Men verwachtte algemeen, dat de nieuwe en onmetelijke hoeveelheid
papiergeld, welke op de raderen van den handel werd uitgestort, deze
raderen onmiddellijk in beweging zou brengen. Maar die verwachting werd
wel zeer teleurgesteld. Niet alleen wilden de raderen nog volstrekt
niet gaan wentelen, maar de wrijving, die hen onbewegelijk deed
blijven, scheen hardnekkiger en onoverwinnelijker dan ooit te zijn
geworden. Inderdaad had de verdubbeling der hoeveelheid papiergeld,
inplaats van den handel te bevorderen, dezen in waarheid nog meer
bemoeilijkt, want alle kooplieden, die hun artikelen in ruil wilden
geven voor het nieuwe papiergeld, verdubbelden hun prijzen of gaven
slechts de helft der hoeveelheid voor wat zij als de helft van het
vroegere geld beschouwden, zoodat er tenslotte voor al deze menschen
geen grootere hoeveelheid ruilmiddelen bestond dan tevoren. Maar het
meerendeel der menschen, die iets te verkoopen hadden, wilden het
ideëele geld in het geheel niet aannemen als betaling. Zij maakten er
geen aanspraak op, zeiden zij, om financiers te zijn, of philosophen,
of zelfs maar bijzondere menschenvrienden; maar wel meenden zij niet
zulke groote gekken te zijn, dat men hun goedschiks kon wijsmaken,
dat de helft van een ding gelijk was aan het heele ding of dat een
schepel graan in twee schepels kon worden omgezet, door één schepel
in twee halve-schepel-maten te doen.
Het eenige waarlijk positieve effect van de kunstmatige verdubbeling
der hoeveelheid ruilmiddelen, was bijgevolg, dat alle schulden
gehalveerd werden, en op een wijze, die alle crediteuren volkomen
machteloos maakte, om zichzelven recht te verschaffen: want volgens
de wet was ieder oud biljet van één dollar, nu een wettig betaalmiddel
voor twee dollars geworden.
Op deze wijze leerde de bevolking van het eiland weldra een der
grondwaarheden van het geldwezen kennen, n.l. dat het eenige attribuut
van een wettig betaalmiddel, dat absoluut noodzakelijk en onmisbaar
is [34], bestaat in het innerlijk vermogen van dit betaalmiddel
om schulden af te doen of crediteuren tevreden te stellen--en dit
bovendien onafhankelijk van de vraag, of de wetgevende macht aan
het wettig betaalmiddel een werkelijke of representatieve waarde
gegeven heeft. Zoodat een zuivere omschrijving van de bewuste nieuwe
wet zou zijn geweest: "Een wet om de debiteuren van de helft van hun
verplichtingen te ontslaan en om de crediteuren op te lichten voor
een overeenkomstig percentage van hetgeen de debiteuren erkend hadden
aan hen verschuldigd te zijn."
Ter eere van de bevolking van het eiland dient gezegd, dat zij
doorgaans te eerlijk waren om partij te trekken van de nieuwe muntwet
om zooiets slechts en gemeens te doen, [35] maar de wetenschap dat
iedere schuldenaar het in zijn macht had om zoo te handelen en de
vrees dat sommige van hun onmiskenbare rechten gebruik zouden maken,
droegen er nog verder toe bij om alle zaken tot stilstand te brengen.
