HET NIEUWE MILLENNIUM.

Tenslotte stond er een secte van wijsgeeren op (zichzelven noemend

de "Vrienden der Menschheid"), die overtuigd waren dat zij alle

moeilijkheden konden oplossen en deze streefden er naar om de regeering

van het eiland in handen te krijgen.

Hun leider stond bekend als een monster. Hij had gediend in den oorlog

tegen de Kannibalen, had een buitengewoon woest uiterlijk en daarom

hield men hem algemeen voor een dapper man; hij sprak luid en met

groote overtuiging, daarom hield men hem voor een wijs man; hij had

groote rijkdommen vergaard, zonder ooit iets nuttigs uit te voeren,

en daarom hield men hem voor een zeer bekwaam man in zaken.

Onder zijn aanhangers waren er twee, die als zijn bijzondere

medewerkers en raadgevers golden. De eerste was een groot redenaar,

die het grootste gedeelte van zijn leven gesleten had als zendeling

onder een onbeschaafd volk, dat nooit eenige bezittingen had gehad

en natuurlijk geen handel dreef, en in deze hoogst voortreffelijke

en practische leerschool voor economie had hij alle kennis opgedaan,

die men over dit ingewikkelde onderwerp verzamelen kon. De tweede was

een athleet, die vele jaren in het nationale circus was opgetreden

en die zich een groote vermaardheid had verworven door op beide

schouders zware gewichten te dragen, welke het opschrift droegen van:

"binnenlandsche nijverheid," maar die in werkelijkheid alleen maar

uit ruw ijzer bestonden. Om deze beiden "verzamelden zich allen, die

in zorgen zaten, allen, die schulden hadden, en allen, die ontevreden

waren," zoodat zij weldra een groot aantal discipelen hadden.

Het eerste, wat zij deden, was den armen ouden Robinson Crusoe

beschimpen, omdat deze tijdens zijn leven zijn volk had aangeraden

om hun geld van goud te maken (dat alleen door arbeid geproduceerd

kon worden, en niet door goochelkunstjes) en om hun papiergeld

te maken van iets, dat goud vertegenwoordigde, terwijl hij toch

had moeten weten dat goud "het werktuig en het overschot was van

verdwenen despotisme," [27] en zij hielden volstrekt geen rekening

met het feit, dat hij de vader van zijn land was en in een hol had

gewoond. Vervolgens verklaarden zij, dat alle opvattingen, die de

verdere menschheid tot nu toe had aangehangen, geheel verkeerd waren;

dat de natuur haar best had gedaan om het eiland tot een afgezonderde

gemeenschap te maken; dat de wetgeving afdoende had aangevuld, wat

de natuur in dit opzicht nog onvoltooid had gelaten en dat derhalve

de behoeften van het eiland met betrekking tot geld, papiergeld en

al die dingen zoo eigenaardig en geheel eenig in hun soort waren,

dat alle ervaring van de geheele verdere wereld te samen daarop niet

toepasselijk was en dus ook niet leerzaam kon zijn. Allen waren het

er over eens, dat de verderfelijke theorie, verkondigd door Robinson

Crusoe, Vrijdag en andere menschen van vroegere tijden en andere

landen--dat alleen een algemeen begeerenswaardig artikel goed geld kon

vormen en dat geld altijd moest zijn het equivalent van de goederen,

waarvoor het in ruil werd gegeven--de feitelijke bron was van alle

geldelijke verwarring; want, was het niet duidelijk, dat, wanneer

zulks het geval ware, alleen die menschen slechts in het bezit van geld

konden zijn, die als die protserige tarwe-verbouwers, varkenshouders,

huisjesmelkers of obligatie-houders, door arbeid vroeger in het bezit

van nuttige goederen waren gekomen, welke zij in ruil konden geven

als een equivalent voor geld?--terwijl het ware einddoel van alle

geldelijke hervormingen en de sleutel tot het vreeselijke probleem

der armoede toch klaarblijkelijk was om een soort van geld uit te

vinden en in omloop te brengen, dat zij, die geen tarwe, varkens,

vee, huizen, obligatien of andere artikelen bezaten, en die niet in

staat of geneigd waren om iets dergelijks te verkrijgen, door hun

diensten te verkoopen, zonder moeite en in overvloed konden krijgen.

"Wij willen derhalve", zeide de redenaar-philosoof, sprekende

uit naam van hemzelf en van zijn mede-"Vrienden der Menschheid",

"meer democratie en minder aristocratie hebben op de geldmarkt; meer

geld binnen ieders bereik en minder voor de enkele uitverkorenen"

[28]. Kortom, waar de patiënt al zeer ziek en verzwakt was door

het kleine (fiscale) dieët, waarop hij had moeten leven meenden de

medici nu, dat de beste wijze, om hem er boven op te helpen, was,

om hem een nog slapper drankje in te geven.

Allen waren het er voorts over eens, dat het woord "geld" een

slechte naam was en dat het publiek een veel helderder voorstelling

zou krijgen van de groote problemen, waar het om ging, als er meer

begrijpelijke en wetenschappelijke termen, die nauwkeurige definities

behelsden, gebruikt werden. Een der wijsgeeren stelde derhalve voor,

om, aangezien het hun doel was, dat het overal wortel zou schieten,

terug te gaan tot de Bijbelsche omschrijving en het den "wortel" te

noemen, tegelijkertijd opmerkende, dat "de Heer toonde, wat Hij van het

geld dacht, door het soort menschen, aan wien hij het gaf". Een ander

stelde voor het te noemen: "een middel tot onderlinge samenwerking"

(Carey). Een derde: "het teeken van overdracht, waarvan de grondstof

een binnenlandsch product moet zijn" (John Law, 1705); een vierde:

"een begrip van waarde in vergelijking met nuttige goederen" (British

Tracts on Money, 1795-1810); een vijfde: "een standaard, noch van

goud, noch van zilver, maar iets ontworpen in de verbeelding om door

de publieke opinie bepaald te worden" (idem).

