OORLOG MET DE KANNIBALEN EN DE GEVOLGEN DAARVAN.

Maar weldra vroegen ernstiger zaken dan het maken en het uitgeven

van geld de aandacht der eilandbewoners. Men zal zich herinneren

dat Vrijdag eertijds op het eiland gebracht was door de Kannibalen

met het doel om gekookt en opgegeten te worden en dat hij voor dit

lot behoed werd door de stoutmoedigheid van Robinson Crusoe, evenals

naderhand ook Vrijdag's vader en anderen van zijn landgenooten. Maar

al waren de Kannibalen destijds verslagen, daarom verloren zij toch

niet tegelijkertijd hun eetlust of de herinnering aan het heerlijke

maal, dat bij die gelegenheid hun neus was voorbij gegaan, en toen het

vleesch schaarsch werd in hun eigen land, bereidden zij een groote

invasie op het eiland voor met het doel om Vrijdag te vangen en te

koken, als hij er nog was, of, bij gebrek aan Vrijdag iedereen, dien

zij vangen konden. Daardoor zagen de eilandbewoners zich plotseling

temidden van een vreeselijken oorlog verplaatst en zij moest strijden

niet alleen voor hunne bezittingen, maar ook voor hun individueel

bestaan.

De regeering was doortastend en energiek, maar om den oorlog te

kunnen voeren moesten er heel wat artikelen verbruikt worden, en

daar er voor de regeering van het eiland--evenals voor alle andere

regeeringen--slechts twee wegen openstonden om artikelen te krijgen

of geld, waarmee die artikelen gekocht konden worden, namelijk:

door het sluiten van leeningen of het heffen van belastingen, werd

het geheele volk te hulp geroepen. Men vreesde evenwel dat het vuur

der vaderlandsliefde niet zoo helder zoude branden als wel wenschelijk

was, wanneer dit beroep op de algemeene hulpvaardigheid werd gedaan in

den vorm van belastingen; daarom werdt het raadzaam geacht om in het

begin maar niet te veel van belastingen te spreken en voornamelijk

zijn toevlucht te zoeken in leeningen, die na den oorlog zouden

worden terugbetaald.

Het volk van zijn kant, gaf met de grootste bereidwilligheid aan dezen

oproep gehoor. Sommigen leverden diensten als soldaten, werklieden en

uitvinders; andere droegen hout bij voor canoes, linnen voor tenten,

ijzer voor speerpunten en geweren, koren en meel, hooi, medicijnen

en geld--kortom allerlei soorten van nuttige dingen en allerlei

voortbrengselen van vroegeren arbeid en spaarzaamheid van den kant

der bijdragers. Daarvoor kregen deze bijdragers op hun beurt van

de Regeering een belofte op papier terug, dat de geleende goederen

(of hun waarde in geld) later terug betaald zouden worden. Men kon

deze beloften in twee soorten onderscheiden; in het eene geval was de

belofte nauwkeurig omschreven tot aan het tijdstip van haar vervulling,

en het bedrag of de waarde, die de belofte inhield, gaf rente. Deze

papieren werden obligatien genoemd. In het andere geval vermeldde de

belofte, hoewel overigens nauwkeurig omschreven, geen bepaald tijdstip,

waarop zij zou worden ingelost en haar bedrag of waarde bracht geen

rente op. Omdat deze laatsten op blauw papier geschreven waren,

werden zij in de wandeling "bluebacks" (blauwruggen) genoemd. Als

het volk een obligatie kreeg, borgen zij die zorgvuldig weg, terwille

van den interest die zich op deze schuldbewijzen zou ophoopen, maar

toen zij de bluebacks kregen, wisten zij eerst niet recht wat zij

daarmee beginnen moesten. In sommige opzichten waren deze papieren

geheel verschillend van alles, wat zij nog ooit gezien hadden, en

toch vertoonden zij weer een groote gelijkenis met de certificaten

van deposito van goud in de openbare bewaarplaats, die zij sinds

eenigen tijd gewoon waren om als papiergeld te gebruiken. En daar

het eene zoowel als het andere een belofte gaf van Regeeringswege

om geld te betalen, scheen er voor het publiek geen goede reden te

bestaan, waarom men beiden niet evengoed als een plaatsvervanger en

een equivalent van geld zou kunnen gebruiken.

