Op zekeren dag bemerkte lord Lister, dat „Diamanten-Bill” zijn villa
verliet, keurig gekleed, den cylinder op het hoofd, de briljanten
ringen als steeds aan zijn vingers.
Ook Raffles was in elegant kostuum. Hij zag er uit als een voornaam
Amerikaan tusschen 55- en 60-jarigen leeftijd.
De oude heer had de proef op de som genomen en in de leeszaal zijn
vriend Charly Brand om een lucifer gevraagd. Deze had het vuur, zonder
het minste vermoeden, gegeven.
Raffles kon in elk geval er zeker van zijn, niet door Willy Warren te
worden herkend, als deze hem ontmoette. Hij kon den „vorst” dus
onopgemerkt volgen en hij deed dat zóó handig, dat niemand er iets van
merkte.
Grigoriew wandelde doelloos door de straten rond.
Hij behoorde tot dat soort menschen, die zichzelf niet bezig kunnen
houden, als zij uit hun gewone doen komen.
Hij miste de club en het casino en thuis, in zijn prachtige, leege
villa, was het niet uit te houden.
Voor elk venster bleef hij staan. Hier en daar deed hij inkoopen. John
Raffles keek naar hem met Argus-blik.
De vorst bleef nu staan voor den winkel van een antiquair. Een
prachtige, oude rococo-kast had zijn opmerkzaamheid getrokken.
Het was inderdaad een prachtstuk.
Raffles zelf zou graag het kostbare meubelstuk voor zich hebben
gekocht, als hij maar had geweten, wat hij er mee had moeten doen.
Grigoriew ging den winkel binnen. Twee minuten later hield een auto
voor den winkel stil en een Amerikaan stapte er uit, die eveneens den
winkel binnenging.
De winkelier zat een beetje in verlegenheid, toen hij de beide voorname
klanten tegelijk ontving, maar de Amerikaan ging doodkalm in een stoel
zitten en zei in gebroken Fransch, met Engelsch accent:
„Ik heb allen tijd! Ge kunt gerust eerst dien heer helpen!”
De Amerikaan begon een paar staalboeken te doorbladeren en het scheen,
alsof hij niets bespeurde van alles, wat er om hem heen gebeurde.
Maar dat was niet waar. Geen woord ontging zijn scherpe ooren.
Grigoriew onderhandelde met den winkelier over den verkoop van de kast,
die 3000 francs kostte.
De prijs kwam er natuurlijk bij een vorst en millionair niet op aan.
Maar Grigoriew had nog verscheiden veranderingen te bedisselen, de kast
moest opnieuw gebeitst en in de was gezet worden, schroeven en sloten
moesten worden vernieuwd, voordat de kast naar zijn villa aan de Avenue
Gambetta moest worden afgeleverd.
Eindelijk ging Grigoriew heen, zonder te hebben betaald, wat trouwens
ook niet noodig was.
De winkelier ging nu naar den Amerikaan toe, die zoo langen tijd
geduldig had gewacht en nu met een luiden geeuw opstond.
Hij kocht verscheidene aardige voorwerpen en bleef toen, met
besluiteloos gebaar, voor de mooie oude kast staan.
„Wat kost die?”
„Drieduizend francs, mijnheer!”
„Die koop ik!”
De winkelier trok een pijnlijk gezicht.
„Het spijt me, mijnheer, ik kan u niet helpen. De kast is juist aan
vorst Grigoriew verkocht!”
„Wel, bezorg mij dan een andere kast, net zoo een als deze!”
De winkelier haalde de schouders op.
„Er bestaat niet zoo’n tweede exemplaar van die kast. Ge zoudt daarnaar
tevergeefs zoeken!”
„Maar waarde heer! Ik koop heelemaal niets van je, als ik die kast niet
krijg!”
„Maar meneer, dat is toch belachelijk!”
„Waarom belachelijk? Zijt gij een goed koopman? In Amerika doen we dat
heel anders. De kast staat hier—is niet betaald—niet afgehaald—dus ook
niet verkocht. Ik geef u er 4000 francs voor.”
De winkelier aarzelde.
Hij verdiende reeds 1800 francs aan het meubel; als de Amerikaan 4000
francs er voor gaf, zou zijn winst nog met 1000 francs vermeerderd
worden.
Maar hij had de kast al verkocht aan den vorst en dien klant wilde hij
liefst niet verliezen.
De Amerikaan scheen de gedachte van den winkelier te raden.
„Ge zijt niet handig”, sprak hij, „alle Europeanen zijn in zaken dom.
Zeg dien heer, dat de kast al verkocht was, zonder dat ge het wist.
Zeg, dat uw vrouw het meubel had verkocht, toen ge niet thuis waart.”
„Maar ik heb geen vrouw! Ik ben zelfs nooit getrouwd geweest!”
„Goed, zeg dan dat uw zoon het heeft gedaan!”
„Beste heer, een zoon heb ik nog veel minder!”
„Allemachtig, wat zijn jullie dom! Zeg dan, dat een tante van u
gestorven was en dat ge naar de begrafenis moest en dat een zwager van
u de kast voor 5000 francs verkocht. Die som wil ik u er dadelijk voor
betalen. Wat kosten de andere dingen, die ik gekocht heb?”
„758 francs.”
„Goed! Hier is een chèque op de Lyonsche Bank. Geef mij maar een pen.”
De winkelier bracht pen en inkt en de Amerikaan schreef een cheque van
5758 francs.
Daarop ging de kooper heen.
Des avonds kwam hij terug met een paard en wagen om de kast te laten
weghalen.
Toen Alex Grigoriew den volgenden dag weer voorbij den winkel kwam, zag
hij, dat de kast er niet meer stond.
„Zij is al in den maak”, dacht hij en hij ging verder.
En de kast wàs inderdaad in den maak, alleen niet bij den
schrijnwerker, maar bij een slotenmaker, door Raffles besteld.
De meester-dief had het meubelstuk dadelijk naar een bekwaam werkman
laten brengen en het zóó laten veranderen, dat een persoon zich er in
kon verbergen.
Dit moest natuurlijk zóó gemaakt worden, dat geen sterveling er iets
van bemerkte; scharnieren en schroeven en sloten en laden moesten
losgebroken en vastgemaakt, maar toen de kast was afgeleverd, was alles
zóó keurig gedaan, dat Raffles den arbeid gaarne vorstelijk beloonde.
Nu kon hij beginnen!
Men zou toch eens zien, hoe schitterend het wraakplan, dat hij op touw
had gezet, gelukken moest!