Waaruit geld in dit hervormde systeem nu bestond of moest bestaan,

daarover waren alle geleerden het aanvankelijk nog niet volkomen

eens. Een denkbeeld, dat nogal veel instemming vond, was, dat geld

uitsluitend moest zijn een teeken, dat diensten vertegenwoordigde,

bewezen op een onbepaalden tijd of plaats, (mogelijk vergeten of

ontkend door den ontvanger) en "waarvoor de houder niet het equivalent

heeft ontvangen, waarop hij onder het systeem van arbeidsverdeeling

een vanzelfsprekend recht heeft." [29]

Het beste geld was dus volgens de wijsgeeren, die deze theorie

verkondigden, een duidelijk bewijs, dat iemand iets aan een ander

verschuldigd was; en bijgevolg zou er bij meer schulden, ook meer

geld, en bij meer geld, ook meer rijkdom zijn, tenzij men zou moeten

veronderstellen (wat niet redelijk is), dat dit soort van geld de

eerste eigenschap van alle andere geldsoorten miste, n.l. koopkracht.

Bovendien (hoewel de philosophen dat er niet precies bij vertelden) was

het tevens een logische conclusie, dat in een gemeenschap, die alleen

"teekenmunt" of "imaginair geld," gebruikte, de zekerste weg om rijk

te worden zijn zou om in groote schulden te geraken; en de beste wijze

om een verlicht systeem van handeldrijven door te voeren, zou zijn,

om artikelen, door tijd en arbeid verkregen, te ruilen voor rentelooze

schuldbewijzen. Het is onnoodig te zeggen, dat deze leerstellingen en

conclusies er zeer toe bijdroegen om de bevolking van het eiland te

versterken in de opvatting, die zij zich reeds vroeger hadden eigen

gemaakt, dat het papiergeld, dat zij reeds hadden--namelijk bewijzen

van vernietiging,--"het beste ruilmiddel van de wereld" was.

De drie leiders der philosophen waren er evenwel geen menschen naar,

om zich met halve maatregelen tevreden te stellen. Hadden zij hun

handen niet geslagen aan den ploeg der hervormingen? En moesten zij

nu na dit veelbelovende begin werkeloos toezien, dat de ploeg in de

vore bleef steken? Derhalve beriepen zij zich eerst op de mannen van

gezag en vervolgens op het ongeletterde verstand.

Hier volgen enkele uitspraken van autoriteiten waaraan zij groote

waarde hechtten:

"Handel en bevolking, die den rijkdom en de macht van den Staat

uitmaken, zijn afhankelijk van de hoeveelheid en van het beheer van

het geld", John Law, Memory to the Duke of Orleans, 1705.

"Wat is onze plicht tegenover onszelf en tegenover de geheele wereld:

zullen wij niet of wel een circulatiemiddel blijven handhaven,

dat ongeschikt is voor uitvoer? Dat is het vraagstuk, dat op het

oogenblik de natie in beroering brengt en dat binnen afzienbaren

tijd alle andere quaesties in zich zal absorbeeren. Het bevestigende

antwoord op deze vraag is ook in volmaakte overeenstemming met de

practijk en de ervaring der groote mogendheden, en eveneens met de

leerstellingen van een gezonde economische wetenschap". Brief van Henry

C. Carey aan den afgevaardigde van Detroit, Mozes W. Field, September

1875. Raadpleeg verder Gouverneur W. Kieft: "Over het gebruik van

Wampumgeld in Nieuw-Amsterdam," (folio-uitgave, zeer zeldzaam) 1659.

"Langdurige gemeenzaamheid met de practijk om een onderpand voor

leeningen te geven en om deze op een vastgestelden datum terug te

betalen, heeft ons verblind voor het nationale voordeel van leeningen

zonder onderpand en op een onbepaalden datum betaalbaar", Karl Marx,

Sécrétaire, Organisation de l'Internationale.

Maar het argument, waarmee de philosophen het meest hun theorieën

staafden tegenover het volk, was een juridische uitspraak, gedaan

in een naburig land door het hoogste rechtscollege, voor hetwelk

de vraag, waaruit geld moest bestaan, officieel ter beslissing

was gebracht. Deze uitspraak, uitgedrukt in de zeer eigenaardige

terminologie van het land, luidde als volgt: "Wat wij erkennen is,

dat de volksvertegenwoordiging de macht heeft om te proclameeren,

dat de gouvernementspromessen, belovende geld te betalen, voor

het oogenblik gelijk in waarde zullen zijn met het betaalmiddel,

dat omschreven is bij de muntwetten, of met de veelvouden van dit

betaalmiddel". Hetgeen allemaal, vertaald in de taal van het eiland,

beteekende dat de Regeering de macht heeft om een betalingsbelofte,

die dus in zichzelf inhoudt een erkenning dat de belofte niet betaald

is, te maken tot een volledige genoegdoening, dat de belofte betaald

is. Dat deze beslissing overigens volstrekt geen nieuwtje was op

rechtskundig gebied en dus ook niet door nieuwe wettelijke bepalingen

gedekt behoefde te worden, gaven de geleerde rechters indirect toe

door bij het geven van hun meeningen als vroegere parallelgevallen,

waardig om steeds herdacht te worden, de beslissingen aan te halen

van dien eminenten jurist van den ouden tijd Cade (Jack), die

verordonneerde, dat "zeven halve-stuiver-brooden voor een stuiver

verkocht moesten worden" en dat "de kuip met drie hoepels tien hoepels

moest hebben". Hetzelfde gerechtshof staafde eveneens zijn argumenten

door te zeggen: "het is nauwelijks juist om van een waarde-standaard

te spreken. De grondwet spreekt er niet van. "Waarde" is een ideëel

begrip. De muntwetten stellen de waarde-eenheid vast op een dollar,

maar het gouden of zilveren voorwerp, dat wij een dollar noemen,

is in geen enkel opzicht de standaard van een dollar. Het is een

plaatsvervanger ervan. Er had nooit een geldstuk behoeven te bestaan

met de benaming van een dollar." [30]