Er was echter een groot en wezenlijk verschil, want ieder exemplaar

van hun vroeger papiergeld, bestaande uit een bewijs of certificaat

van een deposito van werkelijk geld, beteekende op zichzelf een

werkelijke vermeerdering van die stof, welke over de geheele wereld

gold als een equivalent voor ieder artikel, dat door arbeid kon worden

voortgebracht; terwijl daartegenover de nieuwe betalingsbeloften,

die de overheid uitgaf in ruil voor goederen, van het volk geleend,

de wezenlijke vernietiging vertegenwoordigden van haast ieder nuttig

en wenschelijk voorwerp, inplaats van een vermeerdering daarvan,

omdat al die geleende artikelen in den strijd tegen de kannibalen

opgebruikt werden. Het volk zag dit evenwel niet in; en omdat zij het

niet inzagen, gingen zij voort met betalingsbeloften, die verlies

en vernieling vertegenwoordigden, te accepteeren en te beschouwen

als gelijkstaande met geld en dus ook met rijkdom; en aangezien de

schepping en uitgifte van dit soort van geld toenam, naarmate de

vernietiging zich uitbreidde, kwamen zij tenslotte tot de conclusie,

dat, hoe meer en sneller zij vernielden, hoe rijker zij allen zouden

worden en dat zij, door een gelukkigen samenloop van omstandigheden

eindelijk dat groote probleem hadden opgelost, waarmee de wereld al

zoo lang verlegen was geweest, nl. "Hoe kan je je pannekoek opeten

en tegelijkertijd behouden?" En om nog nader toe te lichten, hoe

algemeen deze opvatting was doorgedrongen mag vermeld worden, dat

enkelen der meest populaire boeken, die omstreeks dezen tijd op het

eiland werden uitgegeven de volgende beteekenisvolle titels droegen:

"Staatsschuld een Nationale Zegen." "Betaal niet wat Gij Verschuldigd

zijt, een zekere Weg om Rijk te worden." "Trek aan uw schoenveters,

de beste manier om Vooruit te komen in de Wereld," enz.

Ongetwijfeld werd de bevolking van het eiland nog sterker

in haar waan gestijfd door de omstandigheid, dat deze nieuwe

Staats-betalingsbeloften, hoewel zij geen vermeerdering van bezit

beteekenden of een bepaald equivalent waren van eenig voorwerp in

het bijzonder, daarom toch niet tegelijkertijd onbruikbaar werden

als ruilmiddelen. Integendeel fungeerden zij even goed als het

oude papiergeld, als arbeid-uitsparende werktuigen in dien zin,

dat zij soortgelijk werk verrichten als een schip of een locomotief,

n.l. het opheffen van de nadeelen van hinderlijke afstanden tusschen

producent en consument. Maar doordat het nieuwe papiergeld werd een

vertegenwoordiger van een te betalen schuld inplaats van een middel

om een schuld te betalen, verloor het onmiddellijk de belangrijkste

eigenschap, die een goede geldsoort behoort te hebben, daar het

ophield een algemeen equivalent te zijn, of op zichzelf een voorwerp

van waarde in den handel; en daardoor werd het feitelijk onmachtig om

werkelijk de functie te vervullen van een standaard of maatstaf om de

onderlinge waarde van andere dingen te schatten; in dit opzicht was

het al even onbruikbaar als een schip zonder roer of een locomotief

zonder rails om op te rijden. Wie het roer van een schip wegneemt

of de rails opbreekt vóór een locomotief schaadt daarmee niet de

capaciteit van het eerste voertuig om geladen te worden of die van

het tweede om te trekken. Maar als men probeert om een schip, of een

locomotief onder zulke omstandigheden te gebruiken voor de doeleinden,

waarvoor zij gebouwd werden, nl. als vervoermiddelen om den handel

te bevorderen en te vergemakkelijken, dan zou dat zulk een onzekere

en gewaagde onderneming zijn, dat de bezitters der goederen, welke

verhandeld moeten worden, ongetwijfeld een grooten waarborg zouden

verlangen tegen de mogelijke gevaren waaraan hun goederen door de

onbruikbaarheid der vervoermiddelen zouden zijn blootgesteld. En

zoo was het ook gesteld met het blueback-papiergeld van het eiland,

hetwelk, doordat het geen contante waarde meer vertegenwoordigde of

op vertoon omgezet kon worden in een bepaalde hoeveelheid van een of

ander artikel, ook niet langer meer een vast equivalent van iets kon

zijn en een maatstaf om waarde te meten.

