Raffles had geen tijd te verliezen.
Hij was van oordeel, dat men het ijzer moet smeden als het heet is.
Uit zijn kleerenvoorraad nam hij de uniform van een Italiaansch
officier van politie, trok deze aan en ging naar de villa van Grigoriew
in de Avenue Gambetta.
Vorst Alex schrikte niet weinig, toen hij van zijn bediende vernam, dat
een politie-man hem wenschte te spreken.
Wat kon de Italiaansche politie van hem weten?
Hier, in Cannes kon immers niemand iets bewijzen.
Al de compromitteerende papieren lagen keurig verborgen onder de klok
in een geheime bergplaats.
Hij liet den officier binnenkomen.
Deze boog en nam plaats in een leunstoel.
„Ik kom wegens een aanklacht”, begon de bezoeker.
„Een aanklacht?”
Alex werd koud en bleek.
Wat was dat?
Zou hij een aanklacht hebben ingediend?
Hij?
Geen kwestie van.
Al had men hem al zijn millioenen en diamanten ontstolen, dan nog zou
hij wel oppassen, een aanklacht in te dienen.
Wat zou hij antwoorden?
Nog nooit was hij in zoo’n moeilijk parket geweest.
De bezoeker scheen echter niets van de verwarring te bespeuren en
vervolgde:
„Uwe Doorluchtigheid is vannacht bestolen en— —”
„Bestolen?” barstte „Diamanten-Bill” los, „bestolen? Ja, juist,
bestolen—bestolen!”
„De dief moet papieren van waarde hebben meegenomen, die verborgen
waren in een geheime bergplaats, onder een pendule.”
De valsche speler kromp ineen.
Wat?
Onder de pendule vandaan?
De vorst stond op en vloog naar den schoorsteen toe.
Een enkele blik overtuigde hem ervan, dat de compromitteerende papieren
inderdaad mankeerden.
En de politie wist dus al van den diefstal!
Welke schurk kon haar hebben ingelicht?
Ha! Hij was er!
Natuurlijk alleen de dief zelf!
Maar wie kende zijn geheimen?
„Raffles!”
Als een bliksemstraal vloog hem die naam door het hoofd.
Raffles!!
Ja, hij wist, wie en wat de Russische vorst Grigoriew feitelijk was!
Hij alleen kende de geschiedenis van Willy Warren!
Maar waarom had de meester-dief hem aangeklaagd?
Ja, waarom?
Gelukkig scheen de politieman er geen flauw vermoeden van te hebben,
hoezeer zijn boodschap den vorst had verontrust.
Hij scheen alleen oogen te hebben voor de pendule.
Die bezoeker, dacht Billy, scheen ook al niet tot de snuggersten te
behooren.
Wacht!
Hij zou hem misschien om den tuin kunnen leiden.
„Hier kan alleen sprake zijn van een huisgenoot, die den diefstal heeft
gepleegd”, bracht Bill eindelijk met moeite er uit.
„Dus ge denkt, dat de diefstal door een van uw ondergeschikten is
gepleegd?”
„Ik vermoed het althans, want het is onmogelijk, dit huis binnen te
dringen!”
„Ook voor een meester-dief? Denkt ge dat zeker?”
En weer vloog het den oplichter door het hoofd:
Raffles— —Raffles.
Hij antwoordde niet.
De officier vervolgde:
„Wij hebben eenige aanwijzingen. Kent ge zekeren Raffles? John C.
Raffles!”
„Natuurlijk! Zeker!” bracht Grigoriew er, onvoorzichtig genoeg, uit.
Tegelijkertijd bemerkte hij, dat hij de grootste domheid had begaan.
Hij vervolgde:
„Ik heb ten minste van hem gehoord, maar ik ga weinig met vreemden om!”
„Ge hebt toch met lord Montefiore verkeerd?” vroeg de officier
glimlachend.
Alex stokte.
Die man scheen toch wel drommels goed op de hoogte te zijn.
„Zal ik mijn bedienden misschien roepen?” vroeg Bill, om zich een
houding te geven.
„Ja, Uwe Doorluchtigheid, doe dat”, antwoordde de bezoeker met lichte
ironie in zijn stem. „Ik zal u zelf later wel in verhoor nemen. Het
komt er maar op aan, hen niet te laten ontsnappen. Hebt ge misschien
een geschikte plaats in de villa, waar men hen kan opsluiten?”
„In de dienstbodenkamer misschien?”