Verder deed zich nog een merkwaardig verschijnsel voor in verband
met den rentevoet, dat de gemoederen en tongen zeer in beweging
bracht. Iedereen nam als vanzelfsprekend aan, dat met een onbeperkten
geldvoorraad een lage rentevoet de overhand zou hebben: en wáarover
de financiers en philosophen het overigens ook oneens mochten zijn,
dit scheen als een paal boven water te staan. Een buitengewoon
knap en practisch lid van een der openbare debating-clubs van het
eiland dacht dat hij eens voor al de quaestie had opgelost door
op gezaghebbenden toon op te merken, dat "een ruime voorraad geld
de ondernemingslust bevordert en welvaart en vooruitgang tengevolge
heeft", en dat "wanneer er veel geld was, de rentevoet lager zou zijn",
evenals paarden en varkens goedkoop worden, wanneer er veel paarden
en varkens te krijgen zijn. Hij had eens voor al "die oude theorieën,
die banaliteiten van het geldwezen" overboord geworpen. Er was geen
levenskracht in deze stelregels. Hij gaf er de voorkeur aan "om zijn
aandacht te wijden aan den werkelijken toestand van het land en alle
theorieën konden voor zijn part naar de maan loopen." [36]
Er was zooveel oorspronkelijkheid en gezond verstand in deze
opmerkingen, zooveel verheven minachting voor alle leerstellingen
van duffe oude ervaring, dat de vrienden van den redenaar hem meer
dan ooit waardig achtten voor den zetel van het uitvoerend bewind,
vroeger bezet door den wijzen Robinson Crusoe. Maar ongelukkig voor
den redenaar was hij niet ver genoeg gevorderd te zijn "A.B.C. Boek
van het geldwezen", om het verschil te kennen tusschen kapitaal
en papiergeld en in den eenvoud zijns harten meende hij, dat het
allemaal om het even was of de menschen prentjes hadden van paarden,
varkens en geld of werkelijke paarden, varkens en geld, die arbeid
gekost hadden om ze te verkrijgen. Daarom wilden de grondprincipes,
die hij had opgesteld in tegenstelling met die van theorie en ervaring,
maar geen steek houden en de eilandbewoners kwamen na tijd en wijle tot
de ontdekking der volgende waarheden: dat, hoe meer niet-inwisselbaar
papier er in ontzaglijke hoeveelheden wordt uitgegeven, hoe meer dit
in waarde achteruitgaat; en hoe meer het deprecieert, hoe meer men er
van noodig heeft om een koop te sluiten: en ook dat, wanneer iemand
gedeprecieerd papier opneemt om er zaken mee te doen, hij daarvan een
grooter nominaal bedrag moet vragen, dan hij noodig zou hebben van
niet-gedeprecieerd geld; en dat de rentevoet altijd naar het aantal
nominale dollars berekend wordt en niet naar hun koopkracht. De
onvermijdelijke stijging van prijzen tengevolge van de depreciatie
van het geld (prijs is immers de koopkracht van een artikel of dienst
uitgedrukt in geld) spoort de menschen nog meer aan tot het leenen
van geld om er mee te speculeeren; en hoe meer geld-opnemers, hoe
meer wedijver: en hoe meer wedijver er is om een artikel of dienst
te krijgen, hoe hooger de prijs, die er voor gevraagd wordt.
Buitendien was de ruilwaarde van het papiergeld, door de kunstmatige
wijze waarop het overvloedig was gemaakt, zoo onzeker, dat de
kapitalisten (zooals altijd gebeurt in zulke tijden) hun beurzen
sloten, omdat zij liever geen risico's liepen; en als zij er
bij uitzondering in toestemden om iets uit te leenen, vroegen zij
extra betaling wegens het grootere risico of omdat er een algemeene
schaarschte van nuttige artikelen ontstaan was. [37]