Wanneer er op zekeren dag bericht kwam, dat de Kannibalen verslagen

waren, dan kon men met een zeker aantal bluebacks een schepel tarwe

koopen. Maar wanneer er den volgenden dag bericht kwam, dat de troepen

der eilandbewoners teruggedreven waren, ondanks hun dapperheid en dat

het dus niet onmogelijk was, dat iedereen binnen afzienbaren tijd

gekookt en opgegeten zou worden, dan kon men voor hetzelfde getal

bluebacks slechts de helft der hoeveelheid tarwe krijgen. Bijgevolg

legde iedereen bij het verkoopen van goederen, die door verbruik

van tijd en arbeid verkregen waren, iets op de prijzen daarvan toe,

om zich te dekken tegen het op en neergaan van de koopkracht van het

papiergeld, dat hij ontving, of, m.a.w. om er zeker van te zijn, dat

de betaling, die hij ontving, althans voor eenigen tijd gelijkwaardig

zou blijven aan de artikelen, die hij verkocht. Maar daar niemand

voorspellen kon wat de Kannibalen van den eenen dag op den anderen

zouden doen en hoe het in verband daarmee met de koopkracht van het

papiergeld gesteld zou zijn, voelde iedereen bij het verkoopen van

een voorwerp, dat hij een extra risico liep behalve de risico's, die

bij iederen gewonen koop en verkoop voorkwamen. En daar er evenmin

betrouwbare gegevens te vinden waren om deze risico's te voorspellen

als er bestaan om den uitslag van een dobbelspel te voorspellen, sloeg

iedereen maar een slag naar het verzekeringsbedrag, dat er noodig zou

zijn, of, wat op hetzelfde neerkomt, ieder wedde op de koopkracht van

het papiergeld in toekomstige tijden. Iedere handelstransactie kreeg

op deze wijze het karakter van een dobbelspel en het meest werd door

dit alles de geheele arbeidersklasse op het eiland benadeeld; want

deze had nu eenmaal niets anders te verkoopen, dan haar werkkracht,

welke voor het oogenblik haar geheele waarde verliest, wanneer zij

niet dadelijk gekocht wordt, zoodra zij te koop wordt aangeboden,

en waarvan men den verkoopsprijs niet dan met moeite kan veranderen

wanneer die eenmaal is vastgesteld. En daar dit een zeer belangrijke

quaestie is in de finantieele geschiedenis van het eiland, is het

wenschelijk om dit even met eenige bijzonderheden van werkelijke

voorvallen toe te lichten.

De bevolking van het eiland kleedde zich grootendeels in stoffen,

die in andere landen gemaakt werden, en daar het papiergeld van het

eiland ongeschikt was voor uitvoer, werden die stoffen betaald door

uitvoer van goud of van andere artikelen, die in vreemde landen

zonder moeite voor goud geruild konden worden. De stoffen, die

zoodoende met goud gekocht waren, werden tot kleeren verwerkt door

de "confectie"-kleerenhandelaars in de steden en in dezen vorm voor

papiergeld verkocht aan kleinhandelaars op een crediet van drie tot

zes of negen maanden. Was het ruilmiddel in deze transactie betrokken

uitsluitend goud geweest of certificaten, die deposito's van goud

vertegenwoordigden, dan zou de prijs op crediet van de confectie

kleeding gelijk zijn geweest aan den prijs voor contante betaling

met een klein bedrag daarboven voor de rente van den tijd gedurende

welken het crediet zou loopen, en met het oog op mogelijk risico van

niet-betaling; en de verkooper zou er geen oogenblik over hebben

nagedacht of de muntsoort of plaatsvervanger van geld, waarin hij

betaald was, drie, zes of negen maanden later wel dezelfde koopkracht

of waarde zou hebben als op den dag, toen het koopcontract gesloten

werd. Hij mocht er aan getwijfeld hebben of zijn klant hem wel zou

betalen, maar hij zou nooit getwijfeld hebben aan de qualiteit van

datgene, wat hij als betaling moest ontvangen. Daar evenwel het

ruilmiddel in dat gedeelte van de transactie, dat afgewikkeld werd

nadat de stoffen tot kleeren waren verwerkt, noch goud was, noch iets

dat goud vertegenwoordigde en daarom, evenals een schip zonder roer,

of een locomotief zonder rails, ongetwijfeld onbetrouwbaar was als

ruilmiddel, wist de verkooper wel zeker, dat wat hij als betaling voor

zijn goederen zou ontvangen, drie, zes of negen maanden later niet

dezelfde waarde of koopkracht zou hebben als op den dag, toen het

contract gesloten werd. Het kon meer en het kon minder waard zijn,

maar nooit wedde de verkooper op de eerste mogelijkheid of nam hij

deze in aanmerking door iets van den prijs van zijn goederen voor

betaling na zekeren tijd af te trekken; want door een dergelijke

handelwijze zou hij zichzelf van te voren berooven van een mogelijk

voordeel in de toekomst. Maar voor alle zekerheid voelde hij zich

steeds genoodzaakt om te wedden op de tweede mogelijkheid en dan

die weddenschap te dekken door den prijs van ieder ding, dat hij

op crediet verkocht, te verhoogen. Als de koopkracht van het papier

geld door de critieke tijdsomstandigheden sterk flucteerde met korte

tusschenpoozen, dan wedde de verkooper op al zijn verkoopen op crediet

met het oog op de groote risico's, en hij wedde zoodoende iederen dag

tot verschillende prijzen zoodat hij soms tot 10, 15, 20 of zelfs 30%

ging boven den gewonen prijs, welke te samen de som van de kosten,

winst, interest en gewone risico's vertegenwoordigde, om de zekerheid

te hebben dat het betaalmiddel, hetwelk hij ervoor zou ontvangen,

voldoende koopkracht zou bezitten om er evenveel goud voor terug te

koopen als hij destijds voor het goed had moeten geven.

