Dien avond brachten Raffles en Brand in hun hotel door; zij pakten hun
effecten en koffers om den volgenden morgen naar Cannes te vertrekken,
een havenplaatsje in de buurt van Nizza, dat zich in den loop der jaren
heeft ontwikkeld tot een badplaats van den eersten rang aan de Riviera.
Rijkaards van alle nationaliteiten hebben hier hunne villa’s, die zijn
ingericht met verfijnde weelde en wier tuinen, waarin een tropische
plantengroei zich heeft ontwikkeld, het heerlijkste uitzicht bieden op
de eeuwig blauwe, eeuwig schoone Middellandsche Zee.
Maar ook heel wat geruïneerde personen, die alles hebben geofferd aan
den speelduivel te Monte Carlo, hebben zich hier gevestigd; lieden die
thans leven van valsch spel en bedrog; heeren, die zich voordoen als
edellieden, die den titel aannemen van vorst, markies, baron, of graaf,
en die achter het masker van den aristocraat hun slag slaan en op hun
beurt vele slachtoffers maken.
Na het diner zat Raffles met Brand op het terras van het hotel, terwijl
hij blauwe rookwolkjes in de lucht blies.
„Heb je eenig vermoeden, Charly, wie die zoogenaamde vorst Alex
Grigoriew is?”
„Hoe zou ik dat weten!” antwoordde de secretaris op verbaasden toon,
„ik heb dien man nooit gezien en in mijn heele leven nog nooit een
Russischen vorst ontmoet!”
Raffles lachte luidkeels.
Toen boog hij zich voorover en fluisterde:
„Die Alex Grigoriew is net zoo min een vorst als jij en ik!”
Brand keek verbaasd en lord Edward had schik over de verwonderde
gelaatsuitdrukking van zijn vriend.
Hij vervolgde:
„Alex Grigoriew heet net zoo min Alex Grigoriew als hij een Rus is.”
„Weet je dat zeker?”
„Ik wil om alles wedden.”
„Maar je kent hem niet, je hebt hem nooit gezien, je hebt zelfs geen
nauwkeurige beschrijving van hem!”
„Dat heb ik ook allemaal niet noodig,” sprak de Groote Onbekende op
koelbloedigen toon. „Wat de jonge lord ons van hem verteld heeft, is
voldoende om hem te herkennen!”
„Maar hij heeft ons niets zekers van hem verteld, niets dan vage
aanduidingen!”
„Die echter voldoende zijn om zijn persoonlijkheid vast te stellen!”
„En wie is dan die geheimzinnige vorst Alex Grigoriew?”
„Een landsman van ons.”
„Geen Rus?”
„Neen, een Engelschman, een echte Londenaar!”
„Wat je zegt! Maar dat is niet mogelijk!”
„Het is niet alleen mogelijk, maar het is een feit! De man staat ons
heel na!”
„Hoezoo?”
„Omdat hij een collega van ons is!”
„Een collega? Zijn wij misschien valsche spelers en oplichters?”
„Valsche spelers zijn wij in geen geval. Maar de man is ook inbreker en
dief.”
„Vorst Grigoriew?”
„Ik heb je toch gezegd dat hij geen vorst is en geen Grigoriew heet”.
„Maar alle duivels, wat is hij dan, vertel op als je zijn naam kent; ik
brand van nieuwsgierigheid!”
„Dat moet je je afwennen, Charly! Je bent in de laatste tijden echt
zenuwachtig geworden en dat is niet goed voor iemand, die mijn vriend
en secretaris is. Kalmte en koelbloedigheid zijn eerste vereischten in
ons vak en je komt niet heel ver met zoo’n kwikzilveren natuur als jij
hebt!”
Brand, nog onrustiger geworden door deze woorden, wou opstuiven maar
hij bedwong zich nog ter juister tijd.
Hij slikte een heele boel nieuwsgierige en opgewonden woorden naar
binnen en trok zoo’n onnoozel gezicht, alsof de meest brandende vragen
zijn gemoed niet beroerden.
Zou die zoogenaamde Alex Grigoriew zulk een geraffineerde schurk zijn
als Raffles hem voorstelde?
Lord Lister zat nog steeds kringetjes in de lucht te blazen en deed,
alsof hij niet de minste notitie nam van zijn vriend Brand.
Maar intusschen had hij dezen met scherpen blik gadegeslagen en hij was
volkomen op de hoogte van diens gedachten en gevoelens.
„Nu ben ik tevreden, Charly”, sprak hij glimlachend. „Als het er
werkelijk op aan komt dan kan je, zoo als ik zie, je nieuwsgierigheid
goed bedwingen.
„Dat moet beloond worden en ik zal je vertellen wie die Grigoriew is.
„Deze zoogenaamde Russische vorst is inderdaad niemand anders dan de
Londensche dief, wisselvervalscher, inbreker en moordenaar Willy
Warren, die, om zijn bekende voorliefde voor diamanten gewoonweg
„Diamanten-Bill” wordt genoemd.”
„Diamanten-Bill?” stotterde Brand verbaasd.
„Niemand anders”, antwoordde Raffles, terwijl hij de asch van zijn
sigaret klopte.
„Dat is onmogelijk!” stiet Brand uit.
„Waarom?”
