EERSTE TOONEEL.

Aldaar. Voor de tent van den Koning van Frankrijk.

Constance, Arthur en Salisbury komen op.

CONSTANCE. Gaan huwen? zij? een vrede gaan bezweren?

Valsch bloed vereenigd met valsch bloed! verzoend!

Lood'wijk krijgt Blanca, Blanca de provinciën?

Zoo is 't niet; gij verstondt verkeerd, verspreekt u;

Bezin u, zeg mij nogmaals uw bericht;

Het kan niet zijn; gij zegt alleen: zoo is 't.

'k Vertrouw, dat ge onbetrouwbaar zijt; uw woord

Is de ijdele ademtocht slechts van een dienstman;

Geloof mij, man, ik schenk u geen geloof;

Ik heb voor 't tegendeel eens konings eed.

Dat gij dien schrik mij aanjaagt, brengt u straf;

Want ik ben ziek, ontvanklijk--licht--voor vrees;

Verdrukt door onrecht en daarom vol vrees;

Verweduwd, gadeloos, ter prooi aan vrees;

Een vrouw, geboren van natuur tot vrees;

En al bekent gij nu, dat alles scherts was,

Dit sticht geen vrede in mijn ontroerd gemoed,

Dat beven, sidd'ren zal den ganschen dag.

Wat meent gij met dat schudden van uw hoofd?

Wat staart gij mijnen zoon zoo somber aan?

Wat meent gij met die hand op uwe borst?

Waarom staat u dat bange vocht in 't oog,

Een stroom gelijk, die aan zijn bed ontzwelt?

Bevestigt al dit rouwgebaar uw woorden?

Spreek dan nog eens, maar niet uw gansch bericht,

Één woord slechts, dat mij zegt, 't is waar of niet.

SALISBURY. Zoo waar, als gij hen waarlijk valsch moogt achten,

Die schuld zijn, dat het waar is, wat ik zeg.

CONSTANCE. O, leert gij mij, dat ik dit leed geloof,

Leer dan dit leed ook, hoe 't mij sterven doet;

Dat zóó 't geloof en 't leven samentreffen,

Als 't woeden van twee kampers tot den dood,

Die storten bij den eersten schok, en sterven!--

Lood'wijk huwt Blanca! Waar blijft gìj dan, knaap?

Frankrijk wordt Englands vriend; wat wordt van mij?

Weg, mensch! ik kan uw aanblik niet verdragen;

Tot monster maakte u dit bericht voor mij.

SALISBURY. Welk ander leed deed ik u, eed'le vrouwe,

Dan dat ik 't leed, dat andren doen, u meld?

CONSTANCE. Dat leed is op zichzelve zoo afschuw'lijk,

Dat ieder diep mij grieft, die er van spreekt.

ARTHUR. Ik bid u, eed'le moeder, kom tot kalmte.

CONSTANCE. Waart gij, die mij tot kalmte maant, afzichtlijk,

Een blaam, een schande voor uw moeders schoot,

Vol booze puisten, niet te aanschouwen vlekken,

Vaal, lam, onnoozel, scheef, een wangeboorte,

Met zwarte moedermerken overzaaid,

Dan zou ik thans niet klagen, ik waar' kalm;

Dan had ik u niet lief, en dan waart gij

Uw stam tot oneer en een kroon niet waardig.

Doch gij zijt schoon; u schiep, mijn dierbaar kind,

Natuur, vereenigd met Fortuin, tot grootheid;

In gaven der Natuur kunt gij u meten

Met roos en lelie. Doch Fortuin, helaas!

Ze is omgekocht, gedraaid, van u vervreemd;

Met uw oom Jan boeleert zij uur op uur,

En drijft met gouden handen Frankrijk voort,

Ontzag voor vorstenrecht in 't stof te treden,

En maakt tot kopp'laar zijne majesteit,

Tot kopp'laar van Fortuin en koning Jan,

Der veile vrouw, des roovers van een kroon!--

Zeg, mensch! of Frankrijk niet meineedig is.

Vergiftig hem met woorden, of ga weg,

En laat het leed alleen, dat ik alleen

Te torsen heb.

SALISBURY. Vergeef mij, eed'le vrouwe,

'k Mag zonder u niet tot de vorsten keeren.