Nadat zij een tijdlang al deze grondstellingen proefondervindelijk
getoetst hadden, kwamen de bewoners van het eiland tot het inzicht,
dat het bezit van geld veeleer het gevolg is van rijkdom dan de oorzaak
ervan, en dat, enkele bijzondere gevallen en condities uitgezonderd,
de rentevoet afhankelijk is van den overvloed of schaarschste van het
werkelijke kapitaal, dat een gemeenschap bezit, het kapitaal, dat niet
uit geld bestaat; en dat die rentevoet niet voortdurend lager wordt,
naarmate men de hoeveelheid geld in omloop vermeerdert. [38]
Zoo moesten de bewoners van het eiland een harde leerschool van
bittere ervaringen doorloopen alvorens zij leerden begrijpen, dat er
enkele economische waarheden bestaan, die men te accepteeren heeft
en waarnaar men dient te leven, wil men zoowel zijn individueele
als de nationale welvaart verzekeren. Zij begrepen eindelijk, dat
eigendom een stoffelijk bestaand iets is, de uitkomst van den een
of anderen vorm van arbeid; dat kapitaal, dàt gedeelte is van de
voortbrengselen der productie, hetwelk men bewaren kan om het te
bestemmen voor nieuwe en verdere productie; dat geld een middel is om
de verdeeling en het gebruik van kapitaal te vergemakkelijken zoowel
als den ruil van producten en diensten; dat met productie alleen
productie gekocht kan worden; dat wanneer iemand goederen koopt met
een papieren plaatsvervanger of symbool van geld, die goederen niet
betaald zijn, alvorens het symbool vervangen is door een waarde in
den vorm van arbeid of geld of een ander artikel; en, tenslotte,
dat een land en zijn inwoners eerder vooruitgaan door hun productie
te vergrooten, dan door op willekeurige wijze hun hulpmiddelen voor
het ruilen van producten te vermeerderen. Zij zagen ook in, dat de
betalingsbeloften, die zij als geld beschouwd en gebruikt hadden,
schulden waren, en dat schuldbrieven zoowel als andere soorten van
eigendomsbewijzen slechts een schijnbeeld zijn van den eigendom, dien
zij vertegenwoordigen; en dat zij, in hun pogingen om eerst allen rijk
te worden door schuldbrieven te creëeren, die schuldbrieven geld te
noemen, en dat geld wederom rijkdom, achtereenvolgens waren vervallen
van speculatie en verkwisting tot luiheid en verarming. En evenals de
hond in de fabel, die het stuk vleesch in de rivier liet vallen om
de schaduw te grijpen, hadden zij heel wat werkelijken rijkdom, uit
vroegeren arbeid verkregen, verloren laten gaan door dat schijnbeeld
van rijkdom voor de werkelijkheid te houden.
Nu gingen zij ook inzien, dat een der eerste vereischten voor
een uitbreiding van den handel was, dat er vertrouwen zou bestaan
tusschen kooper en verkooper, maar dat zulk een vertrouwen nooit
bestaan kon zoolang de plaatsvervanger van waarde of andere symbolische
ruilmiddelen, gebruikt om het sluiten van koopen te vergemakkelijken,
onderhevig waren aan waardevermindering; en tegelijkertijd kwamen
zij tot de conclusie dat het geen zuinigheid was om goedkoop geld te
gebruiken; of m. a. w. dat het verlies en de verspilling van tijd
en materiaal, die het onvermijdelijke gevolg moesten zijn van het
gebruik van gebrekkige gereedschappen (en geld is een gereedschap)
doorgaans grooter was dan het renteverlies, voortspruitende uit de
hoogere kosten van goede gereedschappen. En toen zij dat alles begrepen
hadden, kwam goud of onaanvechtbare beloften om in goud te betalen,
opnieuw als geld in gebruik op het eiland.