„Omdat hij indertijd, toen hij door de Londensche politie op zijn
vlucht van Dover naar Calais zou worden gearresteerd, in het Kanaal
over boord sprong en verdronk.”
„En hebt gij dat kindersprookje geloofd?”
„Iedereen heeft het geloofd. Scotland Yard heeft het destijds overal
genoeg rond gebazuind.”
Raffles glimlachte.
„Scotland Yard,” sprak hij op ironischen toon. „De Engelsche politie
had er wel redenen voor, om dat praatje de wereld in te strooien, toen
de handige kerel haar onder de handen wegglipte.”
„Je gelooft dus niet, dat hij verdronken is?”
„Neen Charly. De slimme vos heeft de beambten van Scotland Yard
allemaal om den tuin geleid en ze zijn er leelijk ingevlogen!”
„Ik begrijp je niet.”
„Wel, „Diamanten-Bill” heeft eenvoudig een aardappelzak in zee gegooid,
dien men op het dek zwaar hoorde neerplompen. Hij zelf is, zonder dat
hij een enkelen droppel water had binnengekregen, naar het ruim
geklauterd en daar heeft hij zich in een oude kist zoolang verborgen,
totdat de lucht zuiver was. In Calais is hij doodkalm aan land gegaan,
stoomde naar Parijs en Monte-Carlo en nam hier zijn intrek als Russisch
grootvorst. Hij zal uit Londen wel genoeg diamanten hebben meegebracht
om hier den noodigen eerbied in te boezemen!”
„Als Bill Warren alles zoo heeft uitgevoerd, als jij beweert, Edward,
dan moet hij wel een geniale kerel in zijn vak zijn,” antwoordde de
secretaris vol bewondering.
„Hm! Ik heb zijn verdiensten nooit onderschat. „Diamanten-Bill” is
altijd de eenige geweest, met wien ik mijn krachten gaarne eens zou
hebben gemeten en ik verheug mij er over, dat die gelegenheid zich nu
voordoet!”
„Je zult hem licht de baas worden, daar ben ik van overtuigd,”
antwoordde Brand in oprechte bewondering voor zijn vriend. „Maar toch
spijt het mij, dat je je met dezen inbreker op denzelfden voet
plaatst!”
„Hoedat?”
„Wel, omdat „Diamanten-Bill” niets anders is dan een gemeene dief.”
„En wat ben ik dan?”
„Jij bent een misdadiger uit eerzucht, om je kracht, je behendigheid en
je moed te toonen. Jij pleegt diefstallen en inbraken, zooals je de een
of andere sport zoudt beoefenen. Tot een schurkenstreek ben je niet in
staat. Integendeel. Je straft de schurken en beloont hen, die
onschuldig lijden. Je hebt al heel wat ongelukkigen voor den hongerdood
bewaard!”
„Toegegeven, Charly, al overdrijf je ook een klein beetje. Maar de wet
maakt niet het onderscheid dat jij maakt. Voor de politie is een dief
een dief, een inbreker een inbreker! Wat denk je wel, dat de justitie
met mij zou doen, als het den mannen van Scotland Yard gelukte mij te
pakken?”
„Dat zal hen niet gelukken!”
„We zullen het afwachten. Maar laat ons nu gaan, want ik heb morgen een
vermoeienden dag!”
„Ik weet het, je moet morgen de schuldbekentenis uit de handen van
„Diamanten-Bill” zien te krijgen!”
„Dat komt vandaag nog in orde, dat zaakje maak ik schriftelijk af.
„Kom, laat ons naar de leeszaal gaan. Binnen vijf minuten is de heele
boel voor elkaar!”
Brand schudde ongeloofelijk het hoofd en volgde zijn vriend naar de
prachtig ingerichte leeszaal op de eerste verdieping van het hotel.
De lord ging aan een groen bekleede tafel zitten, nam een velletje
papier met het hoofd van de firma, die het hotel exploiteerde en
schreef de volgende regels:
„Beste mr. Warren!
Je hebt een groote domheid begaan, door je een schuldbekentenis te
laten teekenen door den jongen lord Montefiore. Het bezit van zoo’n
papier is gevaarlijk.
Daar je den nuchteren jongen tot op z’n hemd geplunderd hebt, kan
die bekentenis voor jou geen waarde hebben, want de lord bezit geen
centime meer, terwijl zijn eergevoel hem zoover heeft gebracht, dat
hij zich van het leven heeft willen berooven.
Zijn dood zou echter ongewenscht opzien baren en „Diamanten-Bill”
geheel onnoodig de politie op het dak sturen. Dan is het natuurlijk
uit met je „vorst”-schap en je mooie villa te Cannes zou, evenals
al je diamanten, in beslag worden genomen.
Als oprecht vriend en collega geef ik je daarom den goeden raad,
het voor jou waardelooze papier door te scheuren en het zoodra
mogelijk met een paar beleefde woorden aan den lord te zenden. Hij
heeft er geen flauw vermoeden van, dat de voorname Russische vorst
Alex Grigoriew niemand anders is dan „Diamanten-Bill”, die voor de
heele wereld is verdronken in het Engelsche kanaal, toen de
beambten van Scotland Yard hem op de stoomboot tusschen Dover en
Calais wilden arresteeren.
Je blijft dan voor hem en de heele wereld de edelmoedige vorst,
zooals je je noemt, tot groot vermaak van je vriend en collega