DE LIJDENSGESCHIEDENIS VAN EEN ZELFMOORDENAAR.

„Dat is in weinige woorden verteld,” verklaarde lord Montefiore, nadat

hij korten tijd voor zich had uitgestaard.

„Het was mijn ongeluk, dat ik te vroeg kwam in het bezit van een groot

vermogen. Mijn moeder was gestorven en korten tijd daarna verwisselde

mijn vader het tijdelijke met het eeuwige.

„Ik was zielsbedroefd door dit dubbele verlies en geloofde niet, het te

kunnen dragen.

„Destijds liep ik reeds rond met plannen tot zelfmoord.

„Het scheen mij onmogelijk om verder te leven in het kasteel, waar wij

samen zoo gelukkig waren geweest en met beide handen nam ik het

voorstel van een neef van mij aan om de uitgestrekte bezittingen aan

hem te verkoopen.

„Om mijn verdriet over het verlies van mijn geliefde ouders een weinig

te vergeten, besloot ik op reis te gaan. Ik ging naar Parijs en vandaar

naar de Riviera. Hier leerde ik vorst Grigoriew te Nizza kennen in den

Cercle des Etrangers!”

„Dat is een van de meest beruchte speelclubs,” wendde Raffles zich tot

Brand. „Zijn leden behooren gedeeltelijk tot de voornaamste kringen,

maar voor een nog grooter gedeelte bestaan zij uit oplichters of

schipbreukelingen der maatschappij, die zich door het spel boven water

houden!”

Charly Brand knikte.

Thans ging lord Montefiore verder:

„Vorst Grigoriew toonde zich in elk opzicht als een man van eer en ik

sloot mij gaarne bij hem aan.

„Al spoedig waren wij heel bevriend met elkander, maar ik had verbazend

pech, want nadat ik de eerste twee weken bijzonder gelukkig was geweest

in het spel, keerde de fortuin mij plotseling den rug toe en verloor ik

fabelachtige sommen.

„De vorst kwam mij toen te hulp. Hij had een speelsysteem uitgevonden,

waarbij men op den duur moet winnen.

„Ieder weet, dat men zoo’n systeem niet laat varen, zonder er een

enorme vergoeding voor te hebben verkregen, maar vorst Grigoriew stond

het mij geheel belangeloos af. Gij zult toch moeten toestemmen, lord

Lister, dat dit een oprecht bewijs van vriendschap was!”

Raffles lachte luid.

„Vergeef mij, mylord! Ge hebt immers zelf beweerd, dat ge op te

jeugdigen leeftijd in de groote wereld kwaamt en dat is volkomen waar.

Uw onervarenheid, vooral in het kennen van menschelijke karakters, is

grenzeloos. Zoo ik nog een oogenblik moest hebben geaarzeld of de vorst

een oplichter is, dan ben ik er zeker van, dat hij een valsch speler

is!”

„Gij doet hem waarlijk onrecht, lord Lister!”

„Vertel mij eens, lord Montefiore, hebt gij met dat systeem wat

gewonnen?”

„In den beginne verkreeg ik schitterende resultaten!”

„En later?”

„Later?—Later heb ik alles weer verloren, alles—alles—.”

„Dat hebt ge! De schitterende winst van de eerste dagen was niets dan

lokkebrood om u, onervarene, op een dwaalspoor te brengen!”

„Neen, lord Lister. Vorst Alex is onschuldig, hij heeft me zelfs

gewaarschuwd om niet te veel te wagen!

„Ik echter, ik was door den speelduivel zóó bezeten, dat ik al zijn

goede raadgevingen in den wind sloeg. De straf volgde dan ook al

spoedig op de daad en ik verloor op één enkelen middag anderhalf

millioen francs!”

„Aan den vorst?”

„Neen, aan de Bank!”

„En wie hield de Bank?”

„Een Italiaansch markies, een man van eer, in alle opzichten!”

Wederom lachte Raffles luid.