[Aanmerking: Deze laatste opmerking van het geleerde gerechtshof hield

een groote ontdekking in; want hoe kan er een plaatsvervanger bestaan,

zonder iets, waarvan hij de plaats moet innemen? In het geval van

Peter Schlemihl was er een man zonder schaduw, maar hier hebben we

een schaduw zonder een lichaam om die schaduw te werpen. Een gouden

dollar is geen bestaande en langs mechanischen weg gemaakte munt,

maar 25,8 grein standaardgoud is een dollar. Bedoelde het gerechtshof

soms, dat dit gewicht aan goud niet behoeft te hebben bestaan en toch

een plaatsvervanger heeft? (De schrijver.)]

Van het oogenblik af, dat deze uitspraak hun ter oore kwam, namen

alle philosophen hun woordenboeken ter hand en zochten de beteekenis

op van het woord "ideëel". Zooals te voorzien was, vonden zij dat het

beteekende: "denkbeeldig"; "alleen bestaande in de fantasie of in de

verbeelding" (Webster), en vanaf dat oogenblik was er geen sprankje

twijfel meer in de zielen der hervormers omtrent de onfeilbaarheid en

de onwrikbaarheid van hun stellingen. Want, om nog eens in uitvoeriger

verklaringen te treden, had het hoogste menschelijke tribunaal nu

niet twee uiterst netelige quaesties tegelijkertijd opgelost?

1e. dat de plaatsvervanger van een voorwerp een equivalent kan zijn

(en als de overheid het zegt, zijn moet) voor het voorwerp zelf;

2e. dat waarde een ideëel begrip is, en daar alle ideëele begrippen

door de verbeelding geschapen worden, men dus ook waarde scheppen

kan uitsluitend met behulp der verbeelding.

Hieruit volgde natuurlijk, dat men, om te genieten van het bezit van

eenig ding, wat het ook zij, alleen een symbool of plaatsvervanger van

dat ding behoefde te scheppen, en wilde men voor een ontvangen waarde

betalen, dan behoefde men alleen maar een overeenkomstige waarde

te fantaseeren om deze in ruil te geven en daarmee de verrekening

te sluiten. Op deze beslissingen van rechtsgeleerdheid en gezond

verstand, zoo besloten de drie leiders der philosophen en hun

vrienden, die de regeering in hun macht hadden, zou het toekomstige

geld van den staat gebaseerd zijn. Het vroegere opschrift op het

papier in omloop: "belofte om te betalen", dat stond voor hen vast,

was volkomen overbodig, want waarom geld te beloven, als de binnen hun

bereik liggende geldvoorraad practisch onbeperkt gemaakt kon worden

of tenminste altijd voldoende voor de behoeften van iedereen, die

het wenschte te hebben, of hij handel dreef of niet? Er was ook een

groot geleerde op het eiland, die met wiskundige berekeningen bewees,

dat er zooveel arbeid zou worden uitgespaard (welke dus voor andere

doeleinden benut kon worden) door de methode om een artikel, dat weinig

of geen arbeid kostte voor zijn productie, als geld te gebruiken in

plaats van goud of goederen, die veel arbeid vertegenwoordigden,

dat het noodzakelijk zou zijn om oogenblikkelijk een wet uit te

vaardigen, waarbij aan iedereen verboden werd om langer dan zes uur

per dag te werken, teneinde de ramp van een al te grooten overvloed

te voorkomen. Dezelfde geleerde had zich kort te voren zoozeer laten

meesleepen door zijn eigen betoog over de doelmatigheid van een nieuwe

kachel, die de helft der brandstof van een gewone kachel uitspaarde,

dat hij in het vuur van zijn redeneering aanbevolen had om twee zulke

kachels te koopen teneinde alle brandstof uit te sparen.

Met weinige uitzonderingen was de geheele bevolking van het eiland

opgetogen van vreugde, en zoodra de omstandigheden het toelieten

begonnen zij al hun handelszaken volgens deze nieuwe basis te

regelen. Maar alle vreugde bij het vooruitzicht van het komende

nieuwe tijdperk doofde daarom nog niet de gevoelens van dankbaarheid

in de harten van het volk en zij besloten omvangrijke bewijzen van

hun erkentelijkheid te zenden naar alle buitenlanders, die hen met

hun wijze uitspraken op den goeden weg hadden geholpen. Aan elk der

rechtsgeleerden, die zoo vernuftig het begrip "waarde" omschreven

hadden, droegen zij een ideëel kasteel en landgoed op, waarvan het

bezit den eigenaar in den adelstand verhief met den titel van Baron

Idéalité, waarbij de ontvanger bovendien, bij speciale vergunning van

overheidswege, nog het recht verkreeg om (indien hij dat wenschte)

het praedicaat van "beduveld" te gebruiken. Aan den edelen voorstander

in vreemde landen van het denkbeeld van een geldsoort, die niet voor

uitvoer geschikt was, werd een gift van een millioen "middelen tot

onderlinge samenwerking", vertegenwoordigd door ideëel papiergeld,

toegewezen. Maar daar dit papiergeld zoowel volgens de wet als

uit den aard der zaak niet uit het eiland kon worden uitgevoerd,

was het onmogelijk om deze gift uit te betalen, en in plaats daarvan

schreef men een brief, waarin een verklaring der omstandigheden werd

gegeven en den ontvanger verzocht werd om het besluit tot betalen te

accepteeren als een "teeken van overdracht".