CONSTANCE. Gij moet en zult; ik wil niet met u gaan.

Mijn hartzeer wil ik leeren trotsch te zijn;

Want leed is trotsch, het buigt, die 't heeft, ter aard.

Laat vorsten zich tot mij en tot de grootheid

Mijns leeds vervoegen; zóó groot is mijn leed,

Dat enkel de aarde met haar vaste welving

Het torsen kan; 'k zet met mijn kommer fier

Mij hier ten troon en wacht uw vorsten hier.

(Zij zet zich op den grond.)

(Koning Jan, Koning Philips, Lodewijk, Blanca, Eleonore, de Bastaard,

Oostenrijk en Gevolg komen op.)

KONING PHILIPS. Ja, lieve dochter, dezen dag van zegen

Herdenk' nu Frankrijk immer met een feest.

Om dien te wijden, staat de gulden zon

Stil in zijn loop en speelt den alchymist;

De schitt'ring van zijn heerlijk oog verandert

De maag're, kluitige aard in blinkend goud.

De loop des jaars, die dezen dag weer brengt,

Moet nooit hem zien, dan als een dag van heil.

CONSTANCE (oprijzende). Een booze dag en niet een heil'ge dag!

Wat heeft die dag verdiend? en wat gedaan,

Dat hij in de' almanak met gouden letters

Bij onze hooge feesten prijken zou?

Neen, werp dien dag eer uit, weg uit de week,

Dien dag van smaad, van eedbreuk, van verdrukking!

Of blijft hij staan, dan mogen zwang'ren bidden,

Dat deze dag haar last niet van haar neem',

Opdat geen wangeboort' haar hoop teleurstell'.

Op dezen dag slechts duchte een zeeman schipbreuk;

Geen koop, dan van deez' dag, zij ooit verbroken;

Wat deze dag begint, loope uit op ramp,

Ja, zelfs de trouw verkeere in holle valschheid!

KONING PHILIPS. Bij God, vorstin, geen reden zult gij hebben,

Om 't schoone werk van dezen dag te vloeken;

Heb ik u niet mijn majesteit verpand?

CONSTANCE. Gij hebt mij met een valsche munt bedrogen,

Die majesteit geleek, maar bij den toets

Zich waardloos toont. Gij pleegdet meineed, meineed;

Ten strijd gerust, bedreigdet gij mijn vijand,

Maar nu is hij gerust, en won uw kracht.

De strijdmoed en 't gefronst gelaat des oorlogs

Werd koel door vriendschap, geblanket door vrede,

En ons verderf bezegelt dit verbond.--

Straf, hemel, straf die eedvergeten vorsten!

Een weduw roept; wees gij mijn gade, hemel!

Duld niet, dat de uren van deez' dag van zonde

In vrede voortgaan; sticht, eer de avond valt,

Krijg, tweedracht tusschen de eedvergeten vorsten!

Hoor, hoor mij!

OOSTENRIJK. Stil, Constance, stilte! vrede!

CONSTANCE. Krijg! krijg; geen vrede! vrede is mij een krijg.

O Oostenrijk, Limoges! Gij onteert

Uw oorlogsbuit, gij slaaf, ellend'ling, lafaard!

Gij kleine held, maar groot in schurkerij!

Gij, aan de zij des sterk'ren altijd sterk!

Gij, ridder van Fortuin, die nimmer vecht,

Dan als die grillenrijke vrouw nabij is

En veiligheid u leert! Ook gij breekt eeden,

Door vleien grootheid zoekend. O, gij nar,

Gij kwispelnar, die pocht en stampt en zweert

Voor mijne zaak! Gij slaaf, koudbloedig wezen,

Spraakt gij met donderstem niet voor mijn zaak,

Als mijn gezworen krijger? moest ik niet

Op uw gesternte en heil, uw moed vertrouwen?

En valt gij af? loopt ge over naar den vijand?

Draagt gij een leeuwenhuid? Gij, werp die af,

En hang een kalfsvel om die vuige leden!

OOSTENRIJK. O, dat een man die woorden tot mij sprake!

BASTAARD. En hang een kalfsvel om die vuige leden!

OOSTENRIJK. Ik zeg u, bij uw leven, booswicht, zwijg!

BASTAARD. En hang een kalfsvel om die vuige leden!

