”

„Dank u.”

„Denkt ge, dat Raffles hier in huis is?”

Lord Lister haalde de schouders op.

„Ik zou het u inderdaad niet kunnen zeggen.”

„Hebt ge dan nergens een spoor van hem gevonden?”

„Niet het minste, maar ik heb ook nog niet al te nauwkeurig het huis

doorzocht, want ik wilde juist naar het politiebureau telefoneeren. Nu

is dat echter niet meer noodig, daar wij met behulp van uwe manschappen

alles kunnen doorzoeken.”

„Zeker, dat zullen we.”

„De vorst verzocht mij, om zijn eigendommen te willen ontzien.”

„Dat is niet meer dan natuurlijk.”

Willy Warren, die in de ouderwetsche kast eerst duizend vreezen had

uitgestaan, was langzamerhand kalmer geworden.

Nu bewonderde hij in stilte de handigheid van den genialen Raffles, die

inderdaad meesterlijk de kunst verstond om de zaakjes te plooien.

Doordat Raffles aanbood het huis te doorzoeken, verviel natuurlijk elke

achterdocht, dat de vorst en de inbreker onder één hoedje speelden.

De politie ging zoeken.

Niets werd echter gevonden, hoewel alles ondersteboven werd gehaald.

Men begon met de slaapkamer, volgden de kleed-, billard-, muziek-,

eet-, rook-, bibliotheek-, bad- en andere kamers. Volgden de salons en

logeerkamers, de meiden- en provisiekamers, de zolders, kelders, en

alles, wat bij de villa behoorde.

Maar nergens werd een spoor van Raffles gevonden. De dienstboden

zwoeren, dat zij hoegenaamd niets verdachts hadden bespeurd.

De middag was allang voorbij, toen men eindelijk het vergeefsche zoeken

moede was.

„Wacht even, collega”, sprak Raffles tot den inspecteur, toen men op de

eerste verdieping nog bezig was, „ik hoor daar den heer des huizes

thuiskomen. Ik zal hem even gaan opendoen, daar ik, zooals ge weet, de

voordeur heb afgesloten.”

De inspecteur koesterde geen achterdocht.

De meester-dief echter ging niet naar de voordeur, maar naar de

studeerkamer, om den ongeduldigen Bill uit zijn gevangenis te

bevrijden.

In weinig woorden vertelde hij hem alles, wat was voorgevallen en sprak

toen:

„Kleed je vlug, Warren, en zet den hoogen hoed op, alsof je van de

wandeling thuis kwaamt. Kom dan boven en ga goed te keer op Raffles.

Zweer den inspecteur, dat je den dief een kogel door het hoofd zult

jagen, als je hem ontmoet.”

Willy Warren was dadelijk in zijn rol.

Hij vond den inspecteur danig teleurgesteld, daar al het zoeken geen

resultaat had opgeleverd.

„Laat ons dan naar het politie-bureau gaan”, stelde Raffles voor, „ik

wil graag kennis maken met den commissaris. Misschien zijn er ook weer

nieuwe berichten binnengekomen.”

De inspecteur vond het goed.

Men nam afscheid van den vorst en verliet de fraaie villa.

Toen Raffles met de politie-mannen op straat kwam, zag hij een matroos

van de Fransche marine op en neer loopen.

Het was Charly Brand.

„Pardon, heeren”, sprak Raffles, „daar zie ik den ordonnans van mijn

vriend Camille Crébillon, den zee-officier. Sta mij toe, dat ik hem een

korte opdracht geef voor zijn heer, dien ik vanavond zou willen

bezoeken.”

„Ga gerust uw gang.”

„Ge kunt vooruitgaan, inspecteur. Ik volg dadelijk.”

De inspecteur groette en ging verder.

Raffles vloog naar Brand.

„Wel? Wat is er? Waar heb je gezeten?”

„Stil! De politie is ons op de hielen. Ga mee, naar het strand. Daar

ligt een bark klaar. Ik heb het schip gehuurd voor een reis naar

Sainte-Marguerite. We zeilen dadelijk weg.”

„En onze effecten? Ons geld?”

„Is allemaal al aan boord van het schip. Ik heb juist de hotelrekening

betaald, opdat lord Lister niet den naam van oplichter zal krijgen.”

„Je schijnt alles héél slim te hebben overlegd. Misschien ben je toch

wel verstandiger, dan ik dacht, beste jongen.”

Na enkele oogenblikken hadden de beide vrienden het strand bereikt en

het schip beklommen.

Het vaartuig stiet van wal, nog voordat de inspecteur van politie het

bureau had bereikt.

„Hebben wij proviand aan boord?” vroeg Raffles.

„Alles wat je maar verlangt.”

„Dan zullen we het er eens heerlijk van nemen, ik heb namelijk

vreeselijken honger.”

„Ga mee in de kajuit, de tafel is gedekt!”

„Prachtig, Charly! Je bent een beste kerel!” zei Raffles.

Hij bond zich het servet onder de kin en begon, zoo kalm mogelijk, te

eten, terwijl de bark met haar witte, schitterende zeilen de blauwe

golven van de Middellandsche Zee kliefde—de vrijheid tegemoet.

Lord Lister No. 0007: De speelvorst van Monaco · 第 26 / 26 题