EEN GEHEIMZINNIGE KAST.

Raffles was steeds gewoon al zijn plannen alleen ten uitvoer te

brengen, zonder dat hij daarbij de hulp van een ander inriep.

Alleen Brand zou voor dergelijke hulp in aanmerking zijn gekomen.

Maar Charly was te zenuwachtig. Hij bedierf veel door al te grooten

ijver, wat goed had kunnen afloopen, als de zaak bedaard was aangepakt.

Ditmaal echter moest Raffles wel de hulp inroepen van zijn secretaris.

Hij had hem noodig en dus moest hij hem in het vertrouwen nemen.

„Heb je een kast gekocht, Edward?” vroeg Charly, toen Raffles hem het

meubelstuk liet zien.

„Wat wil je daarmee in ’s hemelsnaam beginnen? Wil je misschien hier in

Cannes een huisgezin opzetten?”

John Raffles glimlachte.

Toen haalde hij de schouders op.

„Eigenlijk gezegd, Charly, heb ik daarover niet nagedacht. De kast

beviel mij bijzonder en je weet, wat mij bevalt, dat koop ik.”

„O, lieve hemel, Edward! En dat zware ding heeft je zeker al heel wat

geld gekost!”

„Vijfduizend francs.”

„Vijfduizend francs? Alle donders! Jij schijnt al heel goed bij kas te

zijn!” En fluisterend voegde hij er aan toe:

„Je weet toch, Edward, dat wij de laatste weken niet gewerkt hebben,

omdat je niets anders hebt gedaan dan de menschlievendheid te

betrachten. Wij hebben weer geld noodig!”

„Hm! Daarvoor moet de kast juist dienen!”

„Dat begrijp ik niet!”

„Ik zal je later wel alles verklaren. Bekijk die kast maar eens goed,

maak alle deuren, kasten, schuifladen enzoovoorts open, onderzoek de

sloten en vertel mij dan eens of het ding je aanstaat en of je er ook

iets bijzonders aan vindt!”

Brand deed het, onderzocht alles, maar kon niets bijzonders vinden.

„Zie je niets, Charly?”

„Niets niemendal!”

„Als ik je nu zeg, dat aan dezen kant van de kast feitelijk een geheime

deur is?”

De secretaris was ten zeerste verbaasd. Hij onderzocht alles nog eens

nauwkeurig, maar kon met den besten wil van de wereld niets ontdekken.

„Ik kan niets vinden.”

Raffles deed de deur, zonder een woord te spreken, met één enkele

beweging open.

„Wel, drommels”, riep Charly uit, „dat is verbazend!”

„Draai je nu eens drie seconden om en kijk naar de klok. Kijk daarna

weer naar de kast.”

Brand deed het.

Toen hij zich na drie seconden weer omkeerde, was de kast gesloten en

Raffles verdwenen.

Wonderlijk!

Waar kon die zijn gebleven?

Brand had de kamerdeur niet hooren dichtdoen. Hij vloog er heen om te

kijken, waar zijn vriend gebleven was.

Maar de deur was van binnen op slot.

Ook daarlangs kon Raffles dus niet verdwenen zijn?

Het was en bleef een raadsel.

„Edward!” riep de secretaris.

„Charly!” antwoordde een doffe stem.

„Waar ben je?”

„Wat denk je?”

„Ik weet het niet!”

„Ik zit in de kast!”

Charly ontstelde.

Plotseling vloog een klepje open in de kast en Brand keek John in het

gelaat, en daarnaast zag hij een hand, die een revolver vasthield. Het

wapen was op hem gericht en het gelaat van John was door een zwart

masker bedekt.

Brand wilde op zij springen om het dreigende wapen te ontvluchten, maar

nu werd ook aan dien kant een klep geopend en wederom werd de loop van

de revolver op hem gericht.

„Wees niet flauw, Edward! Wat beteekent dat?”

Raffles lachte.

„Draai je drie tellen om”.

Brand deed het.

Even daarna stond Raffles weer voor hem.

„Wel, wat zeg je van mijn uitvinding, Charly?”

„Enorm! De schrik zit mij door alle leden!”

„Ik heb m’n doel bereikt! Nu kan vorst Alex Grigoriew zijn kast

krijgen!”

