VAN DEN DOOD GERED.

Lord Lister gaf zijn vriend een wenk met de oogen en deze ging aan den

anderen kant staan van den ongelukkigen jongeman.

Daarna tilden zij hem op en gingen met hem weg.

De eerste schreden van den jeugdigen zelfmoordenaar waren nog wankel en

onzeker.

Maar geleid door zijn beide vrienden wist hij spoedig zich weer te

herstellen.

„Kom mee,” sprak Raffles op vriendelijken, zachten toon, „wij zullen

met de tandradbaan naar boven rijden, daar hebben we een heerlijk

uitzicht over de zee.”

Charly brandde van nieuwsgierigheid om iets naders te vernemen.

Hij kon zijn ongeduld nauwelijks bedwingen en vond, dat zijn meester

wel een beetje al te veel notitie nam van den jongeman.

Het was immers niets bijzonders, dat in het park te Monte Carlo iemand

zich doodschoot of ophing. Zoo iets kwam bijna elken dag voor, maar men

sprak er niet van.

„Wie zijt gij eigenlijk, heeren?” vroeg de jonge Engelschman eindelijk,

„ge stelt zooveel belang in mij, die u volkomen vreemd is.”

„Gij zijt een ongelukkig slachtoffer van het speelhol daar beneden”,

antwoordde lord Lister, „dat is al voldoende om sympathie voor u te

gevoelen. Maar gij zijt buitendien Engelschman evenals wij en nog zoo

jong, dat ge onmogelijk met het leven nu reeds kunt hebben afgerekend.

Sta mij toe, dat ik ons aan u voorstel. Ik ben lord Lister, deze heer,

mijn vriend en secretaris, heet Charly Brand. Wij zijn beiden

Londenaars.”

„Londenaars? Maar dat is prettig, dat is heerlijk! Dan zal u ook zeker

mijn naam niet onbekend zijn, ik ben de jonge lord Montefiore.”

„Wel, dan behoort ge tot de rijkste Engelsche families!” zei Raffles.

„Ik heb er toe behoord,” sprak lord Montefiore met diepen zucht. „Nog

slechts enkele maanden geleden—mijn vader was gestorven,—kon ik, zijn

universeel erfgenaam, een vermogen van achttien millioen het mijne

noemen. Nu ben ik een bedelaar.”

„En heeft die hel daar beneden alles opgeslokt?” vroeg Raffles.

„Niet alles! Het grootste deel ervan heeft een vorst gewonnen, dien ik

in het Casino leerde kennen. Hij heeft zeker tien millioen van mij

gewonnen.”

„Tien millioen? Bij het spel?”

De jonge lord keek nadenkend vóór zich.

„Tien millioen!” mompelde hij op doffen toon.

„In hoeveel tijd is dat gebeurd?”

„Ongeveer twee maanden.”

„Niet langer?”

„Neen!”

„Luister eens, lord Montefiore, dat kan geen eerlijk spel geweest zijn!

Ik vermoed nu reeds, zonder iets naders te weten, dat die zoogenaamde

vorst niets anders is dan een bedrieger, een oplichter, die er zijn

werk van maakt om groentjes—excuseer deze uitdrukking, lord—het vel

over de ooren te halen.”

De Engelschman schudde het hoofd.

„Ge vergist u toch, lord Lister! Vorst Alex Grigoriew is een man van

eer, van top tot teen. Hij heeft mij verscheiden keeren zijn hulp

aangeboden. Ik sta zelfs nu nog bij hem in het krijt—dat is dan ook de

voornaamste reden, dat ik— —”

„Hij won tien millioen van u en gaf u toen nog geld om verder te

spelen?”

„Is dat waar?”

„Volkomen waar, lord Lister!”

„Zoo, zoo!”

„Ge ziet dus, dat ge u vergist, ge doet den vorst onrecht,” verdedigde

Montefiore. „Hij is een man van eer, al zal ik niet ontkennen, dat de

speelduivel hem heeft aangegrepen. Maar daarvan mag ik hem geen verwijt

maken, die zelf het geheele vaderlijke erfdeel heb verspeeld.”