Nu vreesde men evenwel, dat de voorspelling bewaarheid zou worden,
dat het veel moeite kosten zou om weer voldoende goud te krijgen,
dat als geld zou dienen of als een basis voor papiergeld; vooral toen
men zich herinnerde, dat de gebeurtenissen van den laatsten tijd den
uitvoer zoozeer bevorderd hadden van al het goud, hetwelk het eiland
produceerde, of reeds bezat. Maar daar het den goudsmeden en juweliers
nooit de minste moeite had gekost om tijdens den oorlog met de
Kannibalen of daarna, al het goud, dat zij noodig hadden te verkrijgen,
onverschillig hoe schaarsch en waardevol het ook was in vergelijking
met het papiergeld, en daar zij zelfs nog wel honderdmaal zoo veel
hadden kunnen krijgen, als zij genoeg klanten hadden gehad, die het
wilden koopen; zoo kostte het ook den kooplieden, den winkeliers en
het geheele volk op het eiland geen moeite om goud in overvloed te
krijgen, zoodra zij overtuigd waren, dat het zuinig was om goudgeld te
gebruiken. Trouwens, nog voordat de ongegrondheid van hun vrees door
de uitkomst bewezen was, werden zij op dit punt al zeer gerustgesteld
door het bericht in verschillende buitenlandsche nieuwsbladen, dat het
in sommige betrekkelijk arme landen--zooals Oregon, Arizona, Nevada
en Washington Territory--de bevolking volstrekt niet meer moeite
kostte om al het goud te krijgen, dat zij voor geld wilde hebben,
dan om alle kruiwagens en stoommachines te krijgen, die zij wilde
gebruiken om handel te drijven en dat iedereen, die er van sprak om
hun het gebruik van het goudgeld te ontnemen, uitgelachen werd.
Toen zoodoende de eerste stap in de goede richting gedaan was, werd
een reeks van andere goede maatregelen op een even natuurlijke wijze
genomen en met even gunstige gevolgen als in het beroemde geval van
de oude vrouw en haar geitje, waarin, zooals men zich zal herinneren,
op hetzelfde oogenblik dat het water het vuur begon te blusschen,
het vuur den stok ging verbranden, de stok den hond ging slaan, de
hond het geitje beet en tengevolge van deze reeks gebeurtenissen de
oude vrouw veilig thuis kwam met haar geitje, hoewel veel later in
den avond, dan zij 't gewenscht had en onder gewone omstandigheden
had kunnen zijn. En zoo keerde de welvaart langzaam maar zeker weder
terug op het eiland.
Wat de Vrienden der Menschheid betreft, die zooveel verwarring in geld-
en handelszaken en zoovele nationale rampen op hun geweten hadden:
zij verloren weldra al hun invloed, werden vervolgens overladen met
spot en hoon, en tenslotte verdwenen zij geheel uit de herinnering
der eilandbewoners, die het nu allen veel te druk hadden met het
herstel van hun vermogen, om nog te blijven denken aan onaangename
ervaringen, die tot het verleden behoorden. Sommigen der philosophen
kwamen tot het inzicht van hun vergissingen en werden goede burgers,
maar bij de meerderheid werd het geloof, dat het geven van den naam van
geld aan dingen zonder intrinsieke waarde, alleen reeds het scheppen
van rijkdom tot gevolg had, een chronische kwaal, welke tenslotte
ontaardde in een onschadelijk soort van krankzinnigheid. Op mooie
dagen kon men hen vaak op de hoeken der straten zien bezig bladeren,
stokjes en strootjes te vergaâren en aan de kinderen, die zich om hen
heen verzamelden, te vertellen, dat er slechts één ding noodig was
om deze waardelooze voorwerpen in geld om te zetten en dat was niets
anders dan het geloof en het vaste vertrouwen dat die voorwerpen
werkelijk geld waren. Maar het was wel wat al te veel gevergd om
zelfs bij kinderen zooveel goedgeloovigheid te kunnen verwachten.
Het eenige wat nog te verhalen valt, is, dat er als aandenken aan deze
veelbewogen geschiedenis in een der openbare gebouwen op het eiland nog
een nauwkeurig nagemaakt model tentoongesteld is van het hol, waarin
de eerwaardige Robinson Crusoe woonde; en, wat nog interessanter is,
de origineele kast, die hij van het schip meebracht, en waarin hij
de spelden, naalden en messen, de schaar en het stuk goed vond. Maar
vooral de drie groote zakken met goudstukken, die toen nutteloos waren,
maar thans goed en werkelijk geld zijn. Tallooze monsters van het
"ideëele geld" kan men ook in dezelfde kamer zien tezamen met een
portret van den barbier, die er zijn winkel mee had behangen, en van
den hond, dien de menschen geheel beplakten met pek en papiergeld en
aldus door de straten joegen [39].