Aan den eminenten financier, die het geld had omschreven als een

"begrip van waarde in vergelijking met nuttige artikelen," werd een

pleister-afbeelding gezonden van het "Wat Is Het?", terwijl aan zijn

collega, die de meening had uitgesproken, dat "hoe minder kostbaar

de grondstof is, waarvan geld gemaakt wordt, des te beter voor de

gemeenschap, die het gebruikt," een groote doos werd gezonden, die

monsters bevatte van de meest waardelooze dingen die men maar kon

bedenken, met een beleefd briefje er bij, waarin aan den ontvanger

verzocht werd om een keus te doen uit de verzameling van datgene,

wat hem het beste geschikt leek om er een teekenmunt van te maken,

en om een gedetailleerd verslag te sturen van zijn bevindingen bij

de poging om het in omloop te brengen als een vertegenwoordiger van

onbetaalde diensten.

Terwijl de langzame voorbereidingen der Regeering van het eiland

om de noodige wetten voor de uitgifte en het gebruik van het nieuwe

geld te verschaffen, nog in vollen gang waren, trachtten verscheidene

vooruitstrevende individuen de officieele wettelijke handeling vóór

te zijn door op hun eigen houtje de grondbeginselen van het nieuwe

fiscaal systeem in praktijk te brengen. De eerste, die zoo handelde,

was een minister voor het binnenland van het eiland, wiens voornaamste

werk het was om de heidenen--voor wie, zooals men zich herinneren zal,

Robinson Crusoe bijdragen inzamelde,--van rundvleesch te voorzien. Er

hadden toen juist niet lang geleden eenige geruchten ten nadeele van

dezen ambtenaar de ronde gedaan, n.l. dat de heidenen niet al het

rundvleesch kregen waarop zij recht hadden; maar deze verdachtmaking

had waarschijnlijk geen anderen grond dan het onvermogen van de

heidenen om hun gevoel van voldaanheid in overeenstemming te brengen

met het bewijs van de overdracht van het vleesch. Om de heidenen

tevreden te stellen en tegelijkertijd zijn reputatie voorgoed van

elken blaam te zuiveren, haastte de bewuste ambtenaar zich om een

groot aantal afbeeldingen van mooi vet vee te laten maken, die hij

naar de Heidenen liet brengen door een Kwaker, terwijl hij hun tevens

schriftelijk verzocht om te slachten en op te eten en zich te goed te

doen, er aan toe voegend in een post-scriptum, dat het zeer nuttig

voor hen zou zijn om spaarzaamheid te leeren door de huiden op te

sparen. Daar de Kwaker nooit terugkwam, werd het tamelijk zeker geacht,

dat althans aan de eerste helft van het verzoek voldaan was.

Het bestuur van het Nationale Steuncomité nam eveneens het besluit om

het ideëele systeem zonder uitstel in hun werkkring te ontwikkelen

en toe te passen. Het voornaamste werk van dit oude en eerwaardige

genootschap was de uitdeeling van kleedingstukken aan behoeftigen, en

zooals altijd het geval is in zware tijden, dreigde het getal aanvragen

hun voorraad hulpmiddelen, bijgedragen door liefdadige burgers, te

overtreffen. De bestuursleden wisten echter zeer goed, dat het niet

aanging om de plaatselijke armlastigen met de heidenen over één kam te

scheren, en hun aanvragen om kleeding te beantwoorden door zorgvuldig

geteekende plaatjes uit mode journalen te knippen en onder hen uit te

deelen; want er was dit groote verschil, dat de behoeftigen bij hen

voor de deur stonden, terwijl de heidenen ver weg in het binnenland

waren. Maar zij kwamen op een anderen, zeer gelukkigen inval.

Zij namen een bekwaam schilder in hun dienst, dien zij voorzagen

van een goeden voorraad verf en kwasten, en als een armlastige

zich tot hen wendde om kleeren, lieten zij hem van top tot teen

beschilderen met alle kleeren, die hij wenschte, en naar de mooiste

en nieuwste patronen, vanaf kaplaarzen tot boorden toe en vanaf blauwe

getailleerde rokken tot geborduurde dassen met bijbehoorende juweelen

en fantasie-knoopen. Natuurlijk verwekte de eerste man, die in dat

costuum in het openbaar verscheen, heel wat opschudding. Maar het idee

was zoo nieuw en had klaarblijkelijk zooveel voordeelen boven de oude

methode van zich te kleeden, dat deze uitvinding opnieuw het overwicht

van het ideëele boven het reëele systeem in hooge mate versterkte. Zoo

was een der grootste verdiensten van deze nieuwe methode, dat zij

niet alleen de opvattingen van de meest vooruitstrevende finantieële

philosophen symboliseerde, maar ze ook wel degelijk in practische

toepassing bracht; en vooral bevorderde zij, volgens de wensch van

den redenaar-philosoof, "meer democratie en minder aristocratie op de

kleerenmarkt," daar zij de menschen er toe bracht om het minst kostbare

materiaal, waaruit men kleeren kon maken, te gebruiken; terwijl men

geschilderd katoen, wol, zijde en leer zoo zeer kon doen gelijken op

de werkelijke stoffen, dat alleen wanneer men trachtte de namaak te

ruilen voor de echte stof, het verschil duidelijk te onderscheiden

was. Bovendien had niemand ooit last dat de kleedingstukken, die

volgens het nieuwe systeem ontworpen waren, niet goed pasten!