„Ik zie, dat gij een onervaren jong mensch zijt, dat in de handen van

een oplichter is gevallen. Gij verdient medelijden en geen verwijten!”

„Ge grieft mij, lord Lister! Vorst Grigoriew heeft zich als een vriend

betoond.”

„In welk hotel logeert die „vorst”? Ik zou graag kennis met hem willen

maken.”

„Alex Grigoriew woont niet in Monte-Carlo. Hij heeft een villa in

Cannes, waar hij op grooten voet leeft!”

Tot nog toe had lord Montefiore kalm naast de beide vrienden gezeten.

Nu, plotseling, sprong hij op in zenuwachtige haast en ijlde naar den

kant van het terras.

Het was duidelijk, dat hij opnieuw een poging tot zelfmoord wilde doen,

door in de diepte zich neer te storten en te pletter te vallen.

Maar Raffles was in twee sprongen naast hem en hield hem zoo stevig

vast, dat er aan ontkomen geen denken was.

„Geen dwaze dingen, jongmensch,” sprak hij op een toon van het

strengste verwijt, „zoo lichtvaardig springt men niet om met het leven.

Kijk eens naar de blauwe zee, de wuivende palmen en heel de lachende

wereld. Men pleegt geen zelfmoord om ingebeelde eereschulden!”

Plotseling rolden den jongeman een paar heete tranen langs de

jeugdig-frissche, ietwat bleeke wangen.

Toen keek hij Raffles in het gelaat.

„Ik stel vertrouwen in u, lord Lister, die zulk een buitengewone

belangstelling voor mij aan den dag legt. Maar zeg nu zelf eens: hoe

moet ik een leven, dat met schande overladen is, verder leiden? Ik heb

den vorst mijn eerewoord gegeven en ik ben niet in staat het af te

lossen. Ik ben geruïneerd, ik bezit niets meer.”

„En welk bedrag zijt ge dien „vorst” nog schuldig?”

„Achthonderdduizend francs.”

„Dat is inderdaad een aardig sommetje. Tot wanneer hebt ge tijd met de

betaling?”

„Tot overmorgen.”

„Hoe laat?”

„’s Avonds zes uur.”

„Mooi, tot overmorgenavond zes uur. Wilt ge mij uw eerewoord geven, dat

ge tot zoolang de hand niet aan u zelf zult slaan?”

„Wat wilt ge doen?”

„Ik wil trachten een schurk te ontmaskeren en u te redden.”

„Dat zal u geen van beiden gelukken, lord Lister!”

„Afwachten! Ik verlang van u alleen, dat ge vóór overmorgenavond zes

uur geen poging tot zelfmoord meer zult doen!”

Lord Montefiore antwoordde niet dadelijk.

Somber, in gepeins verzonken, keek hij voor zich.

Over het gelaat van Raffles vloog een eigenaardig glimlachje.

„Pardon,” sprak hij met welluidende stem, „ik vergat, dat ge alles

verloren hebt, mag ik u met het nietige sommetje van 500 francs uit de

verlegenheid helpen?”

Hij bood den jongeman op bescheiden wijze eenige bankbiljetten, die

deze niet wilde aannemen.

„Geen valsche schaamte, lord Montefiore! Binnen een paar dagen zult ge

de gelegenheid hebben, mij dat sommetje terug te betalen, als namelijk,

waaraan ik geen oogenblik twijfel, vorst Grigoriew door mij als een

aartsschurk wordt ontmaskerd.”

Lord Montefiore bleef niets anders over dan de bankbiljetten bij zich

te steken en den vriendelijken helper warm de hand te drukken.

„Tot uw dienst, lord! Maar vertel mij nu eerst eens uw

lijdensgeschiedenis, opdat ik een juist inzicht in de zaak krijg.

Vertel mij alles, wat ik moet weten!”

Lord Lister No. 0007: De speelvorst van Monaco · 第 6 / 26 题