„Een Rus en een Italiaan! Geboren spelers! Gij zijt wel aan de juiste

adressen gekomen, lord Montefiore!”

„Gij schijnt te denken, dat de beide heeren samenwerkten, om—om—hoe zal

ik het zeggen?”

„Om u uit te plunderen,” viel John Raffles in, „daarvan ben ik

overtuigd!”

„Ge vergist u wederom. De vorst en de markies hebben geen woord met

elkander gewisseld dan buiten het spel noodzakelijk was!

„Op zekeren dag zelfs kregen de heeren hevigen woordentwist met

elkander en als ik niet tusschenbeide was gekomen, waren zij zeker

handgemeen geworden.”

„Ha, ha, ha,” lachte Raffles, „wat heeft men u een aardige komedie

voorgespeeld; juist iets voor die valsche spelers en hun troep!”

„Valsche spelers? Een troep? Hebt ge met die beleedigende woorden den

vorst misschien op het oog?”

„Zeker, want in ieder geval is hij de hoofdaanvoerder van het komplot

geweest. Hebt ge niet verteld, dat ge aan hem zelf groote sommen hebt

verloren?”

„Ja, maar dat heeft hier niets mee te maken!”

„Waarom niet?”

„Omdat dit een persoonlijke zaak was, geheel afgescheiden van de club.”

„Geloof mij toch, mylord! De heele geschiedenis was van te voren

opgezet om u te plunderen, totdat er geen veer meer overbleef. En wilt

gij mij nu misschien ook vertellen, hoeveel gij aan dien zoogenaamden

vorst hebt verloren?”

Lord Montefiore keek Raffles plotseling met vlammenden blik in het

gelaat.

„Als het inderdaad zoo is, als gij beweert, lord Lister, dan kent hun

schurkerij ook geen grenzen! Maar neen—neen—neen—het kan niet waar

zijn. Zooveel slechtheid kan niet bestaan!”

De jonge lord rilde.

Toen sprak hij, als tot zich zelf:

„Ik heb veel verloren in het spel; ik heb mijn baar geld verloren en de

chèques, die ik had afgegeven, bedroegen één millioen zes maal honderd

duizend francs.

„Ik zat als gebroken op de sofa, toen kwam de vorst naar mij toe en

legde mij de hand op den schouder. Die hand schitterde van diamanten,

want Grigoriew houdt er van, diamanten te dragen, hij draagt eigenlijk

veel te veel! Dat is het eenige, wat mij onaangenaam in hem aandeed.

„Ik houd er niet van, te pronken met bezittingen!”

„Ge zegt, dat hij opvallend veel brillanten draagt?” viel Raffles op

opgewonden toon in de rede.

„Ja. Hij heeft onder anderen een doekspeld, die een grooten gouden N

voorstelt. Ook deze is van onder tot boven met brillanten bezet. Het is

een geschenk van den Keizer van Rusland.”

„Een N van goud en brillanten?” vroeg Raffles. „Hoe ziet die vorst er

uit, welke kleur hebben zijn oogen?”

„Hij is slank; middelmatig van grootte, een beetje grooter dan ik. Zijn

oogen zijn fletsblauw. Die kleur viel mij op, omdat de Russen over het

algemeen donkere oogen hebben!”

Het schitterde in de oogen van lord Lister. Doorzag hij de zaak reeds?

Het kwam Charly voor, dat dit inderdaad het geval was.

„Vertel verder,” drong Raffles aan.

„De vorst trachtte mij te troosten. „Het spijt mij voor u”, sprak hij

met weeke stem, „ga met mij mee, de buitenlucht zal u goed doen. Ik

hoop, dat ge de cheques spoedig zult kunnen betalen en ik ben gaarne

bereid u een belangrijke geldsom te leenen!”

„Die vervloekte schurk,” siste Raffles.

„Waarom scheldt ge hem uit?” vroeg Montefiore, „het was toch een

vriendschapsdienst, dat hij mij zijn geld aanbood!”