Het was uit met de knoopenplaag en iedereen kon genoeg tijd uitsparen

met het aan- en uitkleeden om er rijk van te worden als hij die

uitgespaarde oogenblikken maar wist te benutten. Iedereen kon zonder

bezwaar in zijn kleeren gaan slapen en als hij zijn huisjasje drie

honderd vijf en zestig maal in het jaar wenschte te verwisselen voor

een overjas of een overjas voor een huisjasje, kon hij dat met de

grootste snelheid doen, zonder eenig ruw materiaal te verspillen,

behalve een beetje verf; en daarom kreeg het systeem na eenigen tijd

door een gelukkigen inval den naam van "drie honderd vijf en zestig

maal verwisselbaar". Natuurlijk voldeed het zeer goed, zoolang het

weer zacht en goed bleef, maar toen het jaargetijde veranderde en het

guur en koud begon te worden, bleek het weldra, dat er geen wezenlijk

onderscheid bestond tusschen de verwarmende eigenschappen van de

verschillende soorten verf; dat er iets meer noodig was dan vertrouwen

om de koude op een afstand te houden en dat het geen invloed had op

de lichaamstemperatuur en den bloedsomloop of men zich den eenen dag

hemelsblauw schilderde en den volgenden groen. [31]

Vervolgens waren er nog twee slimme kerels, Peter van Scrapehem en

Israel Double, die ieder een boerderij ter waarde van tienduizend

dollar bezaten. Peter verkocht zijn hoeve voor de volle waarde aan

Israel en nam er vervolgens een hypotheek op voor het geheele bedrag

van de koopsom; en Israel verkocht op zijn beurt de zijne aan Peter en

nam er eveneens een hypotheek op voor de volle waarde. Op deze wijze

hadden die twee knappe koppen oogenschijnlijk beiden hun bezittingen

verdubbeld; immers terwijl ieder aanvankelijk slechts tienduizend

dollars waarde aan onroerend goed had bezeten, hadden zij nu ieder

tienduizend aan onroerend goed en tienduizend aan persoonlijke

vordering, of tesamen de somma van veertig-duizend dollars, inplaats

van de oorspronkelijke twintig-duizend. Deze methode om bezittingen

te vermeerderen door vermeerdering van eigendomsbewijzen was zoo

gemakkelijk en oogenschijnlijk zoo onfeilbaar, dat het voorbeeld van

deze twee boeren zeer algemeen werd nagevolgd en toen eenige maanden

later de belasting moest worden opgemaakt over de eigendommen der

eilandbewoners, stond elkeen verstomd van verbazing over de enorme

toeneming van rijkdommen, welke uitsluitend het gevolg was van de

ontdekking der juiste opvatting omtrent den waren aard en de waarde

van eigendomsbewijzen.

Tot op dit tijdstip had de melkvoorziening van het eiland voornamelijk

onder het beheer gestaan van een enkele maatschappij, die onder den

naam van "Maatschappij voor Distributie van Lacteale Vloeistof", alle

koeien in haar bezit had en die, om de bediening van haar klanten

te vergemakkelijken, sedert langen tijd de gewoonte had om bons uit

te geven, ieder goed voor een pint of een maatje melk, terwijl ook

alleen houders van bonnetjes melk konden krijgen. Deze bons voldeden

uitstekend in het gebruik binnen den besloten kring van ruilhandel,

die er bestond tusschen de melkboeren en hun klanten, voorzagen in

alle behoeften en werden door ieder aangenomen als gelijkstaande met

melk, want hoe meer bons hoe meer melk, en zonder bons geen melk.

Gedurende den oorlog hadden de Kannibalen bij gebrek aan ander vleesch

een groot aantal der koeien, die aan de "Maatschappij voor Distributie

van Lacteale Vloeistof" behoorden, opgegeten. Talrijke koeien waren

ook gerequireerd door de regeering voor de soldaten, zoodat er na

den oorlog waarlijk niet meer koeien waren, dan het eiland volstrekt

noodig had. Plotseling brak er een epidemie van "mond- en klauwzeer"

uit op het eiland, tastte alle koeien van de Vereeniging aan en

maakte, dat zij geen melk meer konden geven. Toen verhief zich zulk

een hartroerende kreet uit ieder huisgezin, waar zuigelingen waren,

dat zelfs het meest verharde gemoed er door bewogen werd. Het was

niet eens noodig om een georganiseerde actie op touw te zetten,

want het volk verzamelde zich spontaan en eischte, dat er ingegrepen

zou worden. Een onmetelijke openbare volksvergadering was dadelijk

bijeen. Een zeer populair en humaan man en bijzonder kindervriend, in

de wandeling Oom Dick genoemd, werd als voorzitter uitgeroepen. Hij

werd ondersteund door een lange reeks van eerste staatsburgers, als

vice-presidenten en secretarissen, van wien echter niemand na zijn

kinderjaren nog eenige practische ondervinding gehad had van melk,

uitgezonderd misschien in den vorm van punch. De voorzitter hield

een gloeiende redevoering. Hij wist niet, zeide hij, of hij meer

bewogen was door medelijden of door verontwaardiging, medelijden met

de ongelukkige zuigelingen, wier lijden ondragelijk was geworden, of

verontwaardiging over de wreedheid der geprivilegeerde monopolisten,

die lichtvaardiglijk geweigerd hadden om meer bons uit te geven,

juist toen de behoefte aan melk het meest dringend was. De vergadering

deelde volkomen in de opvattingen van den voorzitter en besloot met

algemeene stemmen dat de "Maatschappij v. D. v. L. V." onmiddellijk

meer bons zou moeten uitgeven en bij gebreke daarvan zou haar octrooi

veranderd en aangevuld worden. Onmachtig om den algemeenen storm

van verontwaardiging te weerstaan, gaf de Maatschappij dadelijk

toe, en ieder vaderlandslievend burger keerde huiswaarts naar zijn

zwaarbeproefd gezin, met een overvloedige hoeveelheid melkbons in de

aangename overtuiging dat hij voor éénmaal althans van een buitengewone

gelegenheid had kunnen profiteeren.