„Dat is goed. Zeg den lieden, dat zij daarheen moeten gaan. Wij gaan
dan later en sluiten hen op, voordat ze er op bedacht zijn!”
Grigoriew haalde verruimd adem.
Hij, Bill, had gewonnen spel.
De arme bedienden schrikten niet weinig, toen zij naar de
dienstbodenkamer gezonden en daar opgesloten werden.
Maar zij bleven kalm, overtuigd als ze waren van hun onschuld.
De politie-officier zei nu tot den vorst:
„Dat de bedienden zelf de papieren hebben gestolen, houdt de politie
voor onwaarschijnlijk.
„Mogelijk is het echter dat zij, vrijwillig of daartoe gedwongen, hulp
hebben verleend.
„Wij weten namelijk, hoe de dief in uw villa gekomen is!”
Alex verbaasde zich hoe langer hoe meer.
Hij had totnogtoe nooit een hoogen dunk van de politie gehad.
Maar nu toch moest hij bekennen, dat er ook nog wel gewiekste lieden
onder hen werden aangetroffen.
„De inbreker heeft zich eenvoudig laten insluiten in uw nieuwe kast”.
„Hoe? Wat zegt u? Meent ge dat?”
„Wel natuurlijk!”
„Maar dat is immers onmogelijk!”
„Volstrekt niet!”
„Ik kocht de kast— —”
„Dat is ons allemaal bekend!”
„En— —??”
„Raffles wist het meubel op geslepen wijze in zijn bezit te krijgen en
haar door een schrijnwerker zóó te laten veranderen, dat zij geschikt
werd voor het doel.”
„Zóó— —”
„Uwe Doorluchtigheid kan zich ervan overtuigen!”
De beambte had dit alles den vorst verteld met de grootste
vriendelijkheid.
Het draaide den vorst voor de oogen, het duizelde en warrelde hem.
Door al die plotselinge, zoo geheel onverwachte mededeelingen was hij
als ’t ware verbluft, verdoofd, overdonderd.
Maar toch dacht hij nog zoo helder, dat hij het als een geluk
beschouwde, dat het de politie niet gelukt was, ook zijn geheim te
onthullen.
De beambte scheen althans niet het flauwste vermoeden te hebben.
Deze vervolgde:
„Ik ben er inderdaad nieuwsgierig naar om te zien, hoe de dief zich in
de kast heeft kunnen verbergen, zonder dat iemand het bemerkt heeft.
Hebt ge niet verteld, dat ge zelf uwe papieren in de kast hebt
gerangschikt?”
Bill herinnerde zich niet, een dergelijke opmerking te hebben gemaakt,
maar hij had zich voorgenomen op alles maar ja te zeggen en zoo
beantwoordde hij deze vraag dan ook bevestigend.
De beambte begon nu de kast van alle kanten te doorzoeken.
Hij klopte, schudde, luisterde, snuffelde, deed alle deuren open, keek
in alle kasten, maar vond niets verdachts.
Alex werd nu toch ook nieuwsgierig.
Zou Raffles hem inderdaad de baas zijn geweest?
Maar hoe meer hij met den politieman zocht, hoe onverklaarbaarder werd
hem de heele zaak.
Alle drommels!
Hij verstond het vak toch ook!
Hier echter reikte zijn kennis te kort.
Plotseling echter sprong de linkerzijde van de kast los.
Een van beide onderzoekenden moest het mechanisme hebben aangeraakt.
Wie het geweest was, kon niet gezegd worden.
Bill beweerde, dat hij het niet was en de beambte beweerde hetzelfde.
Het kwam er immers ook niet op aan; het resultaat was toch hetzelfde.
„O”, zei de politiebeambte met groote bewondering, „dat is inderdaad
prachtig. Nu begrijp ik ook, dat ge het geheim niet hebt kunnen
ontdekken. ’t Is inderdaad geniaal gevonden”.
Ook de vorst was eveneens vol bewondering en verbazing.
„Ik begrijp alleen maar niet”, vervolgde de beambte, „hoe een mensch
zich in die smalle ruimte heeft kunnen verbergen. Wat denkt gij er van,
Doorluchtigheid? Men zou inderdaad in de verzoeking komen om eens de
proef op de som te nemen”.
Alex was nieuwsgierig geworden.
Het interesseerde hem, hoe zijn vakgenoot dat zaakje voor elkander had
gebracht. Hij volgde dan ook zonder aarzeling de uitnoodiging van den
beambte, en klom, niet zonder eenige moeite, in de kast.