„Grigoriew? Zijn kast!”

„Ja! Hij had ze gekocht”.

„Ik dacht, dat jij dat hadt gedaan!”

„Ik ook, zeker! Maar ik sta hem het ding gaarne af. Hij wil het hebben

en ik geef het hem. ’t Is zoo’n charmant heer, die vorst!”

„Die oplichter? Edward, je spreekt weer in raadsels!”

„Ik zal je gauw genoeg alles ophelderen. Nog een beetje geduld! En nu

moet ik naar den winkelier”.

„Jij?”

„Ja”.

Raffles ging.

De winkelier ontving den voornamen klant met de grootste beleefdheid.

„Wat is er van uw dienst?” vroeg hij met een buiging.

„Ik heb een paar dagen geleden een kast gekocht”.

„Zeker, mijnheer!”

„Ik kan ze echter niet gebruiken!”

De winkelier schrikte.

„Ik moet de kast teruggeven”.

„Maar mijnheer—ik begrijp niet—”.

„Ge begrijpt nooit iets. Ik kan de kast niet gebruiken en geef haar dus

met rouwgeld terug!”

„Zoo—”.

Het gelaat van den koopman klaarde op.

„Hoeveel denkt mijnheer— —”

„Ik denk niet. Ik handel. Luister. Ik heb de kast haar den

schrijnwerker gestuurd, die haar heelemaal weer gerepareerd heeft. Ge

kunt haar dus kant en klaar leveren aan den heer, die haar eerst

gekocht heeft! Hoe heet die?”

„Vorst Alex Grigoriew!”

„Waar woont hij?”

„Avenue Gambetta, 25”.

„Goed! Ik zal het meubel daar laten bezorgen. Geef mij een quitantie

van 3000 francs, ik heb dan 2000 francs rouwgeld betaald!”

De winkelier wreef zich in de handen.

Neen maar! Daar kwam hij nog goed af. En hij schreef dadelijk de

kwitantie.

Het was al avond, toen aan de villa van vorst Grigoriew gescheld werd.

De vorst, die zich vreeselijk verveelde in zijn gedwongen

gevangenschap, beval den bediende, dat de kast kon gebracht worden.

Raffles intusschen, had Charly Brand meegedeeld, wat zijn bedoeling

was. Hij wilde zich in de kast naar het huis van den vorst laten

brengen.

„Pas op, Edward, doe het niet!” had Charly op dringenden toon

gewaarschuwd.

„Niet doen?”

„Neen, natuurlijk niet!”

„Wat zou mij kunnen gebeuren?”

„Als Bill Warren je nu eens in de kast ontdekt? Wat dan?”

„Beste jongen, dat is het juist! Ik ga in de kast, opdat hij mij zal

ontdekken!”

„Wie? Wat? Dat is wat nieuws! Dan ben je verloren!”

„Dat zie ik nog niet in!”

„Wat wil je beginnen, als hij een bediende roept?”

„Hij zal wel oppassen!”

„Maar bedenk toch, Edward, hij heeft zooveel voor, als jij daar in de

kast zit. Je kunt je immers niet verroeren!”

„Dat komt allemaal in orde, beste kerel!”

„Kom, Edward, laat het plan varen. ’t Is veel te gewaagd!”

„Geen denken aan, Charly. Ik wil toch eens zien, wie van ons beiden het

wint, Diamanten Bill of ik. Zijn de werklui er om de kast te

versjouwen?”

„Allen!”

„En de koetsier met den wagen?”

„Is er ook!”

„Laat dan de kast halen. Ik ga vooruit om er in te klimmen. Niemand mag

weten wat vervoerd wordt.”

„Ik zwijg als het graf. Wees jij maar voorzichtig, Edward!”

„Dank voor je goeden raad, dag!”

Raffles vloog weg.

„Het is een stuk uit een dolhuis”, mompelde Charly. „Ik geloof nooit,

dat het goed zal afloopen. Als hem iets overkomt, is het zijn eigen

schuld. Ik heb hem vaak genoeg gewaarschuwd.”

Lord Lister No. 0007: De speelvorst van Monaco · 第 18 / 26 题