Dienzelfden avond werden alle zuigelingen voorzien van melkbons

inplaats van melk. Melkbons warm, melkbons koud, melkbons met suiker,

gewone melkbons, melkbons met groen bedrukte achterzijde en in te

wisselen tegen melkbons voor den room, die van de andere melkkaarten

was afgeschept. Maar, vreemd genoeg, weigerden alle babies zonder

uitzondering om de melkbons in te nemen met diezelfde instinctmatige

verstoktheid, waarmede oudere kinderen weigeren om schijn voor wezen

te accepteeren en nog dankbaar te zijn op den koop toe. De verwarring

van de vorige nacht was niets, vergeleken bij de opschudding van

de volgende, en toen de zon weer opkwam bescheen zij een volk in de

diepste ellende.

Zoodra de noodzakelijke maatregelen getroffen konden worden kwam er

een nieuwe meeting bijeen. Maar ditmaal werd deze door de zuigelingen

zelf gehouden, gesteund door hun moeders en kindermeisjes. Zij waren

volstrekt niet theoretisch in hun opvattingen en ofschoon jong in

jaren, meenden zij allen, zonder uitzondering lang genoeg geleefd

te hebben om te weten wat hun vaders blijkbaar niet wisten, nl. het

verschil tusschen melk en papier. De besluiten, die genomen werden,

waren kort maar zakelijk en hielden het volgende in: 1e. dat de nood

der tijden meer melk vroeg en niet meer melkbons; 2e. dat de eenige weg

om aan meer melk te komen was om meer koeien aan te schaffen; 3e. dat

de eenige weg om meer koeien te krijgen was om ze aan te fokken, of

om iets even waardevols te produceeren, en vervolgens daarmee koeien

te koopen; 4e. dat er enkele eeuwige waarheden bestaan, en dat het

nutteloos is om die te loochenen, zoowel voor zuigelingen als voor

volwassen mannen. Er werd een comité benoemd, dat op zich nam om een

godsmolen te verschaffen om daarin iedereen fijn te malen, die niet

geloofde aan deze laatste bepaling. Daarop werd de meeting verdaagd.

Dit was het eerste teeken van een openbaar meeningsverschil met de

opvattingen van de Vrienden der Menschheid, maar dit teeken werd

weldra door andere gevolgd. Daar men waarde tot een ideëel begrip

verklaard had en ideëele waardemeters in de plaats gesteld waren van

de reëele en tastbare maten van vroeger, meende men ook ideëele maten

van lengte, gewicht en inhoud in de plaats te moeten stellen van de

duimstokken, pondgewichten en schepelmaten, die eertijds gebruikt

werden. Winkeliers, loodgieters, kolenhandelaars en alle anderen die

iets te verkoopen hadden, voorzagen zich daarom van stukjes papier,

waarop respectievelijk gedrukt was: "Dit is een voet", "dit is een

schepel", "dit is een pint", "dit is een pond", en opnieuw werd de

groote wiskunstenaar te hulp geroepen om te berekenen hoeveel meer

laken, bier, steenkool, gas en alle andere meetbare dingen aan de

gemeenschap zonder twijfel ten deel zou vallen tengevolge van de

uitsparing van arbeid en kapitaal, veroorzaakt, doordat de oude maten

nu niet meer gemaakt, verkocht en gebruikt behoefden te worden.

Maar het nieuwe systeem werkte niet best. Er was voortdurend

oneenigheid tusschen de koopers en de verkoopers, omdat de een

altijd een heel andere voorstelling had van wat hij verkoopen of

ontvangen moest dan de ander, en eer zij het recht beseften, waren de

eilandbewoners op weg om terug te keeren tot het primitieve systeem

van goederenruil, waarmede reeds de proef was genomen, doch dat als

ondoelmatig verworpen was in de eerste dagen van de geschiedenis

van het eiland. Inplaats van één prijs, stelde ieder, die artikelen

of diensten te verkoopen had, een reeks van minstens vier prijzen

vast: een "prijs voor werkelijke betaling", een "prijs voor geld",

een "prijs voor quasi-geld" en een "prijs op goed vertrouwen" en de

verkooper vroeg iederen klant die bij hem kwam, hoe deze wenschte

te betalen. [32] "Prijs voor werkelijke betaling" was goederenruil,

"prijs voor geld" was betaling in buitenlandsche munt; "prijs voor

quasi-geld" was het ideëele geld van het eiland en "prijs op goed

vertrouwen" was een opgedreven prijs in verband met den tijd van het

daaraan verbonden crediet. Dus, verondersteld dat een klant een mes

wilde koopen, dan zou de prijs daarvan "voor werkelijke betaling" zijn

een schepel koren, de "prijs voor geld" een gouden of zilveren munt ter

waarde van vijftig Amerikaansche centen, de "prijs voor quasi-geld"

soms zooveel als hij in een mand en een andermaal zooveel als hij

in een kruiwagen kon vervoeren; en vóórdat het ideëele geld voorgoed

werd afgeschaft was er een wagen noodig om het geld te brengen. Het

handeldrijven werd op deze wijze "hoogst ingewikkeld".

Omstreeks denzelfden tijd verspreidde zich plotseling het bericht

dat de heidenen, niet bij machte om hun magen te vullen met de

afbeeldingen van vet vee, die hun zoo ruimschoots waren toegezonden

en in de overtuiging, dat zij bij den neus genomen waren, aanstalten

maakten om den oorlog te verklaren.