Wanneer daarentegen de waarde van het papiergeld in minder mate

en met grootere tusschenpoozen op en neer ging, dan nam ook

het verzekeringspercentage af, dat aan den verkoopsprijs werd

toegevoegd. Wanneer b.v. een kleerenkoopman goederen verkocht op

drie maanden crediet, voor papiergeld, waarvan de koopkracht zooveel

kleiner was dan die van goud dat er 115 in papier noodig was voor 100

in goud, dan voegde hij 5% bij zijn verkoopprijs of hij wedde, dat

de depreciatie van het papiergeld na die drie maanden uitgedrukt zou

kunnen worden als 120 voor goud, terwijl hij voor een crediet van meer

dan drie maanden veronderstelde dat de kans van depreciatie grooter zou

zijn en om dat risico te dekken, voegde hij een gemiddelde verhooging

van 10% bij zijn prijs. Als er nu aan het eind van het kwartaal 125 in

papiergeld noodig was om 100 in goud te koopen dan verloor de koopman

5% bij afbetaling. Maar als daarentegen de koopkracht van het papier

in tegenovergestelde richting ging en er na drie maanden slechts 110

in papiergeld noodig was om 100 in goud te koopen dan maakte hij een

extra winst van 10% boven zijn gewone en wettige winst, terwijl een

gelijken druk als een nadeel kwam op de schouders der afnemers, [18]

Daar de kooplieden handig waren, leden zij met hun wedden en verzekeren

maar zelden verlies en maakten er zoodanig voortdurend winst mee,

dat sommige kooplieden na eenigen tijd het verkrijgen van dit soort

winst als het voornaamste doel van alle handel gingen beschouwen;

terwijl anderen, met meer kalmte en onderscheidingsvermogen begiftigd,

tot de conclusie kwamen, dat de beste en gemakkelijkste manier om

rijk te worden was om direct te wedden op de wisselende hoeveelheid

papiergeld, die van den eenen dag op den anderen vereischt werd om

dezelfde hoeveelheid goud en andere waardevolle artikelen te koopen,

inplaats van te trachten dat indirect te doen door tusschenkomst van

magazijnen, voorraden van goederen, klerken, kantoorboeken, credieten,

enz. Deze laatsten gaven dus hun zaken er aan en gingen in de taal

van dien tijd "op straat handelen" [19] en voorzagen voortaan in hun

onderhoud door op crediet te verkoopen wat zij niet bezaten en op

crediet te koopen wat zij nooit verwachtten te ontvangen en door hun

winst of verlies te gissen naar gelang van het verschil in prijzen

veroorzaakt door het op en neergaan der waarde van het papiergeld

tusschen den dag van koop of van verkoop en den dag van ontvangst of

van aflevering, kortom, evenals met de tooverviool in het sprookje,

die zoodra men er op speelde, iedereen deed dansen, onverschillig of

het in doornstruiken of op het open veld was, zoo bracht het gebruik

van een papieren ruilmiddel, dat voortdurend in waarde op en neer ging,

omdat het geen constant equivalent was van eenig voorwerp, iedereen,

die maar eenigszins kon, aan het speculeeren; sommigen deden het

omdat zij er van hielden, en anderen omdat zij wel moesten, wilden

zij zich voor groote verliezen behoeden. De breede massa, die niet

gemakkelijk kon speculeeren trachtte zichzelve te beschermen door hooge

prijzen te vragen in ruil voor hun diensten of door minder te geven

naar verhouding van wat zij ontvingen [20], maar op den duur leerden

zij door bittere ervaringen, dat zij niet zoo goed af waren, als zij

wel meenden en dat, als het een gevolg van een al te overvloedig en

niet-voor-iets-equivalent papieren ruilmiddel was om de productie te

vermeerderen, een ander en belangrijker gevolg er van was, dat de

resultaten van de productie ongelijk verdeeld werden, wanneer men

bezittingen van hen, die weinig hadden, overdroeg op hen, die veel

bezaten en zoodoende de rijken rijker en de armen armer maakte.--

Het Geld van Robinson Crusoe Populaire uiteenzetting omtrent den oorsprong en het gebruik van geld als ruilmiddel · 第 20 / 30 题