KONING JAN. Genoeg, te veel reeds! gij vergeet uzelf.

(Pandulf komt op.)

KONING PHILIPS. Daar komt de heilige afgezant des pausen.

PANDULF. Heil u, gezalfde plaatsvervangers Gods!--

U, koning Jan, u geldt mijn heil'ge boodschap.

Ik, Pandulf, kardinaal van 't schoon Milaan,

Legaat hier van zijn heiligheid den paus,

Ik vraag u namens hem hoogernstig af,

Waarom gij onze kerk en heil'ge moeder

Vermetel van u stoot, en Stephen Langton,

Verkoren aartsbisschop van Canterbury,

Zijn heil'gen zetel met geweld onthoudt?

Dit vraag ik plechtig in des heil'gen vaders,

Paus Innocentius' naam, alhier van u.

KONING JAN. Wat naam op aarde neemt den vrijen adem

Van een gewijden koning in 't verhoor?

Geen naam is uit te denken, kardinaal,

Zoo nietig en onwaardig en belachlijk,

Om antwoord me af te vergen, als de paus.

Bericht hem dit, en voeg uit Englands naam

Nog dit er bij: geen Italiaansche priester

Zal in ons rijk ooit tiende of lasten heffen;

Zoo waar wij 't opperhoofd zijn onder God,

Zoo willen we onder hem dat hoog bewind

Handhaven, waar wij 't voeren, zelf, alleen,

En zonder bijstand van eens menschen hand.

Zeg dit den paus; geen eerbied hem betoond,

Hem, noch zijn aangematigd ambtsgezag!

KONING PHILIPS. Broeder van England, dit is heiligschennis.

KONING JAN. Schoon gij, als elke vorst der christenheid,

Plomp door dien sluwen paap u leiden laat,

Zijn vloek, voor geld steeds af te koopen, duchtend,

En schoon gij allen voor laag goud, slijk, vuil,

Vervalschten aflaat inkoopt van een man,

Die zelf aldus zijn eeuwig heil verkoopt,--

Schoon gij en al die andren, grof misleid,

Dit guichelspel met land en rijkdom voedt,

Alleen zal ik den paus weerstaan; ik acht

Elk vijand, die zich buigt voor zijne macht.

PANDULF. Dan, krachtens 't wettig ambt, dat ik bekleed,

Zijt gij vervloekt en in den ban gedaan!

Gezegend zal hij zijn, die oproer maakt

En eed en leenplicht weigert aan een ketter;

En als verdienst'lijk zij die hand geroemd,

Gezaligd, als een heilige vereerd,

Die langs geheimen weg 't vervloekte leven

Aan u ontrooft!

CONSTANCE. O wettig zij 't, dat ik

Met Rome ruimschoots hem een wijle vloek!

Roep, goede vader kardinaal, roep Amen

Op mijnen scherpsten vloek! slechts leed als 't mijne

Verleent der tong de macht, naar recht te vloeken.

PANDULF. De wet en macht staan mijnen vloek ter zij.

CONSTANCE. En mijnen; waar de wet geen recht kan doen,

Zij 't wettig, dat de wet geen onrecht stuite!

De wet kan hier mijn kind zijn rijk niet geven,

Want die zijn rijk beheerscht, beheerscht de wet.

Is dus de wet het onrecht zelf, hoe kan

De wet mijn tong verbieden, dat zij vloekt?

PANDULF. Philips van Frankrijk, laat terstond, op straffe

Eens vloeks, de hand van dien aartsketter varen,

En stort met Frankrijks macht u ras op hem,

Tenzij hij zich voor Rome in deemoed buig'.

ELEONORE. Verbleekt gij, Frankrijk? trek uw hand niet weg.

CONSTANCE. Let, Duivel, op, dat Frankrijk geen berouw krijg'

En loslaat, en uw hel een ziel ontroov'!

OOSTENRIJK. Hoor, wat de kardinaal zegt, vorst Philips!

BASTAARD. En hang een kalfsvel om die vuige leden!

OOSTENRIJK. Zoo 'k, fielt, dien schimp nu in mijn zak moet steken,

't Is wijl....

BASTAARD. hij in uw zak tehuis hoort, man.

KONING JAN. Philips, wat zegt gij tot den kardinaal?