Om tegemoet te komen aan de verhoogde staatskosten in verband met

dit dreigende gevaar, hief de Regeering nieuwe belastingen, en daar

de schatting van het vermogen op het eiland onder den invloed van

het nieuwe fiscaal systeem zulk een ontzaglijk veel grooter cijfer

had aangewezen dan vroeger, verwachtte men, dat een kleine aanslag

een groote som zou opbrengen. Maar zoodra Scrapehem, Double en hun

vrienden, die hun vermogen vergroot hadden door hun eigendomsbewijzen

te vermeerderen, bemerkten, dat de eigendomsbewijzen bij de belasting

als rijkdom werden beschouwd en als zoodanig belast werden op gelijken

voet met het vermogen, dat de eigendomsbewijzen vertegenwoordigden,

haastten zij zich om terug te krabbelen en hun hypotheken af te lossen,

en oogenblikkelijk werd de befaamde nominale rijkdom van het eiland

tot de helft teruggebracht.

Zooals men zich zal herinneren, waren er enkele personen, die niet

gedeeld hadden in den algemeenen jubel, waarmee de ontdekking en

instelling van het nieuwe muntsysteem begroet was. Dat waren de

gewetenlooze kapitalisten, waarmee de menschen bedoeld werden, die door

ijver en spaarzaamheid meer geproduceerd hadden, dan zij verbruikten

en die dit overschot hadden uitgeleend in den vorm van schepen,

huizen en wagens, kruiwagens, steenkool, ijzer enz., op voorwaarde,

dat de waarde van die verschillende artikelen, uitgedrukt in geld,

hun zou worden terugbetaald benevens een gedeelte van de winst,

die door den leener bij het gebruik gemaakt mocht zijn.

Nu was men algemeen van oordeel dat al deze verhuurders "opgeblazen"

waren, en die opgeblazenheid werd natuurlijk in verschillende graden

geconstateerd naarmate de patiënt een schip of een handkar bezat

en uitleende, of het equivalent van die voorwerpen in geld; en men

was het er ook algemeen over eens, dat het beste geneesmiddel voor

deze vreeselijke ziekte een aderlating was, en wel een aderlating

in dien vorm, dat men hen betaalde in het ideëele geld, dat nogal

heel wat in waarde verschilde van het geld, dat bedoeld was toen

de huurcontracten of leeningen gesloten werden. Inboorlingen van

heidensche landen, die nooit door het licht van het Evangelie waren

beschenen, noemden dit diefstal, maar vele inwoners van het eiland,

die hun leven lang Christenen geweest waren, hadden een heel anderen

kijk op de zaak en beschouwden deze uitsluitend als een hygienische

maatregel; en Christendominees die nooit tegen zulke practijken

preekten, maar wel altijd preekten tegen de zonden van dat oude volk,

de Joden, verwonderden zich over den lagen stand der moraliteit, die

een algemeen kenmerk der toenmalige maatschappij scheen te zijn. Daar

het evenwel uit de oude archieven van het eiland blijkt, dat er juist

in dienzelfden tijd zeer werd geijverd om bij de overheid en het volk

belangstelling op te wekken voor het vraagstuk of bijbellezing al

of niet gewenscht was op de openbare scholen, hetgeen de algemeene

aandacht waarschijnlijk wel wat afleidde van de overweging van

zulke onbelangrijke en ondergeschikte quaesties als de aard en de

verplichting van beloften, kan het zijn, dat het met dat lage peil

van moraliteit erger gesteld scheen, dan het in de werkelijkheid

het geval was, omdat immers het moeilijkste deel van de taak van

den geschiedschrijver daarin bestaat: het verband te vinden tusschen

gelijktijdige, maar schijnbaar volkomen tegenstrijdige gebeurtenissen.

Maar, hoe dit ook zij, allen, die waardevolle artikelen uitgeleend

hadden, wenschten die aderlating te voorkomen en haastten zich

bijgevolg om terugbetaling te eischen alvorens het ideëele geld op

grooten schaal uitgegeven en in circulatie gebracht kon zijn; en

toen zij eenmaal afbetaald waren, wachtten zij zich wel om hun geld

opnieuw uit te leenen. Dit alles droeg er toe bij om, zooals men het

toen uitdrukte, het geld erg "krap" te maken, maar deze uitdrukking

ging volstrekt niet heelemaal op. Het eenige geld, dat krap was,

was het goede geld en dat was reeds sedert zoo langen tijd verdwenen,

dat de jongere generatie van de bevolking niet eens wist, hoe het er

uitzag, terwijl er van het slechte geld een voortdurend aangroeiende

voorraad was.

Behalve het goede geld was ook al het werkelijke kapitaal

krap--timmerhout om schepen, fabrieken en huizen te bouwen, ijzer

voor de constructie van machines, stof voor kleeren, en graan voor

voedsel: niet omdat er eenig gebrek was aan al deze nuttige dingen,

maar omdat de bezitters allen bang waren geworden, dat zij er nooit

iets gelijkwaardige voor terug zouden krijgen, wanneer zij ze eenmaal

uitleenden of afgaven. Zoodoende werd het eiland inplaats van zich in

grooten voorspoed te verheugen, in de diepste ellende gedompeld. Er

was een algemeen gebrek aan vertrouwen. De werkkracht van het algemeen

was gefnuikt, de productie werd belemmerd, en wie hard wilde werken,

kon daartoe geen gelegenheid vinden.

