BASTAARD. Hebt gij slechts toegestemd
In deze gruweldaad, zoo wanhoop steeds;
En, zoo ge een koord behoeft, de dunste draad,
Ooit door een spinnelijf gesponnen, wringt
Den strot u toe; een riet wordt u een balk,
Waaraan gij hangen kunt; wilt ge u verdrinken,
Doe slechts een luttel water in een lepel,
En dit zal voor u zijn als de oceaan,
Genoeg om zulk een booswicht te versmoren.
'k Heb zwaren, zwarten argwaan tegen u.
HUBERT. Ben ik door daad, door bijval, door gedachten,
Aan 't rooven van dien zoeten adem schuldig,
Die in dit schoone leem besloten was,
Dan miss' de hel nog foltringen voor mij!
'k Verliet hem wèl.
BASTAARD. Ga, draag hem in uw armen!
Ik ben verbijsterd, dunkt me, en mis den weg
In 't doornenbosch en al 't gevaar des levens.--
Hoe licht heft gij daar nu gansch England op!
Uit dit klein stukje doode koningschap
Week 't leven, 't recht, de trouw van heel dit rijk
Ten hemel; en aan England blijft nu over
Krakeel en twist en 't scheuren met de tanden
Van 't onbeheerde recht des trotschen troons.
Bij 't afgeknaagde been van koningshoogheid
Zet nu de wolfsche krijg zijn maan omhoog,
En snauwt naar vredes zachte, lieflijke oogen.
Nu spant uitheemsch geweld en inheemsch oproer
Tot één doel saam; verwoesting loert en wacht,
Gelijk een raaf bij een bezwijkend beest,
't Verval af der geroofde heerlijkheid.
Gelukkig hij, wiens gordelriem en mantel
Dit noodweer uithoudt.--Draag dat kind van hier,
En volg mij spoedig; naar den koning wil ik.
Veel duizend zorgen dringen, hand aan hand,
En toornig blikt de hemel op dit land.
(Beiden af.)