CONSTANCE. Niets anders, wacht ik, dan de kardinaal.

LODEWIJK. Bedenk nu, vader, wat de keus is: hier

't Erlangen van den zwaren vloek van Rome,

En daar 't verlies van Englands lichte vriendschap;

Verwerp het lichtste.

BLANCA. Dat is Rome's vloek.

CONSTANCE. O prins, sta pal! de duivel lokt u hier

In de gedaant' der pasgetooide bruid!

BLANCA. Vorstin Constance spreekt niet uit haar hart,

Maar uit haar nood.

CONSTANCE. Zoo gij dien nood erkent,

Die enkel leeft, wijl trouw gestorven is,

Dan volgt noodwendig uit dien nood, dat trouw

Herleven zal bij 't sterven van den nood;

Vertreed mijn nood dus en de trouw herrijst,

Versterk mijn nood en trouw ligt neer, vertreden.

KONING JAN. De vorst is in zichzelf gekeerd en zwijgt.

CONSTANCE. O keer van hem u af en spreek naar eisch.

OOSTENRIJK. Juist, hang aan hem niet, vorst; zij raadt u goed.

BASTAARD. Hang gij een kalfsvel om, onnooz'le bloed!

KONING PHILIPS. Ik ben ontsteld en weet niet, wat te zeggen.

PANDULF. Wat kunt gij zeggen, dat u niet nog meer

Ontstellen zal, als u de banvloek treft?

KONING PHILIPS. Eerwaarde vader, stel u in mijn plaats,

En zeg, hoe gij u hieruit redden zoudt.

Diens konings en mijn hand zijn nieuw vereend,

En de verbinding van ons beider zielen

Door huwlijk saamgeschakeld, door de kracht

Der heiligste geloften saamgesmeed;

De laatste in woordenklank zich uitende adem

Was hecht bezworen trouwe, vrede, vriendschap

Van beide rijken en hun opperheeren;

En juist vóór dezen vrede, kort er voor,

Zoodat wij nauw de handen konden wasschen

Ten handslag bij dit vorstlijk vreêverbond,--

God weet, zij waren rood en oververfd

Van 't bloedpenseel der slachting, waar de wraak

Den schrikb'ren twist van booze vorsten maalde;--

En deze handen, pas van bloed gereinigd,

Tot liefde pas vereend, in beide sterk,

Zij zouden nu dien groet, dien druk te niet doen?

Met trouwe spelen? spotten met den hemel?

Ons zoo tot wispeltuur'ge kindren maken,

Dat we onze hand weer wrongen uit de hand,

Onze' eed wegzwoeren, en met bloedig heer

Des blijden vredes bruidsbed overvielen,

En oproer wekten op het lieflijk voorhoofd

Van vrome oprechtheid? O, gij heilig man,

Eerwaarde vader, laat het zoo niet zijn.

Uw vroom gemoed bedenk', besluit', bevele

Een zachter uitkomst, dan zal 't heerlijk zijn

Uw wil te doen en vrienden steeds te blijven.

PANDULF. Die vorm is vormloos, reed'loos is de rede,

Die niet zich tegen Englands vriendschap kant.

Daarom ten kamp! wees strijder onzer kerk,

Of onze kerk en moeder werp' haar vloek,

Een moedervloek, op haar oproer'gen zoon.

Frankrijk, gij houdt een slang eer bij de tong,

Een grammen leeuw eer bij de forsche klauw,

Een dollen tijger veil'ger bij 't gebit,

Dan deze hand, die gij omklemt, in vrede.

KONING PHILIPS. Laat ik die hand ook vrij, mijn trouw is 't niet.

PANDULF. Zoo maakt gij trouw tot vijand van de trouw,

Stelt, als in burgerkrijg, eed tegen eed,

Tong over tegen tong. O, houd uw eed,

Den hemel 't eerst gedaan, den hemel 't eerst;

Gij zoudt--was de eed--der kerk ten strijder zijn;

Den eed, dien gij daarna deedt, zwoert gij tegen

Uzelf en kunt gijzelf dus niet volbrengen;

Want dat, wat gij bezwoert, verkeerd te doen,

Is niet verkeerd meer, als gij 't goed verricht;

En onbetracht, zoo 't doen ten booze voert,

Wordt plicht, door 't niet betrachten, 't best betracht,

't Best is, dat hij, die in zijn plannen dwaalt,

Dan nog eens dwaalt; zij dit niet vrij van dwaling,

Die dwaling voert hem toch naar 't goede doel;

Meineed maakt meineed goed, als vuur het vuur

Bij 't aderschroeien van gebrande wonden.