Het goud was sinds lang uit de circulatie verdwenen. Hoewel het

in groote hoeveelheden op het eiland geproduceerd werd, bleef er

niets van in het land zelf, maar alles stroomde voortdurend naar het

buitenland. De eenige verklaring van dit verschijnsel was, dat goud

het goedkoopste product van het eiland was en daarom het eerste,

dat uitgevoerd werd. Maar onder alle menschen, die dat opmerkten,

begreep het meerendeel volstrekt niet, dat de oorzaak hiervan niet

was te zoeken in een achteruitgang van de waarde van het goud, want

de gemiddelde koopkracht van dit artikel was over de geheele wereld

volkomen gelijk gebleven; maar dat de prijs van haast alle andere

producten van het eiland zoozeer veranderd was en naar verhouding zóó

was gestegen door den binnenlandschen geldelijken toestand, dat het

voor een vreemdeling veel voordeeliger uitkwam om goud te ontvangen

voor alle artikelen, die hij aan het eiland verkocht en vervolgens

met dat goud in andere landen dezelfde dingen te koopen, die juist in

groote hoeveelheden op het eiland geproduceerd werden om verkocht te

worden. Zooals reeds eerder vermeld is, hadden de eilandbewoners veel

moeite om deze tactiek te begrijpen, maar de vreemdelingen begrepen

als het ware intuïtief het voordeel er van en verzuimden nooit om haar

toe te passen [33]. Dit alles droeg er nog meer toe bij om alle handel

en nijverheid van het eiland onderste boven of binnenste buiten te

keeren: en terwijl de Vrienden der Menschheid voort gingen met luide

te verkondigen, dat de uitgifte van meer geld alle moeilijkheden zou

oplossen, begon het ongelukkige, geplaagde volk, wien het weinig kon

schelen van welke zijde de verlichting van hun nooden mocht komen,

indien deze slechts kwam, inmiddels luide te morren tegen het, naar

hun meening, onnoodige uitstel der papier-uitgifte.

De reden van dat uitstel was, dat, hoewel in alle kringen van

het eiland een vrijwel volkomen eenstemmigheid heerschte over dit

onderwerp, de formeel vastgestelde datum voor de bijeenkomst der

Volksvertegenwoordiging om de betreffende wetten uit te vaardigen,

nog niet gekomen was.

Eindelijk was de langverwachte dag daar en de Volksvertegenwoordiging

kwam bijeen. Alle bijzondere vrienden van "Meer Geld", van "Ideëel

Geld" en van de "Menschheid" waren afgevaardigden en nauwelijks had de

voorzitter zijn zetel ingenomen of vijftig mannen sprongen op, ieder

met een wetsvoorstel betreffende een onmiddellijke hervorming van het

fiscale stelsel. Het eerste voorstel, dat aangenomen werd, was, dat de

Regeering dadelijk al het geld zou verschaffen, dat noodig was om in

de behoeften van alle menschen en van allen handel en nijverheid te

voorzien en dat het hiervoor uitgegeven geld wettig betaalmiddel zou

zijn voor alle schulden van heden, van het verleden of van de toekomst.

De volgende belangrijke quaestie, die aan de orde kwam was: Op welke

wijze zou de nieuwe en onbeperkte geldvoorraad verdeeld worden? Allen

begrepen onmiddellijk, dat men onmogelijk kon uitgaan van het systeem

van een onbegrensd iets te geven voor een onbegrensd niets; en toch,

wanneer dat niet gebeurde, hoe konden dan zij, die niets hadden en

natuurlijk om deze reden, de meest dringende behoefte hadden aan geld,

dit verkrijgen? Bovendien, om een onbeperkte hoeveelheid nieuw geld

te scheppen, zou men eenige honderdduizenden stukjes papier moeten

hebben met de woorden: "Dit is een dollar". "Dit is tien Dollar", of

"Dit is--(een ander bedrag), in duidelijke, artistieke letterteekens er

op gedrukt, en al die bedrukte papiertjes zouden noodzakelijkerwijze

niet alleen een groot verbruik van papier en inkt vereischen, maar

ook van tijd, terwijl het, vooral met het oog op den handel, van het

grootste belang was, dat er onverwijld zou worden ingegrepen. Daarom

besloot de Volksvertegenwoordiging om het moeilijke vraagstuk van

gelijke verdeeling onder de bevolking maar voorloopig te laten rusten

en allereerst een poging te doen om den handel te verlichten door

de hoeveelheid papiergeld in omloop te verdubbelen. Om dat doel te

bereiken, zonder de Regeering op kosten te jagen voor graveeren, druk,

papier en inkt, werd de bepaling uitgevaardigd, dat ieder, die in

het bezit was van "wettig betaalmiddel" papiergeld, deze biljetten

in twee gelijke helften mocht knippen en die beide stukken papier

zouden dan elk afzonderlijk weer een wettig betaalmiddel zijn voor

het volle bedrag, dat het heele biljet tevoren vertegenwoordigd had.

Op het eerste gezicht scheen dit voorstel, dat aan een ieder,

die geen geld had, belette te deelen in den nieuwen rijkdom, een

schreeuwende onrechtvaardigheid: maar een nadere beschouwing der

zaak bracht de menschen tot de tegenovergestelde conclusie; want

tenzij men voorstelde om het nieuwe geld maar heelemaal weg te geven,

konden toch alleen diegenen, die al geld bezaten, er van krijgen en

wat zij zouden krijgen moest ook in ieder geval naar verhouding zijn

van wat zij reeds bezaten. Daarom werd het wijs geacht, om maar van

te voren rekening te houden met een in alle gevallen onvermijdelijk

gevolg en het nieuwe papiergeld te verdeelen op de aangewezen wijze.

Het Geld van Robinson Crusoe Populaire uiteenzetting omtrent den oorsprong en het gebruik van geld als ruilmiddel · 第 24 / 30 题