„De bedrieger heeft u alleen dat geld aangeboden om van u te hooren, of

ge zelf nog geld genoeg bezat om die schuldbekentenissen te kunnen

betalen!”

„Dat is inderdaad het geval, lord Lister. Wij reden samen naar Cannes

en de frissche zeewind knapte mij weder geheel en al op. Alex

behandelde mij als een bezorgde moeder. Hij liet de heerlijkste koffie

voor mij zetten, hij bood mij de beste sigaren en om mijn opgewonden

zenuwen wat te kalmeeren, werd er niet meer over het spel gesproken!”

„Hoeveel hadt ge toen reeds verloren, mylord?”

„Ongeveer de helft van mijn geheel vermogen.”

„En dat hebt ge den vorst zeker verteld?” vroeg Raffles niet zonder

spot.

„Ik had geen reden om het hem te verzwijgen!”

„En toen begon het spel natuurlijk weer van voren af aan?” vroeg

Raffles weer, op denzelfden spottenden toon.

„Ja juist! Ik weet eigenlijk niet hoe het zoo kwam. Hij schold op de

club en stelde voor, dat ik met hem samen zou spelen!”

„Natuurlijk, maar toen vielt ge in de handen van een nog veel grooter

bedrieger. Hoeveel hebt ge in de villa van den vorst nog verloren?”

„Heelemaal niets. Ik won dertig duizend francs!”

„Zoo’n aartsschurk. Hij wist het wel zoover te brengen, dat ge naar

huis gingt in de hoop, dat de grillige fortuin u haar lachend gelaat

weer zou toewenden!”

„Ge hebt met wonderlijke juistheid mijn gedachten geraden, mylord.”

„Omdat ik het geheele bedrog volkomen doorzie. Ik zal u wel vertellen,

hoe het verder gegaan is.”

„Gij? Mij? Wilt ge mij m’n eigen geschiedenis vertellen?”

„Ja, ik heb ze honderd keer bijgewoond.

„Ge wordt dikke maatjes met den „vorst”, en hij nam u langzamerhand al

uw geld af tot op een beetje na.”

„Maar hoe weet ge dat? Het is inderdaad zóó gegaan!”

„Men moet den speler niet heelemaal tot wanhoop brengen, maar hem nog

een klein gaatje openlaten om uitkomst te zoeken. Maar gij zijt niet

weggegaan. Ge hebt op het altaar van Monte-Carlo geofferd, wat u de

Club te Nizza en de „edele vorst” nog hadden gelaten.”

„Precies! Het komt allemaal precies uit, zooals ge vertelt. Ik heb

enorme sommen aan hem verloren en hij heeft nog een schuldbekentenis

van mij in handen. Maar hij heeft geen schuld! Die ligt bij mij! Ik heb

mij overgegeven aan den speelduivel en die heeft mij ten gronde

gericht. Wat heb ik nu nog langer aan mijn leven? Ik ben vernietigd in

den bloei van mijn jeugd.”

De jonge lord snikte als een kind.

Raffles troostte hem.

„Blijf kalm.

„Ik denk u een gedeelte terug te bezorgen van wat gij verloren hebt en

verder hebt ge mij uw eerewoord gegeven, dat ge vóór overmorgenavond

zes uur niets tegen u zelf zoudt doen.”

„Wat moet ik nu doen?” vroeg Montefiore op gebroken toon.

„Verlaat Monte Carlo en ga naar Nizza. In welk hotel gaat ge logeeren?”

Montefiore noemde het hotel d’Angleterre.

„Goed! Overmorgen vroeg hebt ge uw schuldbekentenis in handen. Het

terugwinnen van uw vermogen zal wel een paar dagen langer duren.

Vaarwel.”

De jonge lord wilde zijn wonderbaarlijken redder op onstuimige manier

danken.

Maar deze nam beleefd zijn hoed af, trok Brand met zich mee en wandelde

den steilen weg langs, die van La Turbie voert naar Monte Carlo.

Lord Lister No. 0007: De speelvorst van Monaco · 第 8 / 26 题