De godsdienst is 't, die eeden houden doet,

Maar wat gij zwoert, is met den godsdienst strijdig;

Gij zwoert dus tegen dat, waarbij gij zwoert,

En maakt een eed tot pand van trouwe tegen

Een andren eed; de waarheid, die ge onzeker

Bezweert, zweert dit: geen eed te zullen breken;

(Wat spotternij ware anders iedere eed!)

Maar gij zwoert toch uw eed te zullen breken,

En breekt hem, als gij houdt, wat gij bezwoert.

Uw latere eed is tegen uwen eersten,

Is in uzelven opstand tegen u;

Geen beet're zege kunt gij ooit behalen,

Dan dat gij uw standvastig beter deel

Al wat u wuftheid inblaast, doet bestrijden.

'k Wil door gebed dit beter deel versterken,

Als gij dit niet versmaadt; doch doet gij 't wel,

Weet, dan treft u de dreiging onzer vloeken,

Zóó zwaar, dat gij ze nimmer af zult schudden,

Maar om hun zwarten last in wanhoop sterft.

OOSTENRIJK. In opstand zijt ge, in opstand!

BASTAARD. Nog niet stil?

Kan zelfs een kalfsvel u den mond niet stoppen?

LODEWIJK. Te wapen, vader!

BLANCA. Op uw huw'lijksdag?

En tegen 't eigen bloed, dat gij gehuwd hebt?

Wat! moeten we op ons feest verslaag'nen nooden?

Moet schel trompetgeschal, dof tromgeroffel,

't Geraas der hel onze' optocht begeleiden?

Mijn gade, hoor mij!--ach! hoe nieuw is "gade"

Nog in mijn mond!--doch o! bij dezen naam,

Dien nooit voor nu mijn tong heeft uitgesproken,

Smeek ik u op mijn knieën, doe mijn oom

Geen oorlog aan!

CONSTANCE. En ik, o, op mijn knieën,

Die lang verhard van 't knielen zijn, smeek ik

U, deugdrijke dauphijn, verander niets

Aan 't vonnis, door den hemel ingegeven!

BLANCA. Nu zal ik uwe liefde zien; wat kan

U sterker roeren dan de naam van "vrouw"?

CONSTANCE. Dat, wat hèm steunt, die u daar steunt; zijn eer.

O Lood'wijk, denk, denk aan uw eer, uw eer!

LODEWIJK. 't Is vreemd, uw majesteit schijnt koud te blijven,

Nu zulk een hoog belang u voorwaarts dringt.

PANDULF. Ik wil den vloek verkonden op zijn hoofd.

KONING PHILIPS. Neen, neen, 't is nood'loos.--England, ik verzaak u,

CONSTANCE. O, schoon herstel van kranke majesteit!

ELEONORE. O, vuig verraad van Fransche wankelheid!

KONING JAN. Frankrijk, dit uur berouwt u nog dit uur.

BASTAARD. Paai Tijd de klokkeman, de kale koster,

Behaagt het hem?--Goed, dan berouwt het Frankrijk!

BLANCA. De zon is bloedig; schoone dag, vaarwel!

Wee mij! aan welke zijde moet ik treden?

Ik ben voor beide'; elk leger heeft een hand;

En wijl ik beiden vasthoud, scheuren woedend

Mij beide' uiteen en rijten mij in stukken!

Mijn gade, ik kan niet bidden, dat gij 't wint;

Oom, mijn gebed moet zijn, dat gij 't verliest;

Mijn vader, 'k mag geen wensch doen u ten voorspoed;

Grootmoeder, uwen wensch wil ik niet wenschen;

Wie hier ook winne, ik ben het, die verlies,

Beslist verlies, en eer het spel begint.

LODEWIJK. Bij mij, prinses, zult ge uw geluk niet derven.

BLANCA. Waar mijn geluk leeft, moet mijn leven sterven.

Koning Jan · 第 9 / 29 题